Zoo liet het Voorgeslacht het edel denkvermogen
Zich rooven; alles lag voor 't Bijgeloof gebogen:
Hem staat, met krommen hals, de trotsche Huichlarij,
En, 't aangezigt vermomd, Bedrog, zijn vader, bij.
Haller.
In de Europesche geschiedenis maken de kruistogten een
allerbelangrijkst tijdvak uit. Door dezen werd Europa ontvolkt;
millioenen vonden in Hongarijen, Griekenland, Syrië, Palestina, Egypte,
in de Middellandsche zee en onder weg hun graf; door dezen schoot het
bijgeloof vaste wortelen, werd de Pauselijke stoel verheven boven de
troonen van wereldlijke regenten, wies het monnikendom door blinde
gehoorzaamheid aan, en ontstonden te voren onbekende orden, kloosters
en prachtige kerken; door dezen werden onnoemelijke schatten van Europa
in Azië begraven, en wereldlijke Vorsten werden, door de verwijdering
van magtige vassalen, despoten. Daarentegen gaven zij aanleiding dat
kunsten en wetenschappen van het eene volk tot het andere overgebragt
en door Europa verbreid werden. In deze Kruistogten hebben ook onze
Voorvaderen, de Friezen, deel genomen. Daar nu de geschiedenis van de
Kruistogten door onze historieschrijvers deels onaangeroerd blijft,
deels stuksgewijze en zonder zamenhang geleverd wordt, zoo veroorloof
ik mij, onze lezers in deze Bijvoegsels een aaneengeschakeld verhaal
te geven.
Reeds ten jare 637 hadden de Saracenen onder hunnen Kalif Omar I zich
meester gemaakt van Palestina en de Heilige Stad, en zij bleven meer
dan vijfthalve eeuw in derzelver rustig bezit. Tegen het einde der
elfde Eeuw kwam Peter de Kluizenaar, een ondernemende dweeper, te
Rome. Hij schilderde met krachtige verwen de gruwelijke vervolgingen,
die de verdrukte Christenen van de Mohamedanen lijden moesten. Een
bewegelijke brief van Simon, den Patriarch van Jeruzalem, bevestigde
zijne reden. Paus Urbanus II gaf hem volmagt, om de wereldlijke
Vorsten aan te moedigen tot de bevrijding des Heiligen Lands uit de
handen der barbaren.
Daar liep Peter met het Krucifix in de hand, barrevoets en blootshoofds
Italië, Frankrijk en Duitschland af. Zijne dweeperij, zijn prediken,
de brief des Patriarchs en de Pauselijke Bulle verwekten overal dorst
naar Turkenbloed. In het jaar 1095 hield de Paus, eerst te Piacenza,
en in November deszelfden jaars te Clermont in Auvergne eene groote
kerkvergadering. Na het eindigen eener vurige rede, waarin de Paus
een Kruistogt had bevolen, riep de ontelbare verzamelde menigte uit:
»God wil het, God wil het!"--Ridders, die avonturen zochten; monniken,
welken het klooster te eng, te benaauwd was; verrukte vromen, die met
den helm op het hoofd en het zwaard in de hand den hemel dachten te
verwerven; schuldenaars, die zich van hunne schuldeischers wilden
ontdoen; gaauwdieven en booswichten, die de welverdiende straffen
ontliepen; straatslijpers, die het omzwerven boven eene eerlijke
kostwinning verkozen; knechten, die zich van het juk hunner heeren
ontsloegen; in één woord, allen, die het zwaard konden voeren, maakten
zich voor en na gereed tot eenen krijgstogt tegen de Saracenen. Alle
deze hemelhelden ontvingen, terstond bij hunne aanwerving, een
klein kruis, dat zij op den schouder vastmaakten. Aan dit kruis kon,
een ieder zijnen landgenoot kennen [159]. Naar hetzelve werden de
soldaten Kruisbroeders, en deze togten Kruistogten of ook heilige
Krijgstogten genoemd.
Er werd dan tot een heiligen krijgstogt besloten en een leger
van 300,000 man onder verschillende hoofden bijeengebragt. Een
Fransch Ridder, Walter (Gautier), trok met 20,000 man vooruit. Deze
Christelijke barbaren pleegden in Bulgariën met moorden en stelen
grooten moedwil; waarom de Bulgaren zich vereenigden en schier deze
gansche voorhoede nedersabelden. Peter de Kluizenaar voerde zelf
20,000 man aan en volgde Wouter. Het ging hem echter in Hongarije en
Bulgariën niet veel beter. Hij kwam evenwel met het gering overschot
zijner troepen in Konstantinopel aan. Nog een ander leger, dat op
200,000 man geschat wordt, en uit Duitschers, Franschen en Engelschen
bestond, leed buitengewoon veel door het zwaard der Hongaren en meer
nog door den honger en het gebrek. Een andere hoop scheepte zich in,
en kwam door de Middellandsche zee in Syrië. Godfried van Bouillon
voerde 80,000 Duitschers aan, en trok met dezen naar Philopolis. In
het jaar 1097 vereenigde zich het gansche Christenleger, dat door
eenige Schrijvers op 500,000 voetknechten en 130,000 ruiters wordt
geschat, te Chalcedon. Nu vingen de Christenen hunne ondernemingen
tegen de Saracenen en Turken aan. Zij veroverden Nicea, Antiochië,
Cesarea en eindelijk in 1099 ook stormenderhand Jeruzalem, alwaar
Godfried van Bouillon, Hertog van Neder-Lotharingen tot Koning van
Jeruzalem werd uitgeroepen.
In dezen eersten Kruistogt hebben ook de Friezen deel genomen. Zij
zijn om Frankrijk, Spanje en Italië henen naar Palestina gezeild. De
jaarboekschrijvers noemen ons de voornaamste Edellieden, die den
togt mede ondernomen hebben, als Tjepke Forteman, Jarich Ludinga,
Epo Hartman, Igo Galama, Feico Botnia, Eelco en Sicco Liauckama, en
Ubbo Harmana. Bij de belegering van Nicea zijn Hartman en Forteman,
de laatste van zijn geslacht, gesneuveld. Eelco Liauckama zoude
zich bijzonder onderscheiden hebben. Hij was Generaal over 3000 man
ruiterij, en werd eerst tot bevelhebber van Nicea aangesteld, doch
ging daarna, ontevreden over zijnen werkeloozen toestand, verder in
Palestina in garnizoen.
Harmana en Galama zijn in een veldslag,--en Eelco Liauckama en
Botnia bij de verovering van Jeruzalem zwaar gewond geworden. Na
hunne herstelling zijn deze beiden eindelijk door Koning Godfried tot
ridder geslagen. Naderhand zijn nog verscheiden Friesche Edellieden,
Homminga, Roorda, Cammingha en Ockinga naar Palestina getogen, en
hebben onder Boudewijn, den tweeden Koning van Jeruzalem, lauweren
bevochten tegen de Saracenen. Daardoor stonden zij bij den Koning
en de voornaamste Hoofden van het Rijk in bijzondere hoogachting. De
faam hunner heldendaden drong gansch Europa door, en de Koning wilde
hen noode ontslaan uit zijne dienst. Hij geleidde hen in persoon
met honderd ruiters naar Jaffa, alwaar zij zich inscheepten, en over
Venetiën en Rome den 15 December 1106 in goeden welstand in Friesland
terugkwamen. Zij werden door hunne vrienden in plegtigen optogt,
met kruis en vanen, onder gejuich en blijdschap ontvangen. In dit
jaar zijn de meeste Friezen weder teruggekomen.
Watze Herama, vroeger teruggehouden door de ziekte van zijnen
reisgenoot Roorda om naar Palestina te reizen, schijnt in den jare
1119 met dezen en andere Friesche Edelen, als Harmana, Homminga,
Ockinga en Cammingha, over Venetiën en Jaffa den togt te hebben
aangenomen. Zij streden in 1120 dapper, dan dit gevecht viel voor hen
nadeelig uit. Herama en Homminga werden verslagen. Koning Boudewijn
met de Edelen, waaronder ook Cammingha en Ockinga vielen den Parthen
in handen; Roorda en Harmana werden zwaar gewond, doch ook weder
genezen en de gevangenen uitgewisseld.
In het jaar 1145 liet Paus Eugenius III door den heiligen Bernard
op nieuw het Kruis prediken. Keizer Koenraad en Lodewijk VII van
Frankrijk namen zelven het Kruis aan. De togt werd in 1147 aangevangen,
doch liep, voornamelijk door de trouwloosheid des Oosterschen Keizers
Manuel, ongelukkig af. Na vruchtelooze belegering der stad Damascus,
trok het geringe overschot des Christen-legers weder huiswaarts.
Dezen tweeden heiligen krijg schijnen de Friezen niet mede bijgewoond
te hebben. De Paus echter beval eenen dubbelen Kruistogt ten zelfden
tijde (1149): eenen naar Spanje om de Saracenen te verdrijven, en
een' anderen tegen de ongeloovige Sclaven aan de Oostzee. Tot beide
Kruistogten hebben zich voornamelijk de Westfalingers, Friezen en
Hollanders laten gebruiken.
Helmold, een geschiedschrijver, die omtrent dezen tijd leefde, laat
eenen Frieschen Priester Gerlaf toen de Sclaven de Friezen ingesloten
hadden, aldus aanspreken:
»Nescitis apud Slavos nulla gens detestabilior Fresis? Sane foetet
eis odor noster."
»Weet gij niet dat bij de Slavoniers geen volk zoo zeer verfoeid
wordt als de Friezen? Zij mogen ons waarlijk niet eenmaal rieken
[160]." Een duidelijk bewijs, dat de Friezen met de Sclaven wakker
aan den slag geweest zijn.
Intusschen werd de toestand der Christenen in het Oosten van tijd tot
tijd moeijelijker en gevaarlijker. De Sultan Saladin, deze om zijne
grootmoedigheid in de geschiedenis zoo bekende Vorst, veroverde ten
jare 1187 eindelijk Jeruzalem, en maakte een einde aan het Koningrijk,
dat 88 jaren bestaan had. Nu maakte de Paus een gruwelijk alarm, en
bewoog den Keizer Frederik Roodbaard (Barbarossa), Koning Filips II
(Philippus Augustus) van Frankrijk en Richard I (Leeuwenhart) van
Engeland om nog eenen Kruistogt te wagen. In 1189 brak het heirleger
op. De Friezen en Denen rustten 50 schepen uit, vereenigden zich
met de Hollanders en Vlamingen, hielden hier en daar in Spanje aan,
geraakten aldaar slaags met de Saracenen, voegden zich nabij Sicilië
bij de Italiaansche vloot, en kwamen eindelijk te Ptolomais (toen
Acre genoemd) aan.
Ook in dezen krijgstogt, in welken de Keizer door een toeval het
leven verloor, rigtten de Christenen niets verder uit, dan dat zij
Ptolomais veroverden. Niettegenstaande dezen ongelukkigen uitslag,
liet de Paus Coelestinus in 1197 op nieuw het Kruis prediken. De
Friezen namen met de Denen en die van Lubek en Bremen hunnen gewonen
weg om Spanje, voegden zich op Cyprus bij het hoofdleger en landden
weder te Ptolomais. Ook op dezen togt maakten de Christenen geene de
minste verovering. Zij sloten evenwel met Saladin eenen wapenstilstand
voor 6 jaren.
Ten jare 1199 keerden de heilige krijgers, die in 1189 en 1197 zich
op reis begeven hadden, voor zooverre zij waren overgebleven, tot de
hunnen terug.
Zekerlijk kwamen deze Kruisvaarders vermagerd, hongerig en met ledige
handen huiswaarts; doch, gelijk vermeld wordt, had de generaal der
Friezen, Hartwijck, Aartsbisschop van Bremen, eenige beenderen der
Heilige Anna, en het zwaard, waarmede Petrus het oor van Malchus had
afgehouwen, medegebragt [161].
Het tijdstip, 't welk ik thans nader, is voor ons des te belangrijker,
omdat de voornaamste feiten meestendeels door gelijktijdige schrijvers
en door bewijzen gestaafd worden. De Pausen moedigden de wereldlijke
Vorsten, toen de met Saladin geslotene wapenstilstand ten einde liep,
tot eenen nieuwen Kruistogt aan; doch wegens de ongelukkige gevolgen
der vorigen, bleef alles bij vrome wenschen. Eindelijk was Paus
Innocentius III zoo gelukkig, dat op eene door hem in 1215 belegde
kerk vergadering tot een nieuwen Kruistogt besloten werd. Hierop
beval de Paus allen Bisschoppen, in hunne kerspelen het Kruis
te laten prediken. De Aartsbisschop van Keulen zond den Keulschen
Leeraar Olivier [162] met bijzondere aanbevelingsbrieven van den Paus
naar Friesland. Deze predikte zelf het Kruis, en gaf aan eene menigte
Vicarien door het geheele land volmagt, om in zijne afwezigheid aflaten
te schenken en rekruten voor den heiligen krijg aan te werven. Hij
liet in de kerken uitgeholde, van boven met ijzer beslagene blokken
nederzetten, opdat ieder door eene daarin zich bevindende opening zijne
bijdragen tot bevordering der krijgstoerusting mogte storten. Het
prediken van Olivier had eenen buitengemeenen indruk gemaakt bij de
Friezen, zoodat een ongeloofelijk aantal het Kruis aannam. Zij schijnen
echter met de toebereidselen tot den optogt zich niet zoozeer gehaast
te hebben; ten minste herinnerde Olivier hun in eenen brief van den
jare 1216, dat, de Denen, Bremers en Keulenaars reeds eene groote
vloot uitrusteden, het ook tijd werd hunne schepen te bemannen.
Ook in dezen tijd had de geestvervoering tot overwinning van 't
Heilige Land zulk eene algemeene werking, dat duizenden van kinders
naar de zeeplaatsen liepen, om ook deel aan den strijd te nemen, en
hoewel door hunne ouders opgesloten, wisten zij hunne gevangenis te
ontkomen op allerlei wijzen, zonder dat de meesten daarna immer zijn
teruggekeerd. Zeker Schrijver [163] verhaalt er 't volgende van: »In
't jaar 1211 vereenigde zich een groot aantal kinderen (men geeft het
op voor 90,000), onder aanvoering van een' ouderen knaap, met het
voornemen het Beloofde Land weder te veroveren. De meesten kwamen
uit Duitschland en wandelden blijde naar Genua. Hier ondervonden
zij echter uit onbekendheid, waar eigenlijk het Beloofde Land lag,
onoverkomelijke hinderpalen, om hunne avontuurlijke onderneming verder
ten uitvoer te brengen. Te Marseille kwamen 30,000; een deel daarvan
stierf van ellende, een deel werd vermoord en de overigen als slaven
aan de Saracenen verkocht."
De Hertog Leopold van Oostenrijk, Boudewijn van Vlaanderen, Lodewijk
van Savoijen, benevens verschillende Bisschoppen en Graven vereenigden
zich met den Koning Andreas van Hongarije en trokken te land naar
Palestina. Daarentegen scheepten de Graaf van Holland (Willem I) en
de Graaf van Wieden met de overigen zich op de Maas in, en stevenden
door de Middellandsche Zee naar Ptolomais, alwaar de verzamelplaats
der Kruisvaarders was. De Friezen behoorden tot de vloot des Graven
van Holland. Deze geheele reis tot op de aankomst in Ptolomais is van
eenen Kruisbroeder [164], die den togt mede heeft gemaakt, naauwkeurig
beschreven geworden. Het reisverhaal daarvan is te vinden in Emo's
Chronicon (p. 16-35), waaruit ik het volgende overneem:
»Op het einde van Mei 1217 ligtten de Friezen in den Lauwerstroom
de ankers, en staken met groote schepen, die zij Koggen noemden, uit
den stroom in zee. Onder Engeland ontmoetten zij eene groote vloot,
onder bevel der Graven van Holland en Wieden [165]. Hier werden het
plan des geheelen togts en wetten ontworpen, waaraan een iegelijk moest
gehoorzaam zijn. De Graaf van Holland [166] werd tot eersten Admiraal
der gansche vloot benoemd, die in twee afdeelingen afzeilde. De eene
werd door den Graaf van Holland zelven, de andere door dien van Wieden
aangevoerd, en de Friesche schepen behoorden onder het smaldeel des
Graven van Holland.
Eerst kwamen zij in de havens van St. Mattheus en vervolgens te Faro
(of Ferrol), eene stad in Gallicie, aan. De Kruisbroeders ontscheepten
zich hier, en gingen te voet in bedevaart naar St. Jacob van
Compostella. Hier bezochten zij de heilige overblijfsels (reliquiën)
des Apostels, en bragten hem hunne offers. Toen zij weder scheep
gegaan waren, voeren zij eerst wegens tegenwind noordwaarts af, en
laveerden eindelijk met veel moeite naar Portugal; zij ankerden voor
Salerno, lieten zich daar van den Abt te Alkubar vele wonderen en
avonturen verhalen, en voeren na eenige dagen den Taag op, totdat zij
eindelijk te Lissabon aanlandden. De daar aanwezige Bisschop wendde
al de kunsten zijner welsprekendheid aan, om het Kruisheir te bewegen
tot het verdrijven der Saracenen uit Spanje. Door verdelging dezer
barbaren, zoo sprak hij, zouden de Christenen God dezelfde dienst
bewijzen, als wanneer zij, Hem ter eere, in Palestina hunne handen
in Saracenen-bloed wieschen. Sommigen lieten zich begoochelen,
en bleven met hunne schepen in de haven van Lissabon liggen. De
meeste Kruisvaarders echter en inzonderheid de Friezen lieten zich
van hun voornemen, om in het Heilige Land veroveringen te maken,
niet aftrekken. Zij ligtten vervolgens wederom het anker, en voeren
het gebergte St. Vincent om. Door hevigen storm moesten zij de haven
St. Maria binnenloopen. Deze was eene wel versterkte stad, waarvan
de hooge muren zoo dik waren, dat boven op dezelve twee ruiters
elkander konden voorbij rijden. Het leger was onderling niet eens,
of men de stad aantasten, dan wel met den eersten gunstigen wind weder
onder zeil gaan zoude. Toevallig vertoonden zich vele Saracenen voor
de stad. De Friezen hieven een lofzang (Hymnus) aan, vielen op den
vijand in, en drongen hem binnen de stad terug. In de schemering zag
een Fries eenen Saraceen, die zich door middel van een koord van den
muur liet afzakken. Deze gelegenheid maakte hij zich ten nutte: hij
doodde den Saraceen en steeg naar boven. Als hij nu met dat touw velen
zijner makkers had opgetrokken, plantten zij een krijgsvaan boven op
den muur: deze koene strijders drongen vooruit tot aan de poort. De
wacht, die zich daar bevond, werd op het gezigt der Christenen door
eene plotselijke schrik bevangen, geraakte in wanorde, en kon niet
beletten dat de poort geopend werd. Het gansche leger drong binnen,
en zoo werd de stad veroverd, en nu rigteden de Christenen een groot
bloedbad aan, plunderden alles wat hen voorkwam, en staken tot afscheid
de stad in brand.
Vele Kruisbroeders, waarschijnlijk dweepzieke monniken, hebben in de
wolken het beeld der heilige Maria gezien, welke over het geluk en
de gedragingen der Christenen met welbehagen glimlachte. De Priesters
hadden moeten doen zien, dat de heilige maagd tranen stortte over deze
Christelijke barbaren!--Dit geschiedde den 1 Augustus:--twee volle
maanden hadden dus onze Friezen reeds rondgezworven. Des anderen
daags ligtten zij wederom de ankers, voeren digt onder de Spaansche
kusten langs, en landden te Roden. Het gerucht van den gruwel der
verwoesting in St. Maria was reeds tot hier doorgedrongen. De bevreesde
Saracenen hadden de stad verlaten; de Christenen trokken de ontvolkte
stad binnen, plunderden dezelve, volgens loffelijke gewoonte, uit,
en legden haar in de assche. Eenige Christenen hadden zich op de bij
de stad liggende wijnbergen verspreid, in de hoop van ook daar nog
eenigen buit te behalen; maar de Saracenen lagen daar in sluipholen
verborgen, kwamen onverwacht te voorschijn, en vermoordden allen,
die zich niet met de vlugt tot aan de haven redden konden. Daarop
gingen de Christenen naar Kadix, en ook deze reeds destijds rijke
stad was van de Saracenen verlaten. De Kruisvaarders sloopten eene
bij uitstek kostbare moskee tot den grond toe, plunderden de stad
en de omliggende landhuizen uit, en namen, van roof verzadigd, het
vroom besluit, deze prachtige stad door het vuur te verwoesten.
Nu rigteden de Christelijke zeeroovers hunne koers naar de straat van
Gibraltar. Een zware storm uit het Oosten belette hun de doorvaart,
en verstrooide de vloot; 86 schepen, waaronder die der Friezen, liepen
in de havens van Sevila aan den mond der Guadalquivir binnen. Drie
dagen daarna liepen zij uit met eenen gunstigen wind, geraakten
gelukkig door de straat, verzeilden op den vierden dag daaraan uit
onkunde naar het eiland Ivica, en kwamen na eenige dagen te Tortoso
aan den mond van den Ebro. Zij gingen aan land om versch water
in te nemen, bleven hier twee dagen, en stevenden naar Barcelona,
waar zij verscheiden schepen hunner door den storm verstrooide vloot
aantroffen. In de haven van den H. Felicianus (St. Felice de Guixolis)
in Catalonië vonden zij het overschot derzelve weder.
De vloot ging weder onder zeil, en ankerde in de haven van
St. Mardrianus omtrent Marseille. Nu hielden zij zich digt langs de
kusten van Frankrijk en daarna van Italië, voeren Nizza, Pisa, Genua,
Livorno en andere steden voorbij, en kwamen eindelijk te Piombino in
Toskanen. In Piombino vertoefden zij 8 dagen, en rigtten nu hunnen
koers naar Messina op Sicilië; dan storm en tegenwind dwongen hen
om naar Civita Vecchia te zeilen. Daar het jaargetijde zoo verre was
verloopen, besloot men hier de winter kwartieren te betrekken, want
het was reeds 9 October toen de vloot in de haven van voornoemde stad
voor anker kwam. Vijftehalve maand had dus de vloot van huis af naar
Italië te zoek gebragt. Zulk een lange tijd kan ons niet bevreemden,
als men denkt, dat de vloot geenszins de volle zee, maar altijd de
kusten gehouden, en in vele havens vertoefd heeft. Ondertusschen was
de haven van Civita Vecchia niet ruim genoeg om de schepen allen
te bevatten, weshalve zich eenigen van de vloot afscheidden. 18
Friesche bodems liepen de haven van Corneto binnen, alwaar zij
op uitdrukkelijken last van Paus Honorius III, inzonderheid omdat
zij in Spanje zoo dapper gestreden, zoo vele Saracenen onthalsd en
steden verwoest hadden, heerlijk onthaald werden; ja, de Paus had
zoo veel met hen op, dat hij hun tweemalen de Veronica (het in den
Zweetdoek afgedrukte gelaat des Heilands) liet zien. Tot den 21 Maart
1218 lagen de Friezen daar in de winterkwartieren. Bij hun vertrek
werden zij door de gezamenlijke ingezetenen met 158 vanen in heiligen
optogt tot aan de schepen begeleid. Zeer velen uit deze stad en het
omliggende land, van Viterbo, Sièna, Vetralla enz. scheepten zich
met 40 vanen met de Friezen in. De bevelhebber van Corneto liet bij
den aftogt het volk eenen kring maken, plaatste zich in het midden,
en hield eene aanspraak, waarin hij de dapperheid der Friezen roemde,
en hun zijne mede vertrekkende landslieden hartelijk aanbeval. Na het
eindigen zijner rede overhandigde hij den Friezen een Krijgsvaan, ten
teeken des opperbevels over de medetrekkende Italianen. Nu gingen zij
aan boord, en vereenigden zich met de van Civita Vecchia uitgeloopen
vloot. Na eenige, hoewel niet belangrijke tegenheden, landden zij te
Sijracuze aan, waar zij den palmzondag vierden. Onder Creta leden
zij eenen zwaren storm, die de vloot verstrooide, doch de meeste
schepen liepen daar eene haven in. Zij zeilden vervolgens Cnidus,
Rhodus en Cyprus voorbij, en kwamen eindelijk, den 26 April 1218,
te Ptolomais aan.
In deze haven vonden zij Johannes, Koning van Jeruzalem, Andreas,
Koning van Hongarijen, den Koning van Cyprus, de Hertogen van
Oostenrijk en Beijeren en andere groote Heeren met het geheele
Christen-leger, hetwelk men op 80,000 man berekende. Ondertusschen
hadden die Kruisvaarders, welke zich door de reden des Bisschops hadden
laten overhalen in Lissabon te blijven, op de Saracenen in Portugal
eenige veroveringen gemaakt; doch op bevel van den Paus zijn zij van
daar opgebroken, en onder aanvoering van Graaf Willem van Holland met
eenen gunstigen wind, nog vroeger dan hunne voormalige togtgenooten,
te Ptolomais, de verzamelplaats van dezen Kruistogt, aangekomen.
Het thans weder vereenigde leger maakte het volgende plan: Damiate,
de sleutel van Egypte, zoude veroverd worden, dan ware het den
Christenen gemakkelijk Cairo en Alexandrië den ongeloovigen te
ontrukken. Wanneer op deze wijze Egypte in handen der Christenen viel,
zoo kon men den ongeloovigen in Syrië en Palestina de pas van Egypte,
van waar zij toevoer en rekruten ontvingen, afsnijden, en zoo moesten
dan Syrië en Palestina zich van zelf overgeven. Sed homo proponit;
Deus disponit!--»Doch de mensch maakt plannen; God beschikt!"
Ingevolge dit plan ligtte de vloot het anker, en stevende in 3 dagen
naar Egypte. Met zeer veel moeite liep zij den Nijl in, waar toen de
manschap niet ver van Damiate aan land stapte. Hier vertoonden zich
vele Saraceensche ruiters aan het strand, hetzij om de ontscheping te
beletten, hetzij om de Christenen te verkennen. Een gespierde Fries
met breede schouders zwaaide zijne lans, en daagde den eersten den
besten Muzelman uit; eene gewoonte, die sedert Goliath's tijd en nog
vroeger zich tot nu toe had staande gehouden. Een Saraceensch ruiter
reed voor, maar werd oogenblikkelijk door den uitdager uit den zadel
geligt en afgemaakt [167]. De Saracenen beschouwden dit als een kwaad
voorteeken, en trokken in de stad terug. Diamiate was eene voor dien
tijd bijzonder sterke stad; zij was met eenen driedubbelden muur,
de een hooger dan de ander, omgeven; digt langs den muur liep de Nijl
met een' krommen arm om dezelve. Op de zijde der stad lag de voorstad,
welke door een' sterken toren gedekt werd. Dezen toren kon men niet
naderen, daar zij op een eilandje stond, welks geheele oppervlakte
door den voet des torens werd beslagen, zoodat de toren uit het
water scheen op te rijzen. Tusschen dezen en eenen anderen even
zoo gelegenen, ofschoon kleineren toren, lag de haven, en van beide
torens was eene zware keten gespannen, om de haven te sluiten. Nadat
men eenige vruchtelooze aanvallen op de stad en den toren had gedaan,
vonden de Duitschers uit het Bisdom Keulen een kunstig werktuig uit,
waarmede zij den toren dachten te veroveren; doch ook dit mislukte.
De Zomer liep reeds ten einde, zoodat men aan de verovering der
stad begon te wanhopen. In dezen hagchelijken toestand kwamen
de Friezen op eenen bij zonderen inval. Zij klampten twee hunner
grootste schepen aan elkander, welke naar één breed schip geleken:
op deze beide schepen maakten zij vier sterke masten in een vierkant
vast. Tusschen deze masten rigtten zij een houten bolwerk op, dat zij
met sterke kruisgewijze gelegde balken verzorgden, en van buiten met
natte koehuiden overtrokken. Boven op het bolwerk hadden zij lange
ladders, die zij op den toren werpen en waarmede zij dan deszelfs
platte oppervlakte bereiken konden. Vervolgens sloegen zij op een ander
schip een lager bolwerk op met naar buiten vallende bruggen, om aan
den voet des torens te komen, en met deze beide werktuigen voeren de
Christenen tot aan den toren. De Saracenen benaauwden de belegeraars
met hunne pijlen, die zij van boven van den toren afschoten, en met
het Grieksche vuur, dat echter door de natte koehuiden weinig werking
kon doen. Gedurende dit gevecht lagen de Patriarch en gezamenlijke
Geestelijken op de knieën, hieven de gevouwene handen ten hemel, en
riepen God, doch inzonderheid Maria en St. Bartholomeus (het was juist
Bartholomeus-dag) om hulpe aan. Eindelijk gelukte het den Christenen
uit het bovenste bolwerk ladders op den toren te werpen. Hendrik,
een Luikenaar, en Haije, een Fries van Fivelingo uit Groningerland,
waren de eersten, die den toren beklommen. De eerste had eene zware
kolf en de laatste een ijzeren dorschvlegel, die met ijzeren ringen
aan elkander gezet en versterkt was, in de hand. Elke slag gold
eenen gekneusden kop, ontwrichten arm of stukken geslagen beenen;
zoo maaiden zij regts en links om zich henen, en maakten ruimte voor
hunne makkers. De Saracenen, die van boven van den toren naar beneden
gedrongen waren, wierpen Grieksch vuur uit, waardoor de Christenen
zoo bestookt werden, dat zij den toren weder moesten verlaten. Daar
evenwel de vijand ook den toren verlaten had, zoo kreeg het andere
schip met het lage bolwerk lucht. Men wierp de bruggen uit, en naderde
den toren van onderen. Als zij nu met alle magt op de poort aanvielen
om die met geweld te doen bezwijken, gaven de Saracenen den toren bij
verdrag over. Eenige buitenlandsche Schrijvers voegen hierbij, dat
het groote schip van voren met eene sterke ijzeren zaag is voorzien
geweest, en dat de ketting, door tegen haar met volle zeilen aan te
varen, is gesprongen [168].
Toen de Christenen den toren hadden, werd ook spoedig daarop
de voorstad bemagtigd; doch de stad zelve konden zij nog niet
bemeesteren, omdat zij bestendig uit het leger des Sultans Meleddin
[169] toevoer en ondersteuning ontving. Het Christen-leger had ook veel
te lijden van overstrooming des Nijls, waarom vast- en biddagen werden
ingesteld. Toen de Nijl naderhand binnen zijne oevers terug trad,
vernielden de Duitsche Kruisbroeders eene schipbrug, over welke de
belegerden toevoer ontvingen uit het Saraceensch leger. Toen wies der
Christenen moed; zij wierpen zich tusschen het leger des Sultans en de
stad, en vielen hem eindelijk nu eens gelukkig, dan eens ongelukkig,
zelfs in zijn leger aan. De Sultan werd deze kwellingen eindelijk
moede, en bood den Christenen het vrije bezit van Palestina, het kruis
des Heilands, het ontslag der Christen-gevangenen en een eeuwigen vrede
aan. Het Kruisleger en vooral de Duitschers en Franschen lieten zich
het aanbod gaarne welgevallen, maar de Pauselijke Legaat protesteerde
en verlangde de geheele uitroeijing der Saracenen en Turken. Deze
zielenherders kregen eindelijk bij de Christelijke schapen gehoor,
men vocht nog een tijdlang met de ongeloovigen, en bereikte ten
laatste, op het einde van Aug. 1219, door bemagtiging van Damiate,
welke stad schier geheel door de pest was uitgestorven, het eerste
gedeelte hunner wenschen. Natuurlijk viel hier in deze rijke en weleer
volkrijke stad weder kostelijken buit te maken, dien de Christenen
eerlijk onder elkander verdeelden.
Toen Damiate was overgegaan, trok de Sultan naar Cairo terug. Men
hield zich wederzijds langen tijd in dit en het volgende jaar stil,
doch eindelijk beval de Paus tegen den zin der meeste Christenen en
zelfs van Koning Johannes den vijand te vervolgen. Dit bevel kwam
ter kwader uur, daar de Nijl overstroomde, en groote verwoesting in
het Christenleger aanrigtte. Nu zagen zich de Christenen genoodzaakt
met de ongeloovigen vrede te sluiten. De vredesvoorwaarden waren
deze: de gevangenen zouden van wederzijden vrijgelaten worden; de
Christenen moesten Damiate ontruimen, en de Sultan moest hun het
te voren door Saladin veroverde Kruis des Heeren uitleveren. Deze
was de eindelijke vrucht des ganschen togts, want in Aug. 1221 werd
Damiate weder overgegeven. Zoo was dan wederom alles verloren, en de
Christenen trokken weder huiswaarts."
Ik kan niet voorbij hier nog aan te voeren dat de bovengemelde Olivier
dezen Kruistogt in persoon heeft bijgewoond. Misschien is hij zelf
de vervaardiger van het Itinerarium (Reisverhaal) geweest. Uit het
leger voor Damiate heeft hij een brief aan de Abten, Prelaten en
Burgemeesteren (Consuls) in Friesland geschreven. Ik neem hier het
volgende uit over, dat den Friezen tot eer verstrekt:
»De Zegepraler in Israël, van wien alle goede gaven en volmaakte giften
afdalen, heeft uw vroom en in de moeijelijkheden der vreemdelingschap
volhardend volk op aarde groot gemaakt, bereidende hun een'
triomfwagen, als hebbende eene eeuwige belooning bij tijdelijken
roem verdiend, dewelke zij nooit zullen verliezen, indien zij den
ingetreden weg ten einde toe blijven bewandelen. Bij Damiate immers
hebben zij zich door betoon van groote nedrigheid, milddadigheid,
gehoorzaamheid en stoutmoedigheid, bij de Saracenen geducht, bij de
Christenen bemind gemaakt. Weshalve wij U, Prelaten" enz., enz.
»Geschreven bij Damiate op het feest der H. Kruisverheffing."
De Patriarch van Jeruzalem gaf den Friezen bij hunnen aftogt eene
loffelijke getuigenis mede, waarin onder anderen het volgende voorkomt:
--»en nadat zij met ons in Egypte zijn gekomen, hebben zij veel
leeds uitgestaan, zoo ten aanzien van hunne personen als van hunne
geldmiddelen. Wij hebben hen van hunne dienst ontslagen en laten
vertrekken, volgens de toelating door de Roomsche Kerk in de algemeene
kerkvergadering verleend. Wij geven eene loffelijke getuigenis aan
het Friesche Volk, daarom, dat zij eenen braven wandel hebben geleid,
en dapper en vroom gestreden hebben in de dienst van J. C. Weshalve
wij u vermanen en van uwe bescheidenheid in den Heere bidden, dat
gij deze zelfde Friezen, uit hunne vreemdelingschap terugkeerende,
in gunst moogt ontvangen," enz.--
Zoo veel van dezen togt.
Naauwelijks waren de Kruisvaarders weder te huis gekomen, of de heilige
Vader Honorius II begon reeds weder alarm te blazen. Keizer Frederik
II nam zelf het Kruis aan, doch scheen zich, na den dood van Honorius,
om zijne gelofte weinig te bekommeren; hij werd door den opvolger
van Honorius, Paus Gregorius, in den ban gedaan, trad wakker met den
Heiligen Vader in het strijdperk, en ondernam eindelijk in 1228 den
Kruistogt. Terstond bij zijne aankomst boden hem de Saracenen eenen
10 jarigen wapenstilstand aan, waarbij zij hem Jeruzalem, Nazareth
en Sidon inruimden. Daarop liet hij zich tot Koning van Jeruzalem
kroonen, en keerde terstond daarna terug. Ook aan dezen togt hebben
de Friezen deel genomen, en zoowel de Paus Honorius, als de Keizer
Frederik moedigden de Friezen aan, den togt mede te ondernemen. De
Paus streek den Friezen in eenen brief van 1226 niet weinig honig om
den mond. Onder anderen zegt hij in dien brief:
»Voorwaar, daar de Friezen weleer met onderscheiding in den Kruistogt
ter zee den Heere gediend hebben in de overzeesche landen, zoodat
uw gedenkboek van geslacht tot geslacht met vermelding van uwen lof
zal aangehaald worden, zoo hebben wij noodig en raadzaam gedacht,
ulieden als beroemde Kampvechters wel bijzonder tot het volgen van
dezen (togt) te moeten oproepen, vastelijk hopende en vertrouwende,
dat gij, die onder overige volken uitmunt in grootmoedige dapperheid,
den strijd des Heeren mannelijk en met kracht zult strijden.
»Wij bidden u dan allen enz."
En Keizer Frederik schrijft onder anderen:
»Want buitenlands is uw krijgsbeleid gevreesd en ondervonden van
die volken, tot welker uitroeijing gij weleer uwe krachten loffelijk
geoefend hebt, terwijl het bloed van uwe martelaren in de dienst des
Kruises geplengd, glansrijk blinkt, en hunne roemrijke ligchamen door
de bezetting en verovering van Damiate herdacht worden. Ontbrande
dan uwe dapperheid!--
»Gegeven te Salerno 1 Febr. 14de Indictie."--
Olivier kwam ook weder in Mei 1224 in Friesland, en predikte eerst
in Groningen, daarna in Reiderland en in 't Emderambt het Kruis;
voornamelijk echter hield hij zich te Uttum en Groothuizen (Huttum en
Usum zegt Emo) op, waar hij evenwel weinig uitwerkte. Vervolgens zond
hij door geheel Friesland herderlijke brieven rond, en vermaande de
Friezen met de Denen, Bremers en de Keulenaren, die reeds eene vloot
begonnen uit te rusten, gemeene zaak te maken, terwijl de eerste
bemoeijing der Geestelijken was, om geld voor den te ondernemen
Kruistogt te verzamelen. Onze geschiedschrijver Emo liet zich zelven
daartoe gebruiken, en bragt eene aanzienlijke som bijeen.
Den 22 Mei 1227 gingen de Friesche schepen bij Borkum onder zeil;
de manschap echter leed veel door allerlei gevaar, storm, ziekte en
honger, en kwam, merkelijk ontdaan, eindelijk in Palestina [170]. Het
einde van dezen togt heb ik reeds boven kortelijk opgegeven.
In het jaar 1247 werd eene groote kerkvergadering te Lyon in Frankrijk
gehouden, op welke nogmaals een heilige krijg tegen de ongeloovigen
werd vastgesteld. Koning Lodewijk de Heilige nam zelf het Kruis aan,
en de Paus zond, op bijzonder verlangen des Konings, den Bisschop
Albert van Riga en Willibrand, een monnik uit het Mentzsche, naar
Friesland, alwaar zij alle Abten, Dekens, Priesters, Edellieden,
regterlijke Beambten en de voornaamste Mannen verzamelden, en hun den
Pauselijken lastbrief voorlazen. Terstond liet zich eene groote menigte
tot dezen togt aanwerven; maar toen den Friezen werd aangekondigd,
dat zij tegen Mei 1248 reeds tot den togt gereed moesten zijn,
schreeuwden allen, dat deze bepaalde tijd veel te kort was. Daarop
werd de tijd des aftogts tot Mei 1249 uitgesteld.
Deze Krijgstogt is voor de Christenen van rampzalige gevolgen geweest,
daar bijna het geheele Christelijke leger in Egypte, deels door de
pest, deels door het zwaard, werd vernield, en de Koning Lodewijk
zelf gevangen genomen. Door klinkende munt en eenen schandelijken
vrede kocht hij zijne vrijheid weder. Of nu de Friezen dezen togt
mede gedaan hebben, en werkelijk uitgezeild zijn of niet, melden ons
de geschiedschrijvers niet [171]. Waarschijnlijk hebben de Friezen,
daar zij te huis genoeg te doen hadden, en den nieuw verkozen Roomsch
Koning Willem reeds in 1248 Aken hielpen veroveren, doch daarna met
hem in onmin geraakten, en hem, gelijk uit 's Konings geschiedenis
genoeg bekend is, in de tegenwoordige provincie Friesland om hals
bragten, aan dezen togt geen deel genomen [172].
Zeer aardig herinnert een Bisschop van Syrië in eenen uit Ptolomais
geschreven brief na het jaar 1260 hun aan hunne pligten. Hij
noemt zich: »Frater Thomas de ordine Praedicatorium, Dominici
praesepii et virginalis puerperii custos indignus, Apostolicae Sedis
Legatus." »Broeder Thomas van de orde der predikheeren, onwaardige
bewaker van de kribbe van Dominicus en het maagdelijk kraambed,
legaat van den Apostolischen zetel." Hij meldt daarin (de ruimte laat
niet toe, den geheelen merkwaardiger en kluchtigen brief hier in te
lasschen) onder anderen, dat de Friezen, die voor 10 en meer jaren
het Kruis hebben aangenomen, hunne kruisgeloften gestand doen, en
opkomen, of wettige redenen van hun uitblijven opgeven moeten. Daarbij
verzoekt hij de Proosten en Dekenen de Friesche vrouwen, welke het
Kruis hebben aangenomen, den togt af te raden, dewijl men, helaas,
meermalen de treurige ervarenis heeft gehad, dat door verleidingen
des Satans deze vrome vrouwen reeds aanstonds op weg afschuwelijke
hoererij en echtbreuk bedreven hebben. Wanneer deze goede kinderen
slechts zooveel baar geld betaalden, als hun de reis heen en weder
zou kosten, dan konden zij rustig te huis blijven, en nu besluit hij:
»Aan alle welke voornoemde vrouwen en anderen, die op voorzeide
wijze mogen verschoond worden, wij uit kracht van de aan ons door
den Apostolischen Stoel verleende volmagt die vergeving van zonden
schenken, welke zij zouden verwerven, zoo zij het Heilige Land in
persoon bezocht hadden."
Koning Lodewijk nam in 1267 andermaal het Kruis aan, en zond naar
Friesland eenen monnik, Gerhard, om aldaar het Kruis te prediken. Deze
trok geheel Friesland door, doch hield zich den meesten tijd, volgens
getuigenis van den gelijktijdigen Schrijver Menco, in Norden op, alwaar
hij het Jakobiten-Klooster stichtte. Het gelukte hem ten behoeve van
dezen voorgenomen togt den ingezetenen groote sommen gelds uit de
beurs te praten, en een groot getal strijdbare mannen te overreden,
zich met het Kruis te laten teekenen.
Thans werd eene betere orde ingevoerd. Opdat niet wederom allerlei
janhagel den togt mede ondernemen, en zich op kosten van het Kruisleger
mesten, of ook weerlooze vrouwen vervolgens wanorde in het leger
veroorzaken mogten, werd uitdrukkelijk bevolen dat alle vrouwen,
zonder onderscheid, te huis blijven, en ieder Kruissoldaat 7 mark
sterling aan klinkende munt, vervolgens 7 ton boter, een halven os,
een ham, een half mudde meel en zoovele wapens en kleederen, als hij
zou noodig hebben, medenemen moesten.
In 1269, kort voor Paschen, scheepten de Friezen zich in. Zij
verzamelden zich bij Borkum, en moesten daar 20 dagen wegens westelijke
tegenwinden blijven liggen. De uitgeloopene Friesche vloot bestond,
behalve de kleine schepen, uit 50 koggen. Met goeden wind landden zij,
na volgens gewoonte vooraf in eenige havens te zijn binnengevallen, te
Marseille aan. De Koning van Frankrijk had met de Friezen afgesproken
hen tot St. Jan in te wachten; dan daar deze tijd verstreken was, zoo
was de Koning met zijne vloot reeds voor de aankomst der Friezen naar
Tunis afgezeild. De Sultan had een sterk leger naar Afrika gezonden,
waarom de Koning vreesde, dat de Turken, na den aftogt der Christen
troepen, in Sicilie, Italie, Frankrijk en Spanje eene afwending zouden
maken. Daar ook de Saracenen in Syrië en Palestina veel ondersteuning
en levensmiddelen ontvingen van de Barbarijsche kusten, zoo achtte hij
het voordeelig eerst Tunis te verwoesten. De Friezen morden over dezen
togt, en wilden liever naar Palestina, doch lieten zich ten laatste
door eenen geestelijken overreden den Koning na te zeilen. Bij hunne
aankomst vernamen zij wel, dat de Koning de Ongeloovigen geslagen en
Tunis reeds ingesloten had, doch tevens dat hij zelf kort daarna aan
de pest gestorven was. Op dit berigt wilden de Friezen oogenblikkelijk
weder naar Syrië afzeilen; dan, daar juist ten zelfden tijde de broeder
des overledenen Konings Lodewijk, de Koning Karel van Napels, met eene
versche vloot aankwam, zoo lieten zij zich bewegen, daar te blijven. De
belegering werd dan ijverig voortgezet; de Saracenen deden eenen uitval
op eene afdeeling Duitschers en Friezen, die verspreid nabij de stad
ginds en herwaarts liepen, om den vijand uit zijne verschansingen
te lokken. De Christenen togen aanvankelijk in wanorde terug, maar
herstelden zich weldra weder, rukten als één man tegen den vijand
op, en dreven hem tot eene rivier, die voorbij Tunis stroomt. Vele
Ongeloovigen sneuvelden door het zwaard, de meesten echter verdronken
in den vloed. De stad kon door storm niet ligt veroverd worden, omdat
de pest in het Christenleger eene groote verwoesting had aangerigt:
desniettemin werden de belegerden zoo benaauwd, dat zij den Christenen
eenen vrede aanboden. De inhoud der aangenomene vredes-voorwaarden was,
dat de gevangenen van wederzijde bevrijd,--Tunis aan Koning Karel eene
jaarlijksche schatting betalen,--en de Christenen op de Middellandsche
Zee door geene zeeroovers zouden ontrust worden. Het leger werd
daarop ontbonden, en de meeste Italianen en Franschen gingen weder
naar huis; dan de Friezen, Duitschers en Engelschen vervolgden hunne
reis en zeilden naar Palestina. Onder weg leden zij veel door storm
en ziekte, en kwamen in veel verminderd getal eindelijk te Ptolomais
aan, alwaar zij het Christen-leger in eenen jammerlijken toestand en
verderfelijke oneenigheid aantroffen, welke tweespalt de Saracenen zich
ten nutte, en vele veroveringen hadden gemaakt. Intusschen werden de
Friezen door de Tempelheeren wel ontvangen en kostelijk onthaald: zij
werden naar Tyrus gevoerd, alwaar men aanzienlijke hulptroepen van de
Christenheid en bijzonderlijk van Koning Karel van Napels verwachtte,
doch daar deze uitbleven, zoo kregen ook de Friezen het heimwee. Hunne
uit den storm nog overgeblevene schepen waren zoo jammerlijk gesteld,
dat zij geen zee konden bouwen, zoodat zij zich in vreemde vaartuigen
moesten inschepen, en van elkander afgescheiden, sommigen door Italië,
anderen door Frankrijk afzonderlijk terugkwamen. De meesten echter
hadden hunnen dood in Afrika, in de Middellandsche Zee en in Palestina
gevonden, terwijl het geringe in het Vaderland terugkeerend overschot
ledige buidels, hongerige magen en zieke ligchamen mede terugbragt.
Van nu af aan waren de Christenen te zwak om den Turken het spits te
bieden. De eene vesting ging na de andere over. Antiochië, Cesarea,
Joppe en andere steden kwamen in handen der Turken. Ten jare 1291
werden ook Ptolomais, Tyrus en Berytus heroverd. Zoo behielden dus de
Christenen der Latijnsche Kerk, die ter verovering en beheersching
des Heiligen Lands, zoo vele millioenen verspilden, en zoo veel
bloeds deden stroomen, in Palestina geen voet gronds. Paus Nikolaas
IV, wien dit zeer ter harte ging, wekte wel alle geestelijke en
wereldlijke Vorsten tot eenen nieuwen togt op, doch zijne pogingen
waren vruchteloos [173].
Palestina, ontbloot van allen bijstand, verzonk weder in de oude
slavernij, die misschien dragelijker was, dan de heerschappij van
teugellooze schraapzuchtige Christenen.--En dit was het einde der
heilige oorlogen of vrome razernij, die omtrent twee honderd jaren
gewoed, en Europa omtrent zeven millioenen menschen en onmetelijke
schatten gekost heeft.
Wat nu het goed en kwaad betreft, het is moeijelijk te beslissen of de
Kruistogten meer voordeel dan nadeel aan Europa hebben toegebragt. Dus
oordeelt er de Duitsche Geleerde J. G. Mair over [174]. Heeren is door
zijn onderzoek der gevolgen van de Kruistogten voor Europa [175] tot
het gunstig resultaat gekomen, dat zij wel niet op eens eene betere
wereld schiepen, maar die voor de nakomelingschap hebben voorbereid.
Wakker van Zon heeft, in zijne Bijdrage tot de Geschiedenis der
Kruisvaarten, voor ons Vaderland daarin weinig voordeel kunnen vinden,
en laat het nadeel ver het overwigt behouden; zelfs in de heftigheid
van zijn betoog uitroepende: »Rede! Deugd en Godsdienst! wij leggen
op uw heilig altaar de plegtige en onherroepelijke bekentenis af--,
dat de Kruisvaarten ons Vaderland tot eene bron van onuitrekenbare
ellende verstrekt hebben!"--
Zoo zijn er meerdere gevoelens van geleerden uitgebragt, terwijl
die Schrijvers, welke niet overdrijven, maar den middelweg hebben
bewandeld, zoo als Heeren en Luden, gewis den voorrang boven anderen
verdienen [176].
Voor Friesland waren gewis de gevolgen ook van groot belang. De
burgerlijke vrijheid is er zeer door bevorderd: want een slaaf werd
vrij man, en de haat en wraak der aanzienlijke geslachten werden
getemperd. Het werkzame deel des volks werd door den landbouw als
anderszins voor armoede beveiligd, en de zedelijke beschaving zal
er allengs bij gewonnen hebben. De handel in de X eeuw nog in zijne
kindschheid, moet eene eeuw na den aanvang der Kruistogten te Stavoren
reeds tot grooten bloei zijn gekomen: want deze stad en Bolsward
tot de Hanzesteden behoorende, voerden hunne koopwaren naar Brugge,
werwaarts de Lombarden hunne Oostersche goederen bragten, om dezelve
zoo door de Hanzesteden weder in het Noorden te verspreiden. De
welvaart, pracht en weelde der XIII en XIV eeuwen kunnen van deze
gevolgen getuigen.--Kunsten en wetenschappen, altoos met den handel
zich parende, moesten ook wel in Friesland toenemen.--Dan het nadeel
heeft zich ook voor dit gewest geopenbaard, en in de onheilen moest
het dus ook aandeel hebben.
Bl. 72.
Omtrent den jare 1100 was er een voornaam Bouwkunstenaar, zijnde een
Fries, die voor den Bisschop van Utrecht eene fraaije kerk bouwde,
doch misnoegd over deszelfs behandeling, den Bisschop om het leven
bragt. Dit zal het bedoelde geval zijn 't welk voorkomt in F. Sjoerds,
Jaarb. II. 285.
Bl. 72.
In den jaare 1110. Door dezen strijd en nederlaag bleef de vrijheid
van Oost-Friesland bewaard, en de Friesche Graafschappen Oostergo en
Westergo genoten een aantal jaren rust en vrede.
Bl. 73.
In den jaare 1119 ontstond. Het verhaal van dezen twist tusschen
Floris II en den Frieschen Edelman Galama is naauwkeurig opgeteekend
door Gabbema in zijne Watervloeden, p. 50 en 51, en bij de
Kronijkschrijvers met eenige kleine veranderingen vermeld. Zie
Tegenw. Staat van Friesland, I. 315; F. Sjoerds, Jaarb. II. 318,
welke te regt in Wagenaar (II. 213,) verbetert, dat Galama niet in
dezen twist is omgekomen, en ook een eigenlijke Fries geen Westfries
was. Schotanus, van dit voorval niet sprekende, heeft men de waarheid
daarvan betwijfeld, waarom ook welligt Cerisier (Geschiedenis der
Nederl. I. 214) niet voor de echtheid wil instaan. Bilderdyk, altijd
kwaadaardigst tegen Wagenaar, zegt in zijne Gesch. des Vaderl. II. 34:
»Wagenaar, altijd kwaadaardigst tegen de braafste Vorsten, brengt
tegen Floris in, »dat zijne uitmuntendheden van geest en lichaam niet
verhinderden, dat de Edelen dezer landen hunne vrijheden tegen het
Grafelijk geweld, dat met den aanwas van 's Graven macht meer dan te
voren gevoeld werd, moediglijk verdedigen durfden."" »En tot bewijs
van dit Grafelijk geweld en het moedig verdedigen van de vrijheden
daar tegen, komt den moedwil van Galama voor den dag.----Het geval
(waar of onwaar, want men twijfelt er aan) is eenvoudig. De Graaf
(wien naar het Leenrecht, als Vorst of wegens den Keizer regeerende,
wouden en wildernissen behooren, en alle jacht die niet afgestaan
is) in het bosch van Kreil (aan den rand der Zuiderzee, die nu dit
gedeelte verzwolgen heeft) jagende, vindt daar jagers van Galama,
wien hij als naar stijle, de daarmeê verbeurde honden ontnemen
doet. Galama verneemt dit, stuift op, zoekt den Graaf in het bosch,
spreekt den Graaf (onbesuisd, zegt Wagenaar) en onvoeglijk aan, en bij
Floris aanmerking op dien onbehoorlijken toon en taal, valt hem met
den blooten degen op het lijf en doorboort hem den arm!--Zie daar"
enz.; hier volgt weder eene onbehoorlijke uitval op Wagenaar en een
schampschot op de onschendbaarheid en wijsheid, gezeten hebbende in
de majestueuze Amsterdammer paruiken.
Dit is dus met een kort woord aan Galama zijn regt ontnomen,
hem als overtreder des Roomschen regts veroordeeld, en Floris
geregtvaardigd. Wij houden het er daarentegen voor, dat het niet
bewezen is of Graaf Floris in het Kreilerwoud iets had te zeggen, en
zoo niet, dan beschouwen wij de daad van Galama (niet gelijk Bilderdyk)
als die van een dolleman, maar van een regtschapen Fries, die zich door
geen Hollandschen Graaf naar willekeur liet regeren en behandelen, hoe
deze dan ook het Kreil, Galama's eigendom, mogt beschouwen. Waarom
dit voorval onder de verdichtselen geplaatst zou moeten worden,
daarvoor kunnen wij geene reden vinden. Friesch Jierb. 1833, § 22;
Bijvoegsels op Wagenaar, II. D. bl. 72.
Bl. 73.
In den jaare 1143. In onze kronijk wordt niet vermeld, zoo als bij
andere Schrijvers, dat omstreeks dezen tijd, onder de regering van
Keizer Koenraad III, vele bewoners der tegenwoordige Nederlanden,
op verzoek van den Graaf van Holstein, Adolf, na de verdrijving der
Obodriten, eenige landstreken aan de Elve gingen bewonen, en hoezeer
door deze woeste Wandalen weder aangevallen, met ongehoorde dapperheid
tegen dezen streden, en eindelijk, door den stoutmoedigen Priester
Gerlacus aangepord en voorgegaan, met behulp van 's Graven volk de
volkomene overwinning behaalden [177].
De Graafschappen Oostergo en Westergo werden door dezen Keizer Koenraad
weder aan den Utrechtschen Bisschop geschonken, welke schenking twee
jaren daarna bij eenen giftbrief werd bevestigd. Hoe echter de Friezen
over deze en dergelijke brieven dachten en hunne vrijheid wisten te
handhaven, ziet men beschreven bij Emmius, bijzonder in het VI boek,
bl. 103 zijner Friesche Geschiedenis.
Eenige jaren hierna in 1157, of gelijk Emmius in 1165, is het vermaarde
klooster Ludingakerk bewesten Franeker gesticht, waarvan Wigboldus de
eerste Abt is geworden. Uit deze Abdij, met aanzienlijke landerijen
en rijkdommen begiftigd, en van den Roomsch Koning Willem II met het
eiland Flieland beschonken, kwamen de kloosters van Anjum, Achlum,
Oegeklooster en anderen voort. Tusschen Flieland en Terschelling, toen
nog aaneen, groef men, tot bevordering der aanslijking, om nog al meer
voordeelen te genieten, eene wijde gracht, tegen wil en raad van den
verstandigen Lidlumer Abt, Gerhardus, waardoor men de woedende zee
het land vernielen liet, dat noodig was te behouden ter voorkoming
van de latere ellende door storm en vloed ontstaan. F. Sjoerds,
Jaarb. II. 377; Oudh. en Gest. II. 131.
In 1163 stichtte men het klooster Mariengaard onder Hallum, onder
opzigt en beleid van den waarlijk vromen Pastoor der kerk te Hallum,
Frederik, die daar eerste Abt werd, en de order der Premonstratenzers
omhelsd had. Doordien er een grooter toeloop was dan het klooster
bevatten kon, werd door den Abt, ter plaatse Bartlehiem genoemd in
Tietjerksteradeel, een nonnenklooster, onder den naam Bethlehem,
gebouwd. Onder de waardige Abten die deze kloosters telden, is
de godvruchtige Syardus hoog geroemd. Deze en vele anderen, die
het zoo goed met de godsdienst meenden, waren echter onbestand
tegen het ongeschikte, wanhebbelijk en zedeloos leven der
kloosterlingen.--Oudh. en Gest. I. 385; Tegenw. Staat. I. 345.
In den jare 1165 werd de Abdij Klaarkamp in Dantumadeel gesticht,
onder 't beheer van den dorpe Rinsumageest, door vrouwe Clara,
eene rijke en godvruchtige weduwe. De Bernardiner of Cistercienzer
monniken, ook naar hunne kleeding witte en zwarte monniken genoemd,
die aanvankelijk om hunnen stichtelijken wandel en goede zeden zeer
geroemd zijn geworden, hebben hetzelve onder den eersten Abt, Eiso
betrokken, en vele kloosters in Friesland en Holland hebben onder
deze Abdij gestaan. De Abt van Klaarkamp had onder de Prelaten ter
Landsvergadering de eerste plaats.
Deze eeuw was dus bijzonder vruchtbaar in het voortbrengen van Abdijen,
Kloosters, geestelijke Gestichten en Kerken. In den jare 1182 werd
ook door Sybe van Lidlum met hulpe van Tjalling Donia van Winsum,
tusschen Tjummarum en Oosterbierum, het Lidlumer Klooster gesticht,
't welk na verloop van eene halve eeuw is verplaatst. Het was gesteld
onder de order der Reguliere Kanunniken. Oudh. en Gest. II. 162;
Schotanus, Beschryvinge von Frieslandt, Quarto, p. 311 en verv.
Bl. 76.--Ao 1170.
Omtrent dezen tijd, is Saake Reinalda, overleden. De Geschiedenis
vermeldt dezen Potestaat als een kundig, ervaren, braaf, edelmoedig
en vredelievend man, die in allen opzigte, vrij van vooroordeel en
ongepaste eerzucht, het belang zijner landgenoten zoodanig behartigde,
dat de Edelen, de Staten en het Volk hem levenslang tot hunnen
Landsheer wilden verkiezen, welk voorregt hij echter niet begeerde,
als strijdig met zijne beginselen en 't gebruik der voorvaderen.
Bl. 77.
In den jaare 1190. Omstreeks dezen tijd vindt men bij de meeste
geschiedschrijvers het eerst gewag gemaakt van Leeuwarden als stad;
doch er zijn er, die beweren, dat reeds ten jare 1149 de stad bij
dien naam zou bekend geweest zijn, daarbij aanhalende de twee brieven
door den Abt Wybaldus geschreven, voorkomende in het Charterboek van
van Schwartzenberg, I. 76, de een aan de gemeente van Leeuwarden,
houdende klagten over de zorgeloosheid van vier Priesters aldaar,
en de andere aan den Utrechtschen Bisschop, Heribertus, betrekkelijk
den slechten toestand der kerk.
Bl. 77.--Ao 1192.
Als Froonakker en Godsakker. De Tempelschattingen dienden bij de
Franken tot onderhoud der Priesterschap, tot instandhouding van de
godsdienst, tot aanschaffing der offerdieren, tot bekostiging der
openbare feesten en tot verzekering van regt en veiligheid. Wij vinden
in de Friesche geschiedenis der IX en X eeuw ook de Tempelschattingen
vermeld, welke in iedere kapel, op zekere tijden, aan den Hemelkoning
moesten worden opgebragt; en wat betreft het bezit van landgoederen,
meren, wouden en stroomen, dit wordt genoeg opgehelderd uit de, bij
de bevestiging des Christendoms hier te lande, zoo rijkelijk door
de Frankische vorsten weggeschonken goederen, welke ongetwijfeld,
voor een groot deel, mede hiervan afkomstig waren. En zoo is men
op het vermoeden gekomen, dat de Vroonlanden en Vroonakkers, welke
hier en daar weleer aangetroffen werden, van deze landgoederen
afkomstig waren, en dat Franeker daarvan den naam zoude ontleend
hebben. Verg. Westendorp, Verhand. over het gebruik der Noordsche
Mythologie, bl. 335.
Bl. 82.--Ao 1227.
Kastelein van Koevorden. Een Kastelein was ambtman over een
regtsgebied; oorspronkelijk kasteelman, praefectus arcis;--Borchgreve,
burggraaf, slotvoogd, enz.--Verg. den Teuthonista van G. v. d. Schueren
en Kiliaan.
Bl. 85.--Ao 1230.
In den jaare 1230. Het jaar te voren schrijven de kronijken van eene
groote zonsverduistering, gevolgd door geweldigen hagel, in welk onweer
de Edelman Sixtus Botnia met zijne vrouw zou zijn omgekomen, alsmede
Douwe Galama en Jolke Taijkama. Over den vloed van 1230, zie Gabbema,
Watervloeden, bl. 70; Wins. fol. 163; F. Sjoerds, Jaarb. II. 543.
In of omtrent dezen tijd vindt men het eerst van de veenen en
turfgraverijen gewag gemaakt.
Bl. 86.--Ao 1231.
Door de Rechters van Upstalsboom. Als hier ter plaatse zeer gepast,
nemen wij een gedeelte over van het belangrijk Overzigt, geplaatst in
het Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 4 October 1831, getiteld:
Herinnering aan de Landdagen der Friezen bij Upstalboom, hoofdzakelijk
getrokken uit het werk van T. D. Wiarda over dit onderwerp, en ons
medegedeeld door den kundigen beoefenaar der Friesche Geschiedenis,
Taal-, en Dichtkunde, Mr. A. Telting, Secretaris der stad Franeker.
»Buiten de stad Aurick in Oost-Friesland is een eerwaardige
plek, rijk in herinneringen aan de vrijheidsmin en volkstrouw
onzer Friesche Vaderen. Deze plek draagt den naam van Upstalboom
(Upstallisbeam, Opstalbeam). Wij zullen ons niet verdiepen in de
verschillende gevoelens omtrent de afleiding en beteekenis van dezen
naam, dien sommigen voor eene zamenstelling houden uit Upstalling,
d. i. hoveling, eigenlijk een man uit een oud geslacht, en beam of
boom, beteekenende alzoo een' boom, waarbij zich de voornaamsten des
volks verzamelen,--anderen samengesteld achten uit up of öp, staal,
boom, d. i. bij den opgerigten boom,--anderen weder uit up of op, saal
(zaal, de oude benaming van eene plaats, waar men geregt hield) en
boom,--en nog anderen eindelijk uit up, stoel en beam, d. i. de boom,
waar de stoel des gerigts wordt gehouden. Wij laten de beslissing aan
anderen over, maar meenen zooveel met zekerheid uit dezen naam te mogen
opmaken, dat daar een of meerdere oude boomen hebben gestaan, onder
welke zich de regters zullen hebben gezeteld, terwijl de verzamelde
afgevaardigden des volks zich daar om heen zullen hebben geschaard,
alles overeenkomstig de zeden der overige Germanen, die, het voor
vrije mannen onbetamelijk achtende in beslotene plaatsen te vergaderen,
daartoe uitgestrekte vlakten of heilige wouden verkozen. Een uur buiten
Aurick vertoont zich dan ook nog een heuvel, waarop naar luid der
overlevering drie groote eiken plagten te staan, en die algemeen als
de vergaderplaats wordt opgegeven. De landlieden noemen dien heuvel den
Boombarg. Men heeft er ten aandenken later eenen grooten beuk geplant,
en de hoogte met eene kleine gracht omgeven. Daar vergaderden op den
eersten Dingsdag na het Pinksterfeest telken jare de afgevaardigden
der zeven Friesche Zeelanden. Men zag er de geestelijkheid, de edelen
en de vrijgeboren mannen uit geheel den Staat zamenvloeijen, om de
belangen des gemeenen Vaderlands voor te staan. De eerste dagen der
bijeenkomst waren der gastvrije vrolijkheid gewijd. Auricks vrouwen
en maagden ontvingen den aankomenden vreemdeling, en bragten hem
den welkomsbeker toe, met den groet: het ghilt eele frye Fryse! Nog
heden dansen hare nakomelingen op den Pinksterdag om den Meiboom,
en zingen haar volkslied:
»Mayboom, Mayboom, holt die faste,
Morgen krieg wy fremde lue toe gaste!"--
Wanneer de eerste dagen der gulle vreugde waren vervlogen, en
langzamerhand alle afgevaardigden zich ter bestemder plaatse
hadden vervoegd, ging men over tot de beraadslagingen. Er werden
voorstellen gedaan, en voor te besluiten trok het volk ter onderlinge
beraadslaging, zoo de overlevering wil, naar een nabij gelegen dorp,
dat vandaar den naam van Rahde zou verkregen hebben. Voor den heuvel
liggen twee akkers, nog de Wandelakkers genaamd, waar men wil,
dat de Rigters gedurende deze beraadslagingen van het volk gewoon
waren heen en weêr te wandelen. De besluiten der vergadering werden
in schrift gebragt, en met een zegel voorzien. Dit zegel stelde voor
een' geharnasd' man, met eene spies in de regter en een zwaard in de
linkerhand, staande onder een' bladerrijken boom. Het groote doel
dezer landdagen was,--zoo als blijken kan uit verscheidene wetten,
tot op onze dagen bewaard gebleven, die daar gemaakt zijn,--om in
het belang van het geheele vrije land alle bestaande verschillen
zooveel mogelijk te beslechten, vrede en rust te stichten en te
bewaren, den weêrspanneling desnoods met geweld tot onderwerping te
noodzaken, zich tot gemeenschappelijke weer tegen vreemden aanval
telkens met nieuwe kracht en eendragtigen moed te verbinden, goede
en nuttige wetten in te stellen, de bestaande te herzien en zoo
noodig te verbeteren. De uitvoering der genomene besluiten berustte
bij telken jare op nieuw verkozene regters (zij worden in de Leges
Upstalbomicae van den jare 1323 § 23 Judices Zelandini genoemd, bij
Emo Abt van Werum, in zijn Chronicon, Jurati apud Upstallesbome, ook
Consules terrae). Deze vertegenwoordigden dus de hoogste magt in de
vrije Zeelanden. Wanneer is men het eerst begonnen deze landdagen te
houden?--welke der Friesche Zeelanden hebben daaraan deel genomen?--en
wanneer hebben deze zamenkomsten opgehouden?--ziet daar drie vragen,
die ieder belangstellend lezer zich al dadelijk voorstelt, en waarop
wij kortelijk zullen trachten te antwoorden."
Wat nu betreft de eerste vraag, zoo komt het antwoord van den Schrijver
hierop neder, dat, ofschoon men met geene volkomene zekerheid kan
bepalen, wanneer de Upstalboomsche landdagen der Friezen een begin
hebben genomen, men echter met eenige waarschijnlijkheid kan besluiten,
dat zij, zoo al niet door Karel den Grooten zelven ingesteld, toch aan
den door hem te Upstalboom gevestigden regtszetel hunnen oorsprong te
danken hebben, en dat de Friezen al zeer vroeg deze regtsplaats, als
in het midden van Friesland gelegen, tot het houden hunner landdagen
bij uitnemendheid geschikt hebben gerekend. De vroegste vermelding
eener gezagsoefening van de Upstalboomsche Regters vindt men bij
Emmius op het jaar 1214 aangeteekend.
In de eerste tijden namelijk van Karel den Grooten, zullen al de
Friezen van de Maas tot aan den Wezer deel hebben genomen aan die
landdagen. De landen over den Wezer schijnen, vóór de indeeling
van den Frieschen Staat in zeven Zeelanden, te zijn afgescheiden,
en zoo lang nu al deze landen zich in het bezit hunner vrijheid
hebben mogen verheugen, hebben zij ongetwijfeld mede deel genomen
aan de Upstalboomsche vergadering. Wanneer deze zamenkomsten voor
altijd hebben opgehouden kan men met geene zekerheid opgeven;
doch in de eerste helft der vijftiende eeuw, nadat er reeds
onderscheidene beletselen tot het bijeenkomen hadden plaats
gehad, door de dwingelandij van eenige magtige Hovelingen en vele
partijschappen onderling, moet zulks hebben plaats gehad. Zie
voorts gemeld Overzigt. Schotanus, Fr. Hist. bl. 170 volgg.;
Harkenr. Oostfr. Oorsp. 125-127; F. Sjoerds, Besch. I. 62.
Bl. 89.--Ao 1234.
Om de voorrang in 't offeren. Over dezen twist kan men vergelijken
Oudh. en Gest. II. 275; Teg. Staat, I. 360; F. Sjoerds, Beschr. I. 499.
Bl. 89.--Ao 1239.
Sikke Sjaarda of Sjaardema. Over de geschiedenis van den achtsten
Potestaat Sjaerdema en den hier vermelden brief heerscht, eenige
duisterheid. Emmius (in zijn X Boek, p. 157) verklaart in twee
regels, na den dood van Willem II vermeld te hebben, dat hij alles,
wat in dat gedeelte der historie verhaald wordt van Sicco Sjaerda,
op eene smakelooze, laffe wijze (insipide), niet eens der vermelding
waardig acht. Hamconius en de kronijk van O. v. Scharl zwijgen van
dezen Potestaat; doch van Rhyn in het meergedacht Nabericht wil
deze gebeurtenis niet als ongerijmd verwerpen. Winsemius (fol. 169)
en Schotanus (40, bl. 100 en 127) verhalen ons de zaak, gelijk die
in onze kronijk voorkomt met inlassching des briefs van Sjaerdema,
welks echtheid evenwel wordt betwijfeld, en door sommigen voor een
valsch stuk gehouden. Bij het onderzoek: Of de Graven van Holland,
regtens, ooit Heeren van Friesland waren, geplaatst in het Mengelwerk
der Leeuwarder Courant van den 25 Junij 1833, heeft de Schrijver,
de Heer v. Halmael, aangemerkt, dat de valschheid van dezen brief
niet volgt uit de jaarteekening 1239 bij Winsemius, daar het,
uit het op den anderen kant der bladzijde gestelde jaartal 1248,
genoegzaam blijkt, dat dertich eene drukfout is, en men veertich
lezen moet. Ook de Hoogleeraar Ypeij, houdt die dagteekening voor een
misslag; men zie zijne Gesch. der Nederl. Taal, II. 318. F. Sjoerds,
Fr. Jaarb. III. 63, wil den brief in 1254 geschreven hebben, dan dit is
niet te vooronderstellen. Wijders geeft de Schrijver van bovenvermeld
onderzoek nog in bedenking, twee punten: of de Roomsch-Koning den
brief, op welken die van Sjaerdema (zoo hij echt is) een antwoord
is, niet geschreven kan hebben in de hoop, dat de Friezen, schoon
daartoe onverpligt, hem, door bemiddeling van Sjaerdema en behoudens
vergoeding, vrijwillig tot hunnen Potestaat zouden aannemen:--wijders,
of niet beide brieven kunnen gezien hebben op de Noord-Hollanders of
eenigen hunner. Deze Noord-Hollanders kon en mogt Willem als zijne
onderdanen beschouwen, en daarbij rekenen, dat zijn voorregtsbrief
alleen de Friezen tusschen het Flie en de Lauwers (of die, welke ten
westen door het Flie begrensd werden) betrof; en Sjaerdema kon evenzeer
die Friezen, als onder zijn Potestaatschap behoorende, aanmerken, daar
zij toch van oudsher Friezen geweest waren, en zich der Hollandsche
heerschappij niet onderwerpen wilden. Dit laatste schijnt mij wat
eene zeer milde uitlegging, doch overigens hebben de bedenkingen,
mijns inziens, zeer veel grond, en ik vind er geene zwarigheid in,
het daarvoor te houden, dat Sjaerdema weigerde den Koning behulpzaam
te zijn, om Friesland onder zijn beheer te krijgen: Sjaerdema moge hem
als Keizer, en zoodanig als Souverein over Friesland erkend hebben,
dan wilde hem niet huldigen als bijzonderen Heer of Graaf van deze
Provincie. En er was een man van dapperen moede, zoo als Schotanus
(Fr. Hist. bl. 118) hem noemt, noodig, om de listige aanslagen en
heimelijke ondernemingen van vermogende tegenstanders stout en krachtig
het hoofd te bieden, ten einde het eenmaal aangenomen beginsel, door
geen vreemden zich te laten regeren, vast te houden en te doen gelden.
In den jare 1248 heeft Willem II de Bulle van van Karel, of het
als zoodanig genoemd stuk, hem door de Friezen aangeboden, met zijne
vrijheden en voorregten bekrachtigd, hoewel hij dat stuk niet in zijnen
Voorregtsbrief heeft ingelascht. Dat de Friezen in de verovering van
Aken, het gewigtigst deel hebben gehad, lijdt geen twijfel, hoezeer
dan ook Bilderdyk hiervan evenmin als van den Voorregtsbrief eenig
gewag maakt [178].
Bl. 95.--Ao 1263.
De kerk van het vermaarde klooster St. Bernard. Deze kerk was 50
schreden lang en 25 breed. In het midden stelde men aan iederen
kant nog een gebouw, ieder van 25 schreden lang en 24 breed. Het
gebouw rustte op 26 pilaren, en het hooge verwufsel daarenboven werd
ondersteund door een aantal pilasters. Een groot en prachtig altaar
stond in 't midden en elf anderen in evenveel sierlijke kapellen;
van binnen was alles even kostbaar en luisterrijk.
Bl. 95.--Ao 1268.
D'r Ylst, verkorting voor Ter Ylst, volgens Emmius, is de regte naam
Yleke of Ylk, daarna veranderd in Yltz en voorts in Ylst.
Dat Ylst van ouds welvarender was dan Sneek, en toen dit laatste nog
een dorp was, reeds tot eene stad werd verheven, heeft veel schijn,
en wordt door v. Rhyn (Oudh. en Gest. II. 77), tegen Emmius aan,
niet verworpen. In 1268 was Sneek nog eene buurt of gehucht.
Bl. 96.
In 1270 is te Bolswert het Broereklooster. Reeds in de achtste eeuw
wil men dat Bolsward gesticht zoude zijn, welke stad ongetwijfeld
tot eene hooge oudheid opklimt. Eenige Edelen en godvruchtige lieden
bouwden dit klooster der Minderbroeders, waarvan de kerk in 't jaar
1281 werd gesticht, eerst door Gaudenten, Franciskaner Monniken
en naderhand door Observanten bewoond, die zich naar de hervorming
regelden.--Schot. Fr. Hist. bl. 348; Oudh. en Gest. II. 11.
In den jare 1503 brandde het klooster af, doch het schijnt naderhand
weder opgebouwd.
Bl. 96.--Ao 1273.
Als ook een groote hongersnood. Deze was een gevolg, deels van
de schaarschheid van geld, door de kruistogten veroorzaakt, deels
door de veepest en de slechte oogsten, maar ook door het bevel des
Munsterschen Bisschops, Gerard, om geene jaarmarkten te houden en allen
handel te staken, zoodat niemand van de Friezen vee, boter en kaas
wilde koopen; daarenboven kwam er van den overvloed van granen uit de
Oostzee niets over, daar ook de uitvoer zwaar belast werd. De ellende
steeg dus ten hoogsten top, en vele menschen stierven den hongerdood;
de liefdadigheid van sommige kloosterlingen alleen behield nog den
verarmden het leven. Die te voren hunne eigene landen bebouwden,
moesten in de dorpen gaan bedelen, of voor den kost in de steden
en voor de kloosters dienen. In de herfst steeg de nood ten top,
een groot aantal leefden van distels en zeker kruid, hondribbe
genoemd.--Verg. West. Jaarb. I. 356; F. Sjoerds, Jaarb. III. 101.
Bl. 97.
Omtrent den jaare 1280. De ware oorsprong der oude Partijschappen,
zoo in Friesland als andere Provincien en Landstreken, is veelal
met de oudheid zelve verdwenen, en de waarheid dus moeijelijk uit te
vinden. Vele zorgvolle nasporingen leveren dikwijls geringe uitkomsten,
want na het lezen en herlezen moet men nog vaak zijn toevlugt nemen
tot gissingen, en met een: »het komt mij, behoudens beter, dus of
zoo voor," besluiten. Ook met betrekking tot den eigenlijken aanleg
en oorsprong der noodlottige verdeeldheden tusschen de Vetkoopers en
Schieringers bleef mijn onderzoek zonder gewenscht gevolg, daar ik
hiervan een kort verslag had willen geven, hoewel het niet dadelijk
of noodwendig tot de Bijvoegsels dezer Kronijk behoort: het zoude
echter tot inlichting goed te stade gekomen zijn. Het een en ander,
hoe gebrekkig, wil ik deswege mededeelen.
Jancko Douwama, voornaam Friesch Edelman uit het begin der
XVI eeuw, geboren te Oldeboorn, een man, zoo als Schotanus zegt
(Fr. Hist. p. 617) »van voortreffelijk verstand, groot van moede,
een groot beminnaar der vaderlandsche vrijheid, kloek van beleid;
voorspoed en tegenspoed met een gezet en wijs hart kunnende dragen,
en die een beter lot verdiend had, dan in eene gevangenis zijn leven
te laten," heeft te Vilvoorden in den kerker, verstoken van eenig
gebruik van boeken of papieren, uit zijn geheugen over de Geschiedenis
van Friesland, bepaaldelijk ook van zijnen tijd, een geschrift
zamengesteld, getiteld: Boeck der Partijen, waarin hij, afwijkende
van anderen, over de Vetkoopers en Schieringers dit vermeld [179]:
van den Anfanck der Falsche Partije
VAN
FRIESLANT.
»Als in Hollant then ersten alsulcke commocie anfanckelijcken vp
gestanden were, bij de welcke dattz vast in de landen al misselijck to
ginck, se funden then ersten geen groet wederstant, so begosten daer in
Frieslant oeck voel volcx nae to lusteren; ende dat concept, in Hollant
an gehewen, dochten hoer to mael goet ende wijslijck gedaen to wesen;
doer de welcke dat voele armen luden bij en ander voergadderden. Dan
se wolden niet worden genoempt Hoecken, angeseen datse gene fiskers
weren; oeck so dochten hoer dat to wesen een smaetlijcke name;
en oeck wolden se dat so gewaltlijcken niet doen, alst in Hollant
angehewen were; dan vnderstunden den rijcke luden met goede woerden
to vnderwijsen, dattz also voer Godt ende de Werlt behoerden: Wel
bet dan de ander in goet vermochten, dat he sculdich were to helpen
ende to bate to comen den armen, om sijn armoet to verhoeden. Dan
de rijcke luden wolden daer niet nae hoeren, doer de welcke dat de
arme vast met de rijcke in de kiste begosten to tasten. Doen het
daer hen quam, dat se de rijcke begosten in der taske to tasten,
doen funden se hulp genoech; want daer voel Herscapen an de landen
weren, den gewoentlijcken weren met hoer nabueren to to tasten;
als se nv alsulcken oersaecke ende hulp hadden, doen sumeden se hoer
niet te tijdt, dattz hoer gheboeren mochten. Ende den rijcken luden
worden genoempt Fetcopers, ende dat daer vmme, dat se wal hadden,
en fette waer vermochten to koepen; en dan gaewen den rijcke luden
de arme weder een naeme, en noembden se Scirongen, ende dat daer
vmme, dat se erst met goede woerden vnderstanden hadden to doen,
datse nae met gewalt deden; want Sckijren is vp de Friesche spraeke
so voele gesecht als spreken; Scirong is so voele als een relaes;
Scirongen is so voele gesecht als voele groten woerden. Nv ist waer,
he behoert oeck wal to konnen spreken, de een anders goet wil hebben,
sunder daer wat willen weder tegen gewen, dan allene woerden."
Gabbema, in zijn Verhaal van Leeuwaarden (bl. 16 en 17), geeft hiervan
eene verklaring, en een bladzijde vroeger een verhaal van eene andere
oorzaak der Partijschappen en beteekenis der woorden. Dit verhaal
echter, ook bij andere Schrijvers vermeld, alsof op zekeren maaltijd
door den twist tusschen twee kooplieden, over de keuze van den Sievard
of Zedemeester (thans zouden wij Ceremoniemeester zeggen), de eerste
aanleiding daartoe gegeven zou hebben, vindt geen algemeenen bijval.
Wanneer men nu de geschiedenis dier tijden raadpleegt, en tot den
oorsprong en aanleg der ongelukkige factie eenigzins wil besluiten,
komt, mijns oordeels, het resultaat hierop neder: dat de reeds vroeg
ontstane twisten tusschen verschillende adellijke of aanzienlijke
familien, zoo als die van Albada en Renalda, Gerbranda, Gratinga en
Douwe van Harns en andere Grooten, ter oorzake van den voorrang in
het offeren, uit hoogmoed, heerschzucht en ongebondenheid, aangeblazen
door bedorven Geestelijken, werkeloosheid en slapheid der Justitie, en
vernedering en onregt den minderen aangedaan, de eerste aanleiding tot,
en door den haat en veete onderling, dadelijk voedsel hebben gegeven,
aan de ongelukkigste en ellendigste der partijschappen, de grootste
der rampen, die ooit een land en volk treffen kan, den Burgeroorlog.
De algemeene verbittering der adellijke geslachten onderling; de
aanmatiging van rijke en magtige Edelen en Grooten; de verheffing
van dezen in de eerste ambten en betrekkingen, waarvan men zich had
meester gemaakt; daar bij vernedering en onderdrukking van den niet
rijken Adel en de Patriciers, worden steeds, en te regte, als de
grondslagen van alle partijschappen gesteld, hoezeer dan ook eenig
ander doel of oogmerk werd voorgewend, en men eene geheel andere
kleur aan zijne handelingen trachtte te geven [180]. Vandaar dat vele
Edelen en aanzienlijken, niet uit algemeen, maar uit eigen belang,
uit nijd, afgunst en wraakzucht den burgertwist begonnen, en zich aan
het hoofd stelden, en eindelijk steden en landschappen, Landsheeren en
Vorsten daarin deden deelen.--Men leze ter bevestiging de historie
van de Hoekschen en Kabeljaauwschen in Holland, der Heeckerens
en Bronckhorsten in Gelderland, der Lokhorsten en Lichtenbergers
in Utrecht, der Blaauwvoetsche en Isengrine factie in Vlaanderen,
der Guelfen en Gibellinen in Italië, van de Roode en Witte Roos in
Engeland, en zoo vele anderen.
Zoo zal het dan ook wel in Friesland zijn geweest: want al ware eens
de minder aanzienlijke stand of 't gemeene volk aanlegger van deze
partijschappen geworden, tot welke stelling bij enkele Schrijvers
aanleiding wordt gegeven, zonder hoofden van magt en aanzien zouden
dezelve geen voortgang hebben gehad. Tegen de invallen der Noormannen,
ter beveiliging van watervloeden, en uit hoofde van den toenemenden
overvloed en weelde der ingezetenen, was het getal der aanvankelijk
gebouwde steenen huizen of stinzen aanmerkelijk vermeerderd [181]. Zij
werden nu ook bijzonder tot betere en sterkere vestingen gemaakt,
om als Fries Heer tegen den aanvaller zich te beveiligen, of zijn
gezag eens regt te doen gelden. Koophandel en fabrijken waren naar
den aard der tijden, vooral onder den burgerstand, in vollen bloei,
en de hooggeschatte vrijheid was aller leus. Rijkdom, magt, eer en
aanzien baarden, zoo als altijd, nijd, afgunst en overmoed, terwijl
dezen door regeringloosheid en verwarring geen teugel vonden. Elke
vrije Fries van aanzien kon toch niet dulden, dat een ander boven
hem verheven werd of den meester speelde: wie der eigenerfden kon
voor den anderen bukken, en welk adellijk geslacht zou aan het
ander den voorrang toekennen? Zoo groeiden wrok en wrevel tot eene
hatelijke vijandschap aan; onderlinge tweespalt en verdeeldheid
deden den zwakkeren bijstand zoeken tegen den aanval der sterkeren:
zoo vormden zich geweldige partijen, en elke beleediging, elke twist,
elke kwetsing der eere moest met veel bloeds worden uitgewischt, niet
tot vernietiging der verdeeldheden, maar om al weder den grondslag te
leggen van nieuwen haat en vervolging. Dus werd de woede en vijandschap
der verschillende partijen ontzettend in die tijden: want men gunde
den andersdenkende licht noch leven, totdat na twee volle eeuwen van
roof, moord en verwoesting, verlies van goed, bloed en vrijheid het
eindelijk loon was der Friezen voor hunne boosheid en dwaasheden.
De Edelen in Oostergo behoorden in den aanvang tot de partij der
Vetkoopers, die zich over de Lauwers vrienden en bondgenooten
kozen, en met Groningen zich vereenigden. De Adel in Westergo
vormde hoofdzakelijk de Schieringer-partij, die bij de Hollanders
ondersteuning zocht. Evenwel voegden zich verschillende geslachten
uit de beide Goën, dan tot deze, dan tot gene partij; zelfs
familiën verdeelden zich, en dit gaf derzelver leden nieuw voedsel
tot scheuring en bederving. De factiën zelve volgden dus geen vast
stelsel van staatkunde, of trokken voor het algemeen welzijn, naar elks
verschillend gevoelen, partij; maar wanneer zij door buitenlandschen
aanval werden bedreigd of overvallen door anderen, dan wapenden
zij zich algemeen tegen den uitheemschen vijand. De Schieringers
hebben over 't algemeen geijverd voor de aloude Friesche vrijheid
en onafhankelijkheid, als afkeerig van vreemde magt en invloed;
daarentegen zochten later de Vetkoopers de inzigten der Hollandsche
Graven te begunstigen. Gedurende het laatste gedeelte der veertiende
en 't begin der vijftiende eeuw stond de stad Groningen aan het hoofd
der Schieringers. In 1491 echter sloten de Vetkoopers met die stad
een verbond, waarbij aan haar groote magt over een deel van Friesland
gegeven werd.
In dezen tijd stonden de Vetkoopers ook in verbindtenis met de
Kabeljaauwschen in Holland [182].
Wat nu den naamsoorsprong betreft, deze is onzeker, en heeft tot
verschillende gissingen aanleiding gegeven. Men zie daarover de
aangehaalde Schrijvers, welke echter geen genoegzame gronden opgeven,
om tot eenige zekerheid te besluiten. Alle verklaringen echter
vereenigen zich hoofdzakelijk in dit punt, dat door Vetkoopers
aanzienlijke en vermogende personen worden aangeduid, en door
Schieringers de minder begoedigden en geringeren stand. De geleerde
Westendorp (Jaarb. I. 355 en 356) voegt hier deze opmerking bij:
»dat men eenen man met een voorkomen van rijkdom en gezag, ook thans
nog eenen Vetkooper, en iemand, die tamelijk, doch zuiver gekleed
is, zonder eenig voorkomen, Schier noemt. Zoo zegt men hier (in
de Provincie Groningen) nog dagelijks: het is een heele Vetkooper,
en hij is hemmel en schier; of ook: hij zit er goed, en, hij heeft
eenen schieren boedel, dat is, een' boedel zonder schulden." In
onze Provincie zegt men wel: hemmel of hemel en schien, beteekenende:
zindelijk, proper (hoewel behoeftig) en schoon. Schier beteekent altoos
graauw, grijs. Verg. Wassenbergh, Idioticon, en Epkema, Woordenboek.
Een der merkteekenen van onderkenning schijnt in het aanleggen der
turven aan den haard geweest te zijn, leggende de een het vuur boven
en de ander hetzelve onder.
Bij hunne gastmalen, dus wordt verhaald, werd steeds een bedekte
schotel op tafel gebragt, en na met eenen dronk indachtig te
zijn geweest aan de de verslagen Bondgenooten, na vermelding der
heldendaden, aanvuring en vernieuwing van 't eedverbond, ontdekte
men den schotel, waarin de Zelen lagen, waarmede de opgegeten ossen
waren gebonden geweest, tot herinnering, dat het weder tijd was op
nieuwen roof en buit uit te gaan. Dit noemde men in onze landtaal:
't Horspil in de patele. Over de beteekenis van 't woord Horspil hebben
de taalgeleerden getwist. In het zeer zeldzaam geworden Geschriftje:
Nuttigheid van de Taalkennis der Middeleeuwen, alsmede van die der
oude Vriesen, door A. ten Broecke Hoekstra (denkelijk in 't jaar 1814
uitgegeven), p. 22 en 23, vinden wij het volgende:
»Horspil in de patele, dus noemde men de Koezelen, welke de
Schieringers en Vetkoopers, bij het eindigen der maaltijden, in den
schotel legden, om hunne vrienden en dischgenooten weder tot nieuwen
roof uit te noodigen.--V. Rooy vermoedt, dat Hors in het Oud-Vriesch
eene algemeene benoeming van groot vee geweest zij, en dus zoo wel
eenen os of eene koe, als een paard, beteekend hebbe.--Het is mij
onbegrijpelijk, hoe dat men, zoo weinig met der taalsoorspronkelijkheid
eens Lands bekend, aan uitleggingen van die natuur zich wage; maar
mijne verwondering rijst ten top, wanneer men, daar de uitlegging er
bijgevoegd, en door den Schrijver zelven aangevoerd wordt, naar de
beteekenis des woords gaat rondtasten."
»Horspil is eene verkorte uitspraak en schrijving van horn-spil:
horn is hoorn, of horen, cornu; en spil, spel, gereedschap, hier
de zelen, ook in Vriesland horn-touwen genoemd: zoo zegt men mede
aldaar tornbeyen (spreek uit toân-beyen) en dit voor thorn beyen,
doren-bessen, braambessen: de ky bornje (spreek uit boânje) dat is:
de koeijen bornen, wateren."
De geleerde Friesche Taalkenner J. H. Halbertsma gaf mij hierop deze
bedenking: »Deze uitlegging van den heer Hoekstra voldoet niet volkomen
aan eenen taalkenner. In lettergrepen die met rn eindigen, laat de
Fries de r vallen, en houdt de n, gelijk in thoán, boán-je, koán in
plaats van thoarn, boarnje, koarn (garst). In hornspil daarentegen
zou de n verdwenen en de r overgebleven zijn, waarvan ik geen tweede
voorbeeld in de Friesche taal ken. Indien men onderstellen mag dat
Hamconius, en in navolging Gabbema, met zijne gewone onnaauwkeurigheid
in taalkundige onderwerpen, Hornspil in Horspil bedorven hebben, is
de verklaring van Hoekstra volkomen juist. In hoernes hluud, hoornen
geluid (Oude Fr. Wetten, bl. 254), hornfia, horenvee (Chart. I. 342),
hoernleggher, horenleger (Chart. I. 517), ziet men dat de n nooit
van haren post wijkt."
Bij v. Alkemade, in Nederl. Displegtigheden, I. 466, volgg., wordt
hierover gehandeld, doch hieruit zal men weinig licht scheppen, daar
de Schrijver Horspil voor Paarde-tuig of toom verklaard hebbende,
met de koezelen geen weg weet.
Bl. 100.
Omtrent den jaare 1303. Wij laten deze luchtverschijningen en
bloedregens, niet alleen bij O. van Scharl en Winsemius, maar ook door
Schotanus (fol. 164, quarto bl. 179) vermeld, daar; doch zeker is het,
dat deze en volgende jaren allernoodlottigst voor dit gewest waren;
want de woede der Vetkooper- en Schieringer-partijen steeg zoo hoog,
dat men noch op weg, noch in huis of elders, bijna meer veilig was. Het
regt van den sterkste gold alleen: teugelloos en wreedaardig woelde men
in zijnen ontzindheid voort, en spaarde geene jaren of kunne; vooral de
rijke huislieden waren in den dollen moedwil meesters boven allen, waar
het op moorden, branden en doodslaan aankwam. En onder al dit kwaad,
dat de menschen elkander brouwden, steeg de druk der tijden nog hooger
en hooger, daar geweldige regens en onweders de vruchten der landbouw
vernielden, waardoor kort daarna dure tijden, groote hongersnood en
pestziekten volgden. Dit alles wordt ook beschreven in de kronijk
van Worp van Thabor. Zie voorts F. Sjoerds, Jaarb. III. 219 volgg.
Bl. 101.--Ao 1306.
Omtrent dezen tijd heeft J. Flieterp. Zie onze aanteekeningen op
bl. 286, 288 en 359.
Bl. 101.
In den jaare 1313 is de Landsheer Martena overleden. Met den dood van
dezen braven Landsvader vermeerderde ook Frieslands ramp en onheil;
want met de twisten der Regters, die eene wijle tijds het land
bestuurden, namen de ondeugden der kerkelijken en wereldlijken toe;
en waar de geestelijkheid alleen voor haar staatkundig belang ijvert,
gaat regt en godsdienst te gelijk verloren. Men nam dus tot Upstalboom
zijn toevlugt, dat aanvankelijk een beteren toestand beloofde; doch
toen de partijgeest, onder den schijn van vrijheidszucht, weder het
booze hoofd opwaarts stak, was het een jammer zonder einde.
In dit jaar werd aan de kerk te Ylst de eere gegund, om voor
dengenen die haar in bedevaart bezocht aflaat van zonden te schenken,
met al de gebruikelijke plegtigheden; dan ook door deze en andere
bijgeloovigheden was geen razende partijschap te dempen, waren geene
driften te koelen. Men zie den Aflaatsbrief in 't Charterb. I. 151. De
kronijken verhalen vele schrikkelijke gebeurtenissen en wonderen, in
dezen tijd van hongersnood en ellende voorgevallen. Zie ook Westendorp,
Jaarb. II. 102-109.
Bl. 102.--Ao 1318.
In dezen tijd was Stavoren in het verbond der Anseesteden. Het
merkwaardig Hanzee-verbond moet gesloten zijn aanvankelijk tusschen
de steden Lubek en Hamburg, in 1241, ter beveiliging van den zee-
en landhandel, destijds door roovers en vrijbuiters belemmerd en
benadeeld. Een aantal koopsteden traden tot dit verbond toe, als
hebbende dezelfde behoefte, en zoo werden de Friesche steden ook in
deze handelmaatschappij opgenomen. Daar zij echter eene groote zeemagt
ontwikkelde, en haar bestaan en invloed met die der vermogende Vorsten
van Europa dikwijls in strijd waren, ondervond zij van dezen vele
beletselen. Deze en andere omstandigheden veroorzaakten in 1630 haren
ondergang. Alleen Lubek, Hamburg en Bremen vernieuwden het verdrag.
De Etymologisten hebben, als naar gewoonte, over den oorsprong des
woords zeer getwist. Kiliaan verklaart Hans als Socius, Collega,
dus Hans-steden voor Sociae et liberae civitates, enz. Bilderdyk
(Geslachtlijst) zegt: »het woord is Hansbeker, d. i. oorbeker van
hanse of anse (Lat. ansa) oor, handvat, Hans-eê is dus bekerverbond,
't geen men dwaaslijk hans-eê-verbond noemt. Du Cange, in zijn
Glossarium, geeft nog andere afleidingen, strijdig met die van
Bilderdyk, als ook de Teuthonista van van der Schueren. Zie Wagenaar,
Vad. Hist. III. 500, en Aanmerkingen daarop bl. 96, waar men het woord
liefst door Broederschap wil verklaren. Bild. Gesch. der Vad. IV, 350.
Bl. 103.
In den jaare 1332. De vrome en brave Eelko Liauckama, Abt van
Lidlum, werd in dit jaar vermoord. Men leze de korte Levensschets
in het Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 10 December
1833. Verg. F. Sjoerds, Jaarb. III. 329, en de aangehaalde Schrijvers.
Bl. 104--Ao 1342.
In dit zelve jaar, den 25 September, is Graaf Willem enz. Deze slag
is voorgevallen den 26 of 27 September 1345 [183] nabij Warns, (niet
Werrega, gelijk Wagenaar vermeldt,) wordende het getal dooden bij
sommige Schrijvers op slechts 3700 gesteld:--doch zeker is het, dat de
meesten der Hollandsche huizen er hun hoofd of een afstammeling lieten,
dewijl het Hollandsche leger derwijze werd geslagen en nagejaagd,
dat er weinig meer dan twintig levendig afkwamen, waaronder Jan van
Beaumont behoorde, die door zijn schildknaap, ondanks zijne wonde,
met een vaartuig gered werd. Het lijk des Graven werd tien dagen na
den slag gevonden, en in 't klooster Bloemkamp, bij Bolsward, begraven,
doch later, zoo men wil, naar 's Gravenhage vervoerd. Des Graven dood
gaf alom groote droefheid. Men verklaarde de goederen der Friezen
verbeurd, en eene wraakzuchtige bende begaf zich naar het eiland
Marken, stak een Monnikenklooster, tot de Abdij van Mariëngaarde
behoorende, in brand, en wierp de ongelukkige Cellebroeders in
zee. Verg. Bilderdyk, Gesch. des Vaderl. III. 118, volgg; Teg. Staat,
I. 493, en de daar vermelde Schrijvers.
Bl. 105--Ao 1348.
Onze kronijk maakt mede geen gewag van het Bestand, tusschen de
Friezen en den Graaf van Holland den 22 Junij 1348 gesloten. Dit voor
de Friesche Geschiedenis zeer gewigtig stuk, in 't Charterb. van
v. Schwartzenberg niet vermeld, komt voor als II Bijlage achter
de uitmuntende Verhandeling over den oorsprong der Hoeksche en
Kabeljaauwsche twisten, van den Rijks-Archivarius Mr. J. C. de Jonge
(Leijden, 1817). Het vredeverdrag werd gesloten met de Edele en
Aanzienlijke Mannen, Heer Willem, Hertog van Beijeren, Graaf van
Holland, Zeeland en West-Friesland en Heer Jan van Beaumont, benevens
de Ridderschap, Steden, overige Ingezetenen der voorzeide Landen,
door de Prelaten, Grietmannen, Hovelingen en de geheele Gemeente der
Landen van Oostergo en Westergo. Deze beloven daarbij met algemeenen
wijzen en rijpen rade aan hunne partijen en al derzelver bondgenooten,
een vast bestand zonder arg of list, gedurende twintig aaneenvolgende
jaren, van af den toen eerstvolgenden St. Jacobsdag, om den kwaden
twist tusschen hen ontstaan te bedaren, uit te dooven en tot goed
verdrag te brengen, en zulks op de volgende voorwaarden:
Dat de onderdanen van den Graaf de grenzen dezer landen niet zouden
mogen overschrijden, zelfs niet om eenig schijnbaar gevaar te ontgaan;
met uitzondering echter van het geval, dat zij door storm of dergelijke
oorzaken in vrees en angst waren gebragt, als wanneer zij met hunne
goederen en personen, zich moesten houden aan het gezegde bestand.
Dat, zoo zij echter hier plagten te vertoeven om koophandel te drijven,
zij ten allen tijde en zooveel hun behaagde de drie plaatsen dezer
landen, waar de waren ter koop aangeboden en markten gehouden worden,
namelijk Harich en Cornwerth in Westergo en Holwerth in Oostergo,
zouden mogen bezoeken en die weder verlaten, onder de hierna te melden
voorwaarde van dit zelfde bestand.
Dat het voorzegde bestand zich zoude uitstrekken tot alle rivieren,
zeeën, steden, dorpen en plaatsen, waar de wederzijdsche ingezetenen
mogten zamenkomen of elkander ontmoeten, buiten de grenzen van
beider gebied.
Dat zoo iemand door ingeving des Duivels of op eenige andere wijze
buiten belegden rade van regteren en hovelingen dezer landen, iemand
van 's Graven onderdanen mogte beleedigen, dooden of zijner goederen
berooven, tegen den inhoud van dit verdrag, het bestand daardoor niet
gerekend zoude worden verbroken te zijn, maar dat den beleedigden naar
de wetten en gewoonten der plaats, waar het voorzegde misdrijf had
plaats gehad, door de gestelde regters voldoening en schadevergoeding
zoude verschaft worden, gelijk zulks in het omgekeerde geval ook bij
's Graven ambtenaren naar hunne wetten zou gevorderd worden.
Dat, om 's Graven wille, dit bestand, zich ook ter goeder trouw
uitstrekken zoude tot die van Stavoren, wier voorspraak Hij geweest
was, en dat hun ten volle vergund werd, om binnen de grenzen dezer
landen terug te keeren en er te verblijven.
Hierop wordt er het volgende slot bijgevoegd: Ten bewijze hiervan is
deze tegenwoordige bevestigd met de Zegels der Landen van Oostergo
en Westergo, der eerwaarde Heeren Abten van Bethanien en Klaarkamp in
Oostergo, Bloemkamp en Ludingakerk in Westergo, en der steden Dockum
en Leeuwarden in Oostergo, Sneek en Bolsward in Westergo. Gegeven in
't jaar onzes Heeren 1348 Zondags na het feest der H. Drieeenheid.
Dit is de zakelijke inhoud van het Bestand, welke aldus is medegedeeld,
met eenige zeer belangrijke ophelderende Aanteekeningen, in het
Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 31 Julij 1832, waarnaar
wij den Lezer verwijzen.
Bl. 105.