De Egyptenaar en de Hindoe zagen elkander aan; de eerste wen

BEN-HUR

Een verhaal uit den tijd van Jezus' omwandeling op aarde

Uit het Engelsch van

LEWIS WALLACE

door

ALMA

(A.M.Th. Doedes)

* * * * *

VOORBERICHT.

Gaarne schrijf ik, daartoe verzocht, een aanbevelend woord voor eene

nieuwe uitgave van dit boek, dat vertaald is met eene zorg en keurigheid

zulk een meesterstuk waardig.

Niemand kan meer bereid zijn dan ik om te erkennen, dat een verhaal uit

den tijd van Jezus' omwandeling op aarde een genre is uiterst teeder en

zoo vol gevaar om het heilige niet heilig te houden, dat het er mede is,

als met afbeelden van den Christus, een ondernemen, dat een even vroom

gemoed als een zeldzaam talent vereischt. Geen oningewijde, niet door

hooger geest gedrevene, wage zich op het gebied van het heilige.

Van de schrijver van Ben-Hur mag gezegd worden, dat hij het tijdperk,

waarin zijn verhaal valt, en in ruim gebied karakters, plaatsten en

omstandigheden zoo grondig kent, als alleen de ernstigste studie

mogelijk maakt. Telkens rijst het vermoeden, dat de schrijver meer

noodig geacht heeft dan boekenkennis, dat hij persoonlijk de plaatsen

heeft bezocht, dat hij uit het verledene als een ooggetuige doet

opdoemen.

Uit het tijdvak, dat hij ons aanschouwelijk wil voorstellen, kan de

inhoud der evangeliën niet geheel verwijderd blijven, maar met welk eene

soberheid en eerbied voor de letter is dit geschied. Reeds terstond

blijkt dat bij den aanvang des verhaals, waar de schrijver niet een

eigen verdicht verhaal maakt van het weinige dat Mattheus van "de Wijzen

uit het Oosten" meedeelt, maar de kerkelijke legende van Caspar,

Melchior en Balthasar, de als zinnebeeld der Christus' heerschappij uit

Europa, Azië en Afrika gekomenen opneemt, om met eerbiediging van de

Schrift, zij het ook slechts één van de drie, den vromen Balthasar uit

Egypte, als type van het tijdvak in zijn verhaal op te nemen. In alles

wat den Heer zelve betreft, en dat niet meer is dan het volstrekt

noodige, is nergens in het minste den teugel aan de verbeelding gevierd,

en aan de Schrift, en aan deze alleen het woord gelaten.

Door dit alles is het, dat het kunstwerk van WALLACE niet alleen aan

volwassenen maar niet minder voor jeugdigen kan worden aanbevolen, als

een geschrift, waaruit zij veel kunnen leeren om de Schrift beter te

verstaan, doch vooral ook meer van harte te waardeeren de herschepping,

die in de menschenwereld en in menschenharten door den beloofden en zoo

vurig verwachten Zoon des menschen is teweeggebracht.

In de edelste harten van die dagen zien wij niet de heerschappij der

liefde met oppermacht heerschen, maar een zich buigen voor den machtigen

drang van wraakzucht en haat. Alleen één (en dit denkbeeldig) type, de

vrome Balthasar, schaduwt hoogere verwachtingen af; maar een edel type

van vleesch en bloed als Ben-Hur kan voor de oplossing van het

wereldraadsel door kruis en opstanding niet hooger reiken dan een

Joodsch koning, die door Galileesche legioenen de wereld overwinnen en

aan Jeruzalem in het wereldgebied de plaats van Rome schenken zal.

Tegen welke wereldmachten de Zoon des menschen zonder de hulp van

wapenen, goud of wijsbegeerte zich te kampen heeft, wordt in de

keurigste tafereelen op elk levensgebied aanschouwelijk, en tevens zijn

recht gevoeld om stervende te kunnen zeggen: "ik heb de wereld

overwonnen."

Waar zooveel in onze dagen van het lezen des Bijbels en grondig

bepeinzen van zijn inhoud afleidt, mag van dit boek, al is het een

verdicht verhaal, het tegendeel gezegd worden. Den nadenkende doet het

de wereld, die Jezus overwinnen kwam door haar in woord en daden de

liefde des Vaders te openbaren, in eigen natuurlijk hart terugvinden.

Geen zoo edel, dat van nature zich hooger zal durven plaatsen, dan

Ben-Hur. Voor dezen niets minder dan een van nieuws geboren worden

noodig, een zien met andere oogen, een liefhebben met een vernieuwden

geest des gemoeds. Wat voor hem, gelijk voor Nikodemus gold, voelen zij

ons niet minder van nabij te raken: "tenzij iemand van nieuws geboren

wordt, hij kan het koninkrijk Gods niet zien." De moordenaar op het

kruis was de eerste om dat met onbenevelden blik te aanschouwen.

Na hem rust ons oog op Stefanus en op den plaatsvervanger des eersten

martelaars, Paulus, op dat hooge standpunt de voltooiing van den

wereldstrijd door het kruis aanschouwend. Hoevelen na hem hebben in

lijden, strijd en sterven de roemtaal van Rom. VIII herhaald, als een

Amen op het woord van de Zegepralende bij zijn heengaan: "Mij is gegeven

_alle_ macht in den hemel en op aarde, onderwijst _alle_ volken, ik ben

met u _al_ de dagen tot de voleinding der eeuwen."

C.S.A. v. S.

* * * * *

BEN-HUR

BOEK I.

* * * * *

EERSTE HOOFDSTUK.

IN DE WOESTIJN.

De Jebel es Zubleh is een bergketen, ruim vijftig mijlen lang, en zoo

smal, dat zij op de landkaart veel heeft van een rups, die van het

zuiden naar het noorden kruipt. Van den top der wit- en roodkleurige

klippen ziet men in het oosten niets dan de woestijn van Arabië. Een

dikke laag zand, door den Eufraat achtergelaten, bedekt het onderste

gedeelte van de bergketen en blijft daar liggen, want de berg strekt tot

een muur voor de weilanden van Moab en Ammon in het westen, die anders

een deel van de woestijn zouden uitmaken.

De Arabier heeft den stempel zijner taal gedrukt op alles ten zuiden en

oosten van Judea; zoo is in het Arabisch de oude Jebel de vader van

tallooze wadi's[1], die, den weg kruisend, breeder en breeder worden, in

het regenseizoen de watermassa's naar de Jordaan afvoeren, of wel naar

haar laatsten vergaarbak, de Doode Zee.

Uit een van deze wadi's, en wel uit de allerlaatste, die ten slotte de

bedding van de beek Jabbok wordt, kwam een reiziger te voorschijn, die

koers zette naar de woestijn. Op dezen persoon willen wij eerst de

aandacht vestigen.

Naar zijn uiterlijk te oordelen moest hij vijfenveertig jaar oud zijn.

Zijn lange baard, eenmaal ravenzwart, begon sterk te grijzen; zijn

donkerkleurig gelaat was door een laag neerhangenden, rooden hoofddoek

slechts ten deele zichtbaar. Nu en dan sloeg hij de oogen op, groote

donkere oogen. Hij was gekleed in een lang, ruim gewaad, de gewone

oostersche dracht, en bereed, gemakkelijk liggende in een zonnetent,

een witten kameel.

Ik geloof niet dat eenig westerling den indruk zal vergeten, dien de

eerste aanblik van een kameel, gezadeld en bepakt voor de reis door

de woestijn, op hem maakt. De gewoonte, zoo doodend voor andere

nieuwigheden, heeft hier slechts weinig invloed. Na menige reis per

karavaan, na jarenlang verblijf onder de Bedouïnen, zal de westerling,

waar hij ook zijn moge, telkens weer stilstaan, om het schip der

woestijn te zien voorbijgaan. De bekoring ligt waarlijk niet in het

uiterlijk van het dier, noch in zijne afmetingen, noch in zijn

onhoorbaren stap; neen, maar de woestijn omhult den kameel met al haar

geheimenissen, en hem aanschouwende denken wij aan die geheimenissen.

De kameel, die juist uit de wadi kwam, mocht gerust aanspraak maken op

het gewone eerbewijs. Zijn kleur en hoogte, zijn breede voet, zijn

forsche bouw, zijn slanke, sierlijke nek, zijn kop, zijn stap, lang en

veerkrachtig, zijn tred, zeker en onhoorbaar, alles kenmerkte den

afstammeling van een oud Syrisch geslacht.

Toen de kameel uit de wadi te voorschijn trad was hij de grens van El

Belka, het oude Ammon, overgegaan. Het was nog vroeg in de morgen. De

zon ging juist op, half omsluierd door een wazigen mist. Vóór hem lag

de woestijn, niet het gebied van het welzand, dat was verderop; maar de

regionen, waar de plantengroei minder begint te worden, en de grond

bezaaid is met blokken graniet en grijze en bruine steenen, waartusschen

hier en daar een kwijnende acacia zich omhoog werkt en enkele toefjes

gras opschieten. Eiken, braamstruiken en haagappelboomen lagen achter

hem, alsof zij, tot een zeker punt genaderd, door één blik op die dorre

woestenij van schrik verstijfd waren gebleven. Hier ook hield de begane

weg op.

Maar dat hinderde den kameel niet. Alsof hij een innerlijken drang

gehoorzaamde, ging hij met versnelden pas op den oostenlijken horizon

toe. De wijd geopende neusgaten dronken gretig het frissche morgenwindje

in. Leeuwerik en rotszwaluw ontplooiden hunne vleugels, en witte

patrijzen, opgejaagd door den vreemden bezoeker, maakten zich piepend en

klokkend uit de voeten. Ter rechterzijde verhieven zich de heuvels van

den Jebel. Boven hun hoogste toppen zweefde een gier op breed

uitgespreide vlerken in steeds wijder wordende kringen. Van dit alles

zag de bewoner der tent echter niets; zijne oogen staarden droomerig

vooruit. Berijder en kameel beiden gaven den indruk, dat zij geleid

werden.

Zoo ging het twee uren voort. Gedurende al dien tijd bleef de reiziger

in dezelfde houding liggen en keek niet rechts of links. Het landschap

was intusschen van voorkomen veranderd. Van den Jebel zag men nog

slechts aan den westelijken horizon de flauwe omtrekken. Hier en daar

lagen enkele groote bazaltsteenen, als voorposten, om de vijandige

machten in bedwang te houden. Zand, niets dan zand was wat het oog

ontwaarde, somtijds effen als aan het strand der zee, dan in heuveltjes

opgehoopt, hier als gekuifde golven, daar als zachte deining. Ook de

atmosfeer had eene verandering ondergaan. Dauw en mist waren opgetrokken,

de gansche omtrek schitterde in den vollen zonneschijn, de blauwe lucht

vonkelde en trilde in dien gloed.

Weder gingen twee uren voorbij en nog altijd ging het voorwaarts in

dezelfde richting, zonder rust of oponthoud. De Jebel was uit het

gezicht verdwenen; de schaduw, die straks den reiziger volgde, viel nu

naar het noorden, en hield gelijken tred met hen, die haar afwierpen,

en nog verroerde de in gedachten verzonkene zich niet.

Maar zie, juist toen de zon de middaghoogte bereikte, stond de kameel

uit eigen beweging stil, en slaakte een kreet, die den meester als uit

een vasten slaap deed ontwaken. Hij sloeg het tentgordijn open, keek

naar de zon, beschouwde lang en aandachtig het landschap, haalde diep

adem, en fluisterde met een bevredigden blik: Eindelijk! Eindelijk! Een

oogenblik later kruiste hij de handen over de borst, boog het hoofd, en

bad in stilte. Na het volbrengen van dezen plicht maakte hij zich gereed

om af te stijgen. Hij gaf den kameel het gewone teeken om te knielen.

Behoedzaam gehoorzaamde het schrandere dier, de reiziger zette zijnen

voet op den slanken nek, en stond het volgende oogenblik op den grond.

Noot: [1] Doorwaadbare plekken.

* * * * *

TWEEDE HOOFDSTUK.

DE DRIE REIZIGERS.

Wij willen thans den vreemdeling meer van nabij beschouwen. Hoewel niet

groot, is hij toch een flinke figuur.

Nu hij het zijden koord, dat den hoofddoek op zijn plaats moet houden,

losgemaakt heeft, kunnen wij hem vrij in 't gezicht zien. De kleur was,

zooals reeds gezegd is, donkerbruin, bijna zwart; maar het lage breede

voorhoofd, de arendsneus, de bijzondere vorm der oogen, het lange

glanzende haar, dat hem in talrijke vlechten tot op de schouders

nederhing, waren de onmiskenbare teekenen van zijne afkomst. Zoo

Mizraïm, de stamvader der Egyptenaren. Zijne kleeding bestond uit een

lang wit katoenen hemd, met een gordel om het middel bevestigd, en langs

hals en borst met borduursel bezet. Daarover een bruin wollen bovenkleed,

met kleurige zijde gevoerd, en rondom afgezet met een matgelen rand. Aan

de voeten droeg hij sandalen, vastgebonden door fijn lederen riemen.

Opmerkelijk is, dat hij geen enkel wapen bij zich had, zelfs den stok

niet, waarmede de drijvers gewoonlijk hunne kameelen aanzetten, en dat

nog wel nu hij geheel alleen het gebied van luipaarden en leeuwen en

niet minder wilde natuurgenoten heeft betreden. Hij moet dus òf van

zeldzaam stoutmoedigen aard zijn, òf zich onder bijzondere bescherming

gevoelen.

Door den langen rit waren zijne ledematen stijf geworden, daarom wreef

hij zich de handen, stampte met de voeten, wandelde wat op en neer, bij

tijd en wijle onderzoekend rondziende, alsof hij iemand verwachtte. Toen

zich echter nergens aan den horizon eenig teeken van leven vertoonde,

was hij blijkbaar teleurgesteld en hervatte hij zijn wandeling. Twijfel

aangaande de komst van den verwachte kwam niet bij hem op; want na een

poosje begon hij zijne bagage te ontpakken, alsof hij voornemens was

hier zijne tent op te slaan. En dat bleek ook werkelijk het geval te

zijn; want na met een spons de oogen en de neusgaten van zijn kameel te

hebben gereinigd, bracht hij een bundel staven te voorschijn, plantte de

langste in den grond en de andere in een kring daar omheen, overdekte ze

met een wit en rood gestreept tentdoek, spreidde een tapijt op den grond

en nam bezit van zijn kleine woning. Toen ging hij weer naar buiten en

zag nogmaals onderzoekend rond. Maar de uitgestrekte wildernis gaf niet

het minste teeken van leven.

--Wij zijn ver van huis, mijn snelvoetige rijder! zeide hij en liefkoosde

zijn trouwen metgezel, wij zijn ver van huis; maar God is met ons, wij

moeten geduld oefenen.

Nu nam hij een paar handenvol boonen uit een der zadelzakken, tot voeder

voor zijn dier, en zeide: Zij zullen komen. Hij die mij geleid heeft

leidt ook hen. Ik zal alles gereedmaken.

Uit zijn voorraadschuur bracht hij de benoodigdheden tot een maaltijd in

de tent: borden uit palmbladen gevlochten, wijn in kleine lederzakken,

gedroogd schapevleesch, Syrische grannaatappels, Arabische dadels, kaas

en brood; schikte alles zorgvuldig op het tapijt en legde er ten slotte,

zooals dat bij beschaafde oosterlingen gebruikelijk is, zijden servetten

bij, drie in getal, waaruit zich laat opmaken hoevele gasten hij

verwachtte.

Alles was nu gereed. Hij ging weer naar buiten, en zie! in het oosten

trof een donkere stip aan den horizon zijn oog. Als aan den grond

genageld bleef hij staan, de oogen wijd geopend, huiverend, als voelde

hij de aanraking van iets bovennatuurlijke,--de stip werd grooter en

grooter en kreeg ten laatste duidelijke omtrekken. Een weinig later kon

hij den dubbelganger van zijn eigen witten kameel onderkennen, dragende

op den rug een _houdah_, de reistent van den Hindoe.

De Egyptenaar vouwde de handen en zag op naar den hemel. God alleen is

groot! riep hij diep ontroerd.

De vreemdeling kwam nader en nader en hield eindelijk stil. Ook hij

scheen uit een droom te ontwaken. Hij zag den knielenden kameel, de

tent, en den man, die biddend in de opening stond. Hij vouwde de handen,

boog het hoofd en bad in stilte; daarna steeg ook hij uit en trad op den

Egyptenaar toe. Een oogenblik zag de een den ander aan, toen omhelsden

zij elkander.

--Vrede zij u, o dienaar van den waren God, zeide de nieuw aangekomene.

--En u, medebroeder in het ware geloof! vrede en welkom, antwoordde de

Egyptenaar hartelijk.

De vreemdeling was lang en mager van gestalte, de oogen lagen diep in

hunne kassen, haar en baard waren wit, zijn gelaatskleur geelachtig

brons. Hij ook was ongewapend. Zijn kleeding was die van een Indiër,

geheel wit, behalve de muilen, die van rood leder vervaardigd waren.

Zijn voorkomen was deftig en statig, en hoogst ernstig.

--God alleen is groot! zeide hij, zich weder oprichtende.

En gezegend zijn zij die Hem dienen! antwoordde de Egyptenaar. Maar zie,

daar komt onze tochtgenoot.

Hij wees naar het noorden, waar een derde kameel, wit als de hunne, met

snellen stap naderde. Zij wachtten, totdat ook hij stilhield, en zijn

berijder op hen toetrad.

--Vrede zij met u, mijne broeders, zeide hij, den Hindoe omhelzende. En

de Hindoe antwoordde: Gods wil geschiede!

De laatst gekomene was van een geheel ander type, dan zijne vrienden.

Zijn lichaamsbouw was fijner, zijn gelaatskleur blank, zijn golvende

lokken waren blond; uit zijn donkerblauwe oogen sprak een zacht gemoed

en een open eerlijk hart. Hij ging blootshoofds en was ongewapend.

Vijftig jaren, misschien meer, waren over zijn hoofd gegaan; maar de

veerkracht van lichaam en geest was nog onverminderd. Den man van het

vak behoefde men niet te zeggen tot welk volk hij behoorde, geheel zijn

uiterlijk teekende den Griek.

Toen hij ook den Egyptenaar begroet had, zeide deze met trillende stem:

De Geest heeft mij het eerst hier gebracht, aan mij dus de eer van de

dienaar mijner broederen te zijn. De tent is opgeslagen, het maal is

gereed. Staat mij toe mijn plicht te vervullen. Hen daarop bij de hand

nemend, leidde hij hen binnen, ontdeed hen van hun schoeisel, wiesch

hunne voeten, goot water over hunne handen, en droogde ze af met een

doek. Nadat hij ook zijn eigen handen gewasschen had, zeide hij: Komt,

mijne broeders, laat ons eten, opdat wij sterk mogen zijn voor het werk

dat ons wacht. Tegelijkertijd kunnen wij elkander mededeelen wie wij

zijn en vanwaar wij komen.

Dus genoodigd zetten ook de anderen zich neder, bogen het hoofd, vouwden

de handen op de borst en deden te zamen dit eenvoudig gebed: Vader van

allen--God! wat ons is voorgezet is Uwe gave. Neem onzen dank en zegen

ons, opdat wij mogen voortgaan met Uwen wil te doen.

Bij die laatste woorden sloegen zij de oogen op, en zagen elkander

verbaasd aan. Ieder had gesproken in eene aan de anderen onbekende taal;

en toch begrepen zij volkomen wat gezegd was. Hunne ziel trilde van

heilige aandoening--zij gevoelden Gods tegenwoordigheid.

* * * * *

DERDE HOOFDSTUK.

CASPAR DE GRIEK.

Volgens de toenmalige tijdrekening had het bovenvermelde plaats in de

maand December van het Romeinsche jaar 747. De lange rit door de

woestijn had onzen reizigers een goeden eetlust bezorgd, zij deden het

hun voorgezette maal eer aan, onder het genot van een teug goeden wijn,

daarna begon het gesprek.

--Voor den reiziger in een vreemd land is niets zoo liefelijk, als zijn

naam te hooren van de lippen eens vriends, zeide de Egyptenaar, die als

gastheer den maaltijd geleid had. Vóór ons liggen vele dagen van

vriendschappelijk samenzijn. Daarom is het noodig dat wij elkander

leeren kennen. Laat dus, zoo gij het goed vindt, hij, die het laatst

hier kwam, beginnen met te spreken.

Op bedaarden toon, als een die gewoon is zichzelf te beheerschen, begon

de Griek. Wat ik te vertellen heb, broeders, is zoo vreemd, dat ik bijna

niet weet waar ik beginnen zal, wat ik zeggen en wat ik zwijgen moet. Ik

begrijp mijzelf nog niet. Wat ik echter weet is, dat ik den wil doe van

Een, die machtig is, en dat ik mij daar onuitsprekelijk gelukkig in

gevoel. De gedachte aan het mij opgedragen werk wekt eene zoo

onbeschrijfelijke vreugde in mij, dat ik er niet aan twijfel, of het is

God, die het mij opdroeg.

Hier zweeg hij een oogenblik, door zijn gevoel overweldigd. Na zich wat

hervat te hebben ging hij voort: Ver van hier, in het westen, ligt een

land, dat nooit vergeten zal worden, al was het alleen omdat de wereld

er zooveel aan te danken heeft. Ik zal zwijgen van de schoone kunsten,

van philosophie, welsprekenheid, dichtkunst, en van zijne

krijgsverrichtingen; want, mijne broeders, dit zal de roem van mijn land

wezen, dat Hij, dien wij gaan zoeken, in zijne taal verkondigd zal

worden aan de geheele wereld. Het land waarvan ik spreek is Griekenland.

Ik ben Caspar, de zoon van Kleanthes den Athener. Evenals voor de

meesten mijner landgenooten was de studie mijn lust en mijn leven. Twee

onzer grootste wijsgeeren leeren: de een, dat ieder mensch een

onsterfelijke ziel heeft, de ander, dat er slechts één God is, volmaakt

rechtvaardig. Van alle twistvragen, waarover de geleerden redetwistten,

vond ik deze alleen de moeite van het overdenken waard; want ik moest

toegeven dat er een tot nog toe onbekende verhouding bestaat tusschen

God en de ziel. Het verstand kan daarover tot zeker punt redeneeren

--dáár gekomen blijft men staan, als voor een hoogen muur. Om hulp roepen,

is het eenige dat ons rest. Dat deed ik dan ook, maar geen stem kwam van

achter den muur tot mij.

In wanhoop ontvlood ik de stad en de scholen. In het noordelijk gedeelte

van mijn land, in Thessalië, is een berg, dien mijn volk voor de

verblijfplaats der goden houdt, met name van Zeus. Olympus heet hij.

Daarheen ging ik. Aan den zuid-oostkant van den berg vond ik een hol,

daar woonde ik geruimen tijd, in overdenkingen verzonken, of liever,

wachtende op de verhooring van mijn aanhoudend gebed om een openbaring.

Mijn geloof in God, den onzichtbare en tevens oppermachtige, was zoo

vast, dat ik het ook mogelijk achtte zóó naar Hem te smachten, dat Hij

medelijden met mij zou krijgen en mij zou antwoorden.

--En dat heeft Hij gedaan! dat heeft Hij gedaan! riep de Hindoe, de

handen omhoog heffende.

--Hoort verder, broeders, zeide de Griek, zijne aandoening bedwingende.

Van uit mijne kluis had ik het gezicht op de golf van Thermaï. Op

zekeren dag zag ik een man overboord vallen van een voorbijzeilend

schip. Hij bereikte al zwemmend de kust. Ik nam hem tot mij en verzorgde

hem. Hij was een Jood, wel onderwezen in de geschiedenis en wetten van

zijn volk, en van hem vernam ik, dat de God mijner gebeden werkelijk

bestond en sedert eeuwen hun wetgever, beschermer en koning was. Wat was

dat anders dan de openbaring waarvan ik droomde? Mijn geloof was niet

beschaamd geworden; God had mij geantwoord.

--Zooals Hij allen antwoordt, die in het geloof tot Hem roepen, zeide de

Hindoe.

--Maar helaas, merkte de Egyptenaar aan, hoe weinigen zijn wijs genoeg,

om te onderkennen wanneer Hij hun antwoordt.

--Daar bleef het echter niet bij, vervolgde de Griek. De Jood vertelde

mij nog meer. Hij zeide dat de profeten, die in de eeuwen, welke op de

eerste openbaring volgden, met God wandelden en spraken, verklaard

hadden, dat Hij zou wederkomen. Hij noemde mij de namen dier profeten en

haalde uit de heilige boeken hun eigen woorden aan. Ook zeide hij, dat

die tweede komst op handen was, dat men er te Jeruzalem dagelijks naar

uitzag. Maar, de man zeide ook, dat, evenals God en de openbaring,

waarvan hij gesproken had, alleen voor de Joden geweest waren, dit ook

nu het geval zou zijn. Is er dan niets te hopen voor de andere

aardbewoners? vraagde ik. Neen, antwoordde hij op trotschen toon. Neen,

wij zijn het uitverkoren volk. Dat antwoord vernietigde echter mijne

hoop niet. Waarom zou zulk een God liefde en goedheid slechts tot één

land, tot één ras beperken? Ik wilde dat tot elken prijs onderzoeken.

Ten langen laatste kwam ik achter de waarheid en vernam, dat zijne

vaderen slechts de uitverkoren dienaars waren geweest, om de Waarheid

te bewaren, opdat de geheele wereld haar eenmaal zou leeren kennen en

behouden worden.

Toen de Jood vertrokken was en ik mij weder alleen bevond, bad en

smeekte ik vurig, dat het mij vergund mocht worden dien Koning, als Hij

kwam, te zien en te aanbidden.

Op zekeren avond zat ik voor mijne spelonk in gepeinzen verdiept, toen

ik plotseling boven de zee, of liever in de duisternis, die haar

bedekte, eene ster zag vonkelen. Langzaam steeg zij hooger en kwam

nader, tot boven den berg, en boven mijn hoofd, zoodat haar glans mij

bescheen. Ik viel neder en sliep na een poosje in. In den droom hoorde

ik een stem tot mij zeggende: "O Caspar, Gij gezegende. Uw geloof heeft

overwonnen. Met twee anderen, gekomen van de uiterste deelen der aarde,

zult gij Hem, den beloofde, zien en van Hem getuigen. In den morgenstond

zult gij opstaan en hun tegemoet reizen. Vertrouw op den Geest, die u

zal geleiden." En des morgens ontwaakte ik, door den Geest als door eene

zon verlicht. Ik legde mijn kluizenaarsgewaad af en kleede mij als

vanouds. Uit een verborgen schuilhoek nam ik den schat, dien ik met mij

gebracht had. Ik riep een voorbijzeilend schip aan, werd aan boord

genomen en te Antiochië aan wal gezet. Daar kocht ik den kameel met

toebehooren. Langs de tuinen en boomgaarden, die de boorden van de

Orontes sieren, reisde ik naar Emesa, Damascus, Bostra en Philadelphia,

tot hier. Ziet daar, broeders, mijne geschiedenis. Laat mij nu de uwe

mogen vernemen.

* * * * *

VIERDE HOOFDSTUK.

MELCHIOR.

De Egyptenaar en de Hindoe zagen elkander aan; de eerste wenkte met de

hand, de ander boog ten teeken van goedkeuring en begon: Onze broeder

heeft goed gesproken, mochten mijne woorden even verstandig zijn. Mijn

naam, broeders, is Melchior. Mijne taal is, zoo al niet de oudste op

aarde, dan toch de eerste, waarbij men zich van de schrijfkunst

bediende; ik bedoel het Sanskriet van Indië. Ik ben Hindoe van geboorte.

Mijn volk heeft van oudsher de paden der wetenschap betreden en blijven

bestaan, want zij zijn de bronnen van den godsdienst en van alle nuttige

kennis.

Ik ben een geboren Brahmaan. Voorschriften regelden bijgevolg mijn leven

tot in de minste daad, tot in zijn laatste uur. Ik kon niet wandelen,

eten, drinken, of slapen, zonder gevaar te loopen van een der regelen

te overtreden. En de straf, mijne broeders, de straf zou mijne ziel

treffen. Van den aard der overtreding hing het af, of mijne ziel

opgenomen kon worden in den hemel, zij het ook den laagsten, dien van

Indra, of teruggedreven zou worden om te leven in een worm, een vlieg,

een visch, of een wild dier. De belooning voor volmaakte gehoorzaamheid

is de Zaligheid, een opgaan in het Brahma, hetgeen niet zoozeer een

zelfstandig bestaan, als wel een volkomen rust is.

Toen mijn studietijd voorbij was en ik tot de tweede orde kon toegelaten

worden, dat wil zeggen, toen ik in het huwelijk mocht treden en een

eigen gezin hebben, begon ik naar alles een onderzoek in te stellen,

zelfs naar het Brahma; want voor het oog mijns geestes was een

schemerschijn van licht opgegaan, en mijne ziel smachtte er naar dat

licht van nabij te beschouwen. Eindelijk, na lange jaren zwoegens, stond

ik in het volle licht en aanschouwde den grondslag van het leven, het

ware beginsel van den godsdienst, den band tusschen de ziel en God: de

Liefde.

Het ingevallen gelaat van den grijsaard schitterde van innerlijk geluk

en hij vouwde de handen tot een dankgebed.

--De liefde is slechts gelukkig wanneer zij bezig is, zoo vervolgde hij.

Aan hetgeen men bereid is voor anderen te doen, kan men haar toetsen.

Ik kon niet rusten. Brahma had zooveel ellende over de wereld gebracht.

Ik maakte mij op en reisde langs den Ganges tot waar de heilige stroom

zich in den Indische Oceaan uitstort. Ik hoopte rust te vinden in de

schaduw van den tempel aan Kapila gewijd, om mij daar met zijne jongeren

in het gebed te vereenigen. Maar tweemaal 's jaars kwamen gansche

scharen bedevaartgangers die plek bezoeken. Hunne ellende vuurde mijne

liefde aan. In het begin legde ik mijzelven met geweld het zwijgen op,

want één woord tegen het Brahma zou mij in het verderf storten, één

vriendschapsdienst aan de uitgeworpen Brahmanen bewezen, die zich naar

het verzengende strand sleepten om daar te sterven, één zegenbede, één

beker water--zou mij tot een van hen maken, verloren voor familie, land,

voorrechten, kaste.

Maar de liefde overwon. Ik sprak tot de tempelbewoners, zij dreven mij

uit. Ik sprak tot de pelgrims, zij verjoegen mij met steenen. Op de

wegen trachtte ik te prediken, mijne hoorders ontvluchtten mij, of

zochten mij te dooden. Nergens in Indië kon ik ten slotte vrede of

veiligheid vinden--zelfs niet onder de uitgeworpenen; want hoewel zij

gevallen waren, zij bleven toch gelooven in het Brahma. Tot het uiterste

gebracht zocht ik een eenzame plek, waar ik voor allen, behalve voor

God, verborgen kon zijn. Ik volgde den Ganges tot aan zijne bronnen.

Zoo kwam ik in het Himalayagebergte. Mijn weg voerde mij langs

duizelingwekkende afgronden, over gletschers, nu in de hoogte, dan in de

diepte, totdat ik het wonderschoone meer Tao bereikte, aan den voet van

een drietal rotsen gelegen, die hare met eeuwigen sneeuw bedekte kruinen

hemelhoog in de lucht verheffen. Daar sloeg ik in volslagen eenzaamheid

mijne tent op, om er met God te verkeeren en mijn laatste uur te

verbeiden.

Op zekeren avond wandelde ik langs het meer en riep overluid: Wanneer

zal God verschijnen en mij vrij maken? Is er dan geen verlossing? Toen

vertoonde zich plotseling een lichtvonk op den donkeren waterspiegel.

Weldra verrees een ster, die nader en nader kwam, totdat zij boven mijn

hoofd bleef staan. Haar glans verblindde mij. Ik viel ter aarde en toen

ik daar lag hoorde ik een stem, zeldzaam liefelijk, die tot mij zeide:

Uwe liefde heeft gezegepraald. Gezegend zijt gij, zoon van Indië! De

verlossing is nabij. Met twee anderen, komende van de uithoeken der

aarde, zult gij den Verlosser zien, en van zijne komst getuigen. Maak u

op in den morgenstond, en ga hun te gemoet. Stel al uw vertrouwen in den

Geest die u zal geleiden.

Van dat oogenblik is het licht bij mij gebleven ten teeken dat de Geest

met mij was.

Met het krieken van den dageraad aanvaardde ik den terugtocht langs

denzelfden weg, dien ik gekomen was. In een bergkloof vond ik een steen

van groote waarde, dien ik te Hurdwar verkocht. Ik reisde over Lahor,

Kabul en Yezd naar Ispahan. Daar kocht ik den kameel en toog naar

Bagdad. Zonder op een karavaan te wachten, zette ik onbevreesd alleen

mijne reis voort, want de Geest was en is nog met mij. Welk een eere

wacht ons, mijne broeders, wij zullen den verlosser zien--met hem

spreken--hem aanbidden!--Ik heb gezegd.

* * * * *

VIJFDE HOOFDSTUK.

BALTHASAR.

De levendige Griek barstte los in betuigingen van blijdschap en

gelukwenschen, waarna de Egyptenaar met zijn gewonen ernst zeide: Gij

hebt veel geleden, mijn broeder, en ik verheug mij in uwe overwinning.

Wilt mij nu beiden uwe aandacht schenken, dan zal ik u mijn wedervaren

vertellen.

Mijn naam is Balthasar. Ik ben te Alexandrië geboren uit een vorstelijk

en priesterlijk geslacht, en ontving eene mijnen rang passende

opvoeding. Al heel vroeg werd ik ontevreden. Mij was geleerd, dat na den

dood de ziel van voren af moet beginnen, van den laagsten trap opwaarts,

onverschillig hoe men zich gedurende zijn aardsche bestaan gedragen

heeft. Die gedachte verontrustte mij. Hoe? Word dan geen onderscheid

gemaakt tusschen boozen en goeden? Maar mij was niet verborgen gebleven

wat vele honderden jaren geleden in mijn land gebeurd was met het volk

der Hebreën, die als slaven onder ons woonden, en die beweerden den

eenigen waren God te dienen; hoe zij na vele wonderen en teekenen

uitgeleid werden, en hoe de Pharao, die hen met zijn leger achterna

zette, met allen, die hem vergezelden, den dood vond.

Die God was niet onder ons vergeten, en hoe langer ik over alles

nadacht, des te dieper vatte de overtuiging post in mijne ziel, dat de

goden van mijn volk niets waren in vergelijking met den God der Hebreën.

Maar als die God, volmaakt rechtvaardig volgens hunne leer, over het lot

van levenden en dooden te beschikken heeft, dan behoefde ik mij niet

langer ongerust te maken, dan moest bij het sterven, wanneer de

scheiding plaats heeft tusschen ziel en lichaam, de ziel van den booze

verloren gaan, die van den goede echter tot een hooger leven ingaan,

niet het nirvana van den Boeddist, noch de negatieve rust van het

Brahma, o Melchior, noch in dien toestand, o Caspar, waarvan uwe

priesters leeren, maar tot een leven, een heerlijk, werkzaam, eeuwig

leven--een leven met God.

Dat eenmaal vastgesteld zijnde, werd de begeerte in mij wakker, anderen

deelgenoot te maken van dat goede nieuws.

Op zekeren dag begaf ik mij naar de aanzienlijke en meest bezochte wijk

van Alexandrië en sprak tot de menigte over God, de ziel, het goed en

het kwaad, en over den hemel, die den deugdzame wacht. U, Melchior,

steenigden zij; _mijne_ toehoorders lachten mij uit. Ik beproefde het

nogmaals, zij wierpen mij puntdichten naar het hoofd, bespotten mijnen

God en mijnen hemel. Lang dacht ik na over de oorzaak van het mislukken

mijner poging, eindelijk vond ik haar.

Een dagreize van de stad verwijderd ligt een dorp, uitsluitend bewoond

door herders en tuiniers. Daarheen begaf ik mij en verzamelde in den

avond het volk rondom mij, mannen en vrouwen, de armsten onder de armen.

Hun verkondigde ik hetzelfde wat ik in de stad verkondigd had. Zij

lachten niet. Den volgenden avond sprak ik weder, en zij namen mijne

prediking met blijdschap aan en brachten haar op hunne beurt aan ieder,

dien zij ontmoetten. Toen keerde ik naar de stad terug en onder een

heerlijken sterrenhemel kwam ik tot de overtuiging: Die een hervorming

wenscht tot stand te brengen beginne niet bij de rijken en grooten; maar

ga liever tot hen, die niets bezitten, tot de armen en geringen.

Nu ontwierp ik mijne plannen voor de toekomst. Allereerst verzekerde ik

mijne uitgestrekte bezittingen zóó, dat het inkomen vaststond en ten

allen tijde aangewend kon worden ten bate van hulpbehoevenden. Dat

volbracht zijnde begon ik mijne zwerftochten langs den Nijl, in de

dorpen, onder alle stammen; en predikte den Eénen waren God, een leven

in gerechtigheid, met den Hemel als belooning. Ik heb veel goed gewerkt,

hoeveel betaamt mij niet te zeggen. Ik weet dat velen bereid zijn Hem te

ontvangen, dien wij nu gaan zoeken.

Hier zweeg de Egyptenaar een oogenblik stil, daarna vervolgde hij: In

die jaren, mijne broeders, kwelde mij ééne gedachte: Wat zou er van de

goede zaak worden, als ik heengegaan was? Zou zij met mij ophouden te

bestaan? Ik droomde van een organisatie, als de kroon op mijn werk. Ik

heb het beproefd, maar mocht niet slagen. Neen, de toestand der wereld

is van dien aard, dat, om het oude Egyptische geloof te herstellen, een

hervormer noodig is met meer dan menschelijke macht bekleed; hij moet

niet alleen komen in Gods naam, hij moet zijn woord met bewijzen kunnen

staven. Aarde en lucht zijn zoo vol van valsche godheden, dat een

terugkeer tot den Eénen waren God alleen kan plaats vinden langs

bloedige paden, dat wil zeggen: de bekeerlingen moeten liever willen

sterven, dan hun geloof prijsgeven. En wie anders kan in deze eeuw den

mensch tot zulk eene hoogte opvoeren, dan God alleen? Om het

menschengeslacht te redden moet Hij zichzelven wederom openbaren, moet

Hij persoonlijk komen.

Nu begrijpt gij waarom ik niet slaagde met mijne organisatie. Ik miste

de bekrachtiging uit den hooge. Diep ternedergeslagen begaf ik mij in de

woestijn, om in de eenzaamheid, ver van alle menschen, Gods aangezicht

te zoeken.

Steeds verder reisde ik, tot in het hart van Afrika. Langer dan een jaar

woonde ik in een spelonk, aan den oever van een groot meer. De vrucht

van den palmboom strekte mijn lichaam tot voedsel, het gebed mijne ziel.

Op zekeren avond worstelde ik in het gebed met God. In het heldere water

weerspiegelden de sterren. Eene van die scheen hare plaats te verlaten.

Hooger en hooger steeg zij, stralend en vonkelend, totdat zij boven mijn

hoofd bleef staan. Ik viel neder en verborg mijn aangezicht. Een stem,

niet van de aarde, zeide: Gij hebt overwonnen. Gezegend zijt gij, de

verlossing is nabij. Met twee anderen, gekomen van de uiterste deelen

der aarde, zult gij den Zaligmaker zien en van hem getuigen. Maak u op

in den morgenstond en reis hun te gemoet. En wanneer gijlieden de stad

Jeruzalem zult bereikt hebben, vraag dan aan het volk: Waar is de

geboren Koning der Joden? want wij hebben zijne ster gezien in het

Oosten en zijn gekomen om hem te aanbidden. Stel al uw vertrouwen in den

Geest, die u zal geleiden.

En het licht werd een innerlijke verlichting en bleef mij bij als

leidsman en gids. Het voerde mij naar Memphis, waar ik mijn kameel

kocht, vervolgens over Suez en Kufileh door de landen van Moab en Ammon.

God is met ons, broeders!

Door innerlijken drang gedreven, reikten zij elkander de hand.

--Mogen wij niet in dit alles een goddelijke bestiering zien? vraagde de

Egyptenaar. Wanneer wij den Heer gevonden hebben, zullen alle volken Hem

met ons aanbidden. En als wij van elkander scheiden, om een iegelijk

zijnen weg te gaan, dan zal de wereld een nieuwe les geleerd hebben--dat

de hemel veroverd kan worden niet door het zwaard, niet door menschelijke

wijsheid, maar door geloof, Liefde en Goede Werken.

Nu traden zij naar buiten. Alles rondom hen sprak van rust. De zon

neigde ten ondergang, de kameelen sliepen. Een oogenblik beschouwden zij

zwijgend de schoon gekleurde lucht, toen keerden zij terug, bergden de

overblijfselen van het maal op, braken de tent af, bestegen hunne

kameelen en zetten de reis westwaarts voort onder aanvoering van den

Egyptenaar.

De zilveren maan had de taak der dagvorstin overgenomen en bescheen

hunnen weg, toen eensklaps in de lucht vóór hen, ongeveer ter hoogte van

een heuveltop, een schitterend licht verscheen, dat zich samentrok tot

een stralend punt. Hunne harten klopten hoorbaar, en tot in het diepst

der ziel ontroerd, riepen zij als uit éénen mond: De ster! de ster! God

is met ons!

* * * * *

ZESDE HOOFDSTUK.

JOZEF EN MARIA.

In de westzijde van den muur, die Jeruzalem omringt, is de Bethlehem- of

Joppe-poort. De open ruimte, die er heen voert, is een van de

merkwaardigste punten bij de stad. Lang voordat David Sion met begeerige

oogen aanzag, stond daar een citadel, en bovengenoemde poort was er een

overblijfsel van. In Salomo's tijd werd dat plein als markt gebruikt;

kooplieden uit Egypte, Tyrus en Sidon boden er hunne waren aan. Bijna

3000 jaren zijn voorbijgegaan, en nog steeds kan men zich daar ter

plaatse van het noodige voorzien. Een speld of een pistool, een

komkommer of een kameel, een woning of een paard, een dadel of een tolk,

de reiziger kan zich aan de Joppe-poort van al deze dingen voorzien.

Soms kan het er zoo levendig toegaan, dat men onwillekeurig uitroept:

Wat moet die oude markt wel geweest zijn in de dagen van Herodes den

Bouwmeester!

Welnu, ons verhaal voert ons juist naar die dagen en naar die markt.

Volgens de Hebreeuwsche tijdrekenkunde viel de ontmoeting van de drie

wijzen, die wij in het vorige hoofdstuk beschreven, in den namiddag van

den 25sten December, in het 35ste regeeringsjaar van Herodes den Groote,

het 4de vóór het begin der Christelijke jaartelling. Daar bij de Joden

de dag met zonsopgang begon, was reeds in dat vroege uur alles leven en

beweging. Ja, zóó bezet was de markt, dat vele handelaars met hunne

uitstallingen een plaats hadden moeten zoeken aan de stadszijde der

poort.

Het is intusschen de derde ure van den dag geworden. Velen zijn reeds

naar huis gegaan; maar het is of de toevloed van menschen niet

vermindert. Onder de nieuw aangekomenen trekt een groep, bestaande uit

een man, een vrouw en een ezel, vooral onze aandacht. De man hield het

dier bij den toom en leunde op zijn staf. Zijne kleeding was als die der

andere Joden en scheen nieuw te zijn. Zijn gelaat was kalm, dat van een

vijftigjarige; zijn zwarte baard begon te grijzen. Hij bezag het gewoel

rondom hem met den half nieuwsgierigen, half starenden blik van den

vreemdeling en provinciaal. Zijne gezellin, op den rug van den ezel in

een zadelkussen gezeten, droeg een ruim overkleed van donkere wollen

stof, terwijl een witte sluier haar hoofd bedekte. Nu en dan lichtte zij

den sluier even op, om te zien wat in hare omgeving voorviel; maar zoo

weinig, dat haar gelaat onzichtbaar bleef. Ten langen laatste werd de

man aangesproken:

--Zijt gij niet Jozef van Nazareth?

--Dat is mijn naam, luidde het antwoord, en gij? ah--ik zie het al. De

vrede Gods zij met u, mijn vriend, Rabbi Samuel!

--En met u. De Rabbi hield op, zag de vrouw even aan en voegde er bij:

met u en al de uwen. Dit zeggende drukte hij zijn rechterhand tegen zijn

borst en groette de vrouw met een hoofdknik.

Zij had haar sluier een weinig ter zijde geslagen, genoeg om te doen

zien, dat zij nog zeer jong was.

--Naar de frischheid uwer kleeding te oordeelen, zeide de Rabbi, zou ik

denken, dat gij hier in de stad overnacht hebt.

--Neen, antwoordde Jozef, wij konden gisteren niet verder komen dan

Bethanië, en zijn hedenmorgen vroeg vandaar vertrokken.

--Hebt gij een lange reis in 't vooruitzicht? Naar Joppe misschien?

--Wij zijn op weg naar Bethlehem.

Het gelaat van den Rabbi betrok. Begrepen, zeide hij. Gij zijt in

Bethlehem geboren en gaat er nu met uwe dochter heen, om u volgens het

keizerlijk bevel te laten beschrijven. Hoe zijn de machtigen gevallen!

--Dat is mijne dochter niet, zeide Jozef.

De Rabbi lette niet op die aanmerking, hij vervolgde zijn eigen

gedachtengang en zeide: Wat doen de Zeloten in Galilea?

--Ik ben timmerman, en Nazareth is een kleine plaats, antwoordde Jozef

voorzichtig. Ik heb geen tijd om deel te nemen aan twistvragen.

--Maar gij zijt een Jood, vermaande de Rabbi, en nog wel uit het

geslacht van David. Het kan u onmogelijk behagen andere schatting te

betalen dan die, welke volgens onze wet aan Jehova toekomt.

Jozef zweeg.

--Ik zeg niets over het bedrag der schatting, vervolgde zijn vriend.

Dat is niet hoog, o neen. Maar dat zij ons schatting opleggen, dat is

schande. Zeg eens, is het waar, dat Judas zich voor den Messias

uitgeeft? Gij woont te midden van zijne volgelingen.

--Ik heb zijne volgelingen hooren beweren dat hij de Messias is.

Op dit oogenblik sloeg de vrouw haren sluier geheel weg, zoodat de Rabbi

haar vol in 't gelaat kon zien. Haar zeldzamen schoonheid en de

uitdrukking harer oogen troffen hem.

--Uwe dochter is schoon, zeide hij nauw hoorbaar.

--Zij is mijne dochter niet.

Nu was de nieuwsgierigheid van den Rabbi opgewekt, waarom Jozef vervolgde:

Zij is de dochter van Joachim en Anna van Bethlehem, daar gij misschien

wel van gehoord hebt, want zij waren zeer gezien.

--Zeker, antwoordde de Rabbi. Dat herinner ik mij best. Zij stamden in

rechte lijn van David af. Ik heb hen zelfs goed gekend.

--Beiden zijn overleden, te Nazareth. Joachim was niet rijk; maar hij

liet toch een huis met hof na aan zijne twee dochters. Dit is zijn

jongste dochter, Maria. Om haar erfdeel te kunnen aanvaarden, moest zij

volgens de wet eene harer naaste verwanten huwen. Zij is thans mijne

vrouw.

--En gij waart--

--Haar oom.

--O zoo; en daar gij beiden te Bethlehem geboren zijt, moet gij er

beiden heen om u te laten inschrijven. De Rabbi vouwde de handen en zag

verontwaardigd ten hemel op. Nog leeft de God van Israël! Zijn is de

wrake! riep hij. Toen hij dat gezegd had keerde hij zich om en ging heen

zonder te groeten.

Een nabijstaande Jood, Jozefs verbazing opmerkende, zeide: Rabbi Samuel

is een Zeloot. Judas zelf kan het hem niet verbeteren.

Daar Jozef niet geneigd was een gesprek te beginnen, deed hij alsof hij

het niet hoorde, zag den buikriem van den ezel na, en gaf hem nog wat te

eten. Zoodra het dier naar behooren gevoederd was, begaf het gezelschap

zich weder op weg, en sloeg den weg naar Bethlehem in. Jozef wandelde

naast den ezel voort en wees Maria in het voorbijgaan op enkele

merkwaardigheden van den weg; maar het scheen alsof hare gedachten

elders waren. De zon steeg intusschen hooger aan den hemel en noopte de

jonge vrouw haren sluier op te slaan, ten einde wat meer lucht te

krijgen. Van deze gelegenheid willen wij gebruik maken om kennis met

haar te maken.

Zij was niet ouder dan vijftien jaar. Haar gelaat, een zuiver ovaal, was

fijn van kleur, de neus onberispelijk, de kleine mond vol uitdrukking,

de oogen diep blauw, waren fraai van vorm. Het weelderige goudblonde

haar golfde vrij over hare schouders en reikte tot aan haar zadelkussen.

Voeg bij deze uiterlijke bekoorlijkheden een onbeschrijfelijke reinheid

en liefelijkheid, en gij hebt het beeld van haar, die ons door de

overlevering met de schoonste kleuren wordt geschilderd. Meer dan eens

sloeg zij de oogen ten hemel en bewogen zich hare lippen in stil gebed,

menigmaal hief zij het oog op en luisterde, alsof een onzichtbare tot

haar sprak.

Zoo togen zij over de uitgestrekte vlakte en naderden de hoogte Mar

Elias, vanwaar zij Bethlehem konden zien liggen. Hier hielden zij een

oogenblik stil om te rusten, en daalden daarna af in de vallei, naar de

wel, eenmaal het tooneel der wonderbare daden van Davids sterke mannen.

In het dal wemelde het van menschen en dieren, zoodat Jozef reeds begon

te vreezen, dat er geen plaats meer voor hen zou te krijgen zijn in de

_khan_, of herberg. Hij zette den ezel tot meerderen spoed aan, en hield

zich geen enkelen keer op om wien ook te groeten, totdat hij de voor de

poort gelegen herberg bereikt had.

* * * * *

ZEVENDE HOOFDSTUK.

TE BETHLEHEM.

Om volkomen te begrijpen wat Jozef bij de herberg wedervoer, moeten wij

wèl bedenken, dat er een groot verschil is tusschen de Europeesche

herbergen en die van het Oosten. Die herbergen werden _khans_ genoemd,

een Perzisch woord, en waren, in haar eenvoudigsten vorm, niet anders

dan omheinde ruimten, dikwijls zonder huis of bedekking; maar altijd

gunstig gelegen wat water, schaduw en veiligheid betreft. Zoo waren de

herbergen waar Jakob een onderkomen vond, toen hij zich eene vrouw ging

zoeken in Padan-Aram, en nog kan men ze heden ten dage precies zoo

vinden op de halten in de woestijn. Daarentegen kon men, vooral op de

heirwegen tusschen groote steden, zooals Jeruzalem en Alexandrië,

uitnemende inrichtingen aantreffen, van alle gemakken voorzien; maar

gewoonlijk waren de herbergen niet veel meer dan het hoofdkwartier van

een Sheik, een gelegenheid voor bijeenkomsten, voor handel, enz., en

eerst in de laatste plaats een toevluchtsoord voor reizigers of

zwervelingen. Een andere eigenaardigheid, die den westerling zeker het

meest zal verbazen, was het volslagen gemis aan bediening. Geen waard of

waardin, geen zaakwaarnemer, geen kok, geen keuken. Een deurwachter aan

den ingang was het eenig zichtbaar bewijs van privaat eigendom. Was een

vreemdeling eenmaal toegelaten, dan kon hij er blijven zoolang hij

verkoos, zonder iemand rekenschap te geven. Een gevolg van die

inrichting was, dat iedere gast zijn eigen voedsel en kookgereedschap

medebrengen, of zich bij de in de khan aanwezige kooplieden van het

noodige voorzien moest. Datzelfde beginsel gold voor zijn nachtleger en

het voeder voor zijne lastdieren. Water, rust, onderkomen, bescherming,

was alles wat hij van den eigenaar verlangde, en die verkreeg hij om

niet. Mocht de vrede wel eens door twistgierigen verstoord worden in een

synagoge--in een khan nimmer. Men hield ze, en niet ten onrechte, in

hooge eere.

Een stadje als Bethlehem bezat slechts één Sheik, bijgevolg ook één

khan, en hoewel Jozef in Bethlehem geboren was, had hij door zijn

jarenlange afwezigheid geen enkelen bekende meer, niemand wiens

gastvrijheid hij kon inroepen. Daarenboven kon het weken, ja maanden

duren, eer het werk der inschrijving afgeloopen was; de langzaamheid

toch van Romeinsche beamten was spreekwoordelijk geworden, zoodat Jozef,

al had hij zich tot iemand kunnen wenden, toch bezwaarlijk voor

onbepaalden tijd huisvesting had kunnen vragen voor zich en zijne vrouw.

Op de herberg was dus zijne hoop gevestigd.

Naast den ingang van het gebouw zat de deurwachter op een boomstronk,

zijn speer tegen den muur, zijn hond naast zich.

--De vrede van Jehova zij met u, zeide Jozef, hem groetend.

--Datzelfde wensch ik u in ruime mate toe, antwoordde de man ernstig,

zonder van houding te veranderen.

--Ik ben een Bethlehemiet, vervolgde Jozef. Is er nog plaats voor mij?

--Neen, alles is bezet.

--Misschien hebt gij mij wel hooren noemen--Jozef van Nazareth. Dit is

mijn vaderstad. Ik ben uit Davids geslacht.

Op dit feit berustte Jozefs hoop. Baatte dat hem niet, dan was alle

verdere moeite tevergeefs, geld noch goede woorden vermochten dan iets

uit te werken. Tot den stam van Juda te behooren was reeds veel waard,

zich een zoon van David te mogen noemen, gold bij Israëlieten als de

hoogste eer, en zeker nergens meer dan in de stad Davids. Ook op den

deurwachter maakte het indruk. Hij verrees van zijne zitplaats en zeide

beleefd: Rabbi, gedurende de meer dan duizend jaren, waarin deze herberg

een toevluchtsoord is geweest voor vreemdelingen, werd nog nimmer aan

een goed man den toegang geweigerd, behalve wanneer er geen plaats was.

Indien men den vreemdeling zoo welwillend behandelt, hoeveel te meer den

zoon van David. Daarom nogmaals: Wees gegroet! en indien gij wilt, ga

dan met mij naar binnen, om u met eigen oogen te overtuigen, dat nergens

een hoekje vrij is, zelfs niet op het dak. Mag ik vragen wanneer gij

aangekomen zijt?

--Zooëven.

De deurwachter glimlachte. De vreemdeling, die in uwe poort is, zal zijn

als een ingeborene van het huis en gij zult hem liefhebben als uzelven,

leert ons de wet niet alzoo, Rabbi? En als de wet zoo spreekt, kan ik

dan tot iemand, die hier reeds eenigen tijd vertoeft, zeggen: Ga gij uws

weegs, hier is een ander, die uwe plaats komt innemen?

Jozef zag peinzend voor zich.

--En al mocht ik dat zeggen, aan wien zou dan die plaats toekomen? Zie

hoevelen daar staan te wachten, sommigen reeds den ganschen dag.

Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde · 第 1 / 32 段