De Romein glimlachte, alsof hij zich gestreeld voelde en hief het hoofd

trotsch omhoog. O, plechtstatige Juda, wij zijn niet te Dodona. Laat

dien orakeltoon varen, druk u duidelijk uit. Waarmede heb ik u gegriefd?

De ander haalde diep adem, trok de koorden van zijn kleed wat stijver

aan en zeide: In die vijf jaren heb ik ook wel wat geleerd. Hillel moge

niet gelijk staan met uw onderwijzer in de logica, en Simeon en Shammai

niet in één adem te noemen zijn met uw leeraar bij het Forum; maar hunne

leer gaat niet op verboden wegen. Die aan hunne voeten zit, gaat heen

vervuld met de kennisse Gods, met de kennis der wet en van Israël; en de

vrucht daarvan is liefde en eerbied voor alles wat daarop betrekking

heeft. Door het bijwonen der vergaderingen van den Grooten Raad en het

bestudeeren van hetgeen ik daar vernam, ben ik tot het inzicht gekomen,

dat Judea niet is wat het vroeger was. Ik ken het onderscheid tusschen

een onafhankelijk koninkrijk en de weinig beteekende provincie, die

Judea thans is, en zou een nietswaardige zijn, ellendiger nog dan een

Samaritaan, indien de vernedering van mijn land mij niet diep ter harte

ging. Ismaël is niet de rechtmatige hoogepriester, en kan dat niet zijn,

zoolang de edele Annas leeft; maar toch is hij een Leviet, een van de

Godgewijden, die duizenden van jaren den Heer onzen God gediend hebben

naar onze wetten. Zijn--

Messala viel hem spotachtig lachend in de rede en zeide: O, nu begrijp

ik u. Ismaël is, zegt gij, een indringer; maar dat ik een Idumeër eer

gelooven zou dan hem steekt u,--bij alle goden van den Olympus, wat zijt

gij, Joden, toch zeldzame wezens! Menschen en dingen, hemel en aarde

veranderen, maar een Jood verandert nooit. Voor hem bestaat geen voor-

of achterwaarts; hij is wat zijne voorvaders in het begin waren. Kijk,

ik trek een cirkel in het zand--zoo! en toon mij nu eens aan, waarin het

leven van een Jood verschilt. In de rondte, in de rondte, Abram hier,

Izaäk en Jakob daar, God in het midden. En de cirkel,--bij den

dondergod! de cirkel is nóg te groot. Ik zal een nieuwen trekken.

Hij zweeg, zette zijn duim op den grond en draaide er met de

uitgestrekte vingers omheen. Kijk, mijn duim wijst de plaats aan waar de

tempel staat, met de vingertoppen trek ik de grenzen van Judea. Is er

buiten die grenzen iets, dat ulieden belang inboezemt? De kunsten

misschien? Herodes was een bouwmeester, daarom is hij vervloekt.

Schilder- of beeldhouwkunst? Het beschouwen van hare voortbrengselen is

zonde. De dichtkunst hebt gij gebonden aan uwe altaren. Wie van u waagt

het als redenaar op te treden, behalve in de synagoge? In den oorlog

verliest gij op de zevenden dag alles wat gij op de zes voorafgaande

gewonnen hebt. Zoo is uw leven, uw gezichtskring. Wie zal mij ten kwade

duiden als ik daarover lach? Wat is uw God, tevreden met de aanbidding

van zulk een volk, vergeleken met onzen Jupiter, die ons zijne adelaars

afstaat, om er de gansche wereld mee te veroveren? Hillel, Simeon,

Shammai, wat zijn die allen, vergeleken met de meesters, die ons leeren

dat alles wat geweten kan worden wetenswaard is?

De Jood stond op, zijne oogen schoten vuur.

--Neen, neen, blijf zitten, Juda, blijf zitten, riep Messala, de hand

naar hem uitstrekkende.

--Gij bespot mij.

--Luister nog even, zeide Messala lachend. Ik ben u werkelijk dankbaar,

dat gij het oude huis uwer vaderen verlaten hebt om mij hier te komen

verwelkomen en onze vroegere vriendschap weder aan te knoopen, indien

ons dat mogelijk is. Ga, zeide mijn leermeester bij zijn laatste les,

ga, en zoo gij beroemd wilt worden, bedenk dan dat Mars regeert en Eros

zijne oogen gevonden heeft. Hij bedoelde: liefde is niets, oorlog alles.

Zoo is het in Rome. Het huwelijk is de eerste stap tot echtscheiding.

Eros is gevallen, Mars regeert. Ik word soldaat; maar u, Juda, beklaag

ik, want wat kunt gij worden?

Juda zweeg.

--Ja, ik beklaag u, arme Juda. Van de school in de synagoge, dan naar

den tempel, en dan, o heerlijkheid, een zetel in het Sanhedrin. Een

leven zonder vooruitzichten! Maar ik--en Juda zag hem in het van

overmoed stralend gelaat,--maar ik--nog is de wereld niet veroverd. De

zee bergt onbekende eilanden. In het noorden leven nog volken, waarmede

wij een lans kunnen breken. Alexanders tocht naar het verre oosten te

voleindigen blijft nog voor den een of ander over. Hoevele gelegenheden

heeft een Romein dus om zich te onderscheiden.

Na een korte pauze hervatte hij: een veldtocht naar Afrika, een

veldtocht naar Scythië, dan--een legioen! De meesten eindigen hunne

loopbaan daarmede, niet alzoo ik. Ik, bij Jupiter, welk een

vooruitzicht, ik zal mijn legioen opgeven voor een prefectuur. En wat

wil dat niet zeggen! een leven in Rome met geld--geld, wijn, vrouwen,

spelen, dichters bij het feestmaal, intriges aan het hof, dobbelspel het

gansche jaar door. Ziedaar het leven dat ik verlang--een voordeelige

prefectuur, en ik heb alles wat ik begeer. O Juda! hier is Syrië! Judea

is rijk; Antiochië een hoofdstad voor de goden. Ik word de opvolger van

Cyrenius, en gij--zult mijn geluk met mij deelen.

Romeinsche sophisten en rederijkers zouden Messala waarschijnlijk

toegejuicht hebben; maar den jongen Jood klonken deze dingen vreemd in

de ooren. Het was zoo geheel anders dan hij gewoon was. De wetten en

zeden van zijn volk lieten satire noch humor toe, geen wonder dus dat

hij met gemengde gewaarwordingen naar zijn vriend luisterde, het eene

oogenblik verontwaardigd, het andere niet wetende wat er van te maken.

Messala's hooghartige houding had hem dadelijk onaangenaam getroffen,

weldra werd zij hem zeer hinderlijk, ten slotte onverdragelijk. In zulke

gevallen is men licht geneigd tot toorn, en niet dan met de grootste

moeite bedwong Juda zich, om met een stijf lachje te kunnen zeggen:

Ik heb wel eens hooren beweren, dat er menschen zijn, die met hunne

toekomst kunnen spotten; ik bemerk dat ik niet tot hun getal behoor.

De Romein zag hem onderzoekend aan en zeide: Waarom zou men de waarheid

niet even goed in schertsenden vorm mogen voorstellen, als in een

parabel? Onlangs ging de groote Fulvia visschen; zij ving meer dan het

geheele overige gezelschap te samen. De reden daarvan was, zeide men,

dat zij een gouden haak aan haar hengel had.

--Dan was wat gij daar straks zeidet niet alles in scherts gezegd?

--Vriend Juda, ik zie dat ik u niet genoeg geboden heb. Zoodra ik

prefect ben, met Juda om mij te verrijken, maak ik u tot hoogepriester.

Juda wendde zich toornig af.

--Ga niet heen, bad Messala.

De ander bleef besluiteloos staan.

--Groote goden, Juda, wat wordt het warm! riep de Romein, om een wending

aan het gesprek te geven. Laat ons een plekje in de schaduw zoeken.

Maar Juda antwoordde koel: Het is beter als wij van elkander gaan.

Ik wilde dat ik niet gekomen was. Ik zocht een vriend en vond--

--Een Romein, vulde Messala aan.

Juda balde de vuisten krampachtig; maar zich nogmaals bedwingende ging

hij heen. Messala stond op, nam zijn mantel, wierp dien over zijn

schouder en volgde zijn vriend. Toen hij hem ingehaald had legde hij

zijn hand op Juda's schouder en liep naast hem voort. Weet gij nog wel,

zeide hij, dat wij als kinderen altijd zoo liepen, ik met mijn hand op

uw schouder? Laat ons zoo voortgaan tot aan de poort?

Messala deed klaarblijkelijk zijn best om ernstig en vriendelijk te

zijn; maar zijn gelaat behield de gewone spotachtige uitdrukking. Juda

onttrok zich niet aan dat bewijs van toenadering.

--Gij zijt een knaap, ik ben een man; sta mij toe als man tot u te

spreken.

Het zelfbehagen, waarmede de Romein dit zeide, was werkelijk eenig.

Mentor, den jongen Telemachus wijze lessen gevende, had het hem niet

kunnen verbeteren.

--Gelooft gij aan de Parcen? Maar 't is waar, ik vergat dat gij een

Sadduceër zijt. De Esseërs, dat zijn bij u de verstandige lieden; zij

gelooven aan de zusters. Ik ook. Wat zit dat drietal ons altijd in de

weg bij het plannen maken! Ik ben bezig een plan te maken. Ik baken mijn

weg af, hierheen en daarheen, bij Apollo, op het oogenblik dat ik de

hand uitstrek om mijn doel te bereiken, hoor ik achter mij haar schaar

knarsen. Ik zie om, en daar is zij!--Maar Juda, waarom werdt gij half

razend toen ik van de mogelijkheid sprak, dat ik Cyrenius zou opvolgen?

Dacht gij dat ik mijzelven wilde verrijken door uw Judea te plunderen?

En gesteld dat het zoo was, op een goeden dag zal de eene of andere

Romein dat zeker doen--waarom ik dan niet?

Juda vertraagde zijnen stap.

--Vreemde overheerschers hebben Judea onderdrukt, voordat de Romeinen

het onderwierpen, zeide hij op plechtigen toon. Waar zijn zij gebleven,

Messala? Judea heeft ze allen overleefd. Wat eenmaal was zal wederom

zijn.

Op luchthartigen toon antwoordde Messala: De Parcen hebben nog meer

aanhangers behalve de Esseërs. Welkom, Juda, gij zijt een van de haren.

--Neen, Messala, reken mij daar niet toe. Mijn geloof rust op de rots,

die de grondslag was van het geloof mijner vaderen--op het verbond van

den God van Israël.

--Veel te hartstochtelijk, Juda! Wat zou mijn leermeester zich geërgerd

hebben, als ik mij in zijne tegenwoordigheid zoo had durven opwinden! Er

waren nog andere dingen, die ik u had willen vertellen; maar nu durf ik

niet.

Zwijgend gingen zij een eind verder, toen begon Messala weer: Ik geloof

dat gij thans wel weder in staat zijt om naar mij te luisteren, vooral

omdat wat ik te zeggen heb uzelven betreft. Ik zou u, mijn schoone

Ganymedes, gaarne van dienst zijn. Ik houd van u, zooveel als ik maar

kan. Ik zeide u, dat ik van plan ben soldaat te worden. Waarom zoudt gij

mijn voorbeeld niet volgen? Waarom zoudt gij niet uit den engen cirkel

stappen, waarin uw leven besloten moet zijn, wanneer gij hier blijft?

Juda gaf geen antwoord.

--Wie zijn in onze dagen de wijzen? vervolgde Messala. Niet zij die hun

leven doorbrengen in twisten over doode zaken, over Baäls, Jupiters en

Jehova's, over wijsbegeerten en godsdiensten. Noem mij één grooten naam,

onverschillig waar gij hem vandaan haalt--uit Rome, Egypte, het Oosten,

of hier uit Jeruzalem, en Pluto moge mij hebben, als die naam niet

toebehoort aan een man, die zijn roem schiep uit het materiaal, dat het

tegenwoordige hem verschafte, die iets heilig achtte, dat hem niet

diende, en iets verachtte, dat hem zijn doelwit kon helpen bereiken.

Hoe was het met Herodes? Hoe met de Makkabeën? Hoe met den eersten en

tweeden keizer? Volg hen na. Begin vandaag nog. Rome is even

bereidwillig om u te helpen, als den Idumeër Antipater.

De Joodschen knaap trilde van toorn, en daar de poort openstond

versnelde hij zijnen stap, om zoo spoedig mogelijk vrij te zijn. O Rome,

Rome, mompelde hij.

--Wees wijs! zeide Messala. Geef de dwaasheden van Mozes en de

overleveringen op. Beschouw de werkelijkheid zooals zij is. Heb den moed

om de Parcen in de oogen te zien en zij zullen u zeggen: Judea is wat

Rome wil, dat het zijn zal.

Thans waren zij aan de poort gekomen. Juda stond stil en zag Messala

aan, de oogen vol tranen. Ik begrijp u, zeide hij, omdat gij een Romein

zijt; gij kunt mij niet begrijpen, omdat ik een Israëliet ben. Gij hebt

mij pijn gedaan door mij te doen gevoelen, dat wij nooit meer de

vrienden kunnen zijn, die wij vroeger waren--nooit meer. Hier scheiden

wij. De vrede van den God mijner vaderen zij met u!

Messala bood hem de hand, maar Juda ging de poort door en verdween. De

Romein bleef een oogwenk peinzend staan, toen ging ook hij verder met de

woorden: Het zij zoo. Eros is dood, Mars regeert!

* * * * *

DERDE HOOFDSTUK.

JUDA THUIS.

Juda stapte intusschen haastig voort, verscheidene straten door, totdat

hij een hecht, vierkant gebouw bereikte, waar hij aanklopte. Toen hem

was opengedaan, trad hij een smalle gang in, aan beide zijden van

steenen banken voorzien, zwart van ouderdom. Aan het einde van die gang

voerde een trap van vijftien treden naar een binnenplaats, aan drie

zijden door het huis ingesloten, hetwelk beneden verdeeld was in vakken,

terwijl de bovenverdieping van terrassen voorzien was. De bedienden, die

af en aan gingen, het geluid van malende molensteenen, de kleedingstukken,

die aan de drooglijnen hingen, de kippen en duiven, de geiten, koeien,

ezels en paarden in de vakken gestald, een groote waterbak--alles toonde

duidelijk aan, dat deze binnenplaats voor huishoudelijke doeleinden

gebruikt werd. Aan de oostzijde was een tusschenmuur, waardoor een poort

toegang verleende tot een tweede plaats, ruim en vierkant, in een hof

herschapen door heesters en klimplanten, bloeiend en frisch gehouden

door een fontein in het midden. Hier waren de vakken tot vertrekjes

ingericht, hoog, luchtig, en van wit- en roodgestreepte voorhangsels

voorzien. Uit dezen hof voerde een trap naar de terrassen op de

bovenverdieping, vanwaar een tweede trap naar het platte dak leidde, dat

rondom door een borstwering omgeven was. Uit de geheele inrichting van

deze woning kon men zien, dat de bewoners lieden van aanzien waren.

In den hof gekomen begaf Juda zich tusschen het bloeiend struikgewas

door naar de trap, om het terras te bereiken en zijn eigen kamer op te

zoeken. Het zware gordijn oplichtende, dat den toegang afsloot, trad hij

binnen en wierp zich voorover op den divan. Zoo bleef hij uren liggen,

totdat tegen den avond een vrouw op den drempel verscheen en zijn naam

noemde. Op zijn toestemming trad zij binnen. Het avondeten is gebruikt,

zeide zij, het is geheel donker. Heeft mijn zoon geen honger?

--Neen.

--Zijt gij ziek?

--Ik heb slaap.

--Uwe moeder heeft naar u gevraagd.

--Waar is zij?

--In het zomerhuisje op het dak.

Juda richtte zich op en zat overeind. Heel goed, breng mij iets te eten.

--Wat zal ik u brengen?

--Wat gij wilt, Amrah. Ik en niet ziek; maar het is mij alles

onverschillig. Het leven lacht mij niet meer zoo vriendelijk toe als van

morgen. 't Is een nieuwe ziekte, Amrah; en gij, die mij zoo goed kent en

mij altijd in alles geholpen hebt, moet nu maar eens iets bedenken, dat

te gelijk tot voedsel en medicijn kan dienen. Breng mij dus wat gij

noodig oordeelt.

Amrah's vragen en haar zachte sympathieke toon spraken van een innige

verhouding tusschen die beiden. Zij legde hare hand op zijn voorhoofd,

en verwijderde zich toen zeggende: Ik zal er voor zorgen. Een poosje

later kwam zij terug en bracht op een houten blad een beker wijn, een

kom melk, een paar sneedjes wittebrood, een stuk gebraden kip, honing en

zout, en een bronzen lamp. Nu schoof Amrah een tafeltje aan, zette het

blad daar op en knielde naast den divan neder om den knaap te bedienen.

Oogenschijnlijk was zij een vrouw van vijftig jaren, donker van

uitzicht, donker van oogen. Een witte tulband bedekte haar hoofd, de

oorlapjes echter vrij latende, die het merkteeken droegen van haren

stand in de maatschappij.

Zij was een Egyptische slavin, aan wie zelfs het heilige vijftigste jaar

niet de vrijheid zou hebben kunnen hergeven, wat zij overigens ook niet

begeerde, want de knaap, dien zij verzorgde, was haar lief als haar

leven. Zij had hem van zijn vroegste jeugd verpleegd en vond daarin haar

geluk.

Hij sprak slechts eenmaal gedurende den maaltijd. Amrah, herinnert gij u

Messala nog, die vroeger soms heele dagen bij mij kwam?

--Zeker.

--Hij ging eenige jaren geleden naar Rome en is nu teruggekomen. Ik ben

van middag bij hem geweest.

Een beweging van onwil maakte Amrah alles duidelijk. Ik begreep dadelijk

dat u iets onaangenaams was overkomen, zeide zij hartelijk. Ik heb nooit

van dien Messala gehouden. Vertel mij alles.

Juda verviel echter in een mijmering en antwoordde op haar dringend

vragen alleen dit: Hij is zeer veranderd en ik wil niets meer met hem te

doen hebben.

Toen Amrah het blad wegnam stond ook Juda op en begaf zich naar het

platte dak.

In het oosten wordt het dak van het huis tot allerlei doeleinden

gebruikt. De hitte drijft gedurende de middaguren den gemaklievende in

de koele, donker gemaakte vertrekken. Zoodra echter de zon ten ondergang

neigt, komt hij naar buiten en begeeft zich op het platte dak zijner

woning, dat hem en de zijnen tot huiskamer, salon, speelplaats,

bidvertrek dient. Worden in kouder klimaat geen kosten gespaard om het

inwendige van een huis te verfraaien, in het oosten besteedt men de

meeste moeite om het platte dak geriefelijk, zelfs weelderig in te

richten. De hangende tuinen van Babylon kunnen ons een denkbeeld geven

hoever dat streven eindelijk ging.

Juda stak het dak over naar de torenkamer in den noordwestelijken hoek

van het huis. Den voorhang ter zijde schuivende trad hij binnen. Het was

er donker; maar daar aan vier zijden boogvormige openingen waren

aangebracht, kon men de sterren aan den hemel zien schitteren. In een

van die openingen rustte een vrouw in halfliggende houding op een divan.

Toen zij hem hoorde naderen liet zij haren waaier op de knie zinken en

riep: Juda, mijn zoon!

--Hier ben ik, moeder, antwoordde hij, en knielde voor haar neder,

terwijl zij beide armen om zijn hals sloeg en hem teederlijk kuste.

* * * * *

VIERDE HOOFDSTUK.

JUDA'S MOEDER.

De moeder hernam hare gemakkelijke houding en de zoon zette zich op den

grond, het hoofd tegen hare knie geleund. Beiden staarden door de

opening over de lagere huizen naar de bergen in het westen. Rondom hen

heerschte diepe stilte, alleen een zacht windje ruischte door de lucht.

--Amrah heeft mij verteld dat u iets onaangenaams is overkomen, zeide

zij zacht.--Toen mijn Juda nog een kind was, mocht hij zich door

kleinigheden laten ontstemmen; maar nu hij een man geworden is moet hij

niet vergeten, dat hij eenmaal mijn held zal zijn.

Zij sprak in de taal, waarvan men zich slechts zelden meer bediende;

maar die bij enkele aanzienlijke familiën in eere gehouden werd, om het

onderscheid tusschen Joden en Heidenen scherp af te teekenen, de taal,

waarin Rebekka en Rachel hare kinderen in slaap zongen.

Die woorden stemden Juda weder tot nadenken. Na een poosje echter greep

hij de hand, waarmede zij hem koelte aanbracht, en zeide: Ja moeder,

vandaag is mij allerlei door het hoofd gegaan, waaraan ik nog nooit

gedacht heb. Zeg mij allereerst: wat moet ik worden?

--Heb ik het u niet reeds gezegd? Gij moet mijn held worden.

Hij kon haar gelaat niet zien, maar hij wist dat zij scherste. Op

ernstigen toon zeide hij: Wat zijt gij toch lief en goed, moeder.

Niemand kan ooit zooveel van mij houden als u.

Hij kuste herhaaldelijk hare hand.--Ik begrijp wel waarom u mijne vraag

niet dadelijk wilt beantwoorden. Tot nu heeft mijn leven u behoord. Hoe

zacht, hoe liefelijk was uwe leiding. Ik wilde dat het altijd zoo kon

blijven; maar dat is onmogelijk. Het is des Heeren wil, dat ik eenmaal

mijzelven zal toebehooren--een droevige dag, een dag van scheiding wacht

ons. Laat ons moedig en ernstig zijn. Ik wil uw held worden; maar u moet

mij helpen. U kent de wet--ieder Israëliet moet een bepaalden werkkring

hebben. Ik zoo goed als een ander, en daarom vraag ik: Wat zal ik

worden? Zal ik de kudden verzorgen? of den akker bebouwen? of de zaag

ter hand nemen? of zal ik schrijver of schriftgeleerde worden? Wat zal

het zijn? Lieve, goede moeder, help mij het antwoord vinden.

--Gamaliël heeft zeker vandaag een voordracht gehouden, zeide zij op

peinzenden toon.

--'t Is mogelijk; maar ik was niet onder zijn gehoor.

--Dan hebt gij gewandeld met Simeon, die, naar men zegt, het talent van

zijne familie geërfd heeft.

--Neen, ik heb hem niet gezien. Ik ben in het paleis geweest, niet in

den tempel. Ik heb den jongen Messala een bezoek gebracht.

Een zekere verandering in zijn toon trok de aandacht der moeder. Een

angstig voorgevoel versnelde haar harteklop. De waaier bleef weder

rusten.

--Messala? Wat kon die zeggen om u onrustig te maken?

--Hij is zeer veranderd, moeder.

--Gij bedoelt, dat hij als Romein terugkwam?

--Ja.

--Romein, herhaalde zij half tot zichzelve, dat wil overal zeggen:

heerscher. Hoe lang is hij weg geweest?

--Vijf jaar.

Zij hief het hoofd een weinig op en staarde naar buiten.

--Wat Messala zeide, moeder, was op zichzelf scherp genoeg; maar de

manier waarop hij het deed was soms overdragelijk.

Ik geloof dat ik u begrijp. Rome, haar dichters, redenaars senatoren,

hovelingen, zij zijn allen evenzeer verzot op satire.

--Ik geloof dat alle machtige volken trotsch zijn, zeide Juda, maar de

trots van dat volk lijkt nergens naar. Het is tegenwoordig zoo erg, dat

hunne goden ternauwernood aan hunnen spot ontkomen.

--De goden! zeide de moeder levendig, meer dan één Romein heeft

goddelijke eerbewijzen als zijn recht geëischt.

--Zie, moeder, Messala is altijd min of meer behept geweest met die

onaangename eigenschap. Toen hij nog een kind was heb ik hem meermalen

vreemdelingen zien bespotten, die toch door Herodes met eerbewijzen

worden ontvangen; maar mij liet hij altijd ongemoeid. Vandaag heeft hij

voor het eerst op gekscherenden toon gesproken over onze gebruiken en

onzen God. Ik heb voorgoed met hem gebroken. Maar nu, lieve moeder,

wilde ik gaarne met zekerheid weten, of er werkelijk een grond bestaat

voor de minachting, waarmede de Romein ons behandelt. In welk opzicht

ben ik zijn mindere? Waarom zou ik mij ooit, zelfs in tegenwoordigheid

des keizers, als een slaaf gevoelen? Zeg mij bovenal waarom ik niet, als

ik er den lust toe had, wereldsche eer in al haren omvang mag najagen?

Waarom mag ik het zwaard niet dragen en ten strijde trekken? Waarom mag

ik niet als dichter alle onderwerpen bezingen? Ik mag de edele metalen

bewerken, de kudden weiden, een koopman zijn, maar waarom niet een

kunstenaar, zooals de Grieken? Zeg mij dat, moeder, en dat is eigenlijk

wat mij kwelt: waarom mag een zoon van Israël niet alles doen wat een

Romein doet?

De moeder richtte zich op en antwoordde: Mijn zoon, Messala was als kind

door zijnen omgang met u en uwe vriendjes bijna zelf een Jood; was hij

hier gebleven, dan zou hij mogelijk een jodengenoot geworden zijn; maar

de jaren in Rome doorgebracht hebben hunnen invloed doen gelden. Ik

verwonder mij niet over de verandering, maar--hare stem beefde--hij had

zich tegenover u althans in acht moeten nemen. Slechts een harde, wreede

natuur kan de eerste liefde vergeten.

Zachtkens liet zij de hand op het hoofd haars zoons rusten. Zij wilde

hem antwoorden naar zijne behoeften; maar dat antwoord moest volkomen

bevredigend zijn. Zou zij daartoe in staat wezen?

--Wat gij mij vraagt, mijn kind, is eigenlijk niet door eene vrouw te

beantwoorden. Geef mij tijd tot morgen, dan zal ik den wijzen Simeon--

--Neen, moeder, zend mij niet naar hem.

--Wees gerust. Ik zal hem vragen bij ons te komen.

--Neen, moeder, want ik heb iets anders noodig dan een onderwijzing.

Hij kan mij niet geven waar ik behoefte aan heb, dat kunt u echter wel.

Ik moet een besluit kunnen nemen, en daaraan kunt u alleen mij helpen.

Zij zag smeekend op naar den hemel, alsof zij om wijsheid bad, en zeide:

Als wij voor onszelven recht begeeren gaat het niet aan onbillijk te

zijn jegens anderen. Door af te dingen op den moed van eenen overwonnen

vijand verkleinen wij onze eigene overwinning, en als de vijand sterk

genoeg is om ons den terugtocht af te snijden en tot onderwerping te

brengen, dan eischt de achting voor onszelven, dat wij naar een andere

oorzaak van ons ongeluk zoeken, liever dan zijne verdienste te

verdonkeren. Schep moed, mijn zoon. Messala stamt, zooals gij weet, uit

een oud aanzienlijk geslacht. Reeds ten tijde der Romeinsche republiek,

en hoe lang is dat al niet geleden, was het beroemd, en waren niet

weinigen in aanzienlijke betrekkingen geplaatst. Ik herinner mij slechts

één consul van dien naam; maar zij hadden allen den rang van Senatoren,

en hun patronaat was zeer gezocht, omdat zij altijd rijk zijn geweest.

Als uw vriend vandaag gepocht had op zijne voorvaderen, dan had gij hem

echter, door op uw voorgeslacht te wijzen, beschaamd kunnen doen staan.

Had hij u, om zijne meerderheid te toonen, op de daden, den rang, den

rijkdom van zijne familie gewezen, hoewel dergelijke zinspelingen,

behalve wanneer het volstrekt noodig is, van kleingeestigheid getuigen,

dan hadt gij u ook daarin punt voor punt onbevreesd met hem kunnen

meten.

Hier zweeg zij en dacht een oogenblik na. Toen vervolgde zij: Waarnaar

wordt de adeldom van een geslacht of familie berekend? Naar den duur van

hun bestaan, zou ik denken. Welnu, in dat opzicht moet een Romein

tegenover een Israëliet steeds het onderspit delven. Hij kan niet verder

terugrekenen, dan tot aan de stichting van Rome. Messala ook niet. Maar

wij? Hoe staat het met ons?

Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde · 第 4 / 32 段