Watervloeden in Friesland.
In den jaare 570. Dus ook Winsemius, Soet en anderen, doch Gutberleth,
in zijne Aanteekeningen op Gabbema's Watervloeden, p. 14, vermeldt uit
de geschreven kronijk van Ocko van Scharl, hem ten gebruike gegeven
door Bern. Fullenius, den weêrgaloozen Hoogleeraar in de Wiskunst
in Frieslands Opperschool (gelijk hij zegt), dat aldaar deze vloed
gesteld wordt op den jare 533. Ook de kronijkschrijver Twisk noemt
hetzelfde jaar.
Door Dirk, Burger van Schoorl, wordt in diens kronijk als eerste
Watervloed opgegeven die van 333 in Noord-Holland, wanneer de Zijpe
is ingebroken en 1200 jaren verdronken heeft gelegen. De stad Grebbe,
door de Romeinen gesticht, liggende aan 't Eimer Swin, thans nabij
het Nieuwe Diep, of een half uur gaans benoorden Wieringen, zou toen
verdronken zijn, schoon anderen dit voorval later stellen [147]. In
435 was er weder een zware vloed over Friesland, zoo als ook in 516,
in onze kronijk vermeld. Na 570 volgde die van 584, met het wonder
zeldzame, vruchtbare jaar. In 586 of 626 [148], of welligt in beide
jaren, werd Friesland alweder overstroomd. Een viertal jaren later
begon de wijze Adgillus vliedbergen en terpen te maken, en gaf der
bedijking hare geboorte. Vele menschen en veel vee verdronken in
den vloed van 792 of 793, en door al deze verwoestingen waren er een
aantal steden, dorpen, bosschen, alsmede eene groote uitgestrektheid
lands verzwolgen en vernietigd, waarvan de onder de golven der zee
liggende zandbanken de sporen van het vorig bestaan aanwijzen.
De St. Thomas vloed van den jare 806 was geducht voor Friesland; en
van dien tijd tot op de helft der XII eeuw moeten door verscheidene
overstroomingen Friesland, Noord-Holland, Zeeland en Vlaanderen
deerlijk zijn geteisterd, vooral in den jare 839 zou dit gewest bijna
geheel overstroomd geweest zijn, en er eene gansche omwenteling in
den bodem van ons vaderland te weeg zijn gebragt.
De St. Juliaans-vloed in 't begin van 1164 kostte het leven aan
duizenden van menschen en beesten; waarop de alles verwoestende
Allerheiligen-vloed van 1178 volgde, die de zeebaren tot aan
Utrechts wallen voortjoeg. In dezen tijd kreeg de Zuiderzee eene
groote uitgestrektheid; terwijl de baatzuchtige Friesche Abten vele
verderfelijke doorgravingen deden maken, die de zee in vernielende
krachten deed aanwinnen. Ook in 1200 stroomde een deel van Friesland
over; doch van den schrikkelijken watervloed in Noord-Holland, in
1212, vindt men niets betrekkelijk Friesland vermeld. Dan bij den
ijsselijken Marcellus-vloed, in Januarij 1219, was geene overstrooming
te vergelijken, hetgeen dan ook bij de nakomelingschap ten spreekwoord
is geworden. Alwat tusschen den Wezer en de Schelde op en over de
oppervlakte van den grond aanwezig was, werd op vele plaatsen vernield
en vernietigd, en duizenden menschen van 't leven beroofd. Dezen vloed
(zegt Westend. Jaarb. p. 238) meenden velen te moeten toeschrijven
aan de brooddronkenheid en de woestheid van een zekeren Fries en
kampvechter, die het hoogwaardig sacrament te Wijtwerd en Uskwerd,
ter plaatse waar men naderhand het klooster van St. Jan stichtte,
zeer hoonde en ontheiligde.
De jaren 1220, 1221, 1222, 1223, 1224, 1227, 1230, 1237, 1246, 1248,
1249, 1250, 1257, 1262, 1266, 1273, 1277, 1285, 1287, 1288 en 1290
waren uiterst rampvol voor Friesland, en wie kan er zich een denkbeeld
van vormen? twintig overstroomingen in ééne en dezelfde eeuw, in één en
hetzelfde Gewest! En niet alleen door de vloeden, maar ook omstreeks
het midden dezer eeuw werd Friesland door eene vernielende pest onder
menschen en vee jammerlijk geteisterd, terwijl haat en nijd, twist en
tweedragt onder de ingezetenen aller onheil ten top voerden.--In deze
eeuw verdwenen Ezonstad, Camminghaburg bij Leeuwarden, Britsenburg
aan de Middelzee, de stedekens Wartena ten deele en Grind geheel.
In de veertiende eeuw werd Friesland acht malen gedeeltelijk
overstroomd, en wel ten jare 1313, in welke de beroemde Wijbo Sjoerds
van Grovestins, voornaam hoofd der Vetkoopers, het leven liet, en op
welke overstrooming weder eene pestziekte zoude gevolgd zijn: voorts
in 1334, 1336, 1361, 1377, 1380, 1387 en in 1400, de Friesche vloed
genaamd, welke van belang is geweest voor de opkomst van Amsterdam,
door het aanmerkelijk verwijden van het Marsdiep, het zeegat tusschen
Texel en den Helder.
Wederom vijftien overstroomingen in de XV eeuw, waren ons gewest ten
geesel en ter vernieling. In 1403 was de 3de Catharina's vloed, maar in
1421 rigtte de St. Elisabeth's-vloed hare ijsselijke verwoestingen aan,
waarin de 72 dorpen in den Zuid-Hollandschen Waard bedolven werden,
zoodat er twintig geheel te niete gingen. De volgende vloeden hadden
plaats in 1425, 1426, 1427, 1428, 1429, 1434, 1437, 1446, 1464,
1470, 1474, 1477, en 1497; en geen wonder dat het land overstroomde,
want de onderlinge twist en tweedragt gaf aan den oorlog voedsel,
terwijl de eendragtige zorgen voor het behoud des lands verloren
waren. West-Workum, Westerbierum en Dijkshorne waren den golven ter
prooi geworden: niet alles echter was verlies, want de Middelzee was
nu geheel aangeslijkt, en gaf kostelijk land.
Ook in de XVI eeuw was Friesland even ongelukkig door den ramp
der vloeden, zoodat wel twintig malen in dit tijdvak het land
overstroomde. In de jaren 1502, 1503, 1509, 1516, 1517, 1520, 1524,
1525, wanneer er drie vloeden in één jaar waren; in 1530, 1531 en 1532
(misschien dezelfde), 1552 en 1559 rigtten zij vele verwoestingen
aan. Maar de geweldige Allerheiligen-vloed van 1570 heeft het gansche
land langs de zeekusten van Frankrijk tot aan Noorwegen toe, als in
ééne zee herschapen; terwijl in Friesland de schrik en ellende, die
land en inwoonderen in eenen poel van jammeren stortte, door geene
pen waren te beschrijven, door geene woorden te vermelden. Wel 20,000
menschen, zeggen de schrijvers, zijn in onze Provincie omgekomen:
1800 telde men in ééne Grietenij.--Daarna had men weder met dit
onheil te kampen in 1572, 1573, 1575, 1577 en 1578. Toen evenwel, door
tusschenkomst en dwang van Caspar de Robles, werd er gedijkt en gedamd.
Hoewel nu de vloeden in de XVII eeuw minder waren dan in de vorige, was
evenwel de zee niet in banden te houden, maar brak nog dikwijls door de
dijken heen, en bedierf een deel van het zoo vaak geteisterd gewest. In
1610 liep de zuidwesthoek onder: 1623, 1625, 1643, 1651, 1665 en
1675 waren noodlottige jaren, en vooral het jaar 1651, waarin de
St. Pieters-vloed, na dat in Januarij de algemeene rivier-overstrooming
in de Nederlanden had plaats gehad, in de volgende maand vele oorden in
Friesland verwoestte. Voor Noord-Holland was die vloed verschrikkelijk.
In den aanvang der XVIII eeuw, en wel in 1701 en 1703, zoo ook in
1715, leden door de overstroomingen het land en de zeedijken veel
schade, dan door den 7 kersvloed in 1717 was de verwoesting groot,
vooral in Oost-Friesland.--Ten jare 1731 werd het paalwerk langs
de kusten, en sommige sluisdeuren door de wormen geheel doorknaagd
en verteerd. Bijna zestig jaren lang bleef Friesland voor storm en
vloed beveiligd, doch in 1775 en 1776 had de provincie door twee
overstroomingen, en vooral door de laatste, veel te lijden; dit was
echter niet te vergelijken bij den geduchten watervloed van den jare
1825, die langs de zeekusten van Noord-Jutland af tot Frankrijk toe,
zijne vernielende kracht heeft uitgeoefend.
Vergelijk de Inleiding voor mijn Geschiedkundig Tafereel van
den Watervloed en de Overstroomingen in de Provincie Vriesland;
voorgevallen in 1825, en alle de afzonderlijk daarin aangehaalde
schrijvers. Westend. Jaarb. van Groningen, op de verschillende jaren,
die echter vele overstroomingen niet heeft vermeld.--Een zeer goed
boek over de laatste overstrooming is dat van den kundigen F. Arends,
Gemählde der Sturmfluthen vom 3 bis 5 Februar 1825: (zu haben bei
dem Verfasser, 1826.) In zijn verdienstelijk reeds aangehaald werk:
Physische Geschichte der Nordsee-Küste, geeft de Schrijver, in het
tweede deel, eene Geschiedenis van al de watervloeden, vermeerderd
met vele bijzonderheden, door vroegere schrijvers niet vermeld.
Bl. 37.
In den jaare 628 enz. Het omstandig verhaal dezen belangrijken strijd,
vindt men bij alle latere geschiedschrijvers bijna op dezelfde wijze
geboekt, en komt in de hoofdzaak overeen. Echter bij vergelijking
der oudste Friesche jaarboeken, zal men eenige afwijking van anderen
vinden. Niet, zoo als deze willen, was Dagobert de aanvallende partij
in Friesland, of wilde dit land dadelijk overheeren; maar de Saksen,
onder Koning Berthold, wilden niet meer onder der Franken gebied
blijven, maar vrij zijn, des zij hunne krijgsboden aan Klotaris
zonden, om dien op een barschen toon den wil van hunnen Koning te
kennen te geven, hetwelk der Franken Opperhoofd dezen zoo hoog afnam,
dat, waren zij niet door de christelijke staatkunde van den Bisschop
van Meaux gered, hij hen welligt het hoofd voor de voeten had doen
leggen. Zij keerden, tot christenen gedoopt, met eere en geschenken
terug. Doch de Saksen verbonden zich met de Friezen, volvoerden hun
plan, rukten tegen Dagobert op, die zijnen vader te hulp roept en de
overwinning behaalt; en nu had er eene ijsselijke slagting onder de
Saksen en Friezen plaats. Die langer dan zijn zwaard waren [149],
dat is, die de wapenen weder zouden kunnen voeren en geschikt ten
strijde waren, werden vermoord; vrouwen en kinders werden in Frankrijk
als slaven verkocht, en daarmede eindigde dit treurtooneel.--Dat dit
gevecht in Friesland bij de Middelzee plaats had, gelijk Rolevink,
en in navolging van hem Furmerius, Winsemius en anderen, beweren,
heeft geen schijn, daar men moet vooronderstellen, dat het niet anders
dan bij den Wezer kan hebben plaats gehad.
Dagobert moet omstreeks dezen tijd ook een christenkerk te Utrecht
gesticht, en den Bisschop van Keulen het beheer over de Friezen
gegeven hebben; dan dezen, te zeer nog aan hunne afgoden verslaafd,
te stijf van hoofd en stug van aard, boden te veel tegenstand, en
men vorderde dus weinig.
Dat ook deze Dagobert, als overheerder der Friezen, de insteller
der wetten is geweest, wordt bestreden en met grond betwijfeld.--Zie
daarover Schwartz., Charterb. Voorr. I. bl. 36, 37, 38. Men vindt deze
gebeurtenis beschreven bij Furmerius, Ann. Lib. III. c. IV. p. 172;
Wins. Chr. fol. 52; Schot. Hist. fol. 47; F. Sjoerds, Jaarb. I. 323;
Wagen. Vad. Hist. I. 331; Tegenw. Staat v. Fr. I. 221; Oudh. en
Gest. II. 111, 112 en 377; Cerisier, Gesch. d. Vereen. Ned. I. 90;
Bilderdyk, Gesch. d. Vaderl. I. 66.
Bl. 37.
Adgild wierd enz. Over de regering van den christelijken Adgillus
en onchristelijken Radboud, is in het Overzigt genoegzame melding
gemaakt. Schot. Fr. Hist. p. 55, zegt, dat volgens eene Hollandsche
kronijk, Radboud geen zoon van Adgillus, maar van Diederik, omtrent
den jare 300 Koning van Friesland, bewesten 't Flie, geweest zou
zijn. Wij hebben echter die kronijk niet gevonden, en volgen liever
het getuigenis van alle overige geschiedschrijvers.
Bl. 42.--Ao 695.
In Friesland, Holland en Teisterband. Over het oude graafschap
Teisterband, in 'twelk het geheele Sticht, met het land tusschen Maas
en Rijn, en van daar oostwaarts, met Kleef, Berg en Gulikerland,
vervat werd, leze men Bilderdyk's Geschied. d. Vaderl. I. bl. 161,
193 en 341 volgg. De afleiding is deze: Bant, Ban is jurisdictie,
regtsban, Deister is bogt, kromte van deisen, thans deinzen,
afwijken. Het wordt van ouds algemeen op de kromte van eene rivier
toegepast. Dus is Teister of Deisterbant de regtsban (of 't gezag)
van de bogt (de afwijking) des Rijns, waar hij van noordwaarts ten
westen afdeinst.--Vergel. de door Bild. zelven vervaardigde kaart
achter het I. deel.
Bl. 43.
In den jaare 700. In dezen tijd, en zelfs gedurende een gedeelte der
VIII eeuw, was geheel Friesland nog heidensch. De Menschen-offers, door
geheel Galliën, Germanie en Scandinavie gebruikelijk, bij de Denen
en Noren in zwang, vonden ook in Friesland grooten bijval, zoodat
het geenszins vreemd is, in dezen tijd daarvan in de geschiedenis
voorbeelden te vinden. Men heeft het verhaal van den schoonen jongeling
Ovo, door den Priester Wulfram van den dood verlost, onder de fabels
gesteld, dan tijden, zeden en gewoonten in acht genomen, en de leer
der ondervinding geraadpleegd, zou ik niet weten, waarom, door deze
of gene omstandigheid, hetzij aan hooger magt toe te schrijven,
of vindt men dit te ouderwets gedacht, dan door een toeval, of wel
door eene behendigheid des Priesters, dit voorval niet had kunnen
plaats hebben [150]. Men twijfelt toch, in weerwil der zonderlinge
tegenspraak van sommige geleerden, geenszins aan zoo vele bloedige
offeranden aan de Goden gebragt, aan het slagten, verdrinken of op eene
andere wijze dooden van zoo vele mannen, vrouwen, ja zelfs kinderen,
waarvan de geschiedenis in de eerste eeuwen voorbeelden, aangeeft: en
zou het dus zoo vreemd zijn, dat in de eerste tijden bij verbazende
natuurverschijnselen of andere gebeurtenissen, men in zijnen angst
tot het menschenoffer, (gelijk dat van een driejarig kind, bij het
ontstaan eener zoute welle) als het hoogste, waarmede men zijne Goden
vereeren kon, waarmede men rampen afweren en gunsten verwerven wilde,
toevlugt nam?
Zeer gegrond is de aanmerking, dat door deze volharding in de
afgodendienst overvloedig blijkt, hoe weinig der Romeinen gezag
en invloed op de Friezen werkte. Men leze over het offeren van
menschen en beesten de meergen. Verhandeling van Westendorp, over het
gebr. der Noordsche Mythologie, bepaaldelijk over de Heilige gebruiken,
bl. 339 volgg.
Bl. 44.
Adgild, de tweede. Sommigen willen liever tot opvolger van Radboud
zijnen zoon Poppo, dan Adgillus hebben; de een onder den titel van
Koning, de ander onder dien van Hertog. De gissing echter in § 11
van het Overzigt (bl. 315), komt mij zeer aannemelijk voor. Zie van
Loon, Aloude Holl. Hist. I. 324b, 325a; Oudh. en Gest. Naber. p. 393;
Bijv. en Aanm. op Wagenaar, I. 92; West. Jaarb. p. 42.
Bl. 46.--Ao 736.
Is Bisschop Willebrord ontslaapen. Deze heeft ongetwijfeld den
eersten grondslag gelegd, en groot nut aan Friesland gedaan, tot
bekeering der heidensche natie. Volgens Wagenaar (I. 378) stierf hij in
slagtmaand 737, nalatende een alleraanzienlijks vermogen, meest door de
Franken hem geschonken, hetwelk hij aan zijne geliefkoosde Abdij van
Epternach, bij Trier, uit eene gifte van Dagoberts Dochter gesticht,
vermaakte. Omstreeks dezen tijd schijnt ook de Priester Marcellus,
die zeventig jaren lang het Evangeliewerk verrigtte, in Friesland
met goed gevolg gepredikt te hebben.
Ook in dit tijdvak kwam de vrome en geleerde Bonifacius hier te lande
uit Engeland. Deze bestreed met kracht, verstand en godvruchtigen
ijver, niet alleen de heidensche bijgeloovigheden, ruwheid van zeden
en woestheid der Friezen, maar ging ook met ernst het zedebederf, de
onkunde, boosheid, onwettigheid en valsche leer der geestelijken te
keer, wier doel en middelen met de christelijke godsdienst zoo zeer in
strijd waren. Zie het op bl. 348 aanbevolen werk van den heer Glasius,
IV en V Hoofdst.
Bl. 47.--Ao 749.
Priester Jan.--Zie over dezen Oudh. en Gest. II. 84-86 en
Naber. bl. 349.
Bl. 50.
Vreemde Heeren. De Heer v. Halmael, heeft zijn tweede Tijdperk van het
Overzigt, (gedeeltelijk geplaatst in 't Friesch Jierboeckjen van 1833)
loopende van 773 tot 1498, zijnde van Karel den Groote tot de regering
van Albrecht, Hertog van Saksen, genoemd: Het Vrije Friesland. Niet
dadelijk evenwel (zoo als ook de Schrijver aanmerkt) waren de Friezen
vrij, maar trapsgewijze onder Karel's opvolgers werd die vrijheid
verkregen, niet door Karel zelven hen geschonken. En ook natuurlijk,
want daar onder de hoofdvoorwaarden het aannemen van de Christelijken
Godsdienst, en dus ook onderwerping aan een' Bisschop behoorde, was
het van zelf, dat het onrustig en onstuimig karakter niet zoo dadelijk
met die zachte middelen te temmen was, waardoor dus menig opstand en
oproer dikwijls de reeds geschonken vrijdommen weder deden bekrimpen.
Karel verdeelde het tegenwoordig Friesland, naar het schijnt, in drie
Graafschappen: Oostergouwe, Westergouwe en Stavoren. Het Graafschap
Islegouwe (IJsselland), waarin Oost- en West-stellingwerf begrepen
zullen zijn, is welligt een Saksisch en geen eigenlijk Friesch
Graafschap geweest of alzoo genoemd. Ieder Graafschap had zijn
opperhoofd, bekleed met de burgerlijke en militaire magt, en over
eenige Graafschappen was een Hertog, uitsluitend het bewind over de
krijgsmagt voerende, gesteld [151].
De wetten, naar welke Karel de Friesche Graafschappen in het algemeen
deed regeren, zijn die, welke onder den titel van Leges Frisionum
in druk zijn uitgegeven. Het eerste deel bevat de overoude gewoonten
der Friezen onder de Romeinen, met eenige wetten der Franken, en het
tweede, de ophelderende bijvoegselen van Sachsmund en Wulmar. Echter
beschouwen wij dit niet als een volledig Corpus of wetboek, maar
veeleer voor een handboek voor de Keizerlijke Graven en Ambtenaren, om
daarop regt te doen, ook ter berekening der breuken en boeten. Hieruit
zoowel als van elders blijkt, dat de Friezen destijds in vier
standen of klassen verdeeld waren. Edelen, dit waren de rijksten,
de begoedigsten; Vrijen, minder gegoeden, echter onafhankelijken;
Liten, lijfeigene boeren, en Slaven of Knechten, geheel dienstbaren.
Karel ontnam den Friezen het regt op de vaderlijke erfenis, alzoo hun
regt op de nagelatene goederen der ouders, dat is: het vrije bezit
der erf-, stam- of landgoederen van den adel en van de welgeboren
lieden; en voerde dus het zoogenaamde Leenregt in. Deze algemeene
hoon en smaad werd weder uitgewischt door Karel's wettigen zoon en
opvolger Lodewijk den Vrome of Godvruchtige [152], die zijne regering
begon met aan de Friezen dit regt, en met dit regt den eernaam van
Vrije Friezen weder te geven. Hij was een zeer menschlievend Vorst,
doch welligt wat al te vroom om zulk een groot gebied en een onverlicht
volk te regeren.--Zie Friesch Jierboeckjen, 1833, §§ 4 en 7; bijzonder
Charterboek, Voorrede I. bl. 40 volgg. en aldaar den Giftbrief;
vergel. West. Jaarb. bl. 55 volgg.
Ten opzigte der wijze, hoedanig de opgemelde wetten in geschrifte
gesteld zijn, verhaalt men, dat dit door twaalf deskundigen, (welk
getal men in regtszaken steeds hoog waardeerde,) door de Friezen
gekozen, uit de overleveringen moest geschieden. Doch men wilde
liever bij het oud regt blijven, dan deze zware taak te verrigten,
en men was dus onwillig. Des Keizers wil woog echter zwaarder, dan
die der twaalven, en het werk werd volbragt.
De Sage, zegt de Heer Westendorp (Jaarb. I. 59), heeft deze gebeurtenis
in een kostelijk kleed gestoken:
»Daar deze twaalf wijzen dan onwillig waren, om de wetten der Vriezen
in schrift te stellen, zoo gaf de Keizer hun zeven dagen tijds om
tusschen de onthoofding, het levende begraven, of het ter prooi geven
aan de woeste golven in een stureloos schip, te kiezen. De wijzen
kozen lijdzaam en moedig het laatste. Men zette hen dan nu in een
schip zonder zeil, roer, riemen en anker, en liet hen voor wind en
weder drijven. Een der Wimoedes, Asega of Azinge geheeten, van het
Wilken-geslacht, en een der eerste Vriezen, die deze benaming droeg,
herinnerde in dezen nood zijnen mede-ambtgenooten aan eene door hem
gehoorde leerrede van Willebrord, nopens de verschijning van Christus
Jezus, voort na zijne opstanding, aan zijne, in druk gezetene,
vrienden, hoewel de deuren gesloten waren. Hij stelde hen tevens
ootmoedig voor, om de hulp, redding en tusschenkomst van Christus
Jezus in dit gevaar biddend af te smeeken. Dit geschiedde eenparig
knielende. En ziet, onder hun gebed vertoonde zich achter in het schip
een man, welke met zijne hand een kromhout hield, en die de twaalven
wederom in de haven terug bragt, vanwaar zij uitgegaan waren. Als nu
de dertiende met de twaalven te lande kwam, wierp hij het kromhout
op den grond, en terstond ontsprong aldaar eene bron, rondom welke
allen gingen zitten: een ieder verkwikte zich met het water van de
bron. De dertiende, welke aan de twaalvde volkomen gelijk en daarvan
niet te onderscheiden was, leerde hen en gaf hun in, welke regten
zij, ter gehoorzaming aan het keizerlijk bevel, zouden uitkiezen en
beschrijven. Als zij nu wel onderrigt waren, zagen zij den dertienden
niet langer; zij gingen aan hunne taak, en volbragten dezelve. »Zij
kozen het landregt, dat hen door Maria's zoon geleerd was," zegt een
der kronijken. Men legde deze verzameling den keizer en den paus
voor, en het werk verwierf de goedkeuring van beiden."--Verg. de
O. Fr. Wetten en de belangrijke Aant. van bl. 103-114, alwaar men
in het verhaal van de twee Kon., Karel en Radboud, deze sage vindt,
zoo als ook bij Beninga en Kempius.
Bl. 50.
In den jaare 777 is Ludger. Het verwondert mij dat onze kronijk, nog al
gehecht aan bijzondere voorvallen, hier niet vermeldt de wonderbare
redding van de moeder van dezen Ludger, te vinden in Schotanus,
Beschryvinge v. Frieslandt, p. 22, overgenomen uit eenen (aldaar
niet genoemden) Levensbeschrijver van Ludger. Dus luidt hoofdzakelijk
aldaar deze gebeurtenis. Wrisung, de grootvader van Ludger, was der
Christen-godsdienst toegedaan, en werd dus door Radboud verdreven. Hij
ging over het Vlie wonen, en volvoerde zijn christelijk werk; zijn'
jongsten zoon Tjadgrim in Utrecht ter leerschool bestellende. Deze
huwde na zijns vaders dood eene vrouw, genaamd Liafburg of Liatburg,
waarbij hij drie zoons en ook onzen Ludger verwekte. Deze Liafburg
geboren zijnde, moest op last van hare heidensche grootmoeder,
verdrietig dat harer schoondochter alleen meisjes werden geboren, door
eene slavin worden verdronken; een regt dat zij volgens hare leer,
op jonggeboren kinderen hadden, om ze om te brengen en te offeren,
mits zij vooraf niets genuttigd of geproefd hadden. Dan het wichtje
greep met zijne handjes het vat of den emmer, waarin het gestoken werd,
om den rand, en worstelde dus tegen den dood. Eene buurvrouw dit ziende
en bewogen met het onnoozel schepsel, ontnam het der slavinne, liep
in haar huis en stak het een weinig honigs in den mond, waardoor het
van den offerdood was verlost. Zij voedde het kindje zorgvuldig op,
gaf het na den dood der grootmoeder aan de ouders terug, en dit meisje
werd de moeder van den geleerden en verdienstelijken Priester Ludger,
van wien men leest, dat hij de Friesche, Engelsche, Frankische en
Latijnsche talen vlug en vaardig sprak, en wiens leven en daden overal
tot zijnen lof zijn beschreven. Als opvolger van den braven Bonifacius
en in diens voetspoor tredende, bekleedde deze wijdvermaarde Fries
eene aanzienlijke plaats onder de Christenherders, die boven velen,
godvruchtig, ijverig en standvastig in zijnen arbeid was.
Men vindt onder anderen de levensbeschrijving der eerste
Geloofpredikers bij F. Sjoerds, Beschr. v. O. en N. Friesland, VI
Hoofdst.--Over Ludger, Westendorp, I. 64 en volgg. 89 volgg.--die
echter, tegen het verhaal van Schotanus aan, niet de moeder van Ludger
den offerdood doet ontkomen, maar Ludger zelf, waardoor de genoemde
oorzaak zou wegvallen, welke aanleiding tot het ombrengen van het
jonggeboren kind had gegeven. Maar belangrijk is ten dezen het werk
van den heer B. Glasius, de Gesch. der Christ. Kerk en Godsd. in de
Nederl. vóór het vestigen der Herv., waarvan het eerste deel het licht
ziet, en waarin wij voor de eerste pogingen ter verkondiging van het
Christendom in ons Vaderland en der Christenleeraars eene naauwkeurige
en belangrijke beschrijving hebben gevonden. Ook den beoefenaren der
Friesche Historie zij dit werk bij zonder aanbevolen [153].
Bl. 51.--Ao 784.
Zijn de Noormannen wederom met Wydekind. In het Archief van de
oude Hannoversche stad Goslar is eene oorkonde aanwezig, bevattende
het gebed of de gelofte, waardoor de Saksen over hunnen aanvoerder
Witekind, in den krijg met Karel den Groote, heil en zegen afsmeekten
van hunnen God Wodan, wiens beeld op den Hartsberg vereerd werd. Dit
is de Duitsche tekst:
»Heiliger, groszer Wodan! Hilf uns unserm Herrn Wittikind, auch
dem Kelta (Unterfeldherrn) von dem aischen (garstigen) Karl-pfui
dem Schlächter! Ich gebe dir einen Ochsen und zwei Schaafe und
den Raub. Ich schlachte dir alle Gefangene auf deinem heiligen
Hartisberge!" De geleerde Ypeij deelt deze bede benevens eene tweede
oorkonde, twee of drie jaren later gesteld, toen de Saksen zich aan
Karel onderworpen hadden, in de Nedersaksische spraak mede [154],
met een aantal belangrijke taalkundige aanmerkingen vooral op het
laatste gedenkstuk.
Bl. 54.--Ao 808.
Omtrent dien zelven tijd liet Igle Tadema. Het is zeker dat het meer
Flevo zich in dezen tijd en ook reeds vroeger merkelijk uitbreidde,
waartoe herhaalde stormen en watervloeden krachtig medewerkten,
zoodat het zoute water niet alleen de tegenwoordige kusten naderde,
maar ook van tijd tot tijd ondermijnde. Het is dus zeer mogelijk, dat
bij het graven van putten, gelijk ook op 't jaar 513 van Juw Hoppers
wordt vermeld, er zout water is opgekomen, en het verhaal van Tadema de
gewone versiering heeft ondergaan, zoo als van vele andere voorvallen,
zonder dat het noodig zij het geheel te verwerpen. Dat Igles zoon op
bevel van zijnen vader het landgoed bij het Kreil verkocht, en zich
in Gaasterland vestigde, dit is zeer natuurlijk, en dat de familie
hier over wrokkend was en zich op eene voor onzen tijd ijsselijk
wreede wijze wraak verschafte, is ook niet zoo vreemd.--Men leze deze
schrikkelijke geschiedenis in O. v. Scharl's Kronijk op 't jaar 808,
die echter 't voorval met Juw Hoppers niet heeft opgeteekend. Zie
Wins. fol. 47 en 85; Schot. Fr. Hist. fol. 53.
Bl. 56.
In den jaare 809, als er te Romen. Op Kersdag van den jare 800 werd
Karel de Groote in de hoofdkerk te Rome als Augustus en Caesar der
Romeinen over het Westen uitgeroepen, gezalfd, gekroond en gehuldigd.
»De Friezen dienden hunnen nieuwen meester getrouw; doch weinig
geloof zoude 't verhaal verdienen, dat zij met hem Rome zouden
hebben veroverd, gelijk onze en andere Kronijken op den jare 809 of
omstreeks dien tijd vermelden. Men kan dit feit hebben verward met
de verovering van Rome door Arnulph, den laatsten afstammeling van
dezen Karel, wien het vergund was den Westelijken Keizerskroon te
dragen, doch om gekroond te worden, de stad moest overwinnen, waarin
de Friezen beoosten het Flie hem bij stonden." Dit is hoofdzakelijk,
met anderen, ook het gevoelen van den heer v. Halmael: versterkende
dit zijn gevoelen door het argument dat de beschrijvers van het leven
en de daden van Karel daarvan geen gewag maken. Dan Bilderdyk is van
een tegengesteld begrip. »Het zijn de Friezen niet alleen, zegt hij,
die van hunne verovering gewagen. De Romanciers en Heldenboeken
der middeleeuwen zijn er vol van, dat de Friezen Rome voor Karel
innamen. En waarom mag dit niet zijn? Dat hij Friezen in zijne legers
had, is zeker en boven alle bedenkelijkheid; en daar hij ze ook in
Spanje bij zich gehad heeft, daar zij hem over de Pyreneën verzelden
en hun trouw bewezen, waarom mag het niet waar zijn, dat zij 't ook
over de Alpen deden; en dat toen er een oproer in Rome bij Karels
aannadering ontstond, en de poorten hem gesloten werden, zoo als
bij die Romanciers deels gemeld, deels duidelijk ondersteld wordt,
zij het waren, die de poort gewonnen hebben, en hun dus in de stad
gevoerd? Daar is iets zoo natuurlijks in, zoo wel zamenhangende, en zoo
wel passende op de zaak, dat het mij ten minste niet onaannemelijk
voorkomt; en dat zij eene belooning daarvoor gekregen hebben,
geëvenredigd aan het belang dat Karel in de bewezen dienst stelde, is
mede zeer waarschijnelijk. Het zij dat dit in 799 gebeurde, toen hij
den verdreven Paus Leo III op den zetel herstelde; waarbij het niet te
verwonderen is, zoo geweld en dapperheid en bestorming van eene poort
noodig was: het zij in 800 toen hem de keizerkroon opgezet wierd, en
er bij die gelegenheid mooglijk een oproer van de oude partij ontstond,
die men gefnuikt waande, maar zonder de Friezen van gevolge had kunnen
zijn. De zaak kan dus waar zijn; en men heeft onrecht een geheel volk
tegen te spreken, wanneer er eenige samenstemming in zijne overlevering
is met hetgeen van elders getuigd of voor waar en aangenomen is in
een tijd dat de geheugenis nog versch was."--»Men behoeft enz."
Hoezeer dan ook de Bulle of open Brief van Karel den Groote
ontwijfelbaar valsch is, behoeft daarom het vermelde feit geen fabel
te zijn, en het is onbetwistbaar, dat er dikwijls valsche stukken
zijn gesmeed tot bewijs van wezenlijke waarheden, waarom ik mij
dan ook met de meening van Bilderdyk wel kan vereenigen [155]. Uit
een der te Oxford berustende handschriften, tot de nalatenschap van
Junius behoorende, getiteld: Incipiunt Gesta Fresonum, hetwelk door
het Fr. Genoots. wordt uitgegeven, zal ongetwijfeld dit gevoelen
worden versterkt.
Wij vinden op dezen jare 809, en ook vooral op het volgend jaar,
aangeteekend, dat er in alle provinciën eene geweldige runderpest
woedde, zoodat er bijkans geen os in het leger overbleef, welke ziekte
nog vele jaren voortduurde.
Bl. 58.--Ao 810.
Een schattinge van 200 ponden zilver. Anderen bepalen die op de
helft. Deze belasting, onder den naam van Klipschild, klinkschatting,
werd dus genoemd omdat de munten in een bekken moesten geworpen
en de klank daarvan in de verte gehoord worden. Zoo moesten ook
de Engelschen lange jaren het zoogenaamde Deangeld aan Godfried
opbrengen. Zie O. Fr. Wetten, bl. 130, in de Aanteekening.
Bl. 61.--Ao 808.
Magnus Forteman. Dat deze de eerste Potestaat is geweest, hebben
latere schrijvers tegengesproken, op grond dat deze waardigheid
zijnen oorsprong uit Karel's Bulle, welke voor valsch verklaard is,
moet hebben gekregen. Echter erkent men, zelfs Emmius ook, dat de
Friezen al van ouds Potestaten hebben gehad, die, als de handhaving
van het regt, of ander algemeen belang, als er oorlog op handen
was of ontstaan zou, verkozen werden. De geschiedenis van Magnus
Forteman kan niet gereedelijk voor waarheid worden aangenomen; doch
het bestaan van zoodanige gezagvoerders, als door het Potestaatschap
wordt bedoeld, kan men ten zijne tijde niet betwisten.--Men leze
hierover ter bevestiging v. Rhyn's Nabericht, bl. 410, 411, 417-420;
F. Sjoerds, Jaarb. I. 440-444, 464, 473; II. 9, 64, 84, 85 en de
aldaar aangehaalde schrijvers [156].
Bl. 62.--Ao 826.
Anscharius. Vermaarde Monnik uit het te Corveij gestichte klooster,
werd eerste Bisschop te Hamburg, later Aartsbisschop van Bremen en
Hamburg, en stierf in 865.
Bl. 62.
In den jaare 830 wierd Adelbrik van Adelen tot Landsheer
verkooren. Adgillus II had twee zoons en twee dochters nagelaten,
van welke laatsten de eene Konovella was geheeten. Deze was getrouwd
met een aanzienlijk Edelman van Sexbierum, Adelbrik, wonende op het
slot Adelburg. Twee zonen werden uit dezen echt geboren met namen
Adelbrik, deze Potestaat, en Frederik van Adelen, de Bisschop op
den jare 838 vermeld. Zie Winsemius, fol. 67, 83 en 105, alwaar men
hunne geschiedenis vermeld vindt. Uit dezen zou het beroemd Friesch
geslacht der van Adelens gesproten zijn.--Van den Potestaat, wiens
aanvankelijke regering door sommigen later gesteld wordt, is weinig
aangeteekend; doch van den moord des Bisschops zegt ook onder anderen
de heer v. Halmael (Friesch Jierb. 1833, § 8), dat dit waarschijnlijk
door toedoen of op last van Keizer Lodewijks tweede echtgenoot, Judith,
dochter van Welf, Graaf van Beijeren, is geschied, wier huwelijk hij
bloedschendig verklaarde. »Had de man (voegt deze schrijver er bij)
zich niet bemoeid met zaken, welke hem niet onmiddelijk aangingen,
even als zoo vele andere geestelijken van vroegere en latere tijden,
hem was dit lot denkelijk niet wedervaren. Doch zijn voorbeeld heeft
misschien niemand geleerd het niet na te volgen, en de bemoeiallen
zijn nog niet uitgeroeid."--Verg. F. Sjoerds, Jaarb. II. 23 volgg.
Bl. 63.--Ao 838.
De verderfelijke leere der Arriaanen. Arius, geboren in Lijbië
omstreeks den jare 300, Priester te Alexandrie, wilde na den dood
van Achillas in dit bisdom diens opvolger worden. Dit mislukte hem;
hij besloot ketter te worden, en verkondigde eene leer, welke door de
Synode van Alexandrie in 320, en door de kerkvergadering van Nicea in
325 veroordeeld werd. Arius, schoon gevangen gezet en gebannen, kreeg
talrijke en vermogende aanhangers, bragt de geheele kerk in tweespalt
en won de gunst van Konstantijn, die zich op de Ariaansche wijze liet
doopen, en zelf het Arianismus tot zijne hofreligie maakte. Arius, te
Alexandrie geweigerd, trok in 336 naar Konstantinopel en stierf bij
zijnen plegtigen intogt. Zijne leer echter begon nu eerst te leven
en bragt het geheele Oosten in beroering; doch de haarkloverijen en
spitsvondigheden der Arianen, die elkander onderling verketterden,
bezorgden eindelijk aan de Katholijke kerk de overwinning. Nu en
dan verhieven zij zich weder, doch sedert den ondergang van het
Longobardische rijk, liep ook hun rijk voornamelijk ten einde, en na
de VII eeuw werd de algemeene invloed van hun stelsel krachteloos.--In
Friesland, en vooral in Westergo, schijnt nog later der Arianen leer
gehuldigd te zijn; doch Bisschop Frederik, en na hem de vermaarde
Kanunnik Odulphus (Adolf), gingen ook hier deze ketterijen met kracht
te keer.--Zie Algemeen Noodw. Woordenb. der Zamenleving, op de woorden
Arius en Arianen.
Onder de verschillende secten dier tijden maakten de Arianen den
meesten naam. Het stelsel van Arius was, dat de Zoon van God, die, ter
verlossinge der menschen, mensch werd, in waardigheid en natuur den
Vader niet gelijk stond, maar, vóór de schepping, door den Vader als
het voornaamste schepsel uit niets is voortgebragt.--Verg. B. Glasius,
Gesch. der Christ. Kerk en Godsdienst, I. 37; F. Sjoerds,
Jaarb. II. 22.
Bl. 64.
In den jaare 840 overleed Lodewijk.--Zijn opvolger Lodewijk de
Duitscher, was een regtschapen en godsdienstig Vorst, de stichter en
grondvester van het Duitsche rijk. Zijne zesendertig-jarige regering
was zeer onstuimig, vol van bloedige oorlogen en moorddadige gevechten
tegen de telkens invallende Noordsche volken. Hij verdeelde in of na
870 het rijk, door hem beheerscht, onder zijne drie zonen, Karloman,
Lodewijk en Karel, bijgenaamd de Dikke. Lodewijk de Jongere bekwam
in zijn aandeel, behalve andere landen, twee deelen van Friesland,
liggende ter regterzijde van den Rijn, en Karel een deel, dat gelegen
was aan de linkerzijde der Maas. Bij een nader vergelijk tusschen de
broeders schijnt geheel Friesland aan Lodewijk den Jongere gekomen te
zijn. Zijne regering was echter niet van langen duur, daar hij in 877
overleed, wordende opgevolgd door zijnen broeder Karel den Dikke, die,
na den dood van zijnen oom, Karel den Kale, en diens zoon Lodewijk
den Stamelaar, in 879 gestorven, tot de keizerlijke waardigheid werd
verheven. Een gedeelte van Friesland werd door den Keizer aan Gisla,
dochter van Lotharius II, huwende met den Noordschen Vorst Godfried,
ten bruidschat gegeven, ten einde dezen tot vriend te houden; waarom
hij zich dan ook in 822 liet doopen. Deze daad kwam den Friezen duur
te staan, want hij heerschte als een tiran, liet zijne onderdanen,
zoo als men verhaalt met halsbanden boeijen, om ze bij elk gering
vergrijp of naar willekeur te doen ophangen, en maakte hen tot
lastdieren. Eindelijk werd hij ook van kant gemaakt.
In 880 (anderen stellen 881 en 884) vielen weder de Noormannen
met eene groote magt eerst in Saksen, daarna in Frankrijk, en het
tegenwoordig Friesland en Oost-Friesland, met oogmerk alwat Christen
was uit te roeijen. De Saksen wilden dien woedenden stroom stuiten,
doch hun leger werd vernield met diens Hertog, drie Bisschoppen,
in hoedanigheid van geestelijken het leger volgende, en twaalf
Graven. Verschrikkelijk was hun moorden, branden, plunderen en rooven,
terwijl zoo hier als elders, landen en volken door die helsche benden
werden verwoest en geteisterd. Bij hunnen inval in Friesland moesten
zij het echter ontgelden, want aldaar leden zij de groote nederlaag,
in onze Kronijk bedoeld. Intusschen kwam het, wat ons Friesland betrof,
met Lodewijk tot een vergelijk. Daarna hadden zij, bij een inval in
de Maas, de steden Maastricht, Luik, Tongeren, Keulen, Bonn, Trier,
Mentz en andere plaatsen verwoest en de inwoners deerlijk mishandeld.
Karel de Dikke, in 't bezit gekomen van het grootste gedeelte der
Monarchij van Karel den Groote, bezat te beperkte geestvermogens om
zulk een groot rijk te bestieren. Hij werd zwak en onmagtig, door zijne
onderdanen verstoten, onttroond en stierf in 888 in armoede en ellende
te Reichenau. Opgevolgd door Arnulph, die onder de Noormannen te
Leuven eene ijsselijke slagting aanrigtede, veroverde deze daarna Rome
met medehulp der Friezen, om aldaar gekroond te worden. Lodewijk, bij
zijns vaders dood nog geen acht jaren oud, en daarom het Kind geheeten,
volgde hem in het rijksgebied op, hetwelk echter bestuurd werd door
Hatto, Aartsbisschop van Mentz, Adalhero, Bisschop van Augsburg,
en Otto, Hertog van Saksen, zijnde de jonge Vorst onder voogdij
van Otto en Hatto gesteld. In zijn achttiende jaar stierf Lodewijk,
ongehuwd en zonder kinderen na te laten, en met hem was het geslacht
des Grooten Karels, en alzoo de Karolingische stam, uitgestorven.
Over de volgende Vorsten en Regering, den oorsprong van het graafschap
Holland enz. verwijzen wij den Lezer tot het Friesch Jierboeckjen,
1833, § 15 en volgenden. West. Jaarb. I. 131 volgg.; Wagenaar,
F. Sjoerds, en anderen. Belangrijk is ook de geschiedenis van den
Deen Erik, Rorik of Roruk, zoon des Deenschen Konings Heriold,
waarvan in de aangehaalde Schrijvers omstandig gewag gemaakt wordt;
ook Bilderdyk, I. 100, 148 enz., voorts bl. 167 over den oorsprong
van het Graafschap Holland.
Bl. 64--Ao 850.
De kerk van St. Walburg.--Verg. de korte beschrijving van
West. Jaarb. op 't jaar 850.
Bl. 64.
In den jaare 867. In dit jaar werd het Benedictijner klooster op het
eiland Ameland, 't welk 's jaars te voren door den Heer Haijo van
Cammingha, ter plaatse daar de tempel der Godin Foste gestaan had,
was gesticht, met monniken bevolkt door Odilbaldus XII, Bisschop van
Utrecht. Uit hoofde echter dit klooster en zijne bewoners aanhoudend
door de zeeroovers werden geteisterd, is het na verloop van bijna
derdehalf eeuw onder Ferwerd, in Ferwerderadeel, verplaatst, door
de godvruchtige Anna van Cammingha, vrouw van Graaf Adolf van
Fronenberg. Het doel des Stichters was eene kweekschool voor de
wetenschappen, welke destijds bijzonder door de Benedictijnen werden
beoefend, aan te leggen. Oudh. en Gest. II. 286; West. Jaarb. I. 123;
F. Sjoerds, Jaarb. II. 55, 56, 270, enz.
In den jare 873 kwam er een ontzettend aantal sprinkhanen over
Friesland, welke een duim dik waren, met zes vleugelen en zeer sterke
tanden voorzien. Zij vraten in één uur alles van het veld, zeven à acht
mijlen in den omtrek, en knaagden de takken en basten der jonge boomen
af. Na eene verschrikkelijke verwoesting, dreef de wind hen zeewaarts;
toen verdronken zij, doch door den vloed werd deze geweldige massa
op de oevers geworpen, en veroorzaakte eene pestziekte.--F. Sjoerds,
Jaarb. II. 65.
Bl. 67.
In den jaare 910. Te regt klaagt de Heer West. bij den aanvang van het
tweede Perk des Jaarboeks, als ook de Schrijver van den Tegenwoordige
Staat van Friesland, over de weinige bijdragen en den schralen oogst,
welke de geschiedenis van Friesland ons in de tiende en elfde eeuwen
oplevert. In dit tijdvak zijn bij de Kronijk- en Geschiedschrijvers
weinig belangrijke bijzonderheden vermeld, en ook onze kronijk deelt
er dus weinige mede.
Friesland strekte zich te dien tijd uit van den Sincfal, de plaats
waar zich de rivier de Maas in zee ontlast, bij Ostende lot aan den
Wezer.--Later werd de verdeeling in zeven Zeelanden daargestelt.--Van
dezen besloeg ons tegenwoordig Friesland er twee, en een deel van het
derde Zeeland. Friesch Jierb. 1834, § 5; voorts West. Jaarb. I. 211,
en de daar aangehaalde Schrijvers. Wiarda, Von den Landt. d. Fries,
b. Upstalsboom, 3 Abschnitt; Meng. Leeuw. Cour. 4 Oct. 1831.
Bl. 67.--Ao 910.
Westerman heeft enz. Adam Westerman, Predikant te Stavoren,
heeft in den jare 1635 uitgegeven: Korte Beschrijvinge van de
oude Anse-stad Stavoren; in welke aangewesen werd haren Ouderdom,
Opgang, Voortreffelijkheid, Afgang, en tegenwoordigen Stand. Eene
herdruk daarvan verscheen te Amsterdam in 1684. De Schrijver schijnt
de kronijken gevolgd te zijn, en niet meer gegeven te hebben dan
H. I. Soet, in zijn: Op- en Neder-ganck van Stavoren. Verg. Pars,
Naamrol van de Batavise en Holl. Schrijvers, bl. 141.
Bl. 67.--Ao 920 en 970.
Koppen van Stavoren--Okke van Scharl. Het bestaan van de schriften
van dezen eersten wordt mede betwist. Suffridus Petri [157] zegt,
dat hij van Andreas Gryphius fragmenten ter leen gehad heeft, door
den Priester Cappidus van Stavoren zamengesteld, welke hem tot zijne
geschriften zeer ten dienste hadden gestaan;--doch ook deze zijne
woorden, welke door geene latere bewijzen bevestigd zijn, hebben
geen geloof kunnen vinden,--even min als zijn verhaal van Ocko van
Scharl. Volgens de overlevering hadden de Schriften van zijn oudoom
Solke, of Carel Solke Forteman, hem de bouwstof geleverd, voor zijne
bekende Kronijk, welke door Johannes Vlijtarp, Geheimschrijver van
den laatsten Potestaat, J. Hessel Martena, in de XIV eeuw is aangevuld
en verbeterd, en daarna door Andreas Cornelis, geboortig van Stavoren
en Organist te Harlingen, werd overgewerkt, vervolgd en na diens dood
uitgegeven in den jare 1597 te Leeuwarden, in folio, bij Jacob Jansz,
doch te Amsterdam gedrukt. Deze kronijk is herdrukt in quarto, en te
Leeuwarden uitgegeven bij Abraham Ferwerda in 1742. Een tweede druk
daarvan verscheen bij D. Balk te Workum in 1753, welke echter zoo
letterlijk, ja stiptelijk met al zijne versierselen gelijk is aan
den vorige, dat alleen de titel het onderscheid uitmaakt, even als
met de Leeuwarder en Franeker drukken van Gysbert Japicx Rijmlerye
en de 3 laatste Uitgaven onzer Kronijk.
Vele Schrijvers zijn van gevoelen, dat deze Kronijk geen het minste
geloof verdient, als gevuld met fabelen en bijgeloovigheden. Emmius, in
zijne Refut. Apol., van Rhyn, op de Oudh. en Gest. I. 51; F. Sjoerds,
Inleiding voor de Besch. van O. en N. Friesland, en anderen beweren
dit op gelijke gronden; geen gezag aan Suffridus Petri kunnende
toekennen. Ook de Wind, in zijne Inleiding voor de Bibliotheek van
Nederl. Geschiedschrijvers, heeft dit punt met oordeel behandeld. Zijn
gevoelen stemt niet dat van Emmius overeen: »Hoezeer dan ook, zegt
hij, Andreas Cornelis een handschrift moge voor zich gehad hebben,
waaruit hij de drie eerste boeken getrokken heeft, is het onbewezen
dat dit H. S. eene kronijk van O. van Scharl uit de tiende, en van
J. Vlijtarp uit de veertiende eeuw inhield. Veeleer zal dit H. S. het
werk geweest zijn van een Schrijver uit het begin der dertiende eeuw,
die deze fabelen heeft zamengeflanst, in dien tijd, toen bijbel en
ware geschiedenis in het kleed van een roman moesten gehuld worden,
wilde men dezelve aanhooren." Wij willen de gronden van den kundigen
de Wind wel niet betwisten of wederleggen, als hier niet voegende,
dan ik kan er evenwel nog niet toe komen, om met Emmius alles weg te
redeneren; en zelfs naar aanleiding van bovengemeld argument, blijf
ik beweren, dat er veel waarheid, hoe dan ook in fabelen gehuld,
uit deze kronijk en andere dergelijke schriften is op te sporen,
waarom wij met den geleerden Westendorp gereedelijk instemmen,
dat er geene voldoende redenen bestaan, de geloofwaardigheid dier
oude Schrijvers geheel te verwerpen. Zie voorts gem. Biblioth. der
Ned. Geschiedschrijvers, II. St. p. 223; Suffr. Petri, D. 5. c. 9. en
D. 7. c. 4, de Script. Frisiae; Schwartz. Chart. Voorr. II. 67;
onze Aantt. bl. 286-288.
Bl. 68.
Omtrent den jaare 969 Gosse Ludigman. Zie v. Rhyn's Nabericht, bl. 417
volgg. Vóór het huwelijk van des Potestaats dochter Tet, met Sicco,
zoon van Graaf Arnout, uit wien de Teilingen en Brederoden stamden,
is, schoon betwist, zeer veel te zeggen, hoezeer ook v. Rhyn eene
andere uitlegging heeft.
Bl. 68.--Ao 998.
Het stedeke Uitgong verwoest. De bouwing dezer stad is in de hooge
oudheid te zoeken, en zij moet in den vroegsten tijd zeer belangrijk
voor den handel en met eene goede haven voorzien zijn geweest; liggende
aan het Boerdiep of Middelzee. Na gemelde verwoesting weder opgebouwd
zijnde, werd zij in 1181 door een hevig en brand geteisterd; dan tien
jaren daarna werd de gansche stad door de Noormannen geplunderd, en
te vuur en te zwaard vernield, zoodat met haar bestaan ook zelfs die
naam voor altoos werd uitgewischt. De inwoners schijnen zich metter
woon naar Franeker te hebben begeven. Hoezeer evenwel Uitgong eene
stad of stedeke genoemd werd, vermeent men echter, dat het met geene
wallen of muren omringd, maar eene open plaats geweest is: het had
niettemin stads voorregten en het regt van Oldermanschap. Wij kunnen
over deze belangrijke plaats niet verder uitweiden; wie daartoe lust
hebbe, leze het Aanhangsel betreffende de Oudheden, en voornaamste
Gebeurtenissen van Berlikum, achter het Tweetal Leerredenen van
Petrus Nota, (Franeker, 1781) waarin men alles in een kort bestek
bij elkander heeft en de Schrijvers vindt aangehaald.
Omstreeks dezen tijd sneuvelde de Hollandsche Graaf Arnout, in een
veldslag nabij Schagen in West-Friesland. De Friezen bleven altoos
weigeren de Graven als hunne Heeren te erkennen. De vermaarde Friesche
Edelman Adelbold, deelende in de gunst van den Keizer Otto III,
werd tot Bisschop van Utrecht benoemd.
Bl. 69.--Ao 1006-1010.
Deeden de Noormannen geweldige invallen. De geschiedschrijvers
vermelden allen, met verschil nogtans van sommige omstandigheden, deze
invallen en gevechten op de jaren 1009 en 1010, en daarmede hield dien
geesel ook voor Friesland op: want dit was der Noren laatste inval,
welke echter nog vele menschenlevens kostte. De meerdere uitbreiding
van 't Christendom, doch ook zwakheid in strijdkrachten, zullen
hiertoe veel bijgebragt hebben. F. Sjoerds, Jaarb. II. 171; Wagenaar,
II. 135; Bilderdyk, II. 7. Deze Schrijver vermeld, een door hem uit
het Yslandsch overgebragt verhaal, van een inval der Noormannen in
't jaar 943, voorkomende in de Eglo-Saga, dat is, Historie van Egil,
hetwelk wij willen overnemen:
Uit Egils-Saga, Hafniae 1809. Cap. 72. Ao. 943.
»Ambiorn was dien winter 't huis op zijn erf (of land);
maar omtrent de lente lustede 't hem om ten krijg (zeeroof)
te varen. Hij had veel goede schepen. Hij had omtrent de lente
drie lange schepen en die alle sterk. Hij had 300 man. Hij had
bedienden in zijn schip en was zeer wel gescheept. Hij had ook
menige boeren-zonen met zich. Egill besloot met hem te varen
en stuurde (beval) een schip. Ook voeren met hem vele van zijne
luiden, die hij met zich van IJsland genomen had. Een koopschip,
dat hij van IJsland gehad had, liet hij vlieten Oostwaarts naar
Wik, (en) nam daartoe mannen om met zijn pakkaadje te varen,
en zij, Axinbiorn en Egill hielden de lange schepen om meê te
landen. Zoo dan stevenden zij Zuidelijk naar Saxenland, en hier
toefden zij tot den somer en vingen veel buit, en voor den oogst of
herfst keerden zij Noordelijk en landden in Friesland. Op zekeren
nacht, als het weêr gunstig was, zeilden zij den mond van een
rivier op. (Want) daar is 't kwaad te havenen, en een grooten
inham. Daar waren landwaart op groote vlakten en.... bosschen
dichte bij. Daar waren veel plasschen, want het had veel geregend;
daar besloten zij op (aan land) te gaan, en lieten eenige hunner
lieden achter om de schepen te bewaren. Zij gingen op midden
tusschen de rivier en de bosschen. Niet ver van daar was een
dorp en daar woonden veel boeren. Het volk liep uit het dorp naar
't land, wat het mocht, en de roovers achter hen. Zij kwamen aan
een ander dorp en een derde: de lieden vloden al wat zij konden;
daar waren velden en groote vlakten; daar waren grachten om de
landerijen gegraven en stonden in 't water, en daar waren groote
palen in de grachten gezet, daar waren om over te gaan bruggen
en planken over. Het landvolk vlood in de bosschen; maar als de
roovers ver in 't dorp gekomen waren, zoo trokken de Friezen te
zamen in de bosschen, en als zij bij de 300 hoofden bijéén waren,
zoo trokken zij de roovers in 't gemoet, en geraakten met hen in
strijd; en werd daar een groot gevecht, tot de Friezen vluchteden,
maar de roovers de vluchtenden vervolgden. De hoop dorpelingen
werd verstrooid, en zoo ging 't ook met die hen achter na vlogen;
en dus bleven er weinige bij een. Egill vloog hard achter hen
en weinige mannen met hem. De Friezen kwamen daar aan een gracht
en trokken die over, en namen toen de brug weg. Toen kwam Egill
aan de andere kant en sprong dadelijk over de brug. Maar dat was
geen sprong voor een ander, en niemand deed het hem na, en zijn
makkers snelden naar hunne schepen om hulp te zoeken. En wanneer
de Friezen zagen, dat één man daar over was (en niet meer) zoo
keerden zij om en kwamen op hem aan. Maar hij verdedigde zich,
de gracht van achteren tot beschutsel. Daar vielen hem elf aan,
met dat gevolg, dat hij die allen neêrsloeg. Daarna schoof hij de
brug en kwam over de gracht. Toen, als hij nu zag dat alle naar
de schepen getrokken waren, hield hij zich dicht bij de bosschen;
en dus trok Egill langs de bosschen en zoo naar de schepen, dat
hij in 't hout mocht kunnen wijken zoo 't noodig ware. De roovers
hadden veel slachtvee naar 't strand gedreven, en als zij aan de
schepen kwamen, slachtten sommige die, andere voerden ze te scheep
van daar; sommige maakten een schildburg. Want de Friezen waren
opgekomen in groote menigte en schoten op hen. Maar Egill kwam
op en hij zag wat gebeurde. Daar vloog hij ten snelste op dien
hoop, en greep zijn slagzwaard met beide handen, en wierp zijn
schild op den rug. Hij zwaaide zijn zwaard en sloeg op al wat
daar voor stond, en maakte zoo ruimte onder 't volk, dat hij tot
de zijnen kwam. Daarna gingen zij 't scheep en staken van land,
en zeilden naar Denemarken."
Bl. 70.--Ao 1064.
Den naam Harns. Over den oorsprong van dezen naam, zie men Oudh. en
Gest. II. 142. Sommigen leiden dien af van de twee adellijke Staten
Harliga en Harns, waarbij, of op wier grond de aanleg der stad
gebouwd was, en welke beide namen, naar tijds gewoonte, veel twist
veroorzaakten, wie den boventoon behouden zou; weer anderen willen dat
de Friesche naam Harns, zijn oorsprong had in de ligging der plaats aan
een uithoek van de Middelzee en de Wadden. Vergel. bl. 89 der kronijk.
Bl. 71.
In den jaare 1096, wanneer Paus Urbanus. Wij laten hier volgen een
aaneengeschakeld verhaal van