--Hetzelfde ongetwijfeld wat u brengt, Rabbi; het bevel van den Keizer.
Daarenboven is gisteren een karavaan van Damascus naar Arabië en
Neder-Egypte aangekomen. Deze mannen hier en die kameelen behooren er
toe.
Nog liet Jozef zich niet afwijzen. Het voorplein is ruim, zeide hij.
--Ja, maar volgepakt met balen zijden, en zakken specerijen, en goederen
van allerlei aard.
Jozefs gelaat betrok.--Het is niet zoozeer voor mijzelven, dat ik blijf
aanhouden, maar ik heb mijne vrouw bij mij. De nachten zijn hier koud,
veel kouder dan te Nazareth. Zij kan niet in de open lucht slapen. Zou
er in de stad plaats te krijgen zijn?
--Deze menschen, zeide de deurwachter, op een groepje wijzend, hebben
allen in de stad een onderkomen gezocht, maar tevergeefs.
Jozef dacht een oogenblik na en zeide: Zij is zoo teer; als zij den
nacht onder den blooten hemel moet doorbrengen, zal de kou haar dooden.
Misschien hebt gij hare ouders nog gekend: Joachim en Anna. Zij hebben
vroeger ook in Bethlehem gewoond en waren evenals ik uit Davids
geslacht.
--Zeker heb ik hen gekend. Het waren goede menschen. Ik was toen nog een
kind. Maar daar valt mij iets in. Al kan ik u niet in de herberg
opnemen, ik kan u toch ook niet wegzenden. Ik zal voor u doen wat ik
kan. Gij zult niet buiten overnachten. Roep uwe vrouw. Wij moeten ons
haasten, want de zon neigt reeds ten ondergang.
--Niets liever dan dat, zeide Jozef, en keerde terug om zijne vrouw te
halen, die niet ver van daar op haren ezel gezeten zijn komst verbeidde.
Zij had haren sluier opgeslagen.
--Blauwe oogen en gouden lokken, zeide de deurwachter haar aanziende.
Zoo zag de jonge koning er uit toen hij voor Saul op den harp speelde.
De man nam den ezel bij den toom en zeide tot Jozef: Rabbi, volg mij.
Over het voorplein van de herberg geleidde hij hen naar de achter het
huis gelegen omrasterde bewaarplaats voor lastdieren en vee, en vandaar
langs een smal en hobbelig pad naar een grauwen kalksteenheuvel.
--Gij brengt ons naar de spelonk, zeide Jozef.
--Ja, antwoordde hun geleider, en zich tot Maria wendende voegde hij er
bij: Uw voorvader David heeft meermalen gebruik gemaakt van die spelonk.
Als jongeling bracht hij er 's nachts de kudde zijns vaders onder dak en
later, als koning, moet hij er dikwijls met zijn gevolg gerust hebben.
Dezelfde kribben, waar zijne dieren aan gevoederd werden, zijn er nog.
In ieder geval zult gij op de plaats, waar Koning David geslapen heeft,
beter rusten, dan in het open veld. Zoo, hier zijn wij er. Zooals gij
ziet is voor de spelonk een schuurtje aangebracht, eigenlijk niet meer
dan een toegang tot de spelonk. Dit zeggende schoof hij den grendel weg,
opende de deur en noodigde hen uit om binnen te treden.
De grot was ongeveer veertig voet lang, negen of tien voet hoog, en
veertien voet breed. Het was nog juist licht genoeg om te doen zien, dat
in het midden op de grond wat hooi en stroo lag en eenig aardewerk, een
duidelijk bewijs, dat ook andere reizigers hier vertoefd hadden. Langs
de wanden waren steenen kribben gemetseld, en over het algemeen zag het
er zindelijk uit.
--Wat dunkt u hiervan? vraagde de deurwachter aan Maria. Zoudt gij hier
kunnen rusten?
--Deze plek is heilig, antwoordde zij.
--Dan kan ik weer naar mijn post terugkeeren. De vrede Gods zij met
ulieden.
Zoodra zij alleen waren maakten zij de spelonk bewoonbaar en bereidden
zicht een nachtleger van hetgeen zij ter plaatse aanwezig vonden en zelf
medegebracht hadden.
* * * * *
Te middernacht, toen om en bij de herberg alles in de diepste rust
verkeerde, ontwaakte een der slapers op het dak en keek verschrikt in
het rond. Wat is er gebeurd? riep hij: Wat is dat voor een vreemd licht?
Wordt wakker, broeders! wordt wakker!
De in hunnen slaap gestoorden richtten zich op en wreven zich in de
oogen, maar wat zij zagen bracht hen weldra volkomen tot bezinning. Uit
den hemel daalde een straal van licht neder, steeds breeder wordende
naarmate hij de aarde naderde, en den ganschen omtrek verlichtende.
Zelfs den moedigsten onder de aanwezigen durfde zijne stem verheffen
boven een zacht gefluister.
--Hebt ge ooit iets dergelijks gezien? vraagde de een.
--Het schijnt daar juist boven den berg te zijn. Ik begrijp volstrekt
niet wat het is, zeide een ander.
--Zou er een ster gebarsten en gevallen zijn? vraagde een derde
sidderend.
--Welneen, als een ster valt gaat haar licht uit.
--Ik weet wat het is, riep een jonge man geruststellend. De herders
hebben een leeuw gezien en een vuur aangestoken, om hem van de kudden af
te houden.
--Ja, dat zal het zijn, zeide een buurman verruimd van hart. Er waren
vandaag verscheidene herders in het veld.
--Neen, neen, riep de eerste spreker, al brachten zij al het hout uit de
valleien van Judea bijeen, om er een vuur van te maken, het zou niet
zulk een hoog en sterk licht verspreiden.
Zwijgend bleven de mannen het geheimzinnig schouwspel gadeslaan, totdat
een eerwaardig grijsaard de stilte verbrak met den uitroep: Broeders,
wat wij zien is de ladder, die onze vader Jakob in den droom
aanschouwde. Geloofd zij de God onzer vaderen!
* * * * *
ACHTSTE HOOFDSTUK.
DE GEBOORTE VAN CHRISTUS.
Ongeveer twee mijlen zuidoostelijk van Bethlehem ligt een vlakte, door
een heuvelrij van de stad gescheiden. Beschut tegen de noordenwinden,
en begroeid met vijgeboomen, dwergeiken en pijnboschjes, was zij een
kostelijke weide voor de kudden van zwervende herders. Aan den uitersten
rand stond een overoude schaapskooi van buitengewoon groote afmeting.
Bij een lang vergeten schermutseling was het gebouw van zijn dak beroofd
en half vernield. De daarbij behoorende omheinde ruimte was echter
ongedeerd gebleven, en dat was wel de hoofdszaak voor de herders, die er
hunne schapen wilden doen overnachten.
Daags vóór de gebeurtenissen, in het vorige hoofdstuk vermeld, was een
zevental herders, die nieuwe weiden voor hunne kudden zochten, naar de
vlakte afgedaald, had zich 's avonds bij de schaapskooi gelegerd, een
groot vuur bij den ingang ontstoken, hun avondeten bereid, en zich
daarna ter ruste gelegd, één uitgezonderd, die de wacht moest houden.
Het was een heerlijke nacht. Geen windje bewoog zich, de atmosfeer was
rein en zuiver, er heerschte een geheimzinnige stilte. De wachter stapte
vóór den ingang op en neder; hij verlangde naar het uur van middernacht,
wanneer hij afgelost zou worden. Eindelijk was zijn taak volbracht, nu
was het zijne beurt om te gaan rusten. Hij ging naar het vuur--maar wat
was dat? Een lichtglans omscheen hem, zacht en wit als het licht der
maan. Hij wachtte een oogenblik, het licht werd sterker; voorwerpen, die
hij niet had kunnen onderscheiden, werden op eenmaal zichtbaar, hij zag
de gansche vlakte en al wat er op was. Een huivering voer door zijne
leden, vreeze beving hem. Hij zag naar de lucht, de sterren waren
verdwenen; als door een venster viel een breede straal van licht uit den
hemel en werd steeds glansrijker. Hevig ontsteld riep hij zijne makkers:
Wordt wakker! Wordt wakker!
De honden sloegen aan, de schapen drongen op elkander in, de herders
sprongen overeind en grepen naar de wapens.
--Wat is er? riepen zij. Wat gebeurt daar?
--Wat er is? De hemel staat in vuur! antwoordde de wachter.
Plotseling werd het licht zoo verblindend sterk, dat zij hunne oogen met
de handen bedekten en van angst en schrik op de knieën vielen. Daar
hoorden zij een stem: Vreest niet; want ziet, ik verkondig u groote
blijdschap, die al den volke wezen zal.--Die stem, zoo zacht en
welluidend, stelde hen gerust. Zij hieven het hoofd op en zagen
eerbiedig in de richting, vanwaar de stem kwam. En zie, daar stond, door
een stralenden lichtschijn omgeven, een engelengedaante, gekleed in een
schitterend wit kleed. Boven zijn voorhoofd blonk een ster met zeldzamen
glans. Zegenend strekte hij de handen naar hen uit, zijn gelaat was
vriendelijk en van hemelsche schoonheid.
Zij hadden dikwijls van de engelverschijningen in vroeger dagen gehoord,
en onder elkander daar wel eens over gesproken. Zij twijfelden dan ook
niet, maar zeiden in hun hart: De heerlijkheid Gods is tot ons gekomen,
en dit is de engel, dien God voormaals tot den profeet bij de rivier
Ulai zond.
De engel vervolgde: Want heden is u geboren de Zaligmaker, welke is
Christus, de Heer, in de stad Davids. En dit zal u het teeken zijn: gij
zult het Kinderke vinden in doeken gewonden en liggende in de kribbe.
De hemelbode zweeg. Hij had zijne boodschap overgebracht, toch toefde
hij nog, en terwijl de herders eerbiedig wachtten, breidde zich het
licht, waarvan de engel het middenpunt uitmaakte, meer en meer uit--en
was er met den engel een menigte des hemelschen heirlegers, prijzende
God en zeggende: Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in
menschen een welbehagen.
Toen ontplooide de engel zachtkens zijne vleugelen, verhief zich
langzaam en statig in de lucht, en verdween weldra uit hunne oogen, het
licht met zich voerende; maar nog geruimen tijd klonk het liefelijk
engelenlied kun in de ooren.
Toen de herders tot bezinning waren gekomen staarden zij elkander
sprakeloos aan, totdat een van allen zeide: Dat was Gabriël, Gods bode
bij de menschen.
Niemand antwoordde.
--Christus, de Heer, is geboren, zeide hij dat niet?
--Ja, antwoordde een ander.
--En zeide hij ook niet dat hij geboren is in de stad Davids? dat is dan
toch Bethlehem, daar ginds. En dat wij hem zouden vinden in doeken
gewonden?
De herder, die het eerst gesproken had, staarde een oogenblik nadenkend
in het vuur, en zeide toen op beslisten toon: Er is slechts één plaats
in Bethlehem waar kribben zijn, slechts één, en dat is in de spelonk bij
de oude herberg. Broeders, laat ons gaan en zien wat er geschied is.
De priesters en schriftgeleerden verwachten den Messias reeds geruimen
tijd. Nu is hij geboren, en de Heer heeft ons een teeken gegeven,
waaraan wij hem kunnen kennen. Laat ons gaan en hem aanbidden.
--Maar de kudden....
--Daar zal de Heer voor zorgen. Laat ons zoo snel mogelijk gaan.
Toen maakten zij zich op en sloegen den weg naar Bethlehem in. De weg
voerde achter den berg om door de stad, totdat zij voor de deur der
herberg kwamen, waar een man de wacht hield.
--Wat is uw verlangen? vraagde deze.
--Wij hebben van nacht groote dingen gezien en gehoord, antwoordden zij.
--Nu, wij ook hebben groote dingen gezien, maar gehoord hebben wij
niets. Wat hebt gij gehoord?
--Breng ons eerst naar de spelonk achter de omtuining, opdat wij
zekerheid mogen verkrijgen, dan zullen wij u alles vertellen.
--Noodelooze moeite.
--Neen, de Christus is geboren.
--De Christus! Hoe weet gij dat?
Breng ons bij de spelonk, dan kunt gij het zelf zien.
De wachter lachte spotachtig.--De Christus, zegt gij? En hoe zult gij
weten dat hij het is?
--Ons is gezegd, dat hij in dezen nacht geboren is en nu in een kribbe
ligt, en er is slechts ééne plaats in Bethlehem, waar kribben zijn.
--De spelonk?
--Ja, breng er ons, opdat wij het met onze oogen mogen zien.
Zij gingen over het voorplein, zonder dat iemand op hen lette, hoewel
sommigen het nog druk genoeg hadden over het wondervolle licht. De deur
van de spelonk stond open. Er brandde licht en zij traden zonder omslag
binnen.
--Vrede zij u! zeide de wachter tot Jozef. Hier zijn eenige lieden, die
een jonggeborene zoeken, in doeken gewonden en liggende in een krib.
Jozef ontroerde, en op de kribbe wijzende zeide hij: Daar is het kind.
De herders kwamen behoedzaam nader en beschouwden het slapende kindeke
met stille aandacht. Dat is de Christus, zeide een van hen ten laatste.
--De Christus! herhaalden allen, in aanbidding neerknielende.
--Het is de Heer, en zijn lof is boven aarde en hemel verheven, juichte
de eerste spreker.
De eenvoudige lieden, in wier hart geen plaats was voor twijfel, kusten
den zoom van Maria's gewaad, en gingen heen met vroolijke aangezichten.
In de herberg vertelden zij aan ieder, die het hooren wilde, wat hun
wedervaren was, en op hunnen terugweg naar de vallei zongen zij het
engelenlied: Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in
menschen een welbehagen.
Het verhaal deed de rondte, en nog verscheidene dagen lang werd de
spelonk bezocht door tal van nieuwsgierigen, van wie sommigen geloofden;
maar het grootste gedeelte lachte en spotte.
* * * * *
NEGENDE HOOFDSTUK.
HET BEZOEK VAN DE DRIE WIJZEN.
Elf dagen na de geboorte van het kindeke vinden wij de drie wijzen in de
nabijheid van Jeruzalem. Na de beek Kedron te zijn overgegaan ontmoetten
zij tal van lieden, die hen zonder uitzondering met nieuwsgierigen
blikken nazagen. Hoewel de handelsweg van het oosten naar het zuiden
over Judea voerde, en men bijgevolg, behalve in Rome, nergens zoovele
vreemdelingen van allerlei natiën aantrof als in Jeruzalem, trokken deze
drie mannen toch aller aandacht.
Tegenover de graven der koningen zaten eenige vrouwen aan den weg. Zij
hadden een kind bij zich, en zoodra het de reizigers zag, klapte het in
de handjes en riep: Kijk, kijk, wat mooie belletjes! Wat groote kameelen!
De belletjes waren van zilver, de kameelen, zooals wij weten,
buitengewoon groot en wit. Aan het tuig kon men zien, dat het gezelschap
een verre reis achter zich had, maar ook dat de eigenaars mannen van
aanzien waren. Bij de vrouwen gekomen hield het drietal stil, en vraagde
Balthasar, zich een weinig voorover buigende: Zeg mij, zijn wij nog ver
van Jeruzalem?
--Neen, antwoordde eene der vrouwen, als de boomen op gindschen heuvel
wat lager waren zoudt gij de torens op de markt kunnen zien.
De Egyptenaar zag zijne tochtgenooten veelbeteekend aan, en wendde zich
toen weder tot de vrouw met de vraag: Kunt gij mij ook zeggen waar de
geboren Koning der Joden is?
De vrouwen keken elkander verwonderd aan, maar gaven geen antwoord.
--Weet gij dat niet? herhaalde de Egyptenaar.
--Neen, heer.
--Nu, vertel dan maar aan iedereen, dat wij zijne ster gezien hebben in
het Oosten en gekomen zijn om hem te aanbidden.
Dit gezegd hebbende reden zij verder.
Anderen, die zij tegenkwamen, deden zij dezelfde vraag, maar met gelijke
uitkomst. Zoo vervuld waren zij van het doel hunner reis, dat zij geen
oog hadden voor het heerlijk panorama, dat zich voor hen ontplooide,
toen zij Jeruzalem naderden. Eindelijk waren zij bij de Damascuspoort,
die door een Romeinschen schildwacht bewaakt werd. Langzamerhand hadden
zich eenige nieuwsgierigen bij hen aangesloten, zoodat toen de
Egyptenaar stilhield, om bij den schildwacht inlichtingen te vragen,
onze reizigers het middelpunt werden van eene steeds aangroeiende
menigte.
--Vrede zij u! zeide de Egyptenaar den schildwacht groetende, die den
groet onbeantwoord liet.
--Wij zijn van verre gekomen om den geboren Koning der Joden te zien.
Kunt gij ons ook zeggen waar hij is?
De soldaat lichtte zijn helmvizier op en riep iemand uit het wachthuis.
Uit de gang trad een hoofdman te voorschijn.--Uit den weg! riep hij de
menigte toe, die hem den weg versperde, en toen zij niet gauw genoeg
gehoorzaamde, maakte hij zich, links en rechts met zijn speer zwaaiende,
ruim baan.
--Wat is er van uw verlangen? vraagde hij aan Balthasar.
--Ik wilde weten waar de geboren Koning der Joden is.
--Herodes? vraagde de hoofdman verwonderd.
--Herodes werd door den Keizer tot Koning aangesteld, hem moeten wij dus
niet hebben.
--Er is geen andere Koning der Joden.
--Jawel, want wij hebben zijne ster gezien en zijn gekomen om hem te
aanbidden.
De Romein begreep er niets van.--Ik ben geen Jood en kan u dus niet
helpen. Gaat naar de schriftgeleerden in den tempel, of naar Annas den
Hoogepriester, of beter nog naar Herodes zelf, en vraag het hem. Als er
een andere Koning der Joden is zal hij hem wel weten te vinden.
Daarop joeg hij de omstanders uiteen, opdat de vreemdelingen door de
poort konden trekken. Zoodra zij echter in de stad waren zeide
Balthasar: Wij zullen goed doen met naar de herberg te gaan; het doel
onzer komst is bekend en vóór middernacht zal de geheele stad over ons
spreken.
* * * * *
Dienzelfden avond waren eenige vrouwen bezig met wasschen op de breede
trap, die naar den vijver Siloam voerde. Ieder had een aarden bak voor
zich. Op de onderste trede stond een meisje, dat onder het zingen van
een vroolijk liedje de vrouwen beurtelings van water voorzag.
Terwijl zij daarmee bezig waren kwamen twee andere vrouwen naderbij,
beiden een ledigen waterkruik op den schouder dragende.
--Vrede zij u! zeide eene van haar.
De waschvrouwen staakten even den arbeid, sloegen hare handen droog en
beantwoordden den groet.
--Het is reeds laat in den avond, het wordt tijd om uit te scheiden,
zeide een der laatst gekomenen.
--Er is nog werk genoeg, was het antwoord.
--Ja, maar er is een tijd om te rusten, en....
--Om nieuwtjes te hooren vertellen.
--Wat voor nieuwtjes hebt gij?
--Weet gij het dan nog niet?
--Wat?
--Zij zeggen, dat de Messias geboren is.
--De Messias?! riepen de wasschende vrouwen in de hoogste verbazing.
De beide anderen zetten hare watervaten neder en gingen er op zitten.
Ja, zeiden zij, dat wordt ten minste verteld.
--Door wie?
--Door iedereen. De geheele stad spreekt er van.
--En wordt het geloofd?
--Van middag zijn drie vreemde mannen gekomen over de beek Kedron.
Zij reden alle drie op witte kameelen, zoo groot als wij ze hier in
Jeruzalem nog nooit gezien hebben. Men kon wel zien dat het rijke
menschen zijn, want hun tentjes zijn van zijde, en de gespen en franje
aan de zadels en hoofdstellen van goud. De schelletjes zijn van zilver
en maken echte muziek. Niemand kent ze; zij zien er uit alsof zij van
het einde der wereld komen. Een van de drie deed telkens het woord en
vroeg aan iedereen onderweg, zelfs aan vrouwen en kinderen: Waar is de
geboren Koning der Joden? Niemand kon hem daarom antwoord geven; niemand
begreep wat zij bedoelden. Maar zij hielden vol: Wij hebben zijne ster
gezien in het Oosten en zijn gekomen om hem te aanbidden. Bij de poort
hebben zij het gevraagd aan den schildwacht, maar die wist het evenmin,
en heeft hun gezegd, dat zij het best deden met het aan Herodes te gaan
vragen.
--Waar zijn zij nu?
--In de herberg. Ieder gaat er naar toe om hen te zien.
--Waar komen zij vandaan?
--Dat weet niemand. Ik denk dat het Perzen zijn. Het zijn in ieder geval
wijze mannen, die met de sterren praten, zoo iets als profeten,
misschien wel als Elia of Jeremia.
--Maar gij zegt, dat zij naar den Koning der Joden vragen, wien zouden
zij daarmee bedoelen?
--Den Messias natuurlijk, die pas geboren moet zijn.
Een van de vrouwen lachte en hervatte haar werk met de woorden: Komaan,
ik zal 't gelooven als ik hem zie.
Een tweede volgde haar voorbeeld en zeide: Ik--ja, ik zal 't gelooven,
als ik hem dooden weer levend zie maken.
Een derde zeide nadenkend: Men heeft hem lang verwacht. Voor mij zal het
genoeg zijn als ik hem een melaatsche zie genezen.
* * * * *
TIENDE HOOFDSTUK.
HERODES EN DE WIJZEN.
Eenige uren later in den avond, tegen den tijd der eerste nachtwake,
vinden wij in het paleis op den berg Sion een vijftigtal mannen,
bijeengeroepen door Koning Herodes: hoogepriesters, schriftgeleerden, de
hoofden der verschillende godsdienstige partijen: Farizeën, Sadduceën en
Esseën. De zaal, waar de vergadering plaats had, was zeer ruim, en
volgens Romeinsche gewoonte ingericht. De vloer bestond uit marmerblokken
van verschillende kleur, de wanden, niet door vensters onderbroken,
waren saffraangeel beschilderd; een divan, in den vorm van de letter U
en van gele kussens voorzien, stond in het midden, de opening naar de
deur gekeerd. Aan het boveneinde van dien divan, dus in de buiging,
stond een bronzen drievoet. Daarboven hing een luchter met zeven armen,
die ieder een brandende lamp droegen. De divan en de luchter waren
zuiver Joodsch.
De vergadering bestond hoofdzakelijk uit mannen van leeftijd, mannen met
lange baarden, vurige oogen, zware wenkbrauwen. Hunne kleeding was
behalve wat de kleur betreft volmaakt dezelfde. Hun uiterlijk was
ernstig, deftig, bijna patriarchaal. Aan het hoofdeneinde, achter den
drievoet, zat de voorzitter, rechts en links zijne medegenooten.
In zijne jeugd groot en forsch van statuur, was de thans 106-jarige
Hillel, de Babyloniër, de eerwaardige voorzitter van den Grooten Raad,
uitwendig niet meer dan de schim van hetgeen hij vroeger was; maar zijn
helderheid van hoofd liet niets te wenschen over. Op den drievoet vóór
hem lag een met Hebreeuwsche letters beschreven perkamenten rol, achter
hem stond een rijkgekleede knaap op zijne bevelen te wachten. Het
geleerde gezelschap heeft een levendige woordenwisseling gevoerd, maar
is zooëven tot een besluit gekomen. Hunnen houding is rustig en de
eerwaardige Hillel roept den knaap tot zich. Eerbiedig treedt hij voor
zijnen meester.
Ga den Koning melden, dat wij gereed zijn om op zijne vraag te
antwoorden, beveelt de grijsaard.
De jongen snelt heen.
Weinige oogenblikken later traden twee hoofdmannen binnen en plaatsten
zich naast de beide deurposten. Hen volgde op den voet een merkwaardige
persoonlijkheid: een oud man, bekleed met een purperen kleed, om het
middel bevestigd door een fijnbewerkten gouden gordel; een diadeem omgaf
het hoofd, de sandalen waren met kostbare edelsteenen versierd, in den
gordel stak een fraaie dolk. Zijn gang was moeilijk en hij leunde zwaar
op zijn staf. Niet voordat hij den divan bereikt had stond hij stil en
overzag de vergadering met hooghartigen blik, donker en dreigend, alsof
hij zich onder vijanden bevond. Het was Herodes de Groote--het lichaam
ondermijnd door kwalen, het geweten bezwaard door misdaden. Een waardig
gezel der Romeinsche Cesars, was hij op 67-jarigen leeftijd een
ijverzuchtig despoot, altijd vreezende dat iemand hem in zijne rechten
wilde treden.
Nadat alle aanwezigen hem begroet hadden, ging Herodes rechtstreeks op
Hillel toe en zeide op meesterachtigen toon: Het antwoord!
De patriarch hief het hoofd op, zag hem welwillend aan en zeide: De
vrede van den God Abrahams, Izaäks en Jakobs zij met u, o Koning!--Gij
hebt ons gevraagd waar de Messias geboren moet worden. (De Koning boog
toestemmend, de oogen onafgewend op den spreker gevestigd.) Nu dan, o
Koning, naar ons aller meening te Bethlehem in Judea.
Hillel liet den blik rusten op de rol en las: Te Bethlehem in Judea;
want alzoo zegt de profeet: En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om
te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, die een
Heerscher zal zijn in Israël.
Herodes' gelaat betrok. Nadenkend staarde hij op de rol. Ademlooze
stilte heerschte in de zaal, niemand waagde te spreken. Eindelijk keerde
de Koning zich om en ging heen.
--Broeders, zeide Hillel, de vergadering is gesloten.
Allen stonden op en verwijderden zich in groepen.
--Simeon! riep Hillel.
Een vijftigjarige man, nog krachtig en sterk, voegde zich dadelijk bij
hem.
--Neem de heilige rol tot u, mijn zoon, en geleid mij naar den
draagstoel.
Liefdevol en eerbiedig voldeed Simeon aan het verzoek zijns vaders,
wiens waardige opvolger hij eenmaal zijn zou.
* * * * *
Nog weder later op dienzelfden avond legden de drie wijzen zich in de
herberg ter ruste. Door een opening in het dak konden zij de lucht
bespieden, en bij het heerlijk stergeflonker dachten zij na over Gods
wonderlijke leiding. Maar hoe nu verder? Op welke wijze zou Hij zich
thans openbaren? Eindelijk waren zij dan in Jeruzalem; aan de poort
hadden zij naar hem gevraagd, dien zij zochten; zij hadden zijne
geboorte aangezegd, hun bleef niets over dan hem te vinden, en ook
daarin rekenden zij vast op de leiding des Geestes. Die Gods stem
beluisteren, of op een teeken des hemels wachten, kunnen niet slapen.
Daar trad iemand op hen toe. Wordt wakker! riep hij, ik heb u iets te
zeggen daar haast bij is.
Aanstonds sprongen zij overeind.--Van wien? vraagde de Egyptenaar.
--Van Koning Herodes.
--Zijt gij niet de deurwachter van deze herberg?
--Die ben ik.
--Wat verlangt de Koning van ons?
--Zijn bode wacht buiten. Hij zal u antwoorden.
--Zeg hem dat wij dadelijk zullen komen.
--Gij hadt gelijk, broeder, zeide de Griek, toen de wachter zich
verwijderd had.--De vraag tot het volk op den weg en tot den schildwacht
aan de poort heeft ons bekend gemaakt. Ik ben vol ongeduld, laat ons
gaan.