Haastig bonden zij hunne sandalen aan, sloegen hunne mantels om en

gingen naar buiten.

--Weest gegroet, en vergeeft mij zoo ik ongeleegen kom; maar mijn

meester, de Koning, zendt mij om u ten paleize te noodigen, waar hij een

mondgesprek met u voeren wil, zeide de bode.

Boven den ingang der herberg hing een brandende lamp; en bij haar licht

zagen de drie vrienden aan elkanders gelaat, dat de Geest op hen rustte.

Toen wenkte de Egyptenaar den deurwachter tot zich en fluisterde hem

toe: Gij weet waar onze goederen geborgen zijn op het voorplein en waar

onze kameelen rusten. Maak alles gereed terwijl wij weg zijn, opdat wij,

zoo het noodig mocht wezen, bij onze terugkomst dadelijk kunnen afreizen.

Ik zal er voor zorgen, ga gerust, antwoordde de wachter.

--Wij zijn gereed, zeide de Egyptenaar daarop tot den bode, breng ons

bij den Koning.

De straten van de Heilige stad waren toen even nauw als in onze dagen,

maar lang niet zoo vuil en hobbelig; want de vorstelijke bouwheer was

zeer gesteld op reinheid en gemak. Zwijgend volgden de drie vrienden

hunnen leidsman, totdat zij aan een poort kwamen, waar bij een hoog

opvlammend vuur een paar schildwachten op post stonden. Door booggangen

en voorhoven, langs hooge trappen en tal van vertrekken bereikten zij

eindelijk een hoogen toren. Boven gekomen bleef hun gids staan, wees op

een open deur en zeide: Treedt binnen, de Koning wacht u.

Een geur van sandelhout vervulde het koninklijk vertrek, dat met groote

weelde was ingericht. Vergulde en gebeeldhouwde zetels, muziekinstrumenten,

kostbaar vaatwerk, gouden kandelaars schitterden van licht, in Griekschen

stijl beschilderde muren--en te midden van dat alles zat de Koning op zijn

troon, gereed om hen te ontvangen.

De drie mannen traden naderbij en bogen eerbiedig. De Koning schelde,

waarop een dienaar binnenkwam en drie zetels aanschoof.

--Neem plaats, beval de Koning minzaam.

Toen zij gezeten waren vervolgde hij: Hedenmiddag werd mij van de

Noordpoort bericht gezonden, dat drie vreemdelingen waren aangekomen, en

naar hun uiterlijk te oordeelen van verre kwamen. Zijt gijlieden dat?

De Egyptenaar boog en antwoordde: Indien wij het niet waren zou de

machtige Herodes niet om ons gezonden hebben. Wij zijn die mannen.

--Wie zijt gij? Vanwaar komt gij? vraagde de Koning, en voegde er op

veelbeteekenden toon bij: Dat ieder voor zichzelven spreke.

In weinig woorden deelden zij hem beurtelings hun naam en afkomst mede

en langs welken weg zij de reis naar Jeruzalem genomen hadden.

Eenigszins teleurgesteld vraagde Herodes: Welke vraag hebt gij tot den

hoofdman aan de poort gericht?

--Wij vraagden hem: Waar is de geboren koning der Joden?

--Nu begrijp ik waarom het volk zoo opgewonden was. Is er dan een tweede

Koning der Joden?

Onbevangen antwoordde de Egyptenaar: Er is een jonggeboren Koning.

Een uitdrukking van smart kwam over het gelaat van den monarch, alsof

een pijnlijke herinnering hem kwelde. Dacht hij misschien aan zijne

onschuldige, vermoorde kinderen?--Niet hier! Niet bij mij! riep hij.

Een oogenblik later, toen hij zich genoegzaam hersteld had, vraagde hij

met vaste stem: Waar is de nieuwe Koning?

--Dat is het juist, o Koning, wat wij wenschen te vernemen.

--Wat gij mij vertelt heeft veel van een sprookje. Op mijn leeftijd is

men al even nieuwsgierig als de kinderen. Het zou wreed zijn mij te lang

in spanning te laten. Vertelt mij daarom alles en ik zal u eeren, zooals

vorsten elkander eeren. Deelt mij alles mede wat gij van den jonggeborene

weet, en ik zal u naar hem helpen zoeken. Zoodra wij hem gevonden hebben,

zal ik voor hem doen wat ik kan; ik zal hem naar Jeruzalem laten komen

en hem een vorstelijke opvoeding geven. Ik zal van mijn invloed bij den

Keizer gebruik maken, om hem tot eer en aanzien te brengen. Van ijverzucht

zal tusschen ons geen sprake zijn, dat zweer ik u. Maar vertelt mij eerst

hoe gijlieden, door zeeën en woestijnen van elkander gescheiden, van zijne

geboorte gehoord hebt.

--Dat zal ik u naar waarheid zeggen, o Koning.

--Spreek, zeide Herodes.

Balthasar stond op en sprak: Er is een almachtig God.

Herodes ontstelde zichtbaar.

--Die almachtige God beval ons hierheen te reizen en beloofde ons, dat

wij den Verlosser der wereld zouden zien, dat wij hem zouden zien en

aanbidden, en van zijne komst getuigen. Tot teeken zagen wij ieder op de

plaats waar wij ons bevonden eene ster. Gods Geest geleidde ons; o

Koning, Gods Geest op dit oogenblik met ons!

Een wonderlijk gevoel doorstroomde de drie vrienden. De Griek bedwong

zich slechts met moeite. Herodes zag van den een naar den ander.

Achterdocht en onwil maakten zich van hem meester. Gij wilt mij wat

wijsmaken, zeide hij. Wat moet er volgen op de komst van den nieuwen

Koning?

De verlossing der menschen.

--Van wat?

--Van zonde.

--Hoe?

--Door Geloof, Liefde en Goede Werken.

--Dan--maar hier zweeg Herodes even, zonder dat één trek op zijn gelaat

verried wat in zijne ziel omging--zij gijlieden de herauten van den

Messias. Is dat alles?

Balthasar boog toestemmend.

Herodes drukte weder op den schelknop. Een dienaar verscheen.--Breng de

geschenken, beval de vorst.

De dienaar ging, maar kwam weldra terug, en bood ieder der bezoekers

knielende een prachtig overkleed en een gouden gordel aan, welke

geschenken zij met Oostersche plichtplegingen aanvaardden.

--Nog een woord, zeide Herodes, gij hebt gezegd dat gij een ster in het

Oosten hebt gezien.

--Ja, antwoordde Balthasar, zijne ster, de ster van den jonggeborene.

--Wanneer ongeveer?

--Toen ons bevolen werd hierheen te gaan.

Herodes stond op, ten teeken dat de audiëntie was afgeloopen. Van zijnen

troon dalende zeide hij vriendelijk: Indien gij, hooggeschatte mannen,

hetgeen ik gaarne geloof, werkelijk de herauten zijt van den jonggeboren

Messias, zoo weet dan, dat ik hedenavond de schriftgeleerden ondervraagd

heb over deze dingen. Eenparig getuigen zij, dat hij te Bethlehem in

Judea moest geboren worden. Daarom raad ik u: Gaat naar Bethlehem en

zoekt naarstiglijk totdat gij hem vindt. En als gij hem gevonden hebt,

komt dan weder, opdat ook ik moge gaan en hem aanbidden. Gaat in vrede

en niemand zal u overlast aandoen. Dit gezegd hebbende liet de Koning

hen alleen.

Onmiddellijk daarop kwam 's Konings boodschapper binnen en geleidde de

drie mannen weder naar de herberg terug. Daar gekomen riep de Griek vol

geestdrift: Laat ons naar Bethlehem gaan, broeders, zooals de Koning ons

geraden heeft.

--Ja, riep de Hindoe, de Geest getuigt binnen in mij.

--Het geschiede, zeide Balthasar opgewekt. Onze kameelen staan gereed.

Na den deurwachter voor zijne moeite rijkelijk beloond te hebben stegen

zij op, lieten zich den weg wijzen naar de Joppe-poort en vertrokken.

Toen zij in het open veld gekomen waren en langs denzelfden weg gingen,

dien Jozef en Maria zoo kort geleden begaan hadden, verscheen aan den

hemel een licht, in het begin zwak en onduidelijk. Hun hart klopte

hoorbaar. Het licht nam toe in kracht, zij sloten de oogen voor dien

glans; toen zij ze weer openden,--zie, daar was de ster weder, maar niet

onbewegelijk en hoog verheven als de andere sterren, neen, laag aan het

firmament en zich zachtkens voortbewegende. Toen vouwden zij de handen

en verheugden zich met groote vreugde. God is met ons! riepen zij

herhaaldelijk, totdat ten laatste de ster zich verhief en stil bleef

staan boven een afdak, gebouwd tegen de helling van een heuvel in de

nabijheid der stad.

* * * * *

ELFDE HOOFDSTUK.

HET KINDEKE.

Het was de derde nachtwake. De bergtoppen in het oosten werden reeds

flauw verlicht door de opgaande zon; maar in de vallei heerschte nog

nachtelijk donker. De wachter op het dak der oude herberg van Bethlehem

luisterde huiverend van kou naar de eerste teekenen van ontwakend leven,

toen hij eensklaps een licht op den heuvel achter het huis ontwaarde.

Eerst meende hij dat het een toorts was, die iemand in de hand droeg,

daarna zag hij het voor een meteoor aan; het werd helderder en

helderder, en eindelijk zag hij dat het een ster was. Beangst door dat

vreemde verschijnsel wekte hij allen die in huis waren. De meesten

ijlden naar het platte dak. Het licht kwam steeds nader en wierp zijn

schijnsel over rotsen, boomen en wegen; zijn glans werd zoo sterk dat

de lieden de oogen moesten afwenden. De vreesachtigen vielen op hun

aangezicht ter aarde en baden, de meer stoutmoedigen bedekten wel hunne

oogen, maar beproefden toch gedurig naar het licht te kijken.

Het duurde niet lang, of de herberg en hare geheele omgeving werden er

door verlicht. Zij, die durfden opzien, bemerkten, dat de ster stil

bleef staan boven den ingang der spelonk, waar het kind geboren was. Te

midden van de heerschenden onrust kwamen de drie wijzen bij de herberg,

stegen van hunne kameelen en begeerden binnengelaten te worden. Toen de

deurwachter in zoover van den schrik bekomen was, dat hij aan hun

verlangen kon voldoen, trok hij de grendels weg en opende de deur. In

dat ongewone licht zagen de kameelen er waarlijk spookachtig uit en het

vreemde, opgewonden voorkomen der drie reizigers was niet geschikt om

den man gerust te stellen. In plaats van naar buiten te komen trok hij

zich schuw terug en kon gedurende eenige minuten niet antwoorden op de

hem gedane vraag: Is dit niet Bethlehem in Judea?

Eerst toen de anderen er bij kwamen schepte hij moed en zeide: Neen, dit

is slechts de herberg, de stad ligt verder.

--Is hier niet een pasgeboren kind?

De omstanders zagen elkander verbaasd aan; maar sommigen antwoordden

toch: Ja, ja.

--Breng ons bij hem, riep de Griek ongeduldig.

--Ja, breng ons bij hem, herhaalde Balthasar, want wij hebben zijne ster

gezien, dezelfde die gij daar boven het huis ziet, en zijn gekomen om

hem te aanbidden.

De Hindoe vouwde de handen en zeide: Waarlijk God leeft! Haast u, haast

u! Wij hebben den Verlosser gevonden! Gezegend zijn wij boven alle

menschen!

De lieden, die nog op het dak waren, kwamen ook beneden en volgden de

vreemdelingen, die door den wachter langs den ons bekenden weg gebracht

werden naar de spelonk. Toen zij echter zagen dat het regelrecht op de

ster afging, keerden sommigen uit angst terug, maar de overigen gingen

mede. Zoodra de drie vreemdelingen de spelonk naderden rees de ster

omhoog, al hooger en hooger in de lucht, om toen zij binnentraden uit

het gezicht te verdwijnen.

Zij, die getuige waren van wat nu plaats had, moesten weldra erkennen,

dat tusschen de vreemdelingen en de ster een goddelijk verband bestond,

waar ook de bewoners van den stal in betrokken waren. Die maar

eenigszins kon drong mede naar binnen. In de spelonk brandde een

lantaarn, die licht genoeg verspreidde, om de drie reizigers den weg te

wijzen naar de moeder, die het kind in de armen hield.

--Is dat uw kind? vraagde Balthasar aan Maria.

En zij, die alles wat het kindeke betrof in haar hart bewaarde en

overlegde, hief het omhoog zoodat het licht op zijn gelaat viel en

zeide: Dat is mijn zoon.

En zij vielen op de knieën en aanbaden hem.

Zij zagen dat het kind volkomen gelijk was aan andere kinderen. Geen

stralenkrans of aardsche kroon sierde zijn hoofd. Zijn lippen openden

zich niet om te spreken. Hoorde het hunne vreugdebetuigingen, hunne

gebeden, het gaf geen teeken hoegenaamd, dat het die begreep;

integendeel, het deed wat andere kinderen zouden gedaan hebben--het

staarde met alle aandacht naar de vlam.

Toen zij het kindeke hunne hulde gebracht hadden, stonden zij op, gingen

naar buiten naar hunne kameelen, en brachten hunne geschenken: goud en

wierook en myrrhe, die zij voor het kind nederlegden. Dit was dus de

Verlosser, om wien te zien zij van zooverre gekomen waren. Zonder te

twijfelen aanbaden zij hem. Waarom? Hun geloof berustte op de teekenen,

gegeven door Hem, dien wij als Vader hebben leeren kennen, en zij

behoorden tot dezulken voor wie zijne beloften zoo algenoegzaam zijn,

dat naar niets anders gevraagd wordt. Er waren slechts weinigen, die het

teeken gezien en de belofte vernomen hadden--de Moeder en Jozef, de

herders en zijzelven,--en die alle geloofden met een volkomen hart.

* * * * *

BOEK II.

* * * * *

EERSTE HOOFDSTUK.

ROME EN JUDEA.

Wij willen thans over een tijdruimte van 21 jaren heenstappen en staan

in het begin der regeering van Valerius Gratus, den vierden keizerlijken

gouverneur van Judea; een tijdvak, waarin Jeruzalem verdeeld werd door

velerlei staatkundige twisten.

Herodes de Groote was een jaar na de geboorte van het kindeke

gestorven--een uiteinde zoo vreeselijk, dat de Christenwereld het

misschien niet ten onrechte als een straf der Goddelijke Gerechtigheid

beschouwt. Als alle eerzuchtige heerschers droomde hij van een dynastie

te grondvesten. Daarom bepaalde hij in zijn testament, dat het rijk

verdeeld zou worden onder zijne drie zonen, Antipas, Philippus en

Archelaüs, welke laatste tevens den koningstitel moest erven. Dat

testament moest natuurlijk door keizer Augustus bekrachtigd worden, die

dan ook alle bepalingen goedkeurde, uitgenomen ééne--hij weigerde

Archelaüs den titel van koning te verleenen, voordat deze van zijne

bekwaamheid en trouw bewijzen zou hebben gegeven. In plaats daarvan gaf

hij hem den titel van ethnarch. Als zoodanig heeft hij negen jaar

geregeerd en werd toen wegens wangedrag en onbekwaamheid afgezet en naar

Gallië verbannen.

De keizer liet het daar niet bij. Hij trof de bewoners van Jeruzalem op

een wijze, die hun hoogmoed pijnlijk kwetste. Judea werd namelijk een

Romeinsche provincie verklaard en bij prefectuur van Syrië gevoegd. In

plaats dus dat een koning met vorstelijke praal in het paleis op den

berg Sion troonde, werd de stad bestuurd door een beambte van den

tweeden rang, onder den titel van procurator, die, om de vernedering nog

grievender te maken, niet eens te Jeruzalem mocht wonen, maar te Cesarea

verblijf moest houden. Maar wat hun het meest van alles moest krenken

was dat Samaria, het zoo diep verachte Samaria, aan Judea werd

toegevoegd om te zamen ééne provincie te vormen.

Eén troost bleef het volk echter nog over en wel deze, dat de

hoogepriester het koninklijke paleis bewonen mocht en in schijn althans

de vierschaar spande. Veel te beteekenen had het niet, want de uitspraak

van een vonnis, de beslissing over leven en dood, berustten bij den

procurator. Het recht werd uitgeoefend in den naam en volgens de wetten

van Rome, en het paleis zelf werd behalve door den hoogepriester bewoond

door den Romeinschen beambte met al zijne trawanten. Toch was voor het

volk, dat van betere tijden droomde, eene zekere voldoening in het feit,

dat de hoogst aanwezige in het paleis een Jood was. Zijne tegenwoordigheid

herinnerde hun de beloften der profeten en den tijd, toen Jehova de

stammen regeerde door de zonen van Aäron; het strekte hun ten teeken dat

God hen niet verlaten had, en leerde hen met geduld wachten op de komst

van den zoon uit Judea's stam, die over Israël heerschen zou.

Ruim tachtig jaren was Judea een provincie geweest van het Romeinsche

rijk, lang genoeg voor de keizers om te weten, dat de Jood met al zijn

trots gemakkelijk kon geregeerd worden, zoo men zijn godsdienst maar

eerbiedigde. Hierop acht gevende hadden Gratus' voorgangers zich

zorgvuldig onthouden van eenige bemoeiing met de heilige gebruiken

hunner onderdanen. Gratus sloeg echter een anderen weg in. Een van zijn

eerste openbare handelingen was de ontzetting van den hoogepriester

Annas, en de verheffing van Ismaël, den zoon van Fabus. Deze daad,

hetzij op bevel van Augustus gepleegd, of uit eigen beweging, wekte

groote ontevredenheid. Wij zullen den lezer niet vermoeien met een

uitvoerig verslag van de Joodsche politiek dier tijden, maar moeten er

toch tot beter begrip van ons verhaal met een enkel woord van gewagen.

In die dagen waren in Judea twee partijen, die der aanzienlijken en die

des volks. Na Herodes' dood vereenigden die beide zich tegen Archelaüs,

en bestreden hem nu eens door list, dan door geweld van wapenen. Meer

dan eens weerklonken de heilige hallen op Moria van krijgsgeschreeuw.

Schoon uiterlijk vereenigd hielden de bondgenooten ieder hun eigen

belangen in het oog. De edelen haatten Joazar den hoogepriester, het

volk daarentegen hing hem van harte aan. Toen Archelaüs viel sleepte hij

Joazar mede in zijnen val. Annas werd door de edelen tot hoogepriester

gekozen. Dat gaf het sein tot scheiding, en van nu stonden de vroegere

bondgenoten vijandig tegenover elkander. Gedurende den strijd met den

ongelukkigen Archelaüs had de partij der edelen raadzaam geacht zich met

Rome te verbroederen, en van hen ging het plan uit om Judea tot een

Romeinsche provincie te maken. Nieuwe reden tot haat voor de volkspartij,

en toen Samaria aan Judea werd toegevoegd, geraakte de partij der edelen

verre in de minderheid en bleven zij zonder anderen steun dan het

keizerlijke hof en het prestige van hun rang en rijkdom.

In weerwil daarvan wisten zij zich toch nog vijftien jaren lang, tot aan

de komst van Valerius Gratus, te handhaven in het paleis en in den

tempel. Annas, de door hen verkozen hoogepriester, had zijne macht trouw

gebruikt ten voordeele van zijn keizerlijken heer. Een Romeinsch

garnizoen bezette den burcht Antonia, een Romeinsche wacht bewaakte de

poorten van het paleis, een Romeinsch rechter deed uitspraak in de beide

rechten, een Romeinsch belastingssysteem, met groote gestrengheid

toegepast, drukte stad en land. Dagelijks werd het volk op duizenderlei

wijze gekweld en moest het zijne afhankelijkheid gevoelen.

Toch vermocht Annas hen betrekkelijk rustig te houden. Rome bezat géén

trouwer vriend, en bij zijn aftreden werd zijn gemis diep gevoeld.

Zoodra Ismaël in zijne plaats het hoogepriesterlijk kleed had aangedaan,

verruilde Annas de tempelhoven met de raadzaal der volkspartij en wijdde

zich voortaan aan hare belangen. Het vuur, dat vijftien jaren gesmeuld

had, dreigde met vernieuwde kracht op te vlammen. Een maand na Ismaëls

verheffing tot hoogepriester achtte Gratus, de procurator, noodig hem te

Jeruzalem te bezoeken. Toen de Joden, die hem van de wallen uitfloten,

zagen, dat zijne wacht door de Noordpoort Jeruzalem binnentrok en naar

den burcht Antonis marcheerde, begrepen zij het ware doel zijner komst:

een gansche cohorte van Romeinsche legioenen werd aan het reeds

aanwezige garnizoen toegevoegd, en de strop om hun hals nauwer

aangehaald. Wee den overtreder, als de procurator soms noodig mocht

achter een voorbeeld te stellen.

* * * * *

TWEEDE HOOFDSTUK.

MESSALA EN JUDA.

Op de hoogte van den stand van zaken, kunnen wij thans den lezer

verzoeken, ons in den geest te volgen naar een der tuinen van het paleis

op den berg Sion. Het is een warme namiddag in de maand Juli. De tuin is

aan alle zijden omgeven door gebouwen, van veranda's en galerijen

voorzien, en door open kolonnaden met elkander verbonden, zoodat de

wandelaar, indien er een windje waait, in de gelegenheid wordt gesteld

er zijn voordeel mede te doen.

De aanleg van den hof is streelend voor het oog. Lanen, grasperken,

sierlijke heesters, enkele hooge boomen, bieden rijke afwisseling.

In het midden een springfontein, wier heldere waterstraal de naaste

omgeving koel houdt.

Niet ver van die fontein zaten twee knapen van negentien en zeventien

jaar in ernstige gesprekken verdiept. Bij den eersten aanblik zou men

hen voor broeders gehouden hebben. Beiden waren zwart van haar en oogen,

beider gelaat was door de zon verbrand. De oudste zat blootshoofds. Een

ruime tunica, tot aan de knie reikend, was zijn eenig bekleedsel, zijn

lichtblauwe mantel strekte hem tot zitkussen. De tunica van fijne,

grijze wollen stof, met rood omboord en om het midden bevestigd met een

zilveren koord, maakt den Romein kenbaar, en, indien hij onder het

spreken wel eens uit de hoogte neerziet op zijn makker en hem als zijn

mindere behandelt, wie, die weet dat hij tot een der voornaamste

geslachten van Rome, het geslacht Messala, behoort, zal het hem euvel

duiden?

In de bloedige oorlogen tusschen den eersten keizer en zijn groote

tegenstanders was een Messala de vriend geweest van Brutus. Later, toen

Octavianus om de kroon streed, ondersteunde Messala hem. Octavianus,

keizer Augustus geworden zijnde, gedacht zijne diensten en overlaadde

zijn geslacht met eerbewijzen. Toen Judea een provincie van het

Romeinsche rijk geworden was, zond hij den zoon van zijn ouden vriend

als ontvanger der belasting naar Jeruzalem, in welke hoedanigheid hij

met den hoogepriester het paleis bewoonde. De jongeling met wien wij

zooeven kennis maakten was zijn zoon, en die jeugdige Messala was er

niet weinig trotsch op, dat zijn grootvader in zoo nauwe betrekking

gestaan had tot de edelsten onder de Romeinen.

De andere knaap was tengerder van gestalte. Zijn kleeding was van fijn

wit linnen, zooals men ze gewoonlijk in Jeruzalem droeg, en een laag in

den nek neerhangende doek beschermde zijn hoofd tegen de zonnestralen.

Zijn gelaat was van het zuiver Joodsche type. Was de schoonheid van den

Romein streng en klassiek, die van de Joodschen knaap was weelderig en

aanvallig.

--Zeidet gij niet dat de nieuwe procurator morgen komt? vraagde de

jongste der knapen in het Grieksch, de taal die toen, vreemd genoeg,

in Judea overal gebruikelijk was onder het beschaafd publiek.

--Ja, morgen, antwoordde Messala.

--Wie heeft het u verteld?

--Ik heb het Ismaël, den nieuwen gouverneur van het paleis, gij noemt

hem den hoogepriester, gisterenavond aan mijn vader hooren vertellen.

Ik geef toe, dat het meer geloofwaardig zou zijn, als een Egyptenaar, of

zelfs een Idumeër het gezegd had; daarom heb ik het van morgen aan een

hoofdman van den burcht gevraagd. Hij zeide dat alles voor de ontvangst

in gereedheid werd gebracht, dat de wapenknechten helmen en schilden

oppoetsten en de arenden verguldden; dat ongebruikte vertrekken schoon

gemaakt en gelucht werden, alsof men eene vermeerdering van garnizoen

wachtte; de lijfwacht misschien van den grooten heer.

Een schaduw vloog over Juda's gelaat; hij staarde op den grond.

--Herinnert gij u nog, vraagde Messala, dat wij hier in den tuin

afscheid van elkander namen, toen ik naar Rome ging? De vrede Gods

vergezelle u! dat waren uw laatste woorden, en ik zeide: Mogen de goden

u bewaren. Hoe lang is dat nu al geleden?

--Vijf jaar, antwoordde de ander.

--Nu, gij hebt alle reden van dankbaarheid jegens--ja, jegens wie? De

goden?... Wel, het doet er niet toe. Gij zijt flink opgegroeid, de

Grieken zouden u mooi noemen. Was Jupiter maar tevreden met één

Ganymedes, wat een kostelijke schenker zoudt gij dan niet voor den

keizer zijn. Maar zeg mij, Juda, waarom stelt gij zooveel belang in de

komst van den procurator?

Juda sloeg de groote ogen op en zag zijnen vriend ernstig aan.--Ja, vijf

jaren, zeide hij. Ik herinner het mij nog heel goed. Gij gingt naar

Rome. Ik zag u wegrijden en weende, want ik had u lief. De jaren zijn

voorbijgegaan en gij zijt tot mij teruggekeerd, goed onderwezen, en

vorstelijk in uw voorkomen--neen, ik scherts niet; maar toch, toch wilde

ik dat gij dezelfde Messala waart van vroeger.

--Neen, neen, geen Ganymedes, een orakel is mijn vriend Juda. Enkele

lessen bij mijn ouden leermeester in de rhetorica, vlak bij het Forum,

een weinig oefening in de kunst der mysteriën, en Delphi zal in u Apollo

zelven zien. Maar alle gekheid ter zijde, in welk opzicht ben ik niet de

Messala, die ik was bij mijn vertrek? Ik heb eenmaal onder het gehoor

gezeten van den grootsten philosoof onder de zon. Eén gezegde herinner

ik mij nog: Tracht uw tegenstander te begrijpen voordat gij hem

antwoordt.--Stel mij in de gelegenheid u te begrijpen.

Een donkere blos steeg Juda naar 't gelaat onder Messala's spottenden

blik; toch antwoordde hij op vasten toon: Ik bemerk dat gij uw tijd goed

gebruikt hebt. Gij hebt veel kennis opgedaan, gij spreekt met groote

gemakkelijkheid, maar in uwe woorden ligt een angel verborgen. Toen mijn

vriend Messala wegging was zijne natuur giftvrij. Voor niets ter wereld

zou hij zijn vriend gegriefd hebben.

Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde · 第 3 / 32 段