Als er wat meer licht geweest was had Juda kunnen zien hoe de oogen

zijner moeder fonkelden. Stel voor een oogenblik, hernam zij, dat de

Romein ons den handschoen toewierp, ik zou hem vastberaden te gemoet

treden. Hare stem trilde, een liefelijke herinnering bracht een

wijziging in den vorm harer redeneering.--Uw vader, mijn zoon, is ter

ruste gelegd bij zijne vaderen; maar ik herinner mij als den dag van

gisteren het oogenblik, waarop hij en ik met tal van vrienden opgingen

naar den tempel, om u den Heer voor te stellen. Wij offerden de duiven,

ik gaf den priester uw naam op. In mijne tegenwoordigheid schreef hij

dien in het boek der geslachten van Israël: Juda, zoon van Ithamar, uit

het huis van Hur. Ik zou u niet kunnen zeggen wanneer men met die

inschrijvingen begonnen is. Wij weten echter dat die gewoonte reeds

bestond vóór den uittocht uit Egypte. Ik heb Hillel hooren zeggen, dat

Abraham het register met zijn eigen naam en de namen zijner zonen

geopend heeft, toen God hem riep om zich af te zonderen van de andere

volken, om hem tot den stamvader van zijn eigen uitverkoren volk te

maken.

Ons volk heeft in menig opzicht de wet overtreden, maar op het

geslachtsregister heeft het altijd zeer nauwkeurig toegezien. Hillel

heeft zelf de boeken bestudeerd. Zij loopen over drie perioden: van de

belofte tot aan den tempelbouw, van den tempelbouw tot aan de

ballingschap, van de ballingschap tot op den huidigen dag. Eenmaal

slechts werd het onderbroken en wel op het einde der tweede periode;

maar toen het volk uit de ballingschap was teruggekeerd, heeft

Zerubbabel als een heilige plicht de Boeken in orde gebracht, en ons in

staat gesteld de lijn onzer afkomst gedurende volle twee duizend jaren

rugwaarts te volgen.

Wat blijft nu over, denkt gij, van de Romeinsche pocherij op oud bloed?

Naar dien maatstaf gemeten zijn de zonen Israëls, die op gindsche bergen

de kudden weiden, edeler dan de edelsten onder de Romeinen.

--En ik, moeder, wie ben ik volgens de Boeken?

--Wat ik gezegd heb, mijn zoon, was een inleiding op uwe vraag. Als

Messala hier was zou hij kunnen zeggen, dat wij met zekerheid niet

verder kunnen terugrekenen dan tot den tijd, toen de Assyriërs Jeruzalem

innamen en den tempel van zijne kostbaarheden beroofden; maar dan zou ik

hem op Zerubbabels werk wijzen. Neen, onze registers zijn trouw en

waarachtig, en als gij zo naslaat in omgekeerde orde, eerst tot de

ballingschap, dan tot aan den bouw van den eersten tempel, terug tot aan

den uittocht uit Egypte, dan kunt gij met den vinger aantoonen, dat gij

lijnrecht afstamt van Hur, den tijdgenoot van Jozua. En is u dat niet

genoeg, neem de Torah en doorzoek het boek Numeri, en onder de

tweeënzeventig generaties na Adam kunt gij uw eigen stamvader vinden.

Diepe stilte heerschte een tijdlang in het vertrek, toen zeide Juda:

Dank, lieve moeder, dank. Ziet u wel, dat ik gelijk had, toen ik er den

eerwaarden Hillel niet bij begeerde? Hij kon mij niet zoo goed helpen,

als u. Maar is om een geslacht waarlijk te adelen niets meer noodig dan

tijd?

--O, nu vergeet gij, dat wij nog op iets anders dan op den tijd alleen

bogen. Wij beroemen ons voornamelijk daarop, dat wij door God zijn

uitverkoren.

--U spreekt van het geheele volk, moeder, en ik van een enkel geslacht,

van onze familie. Wat heeft mijne familie gewrocht in de jaren na vader

Abraham, welke groote daden verheffen hen boven anderen?

De moeder was niet dadelijk met een antwoord gereed. Zou zij zijne

bedoeling verkeerd begrepen hebben? De grootste voorzichtigheid werd

hier geëischt, dat voelde zij. Daarom zeide zij: Ik vermoed, mijn zoon,

dat ik met een werkelijken en niet met een denkbeeldigen vijand te doen

heb. Als Messala die vijand is, zeg het dan en laat mij niet in het

duister strijden. Vertel mij alles wat hij gezegd heeft.

* * * * *

VIJFDE HOOFDSTUK.

EEN ISRAËLITISCHE VROUW.

Aldus aangemoedigd deelde Juda zijn moeder uitvoerig mede wat tusschen

hem en Messala was voorgevallen, en stond vooral stil bij de minachting,

waarmede deze over de Joden, hunne gebruiken en beperkten kring

gesproken had. De moeder luisterde zwijgend. Thans begreep zij alles.

Juda was naar het paleis gegaan in de verwachting van na lange scheiding

den speelmakker te zullen weervinden; in plaats daarvan vond hij een

man, die slechts van roem en rijkdom en macht droomde. Gekrenkt in zijn

trots en tevens van een ongekende eerzucht vervuld, was Juda

teruggekomen; de moeder zag het, en niet wetende in welke richting die

eerzucht zich zou ontwikkelen, sloeg haar, de vurige Jodin, de schrik om

't hart. Indien hij eens afgetrokken werd van het aartsvaderlijk geloof!

Kon zij zich iets verschrikkelijkers voorstellen? Neen, dat moest zij

tot iederen prijs zien te voorkomen, en daarom begon zij op vasten,

bijna plechtigen toon: Ieder volk dat wat beteekent houdt zichzelf voor

het grootste. Wanneer de Romein uit de hoogte neerziet op den Israëliet

en hem bespot, dan doet hij slechts wat de Egyptenaar, de Assyriër en de

Macedoniër vóór hem gedaan hebben, en daar de spot tegen God gericht is,

zal het einde hetzelfde zijn.

Er bestaat geen wet, die de opperheerschappij der natiën vaststelt;

daarom is de aanspraak op de opperheerschappij ijdel en de strijd

daarover tevergeefs. Heeft een volk zijn glanspunt bereikt en zijne taak

volbracht, dan sterft het òf zijn eigen dood, òf door toedoen van een

ander volk, dat zijne plaats inneemt, zijne macht erft en nieuwe namen

schrijft op zijne monumenten. Dat is de geschiedenis.

Als iemand mij opdroeg God en den mensch op de eenvoudigste wijze te

symboliseeren, dan zou ik een rechte lijn en een cirkel trekken, en van

de lijn zou ik zeggen: dit is God, want hij beweegt zich onveranderlijk

vooruit, en van den cirkel: dit is de mensch, zijn voortgaan gelijkt een

kringloop. Daarmede wil ik niet zeggen, dat er geen verschil zou zijn

tusschen den voortgang der volken, want geen twee zijn volkomen aan

elkander gelijk. Het verschil ligt echter niet, zooals sommigen meenen,

in de grootte van den cirkel, dien zij beschrijven, maar in de sfeer,

waarin zij zich bewegen. De hoogste sfeer is het dichtst bij God.

Laat ons nu eens zien in welken cirkel het volk der Hebreën en het volk

der Romeinen zich bewegen. Wil men weten in welke verhouding ze tot God

staan, men heeft slechts te letten op het gewone dagelijkse leven.

Daarvan wil ik alleen zeggen, dat Israël God meermalen heeft vergeten,

terwijl de Romeinen Hem nooit gekend hebben. Van vergelijking kan hier

dus geen sprake zijn. Uw vriend, of liever uw voormaligen vriend, heeft,

als ik u goed begrepen heb, beweerd dat wij geen dichters, geen

kunstenaars, of krijgshelden gehad hebben, dus geen groote mannen. Maar

wat is een groot man? Dat is iemand wiens leven doet zien, dat God hem,

zoo niet geroepen, dan toch in zijn werk bevestigd heeft. Een Pers werd

gebruikt om onze vaderen te tuchtigen, hij voerde ze in gevangenschap;

een andere Pers werd verkoren om aan hunne kinderen het heilige land

terug te geven; grooter dan die beiden was echter de Macedoniër, die de

verwoesting van Judea en van den tempel moest wreken.

Wat die mannen in het bijzonder onderscheidde was, dat zij door God

uitverkoren werden, om zijnen raad te volbrengen. Dat zij heidenen waren

verkort hun roem niet. Houd dit vooral in het oog. Menigeen verkeert in

den waan, dat een man zich geen beter levensdoel kan kiezen, dan het

zwaard te trekken. Laat u daardoor echter niet misleiden. Dat de mensch

behoefte heeft om iets te aanbidden is een wet, die zich zal laten

gelden, zoolang er iets is dat wij niet begrijpen. Het gebed van den

barbaar is een angstkreet tot de Kracht, de eenige goddelijke

eigenschap, die hij bevatten kan; vandaar zijn geloof in helden. Wat is

Jupiter anders dan een Romeinse held? De Grieken waren de eersten, die

het Verstand boven de Kracht stelden. In Athene waren redenaar en

wijsgeer meer gezien dan de krijger. Den hardlooper moge men nog steeds

toejuichen, de schoonste lauwerkransen worden voor den zanger bewaard.

Maar was de Griek de eerste, die het oude barbaarsche geloof liet varen?

Neen; die roem komt ons toe. Onze vaderen stelden God in de plaats van

al die valsche godheden. In onzen godsdienst werd de angstkreet

vervangen door het Hosanna en psalmgezang. De Hebreën en Grieken zochten

de menschen voorwaarts en opwaarts te voeren, maar helaas, de Romein,

die de geheele wereld wil overheerschen, stelt den oorlog als volstrekt

noodzakelijk voor, en heeft zijnen keizer geplaatst boven het verstand

en boven God, en hem tot het eenige begrip van macht en grootheid

gemaakt.

De heerschappij der Grieken was de bloeitijd voor het genie. De

schitterende vernuften, de bekwaamste kunstenaars zijn uit dat volk

voortgekomen, zoo zelfs, dat in alles, behalve de krijgskunst, de Romein

bij hen ter schole moest gaan. Op het Forum neemt de redenaar den Griek

tot model, in ieder Romeinsch lied kunt gij den rhytmus der Grieken

opmerken. Als een Romein den mond opent om lessen van wijsheid of

zedenkunde te geven, of de geheimenissen der natuur te behandelen, dan

is hij òf een leerling van de eene of andere Griekse school, òf hij

ontleent zijne wijsheid aan hunne boeken. De Romein kan in niets op

oorspronkelijkheid aanspraak maken, behalve in het voeren van den krijg.

Zijne kampspelen zijn van Griekschen oorsprong, door bloedige

bijvoegselen genietbaar gemaakt voor zijn ruwen smaak. Zijn zogenaamde

godsdienst is samengesteld uit de godsdiensten van andere volken, zelfs

zijn Mars en Jupiter zijn aan den Olympus ontleend.

Ziedaar, mijn zoon, de reden waarom alleen Israël de Grieken hunne

meerderheid kan betwisten, met hen om den voorrang kan strijden. Maar de

zelfzucht van den Romein is zoo hard en ondoordringbaar als metaal.

O, de godvergeten roovers! Onder hunnen voet beeft de aarde, als de

dorschvloer onder den vlegel der dorschers. Met de anderen zijn ook wij

afgevallen; ach, mijn zoon, het is hard dat te moeten erkennen! Onze

hoogste, heiligste plaatsen hebben zij genomen, en niemand kan zeggen

wat het einde zijn zal; maar dit weet ik--zij mogen Judea vernielen en

Jeruzalem, die liefelijke bloem, vertreden, Israëls roem zal blijven

stralen als een lichtende ster; want zijn geschiedenis is Gods

geschiedenis. Hij was hun wetgever op Sinaï, hun leidsman door de

woestijn, in den krijg hun aanvoerder, hun koning. Is het denkbaar, mijn

zoon, dat onze vaderen, met wie Jehova op zulk een wijze verkeerde,

niets van Hem zouden geleerd hebben? dat hunne gewone menschelijke

eigenschappen niet in zekere mate den invloed der goddelijke zonden

hebben ondergaan? dat zij, zelfs na verloop van vele eeuwen, in niets

het hemelsche zouden weerspiegelen?

Zij zweeg eenige oogenblikken, daarna zeide zij: Het is waar, als men

onder kunst alleen de schilder- en beeldhouwkunst verstaat, dan heeft

Israël geen kunstenaars voortgebracht.

Het kostte haar moeite deze bekentenis te moeten doen, want als

Sadduceeuwsche was het haar, in tegenstelling met de Pharizeën,

geoorloofd het schoone in iederen vorm lief te hebben, onverschillig

waaraan het zijn oorsprong te danken had.

--Wil men ons echter rechtvaardig beoordelen, hernam zij, dan moet men

niet vergeten, dat het werk onzer handen gebonden was door het gebod:

Gij zult u geen gesneden beeld noch eenige gelijkenis maken; welks

bedoeling door de Sopherim hoogst willekeurig uitgebreid is. Evenmin

moet men vergeten, dat twee Israëlieten, Bezaliël en Aholiab, de

bouwmeesters van den eersten tabernakel, van wie geschreven staat dat

zij bedreven waren in alle handwerk, de cherubim van het verzoendeksel

gemaakt hebben, lang voordat Daedalus in Attica verscheen en met zijn

houten statuen in de beeldhouwkunst zulk een ommekeer teweegbracht, dat

de scholen van Corinthe en Aegina mogelijk werden en triomfeerden. Van

dicht goud waren de cherubim gemaakt, de beide vleugelen omhoog

uitbreidende, en hunne aangezichten waren tegenover elkander,--zoo staat

er geschreven. Wie zal durven beweren, dat zijn niet schoon waren? Of dat

zij niet de eerste statuen geweest zijn?

--O, nu begrijp ik waarom de Grieken ons voorbijgestreefd zijn, zeide

Juda, die met de grootste belangstelling geluisterd had. En de

ark;--vloek over de Babyloniërs, die haar vernield hebben!

--Neen, Juda, wees gerust. Zij is niet vernield; zij is verloren

geraakt, te goed verborgen in de eene of andere spelonk. Hillel en

Shammai gelooven beiden dat zij eenmaal, op 's Heeren tijd,

teruggevonden zal worden. Dan zal Israël evenals vanouds voor het

aangezicht des Heeren dansen en zingen. En zij, die dan het gelaat der

cherubim mogen aanschouwen, zouden, al hebben zij ook de elpenbeenen

Minerva gezien, als het mogelijk was den Jood de handen kussen, wiens

genie zulk een kunstwerk ontwierp.

De moeder was in hare opgewondenheid welsprekend geworden. Zij hield

even stil om tot kalmte te komen.

--Gij zijt zoo goed, moeder, zeide Juda dankbaar. Shammai zou niet beter

hebben kunnen spreken en Hillel evenmin. U hebt mij weder tot een echten

Israëliet gemaakt.

--Vleier! Ik herhaal slechts wat ik Hillel heb hooren zeggen, toen hij

onlangs in mijne tegenwoordigheid met een Romeinsch sophist redetwistte.

--Nu ja, maar u legt er het leven in.

--Waar ben ik ook weer gebleven? vraagde zij. O ja, ik trachtte onzen

voorvaderen de eer te verzekeren van de eerste statuen gemaakt te

hebben. De beeldhouwkunst, Juda, is niet de eenige kunst; evenmin als de

kunst zelf het eenige is, dat groot genoemd mag worden. Ik stel mij de

groote mannen van vroegere eeuwen voor in groepen en afdeelingen,

volgens hunne nationaliteit; hier de Indiër, daar de Egyptenaar, ginds

de Assyriër, voortgaande onder trompetgeschal en met vliegende vanen,

terwijl rechts en links de voorgeslachten, als eerbiedige bewonderaars

geschaard staan. Ik hoor den Griek zeggen: Ha, de Helleen wijst den weg;

en de Romein antwoordt: Zwijg, uwe plaats is ingenomen door ons, wij

hebben u verre achtergelaten.--En zonder dat de strijders het bemerken

straalt boven die gansche schare een licht, het licht der Openbaring!

Wie zijn de dragers van dat licht? Het oude volk der Hebreën! Klopt uw

hart niet hooger bij die gedachte? Aan dat licht kennen wij hen. Weest

gezegend, onze vaderen, dienstknechten Gods, die het verbond bewaarden!

Gij zijt de leidslieden der menschheid, gij staat aan de spits, en al

ware iedere Romein een Cesar, gij zult die plaats niet verliezen!

Juda was diep bewogen. Ga voort, bid ik u! riep hij. Het is mij, als

hoor ik het geluid van trommelen en reien. Ik wacht op Mirjam en de

vrouwen, die haar volgden.

--Goed, mijn zoon. Als gij het gezang der profetes kunt hooren, dan kunt

gij in uwe verbeelding met mij aan en weg gaan staan, om de uitverkoornen

Israëls aan het hoofd van den optocht te zien voorbijtrekken. Daar komen

zij--eerst de patriarchen, dan de vaders der stammen.

Het is mij als hoor ik de schelletjes hunner kameelen en het blaten

hunner kudden. Maar wie gaat daar zoo alleen te midden van de menigte?

Een oud man; maar zijn oog is niet verduisterd en zijn kracht niet

verzwakt. Hij zag onzen God van aangezicht tot aangezicht. Als de zon in

haren opgang staat hij daar--krijger, dichter, redenaar, wetgever,

profeet. Zijn roem verduistert den roem van alle anderen, zelfs van den

eersten en edelsten der Cesars.

Op hem volgen de richters, dan de koningen, de zoon van Isaï, een held

in den krijg, een dichter van onsterfelijke gezangen; vervolgens zijn

zoon, die alle koningen overtreft in rijkdom en wijsheid. Buig u neder,

mijn zoon! Die nu komen zijn de eersten in hunne soort en tevens de

laatsten. Hun aangezicht is naar boven gericht, alsof zij naar een stem

uit den hemel luisteren. Hun leven was vol zorg, hunne kleederen rieken

naar graven en spelonken. Hoor! een vrouw onder hen spreekt: looft den

Heer, want Hij heeft heerlijk getriomfeerd! Buig u nog dieper voor hen,

mijn Juda; zij waren Gods dienaren en profeten, die in de toekomst

schouwden en opschreven wat zij zagen. Koningen verbleekten bij hunne

nadering, volken sidderden op het geluid hunner stem. De elementen

gehoorzaamden hun bevel. In hunne hand hielden zij zegen en vloek. Zie

den Thisbiet en zijnen knecht Elisa! Zie den droeven zoon van Hilkia!

Zie de drie jonge mannen, die het beeld weigerden te aanbidden; zie hem,

die op het feestmaal de sterrenwichelaars beschaamde. En daar, mijn

zoon, zie den zoon van Amos, van wien de wereld de belofte ontving van

den Messias!

Zij haalde diep adem en ging toen voort: Ik heb u onze groote mannen

getoond, Juda, laat ons nu de besten van Rome bezien. Plaats tegenover

Mozes Cesar, en Tarquinius tegenover David; Sylaa tegenover een van de

Makkabeën; de besten der consuls tegenover de richters; Augustus

tegenover Salomo,--welk een vergelijking!

Zij lachte verachtelijk.

--Vergeef mij, ik dacht aan den waarzegger, die Julius Cesar waarschuwde

tegen den 15den der maand Maart, en stelde mij voor hoe hij de

ingewanden van een kuiken onderzocht, om de kwade voortekens te vinden.

Dank dan eens aan Elia, hoe hij den zoon van Achab voor den toorn Gods

waarschuwt. En ten slotte, met allen eerbied zij het gezegd, hoe zullen

wij Jehova en Jupiter beoordeelen, tenzij dan naar wat hunne dienaren

gedaan hebben in hunnen naam? Wat nu uwe toekomst betreft, mijn zoon,

dien de Heer, den God van Israël, niet Rome. Voor een zoon van Abraham

bestaat geen andere roem, dan die welke in 's Heeren dienst te behalen

is.

--Mag ik dus soldaat worden?

--Waarom niet? Heeft Mozes God niet den Heer der heirscharen genoemd?

Beiden zwegen eenige oogenblikken, toen hernam de moeder: Ik geef u mijn

toestemming, indien gij namelijk den Heer onzen God en niet den keizer

zult dienen.

Juda nam die voorwaarde aan, en daar moeder en zoon stil bleven zitten,

ieder in eigen gedachten verdiept, viel de knaap weldra in een zoete

sluimering. Toen stond de moeder op, legde hem een kussen onder het

hoofd, spreidde een deken over hem uit, en verliet zachtkens het

vertrek.

* * * * *

ZESDE HOOFDSTUK.

HET ONGELUK.

Toen Juda ontwaakte was de zon reeds boven de bergen verrezen; de duiven

fladderden over het platte dak, of zaten kirrend op den rand der

borstwering. In het zuidoosten staken de vergulde tinnen des tempels,

badend in de zonneschijn, heerlijk af tegen de diep blauwe lucht. Maar

daar had Juda geen oogen voor, want op den divan, vlak bij hem, zat een

bevallig meisje van ongeveer vijftien jaar. Zij speelde op de harp en

zong daarbij met zachte, welluidende stem.

Toen zij haar lied geëindigd had liet zij de handen in den schoot rusten

en zag hem aan, als verwachtte zij dat hij het gesprek beginnen zou. Wij

willen van dat oogenblik gebruik maken, om het meisje aan onze lezers

voor te stellen en tevens enkele bijzonderheden mede te deelen aangaande

Juda's ouders.

Herodes was tijdens zijn leven zeer mild geweest met het bewijzen van

vorstelijke gunstbetoon aan lieden, die hij onderscheiden wilde, zoodat

menig Israëliet in het bezit gekomen was van een groot vermogen. Trof

het nu samen, dat zulk een bevoorrechte bewijzen kon, dat hij in rechte

lijn afstamde van een beroemd man, met name uit het geslacht van Juda,

dan werd hij gerekend te behooren tot de "Vorsten van Jeruzalem", eene

onderscheiding, die hem de onderdanigheid zijner minder bevoorrechte

landslieden verzekerde en de achting, zoo niet meer, van de heidenen,

met wie maatschappelijk verkeer of handelsbetrekkingen hem in aanraking

brachten.

De vader van Juda was één dier Vorsten van Jeruzalem geweest. Steeds

gedachtig aan zijne nationaliteit, die hij nooit verloochende, had hij

toch den koning trouw gediend, zoowel binnen-als buitenlands, en overal

had hij de achting verworven van aanzienlijken en geringen. Meermalen

met eene zending naar Rome belast, had hij de aandacht van Keizer

Augustus getrokken, die zich beijverde zijne vriendschap te winnen.

Dientengevolge was zijn huis vol van vorstelijke geschenken, zooals

purperen gewaden, elpenbeenen zetels, gouden drinkschalen; hoofdzakelijk

van groote waarde om de keizerlijke hand die ze hem vereerd had. Zulk

een man moest wel rijk zijn; maar hij dankte zijn vermogen niet alleen

aan zijn hooge begunstigers. Hij had de wet, die hem tot werken

verplichtte, gehoorzaamd; maar in plaats van zich tot één ambt te

bepalen, had hij zich een veelzijdigen werkkring geschapen. Tal van

herders, die in de vlakte en op de heuvelen rondom Jeruzalem de kudden

weidden, noemden hem heer; in zeesteden zoowel als in de binnenlanden

stichtte hij handelshuizen; zijne schepen brachten hem zilver uit

Spanje, welks mijnen onder de toenmaals bekende tot de rijkste gerekend

werden; en tweemalen 's jaars keerden zijne karavanen uit het Oosten

terug, beladen met zijden stoffen en specerijen. Hij was een geloovig

Hebreër, die stipt de wetten en gebruiken naleefde, een trouw bezoeker

van tempel en synagoge, goed onderwezen in de heilige Schriften. Het

verkeer met de wetgeleerden zocht hij bij voorkeur, en de achting, die

hij Hillel toedroeg, grensde aan vereering. Toch was hij niet eenzijdig.

Zijn gastvrijheid strekte zich uit tot de zonen van alle landen, ja de

Pharizeën beweerden zelfs, dat hij meer dan eens Samaritanen aan zijne

tafel ontvangen had. Was hij een heiden geweest en in leven gebleven,

dan zou hij mogelijk de mededinger van Herodes Atticus geworden zijn;

maar hij was nu tien jaren geleden in de kracht van den mannelijken

leeftijd op zee verongelukt, door geheel Judea betreurd. Met zijne

weduwe en zijn zoon hebben wij reeds kennis gemaakt, thans willen wij

zijn dochter beschouwen, het meisje, dat door haar gezang den broeder

wekte.

Zij heette Tirza, en geleek sprekend op Juda. Haar gelaatstrekken, even

regelmatig als de zijne, waren dubbel bekoorlijk door de uitdrukking van

kinderlijke onschuld, die er over verspreid lag. Zij was in dit vroege

morgenuur hoogst eenvoudig gekleed. Een wijde tunica, vastgeknoopt op

den rechterschouder, en onder den linkerarm doorgaande, dekte haar

losjes en werd om het middel vastgehouden door een fijn gouden gordel.

Op het hoofd droeg zij een zijden mutsje met afhangende kwast. Gouden

oor- en vingerringen, kostbare arm- en enkelbanden, benevens een kunstig

bewerkt halssieraad, voltooiden haar toilet. Oogleden en vingertoppen

waren naar het toenmalig gebruik geverfd. Twee lange haarvlechten hingen

haar op den rug, terwijl op iedere wang vlak voor het oor een gekrulde

lok rustte. Een liefelijke, bevallige verschijning was de jeugdige Tirza

ongetwijfeld.

--Heel mooi, Tirza, heel mooi! zeide Juda levendig.

--Het lied? vraagde zij.

--Ja, en de zangster ook. Waar hebt gij het opgedaan?

--Herinnert gij u den Griek nog, die een paar weken geleden in het

theater zong? Men zei, dat hij lofzanger geweest was van Herodes en

zijne zuster Salome. Hij trad op na een paar kampvechters, terwijl er

heel wat leven en beweging was; maar zoodra hij begon te zingen werd het

zoo stil, dat ik woord voor woord kon verstaan. Hij heeft mij het lied

gegeven.

--Maar hij zong in het Grieksch.

--En ik in 't Hebreeuwsch.

--Ja, ja, en daarom ben ik trotsch op mijn zusje. Hebt gij nog meer van

die liedjes?

--Meer dan een zelfs; maar nu niet. Amrah zond mij om u te zeggen, dat

zij u hier uw ontbijt zal brengen en dat gij niet beneden hoeft te

komen. Zij had al hier moeten zijn. Zij denkt dat gij ziek zijt, dat u

gisteren iets verschrikkelijks is overkomen. Wat was het? Vertel het

mij, dan zal ik Amrah helpen om u beter te maken. Zij kent de

geneesmiddelen van de Egyptenaars; maar die geven niets. Ik heb echter

verscheidene Arabische recepten, die--

--Nog minder helpen, dan de Egyptische, zeide hij hoofdschuddend.

--Meent ge dat waarlijk? Heel goed, dan zullen wij ze laten waar zij

zijn. Ik heb iets dat veel beter en zekerder helpt, een amulet, die,

ik weet niet hoe lang geleden, aan iemand van onze familie gegeven werd

door een Perzisch toovenaar. Kijk, en zij nam den ring uit haar

linkeroor--het inschrift is bijna uitgesleten.

Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde · 第 5 / 32 段