werkzaamheden leze men Westend. Jaarb. II. 200, volgg.
Bl. 106.--Ao 1388.
Folkmer Allena. De Kronijkschrijver E. Beninga deelt nopens dezen man
een volksliedje mede, om deszelfs vorm en oudheid merkwaardig. Het
staat in de Anal. v. Mattheus, IV. 158 en 159, en in 't Jaarboek van
Westendorp, II. 245, met eene veranderde spelling.
Bl. 107.--Ao 1397.
In den jaare 1397. Ik houd het er voor dat dit moet zijn 1396. Onze
kronijk echter verwart deze en andere veldtogten met elkander. Van
dit ongelukkig gevecht vinden wij bij alle Schrijvers uitvoerige
vermelding. Winsemius stelt het ook op 1397, tegen de aanteekeningen
van Edo van Jonghama, Petrus van Thabor en Emmius aan. Hier moet
ik opmerken, dat men bij gelegenheid van dezen merkwaardigen togt
van Hertog Albrecht van Beijeren tegen de Friezen het eerst gewag
vindt gemaakt, dat de schepen in deze landen van geschut en buskruid
zijn voorzien. Hiervan wordt melding gemaakt in een Handschrift,
berustende in ons Rijks-Archief, in 't welk men leest, dat, op bevel
van Hertog Albrecht en deszelfs Raad, Bussen, Kruid, Steen, Schutte,
Vierpannen, Torken en andere behoeften worden aangekocht, welke
men in de groote schepen noodig had [184]. In een Hanzee-verbond
van den jare 1418, waartoe ook de Nederlandsche steden behoorden,
wordt aan het scheepsvolk verboden op lijfstraffe wapenen en buskruid
te verkoopen [185]. Twintig jaren later wordt onder de middelen van
verdediging en afbreuk op de schepen uitdrukkelijk van Bussen, dat
is, van kanon, melding gemaakt. Sedert dien tijd werd het geschut en
ook het handgeweer meer en meer algemeen, en op de schepen de gewone
wapenen [186].
Over den tijd der uitvinding van het buskruid is men oneens, daar
velen, niet te onregt, beweren, dat het vóór Berthold den Zwarten
reeds bestond. Zeker is het, dat het gebruik daarvan, hier te lande
eerst in 1350 of 1351 is geweest, en wel in het beleg van het Kasteel
Rozenburg, nabij Voorschoten.
Maar ik mag niet voorbijgaan het koddig verhaal van Cornelis Kempius,
waarin hij beweert, dat een Friesch Koning, met name Chimoscus, den
Graaf van Holland en zijne twee zonen met een musket had doodgeschoten,
en ook in een tweegevecht, ter oorzake van 's Graven dochter, de
schoone Olimpia, met Graaf Roeland van Vlaanderen, zijn schutgeweer
gebruikt had, zoodat de Friezen uitvinders van het buskruid zijn,
hetwelk Hamconius ook bevestigt, die mede Chimoscus voor den uitvinder
daarvan houdt. Wij evenwel betwijfelen het zeer, en geven liever
aan het dichterlijk vernuft van den geestigen Ariosto, aan wien
Kempius zijn verhaal ontleende, de eer dezer vinding. Verg. Oudh. en
Gest. II. 354-357. E. Beninga, in zijne Hist. van Oost-Vriesland op de
jaren 1379 en 1380, vermeldt, dat men destijds in de Friesche onlusten
zich van buskruid en geschut bediende. Zie Driessen, Mon. Groningana,
II. 399.
Bl. 109 en 110.
In den jaare 1400-1401. Onder al de twisten en oorlogen, de rampen
en onheilen daaruit geboren, waren het niet altoos de Friezen en
onderlinge partijen, bij welke men de aanleiding en oorzaak zoeken
moet, maar aanhitsing en ondersteuning van buiten, alles naar
staatkunde en eigenbelang berekend, heerschzucht en vijandschap
van Bisschoppen, Graven en anderen, gaven meestal voedsel aan den
burgeroorlog. Vandaar ook die (zoo als men ze noemde) Groote, dat
is, woeste en beruchte lieden dezer eeuw. Onder de zeeroovers dier
tijden was Stortenbeker een befaamd man, in het drinken zoowel als
in het vechten: dit blijkt uit den bij hem gevonden grooten beker,
toen hij gevangen genomen werd, waarop dit kreupel vers stond:
Ick Joncker Sissingha,
Van Groninga,
Dronck dees hensa,
In een flensa,
Door myn kraga,
In myn maga.
Bl. 111.--Ao 1404.
Sjoerd Wiarda. Naar dezen Potestaat ontving het slot te Goutum den
naam van Wiarda-State, hetwelk hij reeds in den jare 1404, toen
hij met Harinxma tot Potestaat verkozen werd, bewoonde. Ons werd de
navolgende geschrevene aantekening, op Schotanus zijne Beschryvinge,
van den Old-Raadsheer Tjalling Edo van Sminia, medegedeeld:
»Goutum. Hier ligt de State Wiarda, een groot sieraad van dit dorp, een
schoon gebouw met zijn hovinge en graften, bewoond bij den Hr. Jonkheer
Tiberius Pipinius van Eminga; wierde bijgenaamd Schenkinsma, gelijk
daar ook leggen Putsma, nieulinks met eene nieuwe hovinge en een
welbeplante opreed versiert door den Hr. Jonkheer Ruurdt van Burmania;
en Drinkuitsma door denselven afgebroken en geslegt, daar nabij
gelegen. Deze drie plaatsen plegen van drie Gebroederen bewoond te
worden, die groot vermaak schepten in 't drinken, en daarop roemden;
tot hare gedachtenisse wierde dit versje gemaakt:
Qui nos tres geminos superat certamine Bacchi
Hic venit Alcides redivivus conteret Hydram."
d. i. vrij overgezet:
Eer dat ons dapper driemanschap,
In Bacchus' school volleerd,
Worde in een Frieschen bekerstrijd
Verslagen of verheerd;
Eer zal de woeste Hercules
Herrijzen uit zijn graf,
En slaan een tweeden monsterdier
Tienduizend koppen af!
Bl. 112, op de Noot.
Hiske Abdena was Proost en Hoveling te Emden, een hoog heerschzuchtig
man, die zich aan het hoofd der Schieringers in Oostfriesland had
gesteld en in naauw verband met de Groningers stond. Gevlugt naar
Groningen, wilden de Schieringers hem ondersteunen, doch de Vetkoopers
hielden de partij van Keno ten Broek,--en ziehier den oorsprong der
partijnamen Hisk- of Hikhorsters en Bronkhorsters.
Bl. 113.--Ao 1414.
Ook liet Jarges het goud en zilver enz. Niet alleen te Fivelgo, maar
ook te Midwolde en Loppersum, maakte hij zich meester van het gouden
en zilveren vaatwerk, en liet de ongezinde kerkvoogden eenigen tijd
vastzetten, om zoo zijn oogmerk te bereiken.
De Koppens-gulden was dezelfde met den Arendsgulden, welke naar de
tegenwoordige munt, eene waarde moet gehad hebben van 37 1/2 cent. In
1453 gold hij 7 braspenningen van 9 duiten 't stuk: in 1491 werd
dezelve afgezet.
Bl. 115.
In den jaare 1418 heeft Fokko te Lier. Fokke Uken, Ukena of Ukessen,
Hoveling [187] te Evermoer in Leer, Heer van Aurich en Broekmerland
of te Broekum, die eene groote en belangrijke rol in de onlusten der
Schieringers en Vetkoopers in 't begin van de XV eeuw speelde, was uit
eene voorname adellijke, doch niet vermogende Oost-friesche familie
gesproten. Zijn vader heette Uko en zijne moeder Amke van Lengen. De
ruïnen van hunnen ouden burgt waren ten tijde van den geschiedschrijver
Emmius nog aanwezig: thans toont men slechts de plaats aan, waar
dezelve stond, op de veenakkers tusschen Aurich en Leer. Nergens vindt
men Fokke's geboortejaar vermeld; doch hij stierf, oud van jaren,
den 29 Augustus 1435, gelijk sommigen beweren, ten gevolge van het
nuttigen van eene vergiftigde biersoep, door zijne Echtgenoote Hidde
hem toegediend. Hij trad als officier in dienst van Keno ten Broek:
zijne eerste vrouw was Theda van Reide, bij welke hij twee zoons
en twee dochters had: zijne tweede vrouw was Hidde van Dijkhuizen,
uit welk huwelijk zijne dochter Ulske, gehuwd aan Unico Ripperda,
sproot. Beide deze vrouwen bragten hem een groot vermogen aan, en
het gelukte hem zijne kinders aan zeer aanzienlijke, rijke familiën
uit te huwen. Hij was verstandig en omzigtig in het aanleggen zijner
plannen, dapper en koen aan de spits zijns legers, onverschrokken in
gevaren, trotsch in zijne handelingen, die vermeerdering zijner magt
en rijkdom ten doel hadden, en wraakgierig tegen zijne vijanden. Van
zijnen jeugdigen leeftijd wordt nergens gewag gemaakt, en op het einde
van de XIV eeuw is men het eerst in de geschiedenis zijns gedachtig.
Er is eene korte levensbeschrijving van hem in 't Latijn zamengesteld
uit Emmius en Beninga. De verdienstelijke Wiarda echter heeft
eene uitvoerige beschrijving van zijn leven en bedrijf gegeven,
en geplaatst in het Tijdschrift: Ost-Friesische Mannigfaltigkeiten,
erster Jahrgang, Aurich 1784, getrokken uit de beste bronnen destijds
in druk en handschrift aanwezig, en met bijzondere naauwkeurigheid
behandeld. Ik heb daarvan eene vertaling gegeven in het Mengelwerk
der Leeuwarder Couranten van den 4 en 11 September, 2 en 16 October
1832, welke bijdrage tot de geschiedenis van dien tijd zeer belangrijk
is. Men verg. overigens het Jaarb. van Westendorp, op 1411-1435. Het
portret van Ukena bevindt zich thans op het buitengoed van Jonkheer
Hora Siccama van de Harkstede.
Bl. 116.--Ao 1420.
De Schieringers hij Catse geslagen. Schotanus noemt ook te Catze,
aan een plaets geheeten Palesloot: Petr. Thab. ter Colze. Volgens
Amersf. en Visser moet men waarschijnlijk hierdoor den omtrek van
Koudum verstaan. Winsem. en Emmius plaatsen ook den slag omtrent
Palesloot, tusschen Hindeloopen en Molkwerum, op de kaart van Schotanus
nog aangeduid, zoo als ook de Fokke-graft of Fokke-sloot, uit het
Slootermeer komende, en waarin Fokko, na zijne nederlaag bij Slooten,
die op zijne overwinning volgde, eene groote busse of stuk kanen,
door hem uit Groningen medegenomen, zinken liet.
Bl. 117.
In den jaare 1421. Ook in dit jaar braken de Groningers met Sikko
Sjaerdema, Hoveling te Franeker, Hoofd der Schieringers. Zij
beschuldigden hem heimelijk den Graaf van Holland, Hertog Jan van
Beijeren, te zijn toegedaan, en met de vijandelijke vrijbuiters te
heulen--namen twee schepen met hout geladen, aan de kerk te Franeker
toebehoorende, weg, en zes Franeker burgers gevangen. Zij dreigden
hem te zullen belegeren, indien hij niet te Groningen kwam om zich te
verantwoorden, of zijnen twaalfjarigen zoon als gijzelaar zond. Tot
dit laatste werd hij genoodzaakt, deels voor zijne overeenkomst,
deels voor de betaling eener door deze Vetkoopers uitgeschrevene
schatting van 1000 schilden over de Schieringers, tusschen Stavoren
en Gerkesbrugge. Sjaerdema kwam zelf te Groningen en verantwoordde
zich, weshalve hij zijnen eenigen zoon terug begeerde. Men beloofde de
terugzending, dan men hield geen woord. Daarop zond hij een vertrouwd
vriend, om het kind af te halen, die het vond aan een ijzeren keten
gesloten, waarmede hij in eene kamer kon rondwandelen; doch ook deze
moest onverrigter zake terugkeeren. Nog in hetzelfde jaar overleed
de knaap, volgens voorgeven, aan de pest: doch men vermoedde, dat
de Groningers hem hadden omgebragt; in het volgend jaar stierf zijn
vader. Zie Westendorp, Jaarb. op 't jaar 1421, en de aangehaalde
Schrijvers. F. Sjoerds, Jaarb. IV. 447.
Bl. 120.--Ao 1434.
Het Stapelrecht. In 't jaar 1430 vinden wij het eerst hiervan
betrekkelijk Groningen vermelding. Het woord Stapel, eigenlijk een
staf, stok of stut beteekenende; is ook een hoop van dingen, die op
een afzonderlijk steunsel opgehoopt of gestapeld zijn. Vervolgens
heeft stapel overdragtelijk de beteekenis van een hoop koopwaren,
die op eene bijzondere marktplaats opgestapeld waren, en eindelijk
van de markt of verkoopplaats zelve. Aldaar moesten zekere van buiten
inkomende goederen ter verkoop aangeboden, voor een tijd opgestapeld
en bij gebrek aan koopers vertold worden. Dordrecht, Middelburg
en andere steden waren in het bezit van het Stapelregt der wijnen
enz. Zeer verschillend was dit regt op onderscheidene plaatsen,
en bepaalde zich tot allerhande koopwaren.
Bl. 122-123.
In den jaare 1453-1454. Over deze gebeurtenissen is verschillend
geschreven, en men heeft het bij waarschijnlijkheid moeten laten
blijven. Verg. S. Jarichs, Beninga en Emmius.
Bl. 128.--Ao 1478.
Haijo te Westerwolde. Hajo Addinga van Westerwolde had eed en hulde aan
den Bisschop van Munster gedaan, en volgde zijnen vader in het leen
van Westerwolde op. Hij was een wreedaardig en woest mensch, roofde
en verkwistte met zijne trawanten, plaagde zijn volk, en wie hem niet
ter wille was werd gekluisterd, gepijnigd en gemarteld op allerhande
wijze. Den Priester van Onswedde, die hem zijn slecht gedrag verweet,
liet hij, de handen op den rug gebonden, aan den staart eens paards
voorgesleept, dus vaneen trappen en verscheuren. Een ander Priester
werd daarna ook jammerlijk om het leven gebragt, en zoo pleegde hij
vele gruwelen. Zie West. op 't jaar 1477.
Bl. 129.--Ao 1486.
Rudolf Agricola. Dezen, in zijnen tijd zoo vermaarden man, noemde men
den hersteller der Wetenschappen in het Duitsche Rijk, den grootsten
redenaar van zijnen tijd, den eersten Duitschen Hoogleeraar in de
Grieksche, Latijnsche en Hebreeuwsche talen; dengenen, die door geenen
geleerde, ook zelfs van Italië, werd overtroffen; eene ster der eerste
grootte. Westend. Jaarb. II. 645.
Bl. 129.
In den jaare 1487. Dit doelt op 't zoogenaamde Bier-Oproer. De
Regering van Leeuwarden had, op aandrang der burgerij, op nieuw
eene ordonnantie afgekondigd, waarbij het gebruik van het geliefde
Haarlemmer Bier, Kuit genaamd, verboden, en alleen het in de stad
gebrouwen bier werd toegelaten. Eenige landlieden overtraden dit gebod,
waardoor tusschen hen en de brouwers, ondersteund door de burgers,
een gevecht ontstond. De landlieden, de minsten zijnde, namen de vlugt
op 't Amelandshuis, destijds de stins van den Schieringer Pieter
Cammingha, hetwelk met overmeestering en plundering bedreigd werd,
daar Cammingha de gevlugte landlieden aan hunne vervolgers niet wilde
overgeven. Het gerucht hiervan bragt de Schieringers in Ooster- en
Westergo spoedig tegen het Vetkoopersgezinde Leeuwarden op de been,
die vervolgens deze stad innamen. Meester Pieter Sybrands Auckama,
bijgenaamd Pinckert, Olderman der stad, sneuvelde in dit gevecht [188].
Dat het Haarlemmer Bier destijds een artikel van veel belang was,
blijkt onder anderen ook uit het door Winsemius op 't jaar 1480
vermelde sprookje, (dus te schrijven):
De Leidske Lape,
In Harlimmer Tape,
In schiere iel
Bringt Frieslân yn'e wiel.
»Het Leidsche laken, Haarlemmer bier (Kuit genaamd) en Schieraal, helpt
Friesland in den grond." Verg. hierbij Wassenbergh, Taalk. Bijdr. tot
den Frieschen Tongval, II. St, bl. 17, noot f en bl. 156. Vol van bier
zijn, te bier gaan, boven zijn bier zijn en dergelijke uitdrukkingen
waren in dien tijd, zoowel in Holland als Friesland, algemeen, daar
het bier een algemeene drank was, en de kracht daarvan, bij den
overmatigen drinker, een bierroes ten gevolge had.
Bl. 130.--Ao 1490.
In dit zelve jaar is de wijdberoemde Wesselius Ganzevoort. Hij werd
geboren te Groningen in 1419, en overleed 1489. Deze hoogst vermaarde
en geleerde man, was ook een der edelste kweekelingen van de stichting
der Broederschap van Gerard Groote. Zijne verlichte denkwijs vooral
werd zeer geroemd, zoodat Luther zelf getuigde: »Indien ik vroeger
de werken van Wessel gelezen had, zouden mijne vijanden mogen
vooronderstellen, dat ik alles uit zijne schriften geput had. Het
geeft mij vreugde en kracht, en ik twijfel niet meer aan de waarheid
van hetgeen ik leer; wanneer ik tusschen hem en mij eene volslagene
overeenstemming van gedachten en zelfs van woorden bespeur."
In de bestrijding van bijgeloof en dweepzucht kent men dezen man, boven
Erasmus zelfs den voorrang toe, terwijl in al zijn streven tot dit
doel, hij eene waarheidsliefde en eene zedelijke kracht ontwikkelde,
voor welke Erasmus niet vatbaar was. Als letterkundige, wijsgeer,
godgeleerde en geneeskundige was hij bijna even groot; zijne matige
leefwijze stak bijzonder af bij de zwelgerij en dronkenschap van
vele geleerde tijdgenooten, waardoor hij dan ook tot zijn zeventigste
jaar eene sterke gezondheid genoot. Hij reisde de wereld door, om den
schat zijner reeds verkregene kennis te vermeerderen, en daarvan ten
nutte der wereld dubbelde renten uit te deelen. Van Paus Sixtus, wiens
vriend en lijfarts hij was en die hem tot bisschop wilde verheffen,
verzocht hij alleen de gunst, om de Handschriften van eenen Griekschen
en Hebreeuwschen bijbel te mogen bezitten. Zijne laatste levensdagen
sleet hij in 't klooster der adellijke maagden te Groningen, in hetwelk
hij overleed. Zie zijne leerstellingen kortelijk aangeteekend bij
Westendorp, Jaarb. op den jare 1489; en verg. de Verhandeling over
de Broederschap van G. Groote, door G. H. M. Delprat, bl. 79-81,
112 en Bijl. VII.
Bl. 131.
In den jaare 1492. Men vergelijke op dit en de twee volgende jaren,
West. Jaarb., die daarmede het derde Tijdperk en het tweede Stuk van
zijn werk eindigt, waarmede hij den beoefenaren der Geschiedenis eene
gewigtige dienst heeft bewezen, Petr. Thab. op dezelfde jaren.
Bl. 133.--Ao 1496.
Onder den Oversten Fox. Nittert of Nuttert Fox, volgens Gabbema
in Frankenland geboren, was bevelhebber van eene bende de Groote
Garde genaamd. Hij zelf droeg den naam van Grooten Kapitein. Petrus
van Thabor vermeld hem als Joncker Voecks op 't jaar 1498. Zie het
Archief van Visser en Amersfoort, I. 74, alwaar mede wordt aangemerkt,
dat in de middeleeuwen veelal de ellendige gewoonte bestond, dat een
hoop soldaten, die zeker niet tot de beste lieden behoorden, onder
een hoofd, door hen verkozen, zich vereenigden, en vervolgens aan den
meestbiedende, hetzelfde welke zaak hij voor had, zich verhuurden. Zoo
waren er zelfs benden, die geheel zonder opperhoofd rondzwierven, zoo
als de in onze Kronijk op bl. 150 vermelden Zwarten Hoop of Saksische
knechten. Schotanus, Fr. Hist, fol. 419, geeft hem den titel van:
»Capiteyn van een deel af-gedanckte Companyen, op de grensen van
Nederlandt omhengelende, op hoope van nieuwe beroerten;"--doch roemt
hem mede ook als een krijgshaftig en stoutmoedig soldaat. E. Beninga
maakte op de jaren 1492 en 1499 van Fox melding. In eene noot op
bl. 362 zijner Hist. van Oostfr. wordt mede, gelijk in onze Kronijk
op bl. 138, beweerd, dat de plaats, waar hij vechtende stierf, naar
hem Foxhol genoemd zoude zijn; doch te onregt: want reeds in een
brief van 1460 komt dit gehucht voor als Vossehol. Zie Tegenw. Staat
van Stad en Lande, I. 225; Bilderdyk, Gesch. des Vaderl. IV. 316,
noemt Fox Witterfox.
Bl. 138.--Ao 1499.
Den Hoogen Raad enz. Ten tijde van Karel den Grooten schijnt er reeds
over geheel Friesland eene opperste Regtbank of Hof, misschien wel
door hemzelven ingesteld, bestaan te hebben en te Franeker geweest
te zijn, welk Hof nog in 't begin der XV eeuw den naam droeg van dat
hageste Keijzer riocht to Franeker. Onder de woelende twisten der
Schieringers en Vetkoopers moest het zijn gezag verliezen, doch bleef
nog bestaan in die algemeene en hoogere Regtbank, aan welke de vijf
eerste Grietenijen in Westergo, hare twistgedingen, in het laatste
ressort onderwierpen. Thans hergaf de Hertog dit Geregtshof zijnen
ouden luister, door de nieuwe instelling op st. Jacobs dag (24 Julij)
van 't jaar 1499. Het bestond toen uit 12 Leden, zes Geestelijken en
zes Friesche Edelen, terwijl de Kanselier Phlug het Voorzitters-ambt
bekleedde. Op Sjaerdema-slot was het aanvankelijk gezeteld, doch
werd daarna naar Leeuwarden verplaatst. Men vindt dit alles in het
breede beschreven in mijne meergemelde Geschiedenis der Kanselarij
te Leeuwarden. Over de Wetten vergelijke men onder anderen § 4 van
het Overzigt in 't Friesch Jierboeckjen van 1833, en § 3 van 1834.
Bl. 138.--Ao 1500.
Fjouwer lotter-claer enz. Wassenbergh, Idioticon op 't woord Fenne,
vertaalt deze leus: »vier gelouterde (beproefde, in het water
onderzochte) klaare Kievitseieren, op den hoek van een aan huis
geleegen Kamp, in één nest." Zie voorts Epkema, Woordenb. op Finne,
en Weiland, N. T. Woordb. op Veen.
Bl. 142. - Ao 1504.
Weerdenbras. O. van Scharl, op 't jaar 1505, geeft den oorsprong op
van deze benaming, welke bevestigd wordt bij Schot. bl. 507 en 508,
die in zijn XIV en XV boek een zeer omstandig verhaal geeft, van
den strijd met Groningen en wat daartoe betrekking heeft. Ook bij
Winsemius, Emmius, Petr. van Thabor, Sicco en Eggerik Beninga enz.
Vitus Draaksdorp of Traxdorp, was, bij afwezigheid van Hertog Georg,
Opperbevelhebber over het krijgsvolk. Verg. Archief van Visser en
Amersf. II. st. bl. 112; Aantt. op bl. 169.
Bl. 146.
In den jaare 1511. Zie Gabbema, bl. 265; Winsemius op dit jaar.
Bl. 147, 149.--Ao 1514.
Den 21 van July.--Hier na heeft Graaf Edzard. Verg. Tegenw. Staat van
Stad en Lande, I. 303, volgg.; Wins. bl. 376 volgg; Schot. XV boek,
Beninga, III. B. bl. 490; alwaar over de wreedheden der Saksen, de
misleiding door graaf Edzard en zijne vergelding daarvoor van den
Gelderschen Hertog in het breede gewaagd wordt. Zie gem. Archief,
II. bl. 171-176, en de Aantt. daarop; ook het Nabericht van van Rhyn,
bl. 537.
Bl. 150.--Ao 1515.
De zwarte Hoop. Zie Aantt. op Nittert Fox, bl. 431; Petr. v. Thabor
zegt, dat er verschillende uitleggingen van die benaming zijn, als:
omdat zij met den Hertog van Brunswijk gekomen waren, of omdat hun
aangezigt was zwart en leelijk geworden, wegens het lijden van koude
en overlast in den winter, of uithoofde dat hun bij den dood der
Hertogen van Brunswijk zwart laken was gegeven, tot teeken van rouw;
het is mogelijk, dat al het genoemde met elkander tot de benaming
aanleiding hebbe gegeven.
Bl. 150 en 151.
Deze Groote Pier. Gelijk het met vele groote en zeldzame mannen
gaat, die eene belangrijke rol in hunnen leeftijd hebben gespeeld,
en daarover verschillend worden beoordeeld, zoo is het ook met Groote
Pier gelegen. De een noemt hem een roemruchtig held zonder wederga,
die voor de vrijheid en voor Friesland wonderen deed; anderen
noemen hem een wreedaardig krijgsman en verachtelijk zeeschuimer,
die slechts roof en moord beoogde. Wanneer men de geschiedenis van
dien tijd naauwkeurig gadeslaat, den toestand van Groote Pier en
zijne bedoelingen beschouwt, daarbij den geest des tijds, de wijze van
oorlogen, vooral ter zee, het Saksisch despotisme in tegenoverstelling
van het Friesch karakter, en de laagheid des Hertogen van Gelder in
aanmerking neemt, dan zal de onpartijdigheid ten voordeele van den
man moeten beslissen, wiens bedoelingen eerlijk waren, maar wiens
daden het merk van ruwheid droegen, en door de fortuin begunstigd
in euvelmoed en woestheid ontaard zijn. Zijn tijdgenoot Petrus van
Thabor schetst hem in zijn ware licht; woest en onbesuisd van aard,
maar rond en eerlijk van inborst. Zie het Archief van Visser en
Amersf. II. 259. In het Gedenks. van Neerl. Heldend. ter Zee van
Engelbert Gerrits, I. 76 volgg., is de beoordeeling minder juist. Zie
voorts de schets van Groote Pier en zijne daden in het Mengelwerk der
Leeuwarder Courant van 11 Maart 1834, door W. Eekhoff zamengesteld,
en de daar aangehaalde Schrijvers. Op welk eene wijze het zeewezen
in Friesland bestierd werd, leest men na het aangehaalde werk van de
Jonge, over het Nederl. Zeewezen, I. 154 volgg. Tot in de XVI eeuw
was het eene algemeene gewoonte, de gevangenen zonder genade over
boord te werpen.
Bl. 151.--Ao 1515.
Hertog Georg. Aldus werd Friesland als 't ware weder
verkocht, en, zooveel de Saks vermogt, geleverd voor
honderd duizend goudguldens. Wagenaar, Vad. Hist. IV. 390, en
Bild. Gesch. V. 11. maaken er 350,000 van, doch de Acte van afstand
van den 19 Mei 1515, bij Schwartzenberg in het tweede deel zijns
Charterboeks voorhanden, spreekt dit tegen. Een Rijnse gulden en een
Goudgulden hadden ieder 90 cents waarde.
Bl. 151.
Karel de Vyfde. Het belangrijkste gedeelte van het Boeck der
Partijen van Jancko Douwama loopt over de gebeurtenissen onder het
Saksisch bewind, alsmede over de eerste regeringsjaren van Keizer
Karel den Vijfden. Men leert hierin die gebeurtenissen in Friesland,
gedurende dit gewigtig tijdvak, van eene geheel nieuwe en onbekende
zijde kennen; en al ware het, dat niet al de berigten van Douwama
volkomen geloof verdienden, zoo blijft het echter, bij de voorhanden
zijnde bescheiden, meestal onder den invloed van het Bourgondisch
bewind opgesteld, van het hoogste belang, door zijne tusschenkomst,
ook eens de gedachten van de andere partij te kunnen vernemen. Zie
over J. Douwama en zijne geschriften, het Verslag der Handelingen
van het Prov. Friesch Genootschap, bl. 57 volgg.
Bl. 151.--Ao 1515.
Graaf Floris van Ysselstein. Floris van Egmond, Heer van IJsselstein,
als Stadhouder gehuldigd zijnde, werden er verschillende voorwaarden
gemaakt. Zie Gabbema, Verh. van Leeuw., bl. 302; Schot. fol. 573,
en Wins. fol. 431; welke eerste hem ook Floorken dunn'- bier noemt.
Bl. 155.--Ao 1520.
Hendrik en Frederik Gaykinga. Belangrijk is het verhaal van Sicco
Beninga, Chronickel der Vriescher Landen, in de Anal. van v. Nidek,
bl. 321 volgg.
Bl. 158.--Ao 1523.
En Karel de vyfde tot Erfheer. Verg. Cerisier, Gesch. der
Nederl. II. 420-423; Schot. fol. 621. Na lange en rustelooze woelingen,
het aanstoken van partijschappen, het voeden van den burgerkrijg,
en het vergieten van stroomen bloeds, genoot nu Friesland, bewesten
de Lauwers, met uitzondering van nog eenen inval der Gelderschen,
eene rust van bijna eene halve eeuw; terwijl de voortdurende onlusten
te Groningen veel onheils bleven stichten, en de geest van muiterij
de overhand behield.
Bl. 160.
In den jaare 1535. Verg. Wins. fol. 506; Schot. 664 volgg.;
Egg. Beninga, die echter zeer onvolledig is in zijn verhaal. O. van
Scharl op 't jaar 1535; Gabbema, Verh. van Leeuwaarden, bl. 365
volgg. [189]
De Sententieboeken van het Hof van Friesland nagaande, vonden wij
onder vele vonnissen, bij welke in dit jaar een aantal Wederdoopers
veroordeeld zijn, om onthoofd te worden, twee derzelve van den 12
April, houdende veroordeeling, de eene van 31 vrouwen en de andere
van twee, om verdronken te worden, uithoofde zij: »onlangs bevonden
zyn in Oldeclooster myt de andere seditieuse ende oproerighe persoonen
der Secten van de Anabaptisten ende anderen van 't verbundt van dien
zy adhoererende."
Nog langen tijd daarna moesten er ook in Friesland maatregelen tegen
de woelingen der Wederdoopers worden genomen, onder anderen blijkbaar
uit de Brieven en Aanschrijvingen ter voorzieninge van de Landvoogdes,
Maria van Hongarijen, gerigt aan den President en Raden van het Hof van
Friesland. Van deze brieven zijn nog eenigen aanwezig in het Archief
van gemeld Hof, door de Landvoogdes onderteekend, welke niet in het
Charterboek vermeld zijn. Wij willen hier een' van dezelven overnemen:
MARIA, by der gratie Gods Coninginne
Douagiere van Hongryen ende Beemen,
Regente.
»Lieue ende Besundere. Volgende den afscheet ende Resolutie hier
onlancx genomen, int bijwesen van v President, beroerende de
secten ende ketterien, zoo van wederdooperie als andere dwalingen,
die anderwers vpstaen in Vrieslant ende omliggenden landen. Wij
schicken jegenwoirdelick aldaer den Deken van sinte Marie tot
Vtrecht, Heer Herman Betinatius, ende meester Franchois Zonnius,
Domheere aldaer, bede doctueren in den heiligen scriften, bringers
van desen, Commissarisen van wegen des hieligen Stoeles van Roome,
ende by Keys. Majest. onsen Heere weauctoriseert, om tegens de
besmette van den voirsz. secten te Inquireren ende procederen,
alsoe behoiren zal, gelijck ghy naeder by de voirsz. Commissarisen
sult mogen verstaen. Ende alsoe ons ernstich begeren es, dat
tegens de voirsz. ketterien geremedieert ende voirsien worde,
beuelen ende ordineren v van wegen zijner Majest., dat ghij de
voirsz. Commissarisen Informatie doet geuen, ende hun bericht
van tgene deser zaken beroeren mach ende notelick wesen sal:
Doende hun voirts alle bijstant ende vorderingen int volbringen
van hueren laste v mogelick zijnde; Ende indien ghij eenige
ongeregeltheit beuint onder de geestelicheit desselfs lants,
sunderlinge in cloisteren ende godshuysen, sult hun sulcx mogen
te kennen geuen, ende samentlick daerinne voirsien, alst behoiren
sal, volgende den last die zij des hebben, zoe wel van ons, als
van den geestelicken ordinarisen. Ende want het zeer oirboirlick
waere in desen tijt eenige goede jonghen tonderhouden in die
Vniuersiteit van Loeuen, studerende in de heilige scriften,
om metter tijt daer vuyt geleerde priesters ende pastoirs in
Vrieslant te ouercommen, zult ghij, zoe verre v van node duncken
zal, duer de voirmelte Commissarisen sulcx aen den prelaten van
Vrieslant laeten versoucken ende de selue onderwijsen, dat zij
ende yegelick van hun tot voirderinge der heiliger Religie,
ende der gemeene weltvaert des lants daertoe willen verstaen
ende contribueren. Lieue ende Besundere, onse heere God zij met
v. Gescreuen te Brussele den XVIJen van Octobre 1553.
(get.) MARIE. (onder stond)
De Langhe.
Het opschrift is: Onsen Lieuen ende Besunderen, den President ende
Raden des Keysers, geordonneert in Vrieslant.
Bl. 163.--Ao 1538.
Vorperus Thaborita, Kanunnik te Thabor. Worp van Thabor, geboren
omtrent het jaar 1538, wellicht afkomstig van het adellijk geslacht
Tziaerda, was eerst Pastoor in zijne geboorteplaats Rinsumageest, en
daarna Prior van 't Reguliere Kanonniken Klooster Thabor, te Tirns bij
Sneek. Hij schreef in de Latijnsche taal eene kronijk van Friesland,
in drie boeken verdeeld. Het eerste boek handelt over den oorsprong
der Friezen en hun Land, en eindigt met de heerschappij van Karel den
Grooten. Het tweede loopt tot het bestuur der Graven van Holland, en
het derde eindigt met den tijd zijns levens. Baron v. Schwartzenberg
heeft vijf afschriften van die kronijk met elkander vergeleken,
getuigt zeer gunstig van dezelve, en had het plan tot de uitgave
gevormd. Dit is niet tot stand gekomen, en die uitgave bleef tot
heden achter, zoodat het wel niet te hopen, maar toch te vreezen is,
dat met zoo vele anderen, ook dit merkwaardig gedenkstuk der oudheid,
het licht niet zal gegund worden. In de Voorrede van het II Deel van 't
Charterboek wordt een uitvoerig verslag van dit Handschrift gegeven,
waartoe wij den Lezer verwijzen. Aldaar staat ook aangeteekend,
hoe Schotanus in zijne Friesche Historie, vele bladzijden uit den
Chronicon Frisiae van Worp, woordelijk vertaald, heeft overgenomen,
en voor zijn eigen arbeid laten doorgaan.
Een beter lot heeft in het belang der wetenschappen getroffen, het
geschrift van Petrus van Thabor, in onze kronijk niet vermeld. Deze,
wiens leeftijd voorviel tusschen de jaren 1460 en 1530, en welke hij
voornamelijk als Leekebroeder in het klooster Thabor [190] sleet,
schreef eene uitvoerige kronijk van Friesland, vooral ten doel
hebbende de gebeurtenissen, gedurende zijn eigen leven voorgevallen,
met naauwkeurigheid en waarheidsliefde te boeken, in den vorm van een
Dagboek. Daardoor is dit werk ook belangrijk voor de kennis van den
inwendigen burgerlijken en zedelijken toestand des Lands, terwijl het
van bijgeloof, wonderen en duivelskunsten geheel vrij is. De Heeren
Amersfoordt en Visser, hebben daarvan de Uitgave in het Archief voor
Vaderl. en Vriesche Geschiedenis bezorgd, en verrijkt met een aantal
uitmuntende Aanteekeningen, hoofdzakelijk door den eersten bewerkt,
welke van de kunde en geleerdheid des vervaardigers getuigen.
Door dezen Petrus van Thabor is omstandiger dan elders beschreven,
de Donia-oorlog, eene der merkwaardigste en treffendste burger-
en familietwisten, door welke Friesland meermalen werd geteisterd,
welke geduurd heeft van 1458 tot 1496. Verg. het Archief, I. p. 16-24
en de Aanteekeningen, alsmede de aanmerkingen van den Heer van Halmael,
benevens het antwoord daarop van den Heer Amersfoordt, in de Leeuwarder
Couranten van 14 en 21 Junij 1831; 3, 10, 17 April en 1 Mei 1832;
welke stukken voor de geschiedenis van te veel waarde zijn, om niet
in een beter en duurzamer vorm te worden overgegoten.
Bl. 166.--Ao 1559.
Regnerus Predrinus of Reinier van Winsum, geboren 1508, was een
zeer geleerd en verdienstelijk man en een der leerlingen uit het
Fraterhuis. Zijne gehoorzaal was met een toevloed van leerlingen
opgevuld, met welken hij de schriften van Plato, Aristoteles,
Demosthenes, Cicero en Quinctilianus behandelde. Gansche scharen uit
Oost- en West-Friesland, Braband, Vlaanderen, Duitschland, Frankrijk,
Italië, Spanje en Polen kwamen tot hem over, en vormden als het ware
eene Hoogeschool rondom hem. Kort na zijnen dood, in 1563, verdween
de gansche stichting der Broederschap. In 1582 deed de Regering eene
poging, om haar te doen herleven, door de aanstelling van Antonius
Folcard of Folkerts van Boornbergum, tot Overste, doch dit besluit werd
niet uitgevoerd. De oprigting der Hoogeschool in Groningen, in het jaar
1614, gaf deswege eene nieuwe schadeloosstelling. Reeds in den aanvang
der XVI eeuw begon die Broederschap voor de Hervorming van Luther te
wijken: de minachting voor de kloosterinrigtingen deed haar in die
oorden te niete gaan; maar in andere gewesten werd zij verdrongen
door eene veel magtiger orde, die met gesloten gelederen overal eene
Broederschap vervolgde, welke immer daarop roem kon dragen, dat zij
noch dezelfde verdedigingsmiddelen, noch dezelfde wapens kende. Het
waren de Jezuiten, die zich in hunne plaats stelden. Delprat,
Verh. over de Broederschap van G. Groote, bl. 117 en 186.
Bl. 169.--Ao 1566.
Waar op in 't Latyn stond. Moet zijn in 't Fransch. Zie over
de Geuzennapjes v. Alkemade. Displegt. II. 459 en van Loon,
Ned. Hist. Penn. I. 82. In het algemeen waren de nappen eigenlijk
uitgeholde houten bakken van middelmatige grootte, welke dienen moesten
om eenig vocht in zich te houden. Zij waren, zoowel als de bedelzakken,
het kenteeken der bedelaars, en werden door dezen gebruikt, om er de
soep in te ontvangen, welke hun aan de kloosters werd uitgereikt,
wanneer zij het godsdienstig onderwijs genoten hadden. Tot gebruik
over tafel, om er elkander den dronk uit toe te brengen, afgezonderd
zijnde, zijn de nappen natuurlijk tot napjes gebragt. Collot d'Escury,
Holl. Roem, II. A. 111.
Bl. 170.--Ao 1567.
En een schip met Edelen. Breedvoerig vindt men dit verhaal bij
Wins. fol. 538; verg. Gabbema, Verh. van Leeuw. bl. 493.
Bl. 172--Ao 1568.
Waarom Arenberg--op Graaf Adolf los rende. Dat de beide Graven door
elkanders handen zouden zijn gesneuveld, wordt door van Meteren en
anderen tegengesproken, hoezeer er eene oude overlevering is, welke
dit vermeldt, en door onze kronijk schijnt gevolgd te zijn. Het is mij
ook voorgekomen, dat de Schrijver of Schrijvers van It aade Friesche
Terp zich op vele plaatsen niet van de beste bronnen hebben bediend,
dan het ligt niet in ons plan, over de verschillende gebeurtenissen
breedvoerig uit te weiden, en de gebreken allen aan te wijzen, waardoor
wij het bestek dezer Aanteekeningen verre zouden overschrijden. Men
vergelijke over dit geheele tijdvak den Tegenwoordige Staat van Stad
en Lande, I. Deel.
Bl. 174.--Ao 1568.
Den 7de van December. Niet in December 1568 is dit gebeurd, maar in
het begin van Herfstmaand 1566: want reeds in 1567 werd de Roomsche
godsdienst weder hersteld, en in 1570 zond Alba Cunerus Petri als
Bisschop naar Leeuwarden, alwaar hij den 1 Februarij op nieuw de kerken
inwijdde, en de getrouw geblevene gemeente inzegende. Zie Gabbema,
Verh. van Leeuw. bl. 457, die den 7 of 16 van Wintermaand noemt,
gelijk ook Wins. en Schot. schrijven, terwijl September moet worden
gesteld. Verg. ook ten dezen het Iets over de Kerken, kloosters en
voormalige gasthuizen binnen Leeuwarden, van den Heer van Halmael,
geplaatst in het Mengelw. der Leeuward. Courant van den 14 Augustus
1832.
Bl. 178.--Ao 1574.
Casper Robles. Verg. de Inleiding van mijn Tafereel van den Watervloed,
bl. XLI en XLII; Scheltema, Staatk. Nederland, II. 250 en de
aangehaalde Schrijvers; Outhof, Verhaal van alle hooge Watervloeden,
bl. 535; Dumbar, Analecta, III, in hetwelk door Reinico Fresinga
van Frennicker (zoo als hij zich onderschrijft), in diens Memorien,
ook een cort verhaal van Billys gelegentheyt wordt gegeven [191]. De
beschrijving in 't Latijn, over de daden van de Robles in Friesland
bedreven, door Johannes Carolus, uitgegeven te Leeuwarden 1731, door de
zorg van den beroemden Petrus Wesseling, loopt slechts over een kort
tijdsbestek, en is met eene scherpe pen geschreven [192]. Zie voorts
Gabbema, Verh. van Leeuwaarden, bl. 534; Wins. Historiae, L. III,
en Chron. XVI boek. Over het Kolonels- of Roblesdiep, Tegenw. Staat
van Friesland, II. 228.
Bl. 181.--Ao 1576.
Joachim Hopperus. Deze zeer vermaarde man werd in den jare 1523 te
Sneek geboren, uit een edel geslachte, bekleedde gewigtige ambten, werd
de stichter der Hoogeschool te Douaij, en behaalde als Regtsgeleerde
hoogen roem. Als Staatsman echter was hij te veel hoveling, om,
naar der Friezen aard, als zoodanig door hen op hoogen prijs te
worden gesteld. Men geeft hem zelfs na, dat de spotvogels hem met
den bijnaam van Oui, Madame! bestempelden, daar hij de Landvoogdes
in den Raad nimmer zoude tegenspreken. Hij was echter om zijne
groote kundigheden teregt zeer beroemd; en men mag nooit uit het
oog verliezen, dat hij in zijne hooge betrekkingen altoos, vooral
in dien tijd, op een zeer gevaarlijk standpunt was geplaatst. Zeer
waardig is aan hem en zijne geschriften herdacht door den geleerden
Gabinus de Wal, in zijn klassiek werk: Oratio de claris Frisiae
Jurisconsultis, pag. 27 van de Oratie, 90 volgg. der Aanteekeningen,
en 428 der Bijvoegselen. Verg. Scheltema, Staatk. Nederl. I. 492;
Wins. fol. 599. In de Nalezingen op Wagenaar van van Wyn zijn vele
bijzonderheden uit de brieven van Hopper te vinden, en van zijn leven
is eene goede beschrijving aanwezig in de Levens van Nederl. Mannen
en Vrouwen, IV Deel. Onze voornaamste Geschiedschrijvers hebben van
zijne schriften gebruik gemaakt. Zijne brieven aan Viglius, welke
de Antwerpsche Bisschop, de Nelis, heeft laten drukken, en daarna
uitgegeven zijn, zijn hoogst belangrijk voor de geschiedenis. In
de bibliotheek te Brussel bevinden zich nog een aantal andere
oorspronkelijke brieven van hem en Viglius, in hunne landtaal
geschreven, bevattende vele zaken, welke zij elkander in 't geheim
wilden mededeelen. Zie de Wind, Bibliotheek, II. 172.
Bl. 181.--Ao 1576.
Ook overleed in dit zelve jaar, te Gent, Viglius Swichemius ab
Aita. Een groot aantal geleerde en kundige mannen hebben zich van tijd
tot tijd bezig gehouden, met het beschrijven van het leven en de daden
van den wijdvermaarden Fries, Wigle van Aytta van Zwichum, den 19den
van Wijnmaand 1507, op de State Barahuis [193], onder den dorpe Wirdum
geboren, uit eene der oudste en aanzienlijkste Friesche geslachten,
en gestorven den 8 van Bloeimaand 1577 binnen Brussel. Onder deze
geschriften verdient bijzondere opmerking, de uitmuntende Redevoering
van den Amsterdamschen Rector van Ommeren, in welke (gelijk de Ridder
Scheltema te regte vermeldt [194]), het karakter van Viglius van
de beschuldiging van zwakheid en ongelijkmatigheid meesterlijk is
vrijgepleit [195].
Ook het uitstekend en krachtvolle Verhaal van het leven en de daden
van Vigle van Ayta, door Mr. A. Telting met oordeel en verstand
zamengesteld, plaatst den grooten man in een helder daglicht,
en geeft hem de verdiende eere [196], hoezeer anderen een minder
gunstig oordeel over hem hebben geveld. Verg. hierover Holland's
Roem in Kunsten en Wetenschappen door den Baron Collot d' Escury,
II. 23 en Aantt. bl. 69. Deze Schrijver maakt tevens gewag in de
Aanteekeningen op zijn eerste Deel van den glazen beker, door Viglius
aan Keizer Karel toegebragt, toen deze Utrecht bezocht heeft, en welke
naderhand op vele gastmalen gebruikt werd, wanneer men hem al drinkende
ronddraaide, om met de lippen dezelfde plaats te treffen, als die de
Keizer had aangeroerd. Op dezen beker, van dik bruin glas, thans in
bezit van Z. E. den Minister van Maanen, heeft Anna Maria Schurman
met een diamant het volgende geschreven en met haren naam onderteekend:
Viglius Zuichemius.
Al ben ik duister,
De naam geeft luister.
Zie v. Alkemade, Displegtigh. II. 528. Uitvoerige melding van
Viglius en zijne geschriften vindt men in de aangehaalde Oratie
van den Hoogleeraar de Wal, bl. 31, 103, 430 volgg. Verg. de Wind,
Bibliotheek, II. 188.
Bl. 182.--Ao 1577.
Waar op de Graaf van Rennenberg. Georg van Lalaing, Heer van Velle
en Graaf van Rennenberg, gesproten uit een der aanzienlijkste en
oudste stamhuizen van Henegouwen, reeds in de XII eeuw bekend, was
een man van grooten aanleg en kunde. Tot Stadhouder van Friesland,
Groningen en Overijssel benoemd, bekleedde hij in den aanvang
het Staatsambt met wijsheid en matigheid, doch later schandvlekte
hij zich zelven in 's Lands geschiedenis als eenen verrader. De
verdienstelijke Rijks-Archivarius de Jonge [197] vermeent, dat hij
welligt door onze Voorvaderen, om deze daad, zonder inachtneming
der omstandigheden, te streng veroordeeld; doch wanneer wij bij
den uitmuntenden Geschiedschrijver A. Kluit, in diens Historie der
Hollandsche Staatsregering (I. 176, noot), lezen, dat, hoezeer de ware
staatkundige redenen van den afval van Rennenberg, niet zoo zeer bekend
zijn, men het echter, naar aanleiding zijner eigenhandige brieven,
aan zijne vrienden geschreven, daarvoor moet houden, dat die redenen
gelegen waren in jalouzij op Nassau en bevordering van eigen grootheid;
hoe zal men dan nog voor zulk een boos en misdadig opzet, in een
Bestuurder des Lands, middelen ter verdediging kunnen vinden? Zijn
karakter vinden wij juist beschreven door een zijner tijdgenooten,
die de meeste gebeurtenissen zelf heeft bijgewoond, en wel tot de
Staatsgezinde partij behoorde, dan met onpartijdigheid een uitgebreid
verhaal van de jaren 1576 tot 1582 heeft gegeven. Dit is de Franeker
Burgemeester Renico of Rienk Fresinga, hier voren gemeld, wiens
boeksken vooral over dit tijdvak belangrijk is [198]. De onsterfelijke
Hooft geeft navolgende uitnemende karakterschets van den Graaf:
»Hij was geweest een Heer, eedelaardigh, milddaadigh, heusch
en minlyk van zeeden; verfoeyer van wreetheit, geweldenaary, en
dronckenschap; betrachter der krystught, en lief den landzaaten,
zonder nochtans de gunst der soldaaten te verliezen, mits de zorghe
die hy voor hunne betaaling droegh; hier beneevens versiert met meer
dan gemeene geleertheit; welgeoeffent in de Grieksche, Latynsche,
en andere taalen; zeer zoet op de wiskonstighe weetenschapen,
inzonderheit de maatzang. Al dat 'er in te berispen scheen, was een'
blaakzuchtighe ruimborstigheit in 't houden van hof en disch, booven
zijn' inkomst; een toegeeven aan zyn' geneigtheit tot vrouweeren;
opstyghing van moedt, als 't geluk hem meede; stryking, als 't
hem teeghen liep; en 't ontzuivren van zyn' eer en gewisse met
verandering van parthy. Eevenwel om de kosten zynes staatvoerens te
vergelden, schrobd' hy nooit de gemeente, en stak maar eighe middelen
af. Zyn' boelaadjen beleidd' hy zoo heimelyk, dat ze ten minste geen'
arghernis baarden. Onbestendigheit in voor- en teeghenspoedt is de
zeldzaamste der menschelijke zwakheeden niet. Zyn' trouwbreuk strekte
eenen naaghel aan zyn' doodkist, en werd geboet met een berouw dat
zyn' ziel doorsneed: 't en zy hem 't quaalyk beslaaghen meer dan
't misdryf gezeurt heeft. Oover Groninge, zeeker, in zyn' ziekte,
riep hy dikwyls, wenschende 't nooit gezien te hebben. Ook verbood hy
in de laatste daaghen, zyn' zuster Kornelia, als het dwaallicht dat
hem verleidt had, onder zyn' ooghen te koomen. De gemelde deughden,
en fraayigheden naa deughd zweemende, deeden hem beklaaghen, zelfs van
zyn' meeste vyanden, dien 't jammerde dat hy tot dien val geraakt was."
Verg. Schot. Fr. Hist. bl. 810 volgg., bij welken Schrijver
men op bl. 884 deze karakterschets wedervindt, er (uit Fresinga)
bijvoegende, dat zijne zuster Kornelia hem ook had bekoord en gevleid,
met het uitzigt op een huwelijk met Maria van Brimeu, Gravinne van
Megen, weduwe van Lancelot Barlaimont, hetwelk echter mislukte. Zie
Wins. Chron. XVIII Boek; Histor. p. 544; J. Bosscha, Neêrl. Heldend. te
Land, bl. 257, 265, 266; welke laatste zijnen afval toeschrijft,
aan gemoedelijk bezwaar en ontzag voor de Katholijke kerk.
Bl. 191.--Ao 1580.
Merode, Heer van Rummen. De geschiedenis getuigt van hem als van
een edel, eerlijk en standvastig voorstander der vrijheid, getrouw
voor de goede zaak, dapper in den krijg, en wiens verkregen roem,
door zijn verstandig stadhouderlijk bestuur in Friesland is staande
gehouden. Er is nog in geschrifte van dien tijd, aanwezig een
Journaal van voorgevallene saacken in Friesland, enz., geholden
bij Bernard van Meroode, Stadholder,--van den 7 Julij 1580 tot den
12 Junij 1583: aan de achterzijde op den pergamenten omslag staat:
Prothocol de la Secretairie du Gowerneur de Frise. Dit belangrijk
Handschrift onderzoekende, bevond ik dat hetzelve bevatte vele
Commissiën, Instructiën, Resolutiën, Ordonnantiën, bijzonder voor
de Hoofden der Krijgsmagt en voor de burgerlijke Besturen; voorts
Paspoorten, Sauvegardes, Brieven aan Vorsten en Edelen, Requesten,
Plakkaten en andere Staatsstukken, van welke slechts zeer weinigen in
het Charterboek van Schwartzenb. voorhanden zijn, en wel alleen die,
welke te vinden waren in de Leeuwarder Plakkaatb.
In 1583 verzocht Merode, uit hoofde van zijnen hoogen ouderdom, om de
gedurige onrust der tijden, de twist en tweedragt om het Meesterschap
tusschen de Staten en het Hof, en omdat de Edelen geen ontzag voor
hem hadden, zijn ontslag, en verkreeg zulks op eene zeer vereerende
wijze. Zijne Commissie van den Prins van Oranje, om in zijnen naam
Friesland te besturen, is van den 17 Junij 1580, Chartb. IV. 172;
Wins. fol. 670. Verg. Leven van Willem I, door L. F. de Beaufort,
XI Boek. Bernard van Merode en zijn broeder Willem behoorden tot
de eersten, die onder den Prins dienst namen, en in het veld door
dapperheid en wijs beleid uitmuntten. Dit geslacht heeft aanzienlijke
bezittingen in de Provincie Noord-Braband, doch behoorde van overouden
tijd tot den Belgischen Adel. Verg. J. Bosscha, Neêrl. Heldend. te
Land, bl. 243.
Bl. 196.--Ao 1584.
Wij laten hier volgen een kort overzigt van de Stadhouders van
Friesland, uit het Huis van Nassau:
WILLEM LODEWIJK.
EERSTE STADHOUDER.
Willem Lodewijk, Graaf van Nassau, was de zoon van Johan den Ouden,
Graaf van Nassau-Dillenburg, Broeder van Willem I. Hij werd geboren
op den 13 Maart 1560; huwde in den jare 1587 Prinses Anna, Dochter
van zijnen Oom Willem I, verwekt bij diens tweede Gemalinne Anna van
Saksen [199]. Slechts ruim zeven maanden duurde deze echt, daar de
Prinses in den jare 1588 ten huize van Julius van Botnia, een der
voornaamste Friesche Edelen, ijveraar voor vrijheid en godsdienst,
in den ouderdom van 26 jaren te Franeker is overleden. WILLEM zelf
is den 31 Mei 1620, ten gevolge eener beroerte binnen Leeuwarden
gestorven; zoo men verhaalt, terwijl hij bezig was zijnen Neef Maurits
bij geschrifte te raadplegen, wat hem te doen zou staan, indien eens
Maurits, zonder behoorlijke schikkingen te hebben gemaakt, door een'
plotselingen dood werd overvallen.
In 1583, in de plaats van Merode gesteld zijnde, werd hij op den
16 October 1584 door de Staten van Friesland, op den Landsdag te
Franeker, tot absoluut Stadhouder en Gouverneur over dat Gewest,
verkoren, nadat men plegtig den Koning van Spanje afgezworen had.
Hij was een voortreffelijk Vorst, een dapper en bekwaam krijgsman, een
voorstander van de godsdienst, en, hoewel deelende in de kerkelijke
scheuring, meer gematigd dan Prins Maurits. Loffelijk getuigen
Ubbo Emmius, van Reijd en Willem van Haren van zijne krijgskundige
verdiensten en grondige kennis, zoowel der theorie als praktijk. Als
beminnaar en hoogachter van letteren en geleerdheid, erkent men in hem
den Stichter der Friesche Hoogeschool, welke, zoowel als de geheele
Provincie, die door hem weder in rust gebragt werd, zijne bijzondere
bescherming heeft genoten. Ook aan hem mag de eer worden toegekend
van de oprigting der Groninger Akademie.
Hij regeerde van 1584 tot 1620.
ERNST CASIMIR.
TWEEDE STADHOUDER.
Ernst Casimir, Graaf van Nassau, Broeder van Willem Lodewijk, werd
diens Opvolger in het Stadhouderschap over Friesland. Hij was geboren
den 22 of 24 December 1573, trouwde in den jare 1607 met Anna Sophia,
dochter van den den Hertog Julius van Brunswijk, welke Prinses in
1642 is overleden. Uit dit huwelijk zijn twee zonen en twee dochters
geboren, welke laatsten jong en ongehuwd overleden zijn; de beide
zoons, Hendrik Casimir en Willem Frederik, zijn hem in de regering
opgevolgd. Na een aantal gewigtige zendingen ten dienste van den Staat,
werd hij eerst Stadhouder van Friesland, en daarna door Groningen
en Drenthe in die waardigheid erkend. In vele krijgsverrigtingen
muntte zijn beleid en dapperheid bijzonder uit; doch in het beleg van
Roermonde, op den 2 Junij 1632, trof een vijandelijke musketkogel,
terwijl hij de loopgraven bezigtigde, zoodanig zijn hoofd, dat hij
na verloop van drie uren daarna den geest gaf. Als staatsman vond
ik hem niet bijzonder vermeld: in het kerkelijke bezat hij minder
gematigdheid dan zijn broeder.
Hij regeerde van 1620 tot 1632.
HENDRIK CASIMIR I.
DERDE STADHOUDER.
Hendrik Casimir I, Graaf van Nassau, oudste Zoon van Ernst Casimir
en Anna Sophia, werd in den jare 1611 geboren en is niet gehuwd
geweest. Men roemt hem als een dapper held, wiens leven in velerlei
krijgstogten werd gesleten, terwijl een schoon getuigenis wordt gegeven
van zijn godsdienstig, standvastig en braaf karakter. Zelfs zijner
wederpartij dwong hij zoodanige hoogachting af, dat een vijandlijk
Officier bij 's Vorsten doodberigt had uitgeroepen: »Nu is de braafste
Kapitein in Nederland gestorven!" Onder de beroerten in Friesland
in 1635 bewees hij ook dat Gewest groote diensten. Bij de belegering
van Hulst en Brugge trof hem een pistoolschot in den rug, welke wonde
hem op den 12 of 13 van Hooimaand 1640 den dood veroorzaakte.
Hij regeerde van 1632 tot 1640.
WILLEM FREDERIK.
VIERDE STADHOUDER.
Willem Frederik, Graaf of Prins van Nassau, jongste Zoon van Ernst
Casimir, werd te Arnhem op den 7 Augustus 1613 geboren, en trad den 2
Mei 1652 in den echt met Albertina Agnes, Dochter van Frederik Hendrik,
Prins van Oranje. Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren: Prinses
Amelia, met den Hertog van Saksen-Eysenach getrouwd; Sophia Hedwich,
omtrent derdehalf jaren oud gestorven, en Hendrik Casimir. Willem
Frederik verlangde zijnen Broeder Hendrik op te volgen als Stadhouder
van Friesland, Groningen en Drenthe, doch Frederik Hendrik, begeerde
over al de gewesten te heerschen. Hierover ontstond geschil, en beide
namen hunne maatregelen om tot hun doel te geraken. Willem Frederik
werd door de Staten van Friesland tot Stadhouder, en Frederik Hendrik,
door die van Groningen en Drenthe verkozen. Gelijk alle twisten
tusschen hooge personen nadeelig werken voor Land en Volk, had ook dit
geschil buitendien voor den Vorst zeer onaangename gevolgen: want de
magtiger Frederik dwong zijnen mededinger tot menige vernedering. Op
eene noodlottige wijze verloor hij het leven: want bij het beproeven
van een zadelpistool, zullende dienen op zijne voorgenomene reis naar
Westfalen, ging het schot af, en trof hem dermate in het aangezigt,
dat hij drie dagen daarna overleed. Dit was op den 21 October 1664,
terwijl de Stadhouder te Leeuwarden resideerde.
Hij was een bekwaam krijgsman, bedreven in staatszaken en van karakter
uitstekend: daarenboven een beoefenaar en hoogschatter der Letteren,
waarvan de Hoogleeraar Ulrik Huber getuigt, dat de werken van Tacitus
en Seneca, zoowel des nachts als des daags door den Prins werden
gelezen, en in het geheugen geprent. De Franeker Hoogeschool verloor
in hem eenen sterken voorstander en verdediger.
Hij regeerde van 1640 tot 1664.
ALBERTINA AGNES.
VOOGDESSE.
Albertina Agnes, Prinses van Oranje, in 's Gravenhage op den 29
April 1634 geboren, had gedurende den tijd der voogdijschap over
haren zoon Hendrik Casimir, die nog geen acht jaren oud was bij den
dood zijns Vaders, het bestuur over dit Gewest, en verwierf zich
veel gezag bij de Friezen. Zij was eene verstandige, beminnelijke en
zeer godsdienstige vrouw; eene voortreffelijke echtgenoot, en eene
waardige en zorgvuldige moeder voor hare kinderen, welke zij allen,
voor zich ten grave zag dalen. Den 24 Mei 1696 overleed zij op hare
lustplaats, het Oranjewoud, alwaar zij een geruimen tijd van haren
weduwlijken staat had doorgebragt.
Zij regeerde van 1664 tot 1679.
HENDRIK CASIMIR II.
VIJFDE STADHOUDER.
Hendrik Casimir II, Prins van Nassau, eenige Zoon van Willem Frederik
en Albertina Agnes, werd geboren op den 18 Januarij 1657. Op zijn
vijftiende jaar legde hij als Stadhouder den eed af, welke waardigheid
drie jaren later door de Staten van Friesland, Groningen en Drenthe,
voor zijne mannelijke nakomelingen, erfelijk verklaard werd. Op zijn
22 jaar echter kreeg hij eerst het Stadhouderlijk bewind alleen in
handen. Den 16 November 1683 trad bij in den echt met Amelia, Prinses
van Anhalt-Dessau, Dochter van Johan Georg II, waarmede hij dertien
jaren vereenigd was, en uit welk huwelijk zijn gesproten zeven dochters
en twee zoons: Willem Georg Friso, die een jaar na zijne geboorte is
gestorven, en Johan Willem Friso, zijns Vaders opvolger.
Zijne benoeming tot Kapitein-Generaal en andere voorvallen gaven
aanleiding tot twisten tusschen hem en Prins Willem III, welke echter
door diens uitzigt op de kroon van Engeland bedaarden, en in 1685,
onder bemiddeling van den vermaarden Hoogleeraar Joh. van der Waeijen,
daarna des Stadhouders Raadsman, geheel werden bijgelegd. Op zijn
zeventiende jaar stortte hij bij een gevegt, te stoutmoedig met
den degen in de vuist op den vijand indringende, met zijn paard in
eene laagte, ten gevolge van welken val, hij steeds onderhevig aan
bloedspuwingen is geweest; en door deze kwaal in zijne gezondheid
ondermijnd, overleed hij te Leeuwarden op den 25 Maart 1696.
Hij studeerde in den jare 1671 te Franeker, en gaf vele blijken van
verstand, oordeel en ervarenheid; dan vooral in het krijgswezen muntte
hij uit in moed, beleid en onverschrokkenheid. De dappere Generaal
Hans Willem, Baron van Aylva, die den Lande in een zeer netelig
tijdperk voortreffelijke diensten bewees, was hem een Leermeester
zonder wederga, en had hem den weg tot een onsterfelijken roem helpen
banen. Zijn dood was voor Friesland een zware slag, want in hem werd
een schrander, deugdzaam en edelmoedig Vorst, een magtig Beschermheer
verloren.
Hij regeerde van 1679 tot 1696.
AMELIA.
VOOGDESSE.
Amelia, Prinses van Anhalt-Dessau, geboren in 1666, werd als Voogdesse
erkend over haren zoon Johan Willem Friso, oud ruim acht jaren bij het
overlijden zijns Vaders, en had tot zijne meerderjarigheid het bestuur
in handen. Zij kocht voor haren zoon de Heerlijkheid Ameland, voor
170,000 Karels guldens. Men vindt weinige bijzondere berigten over haar
vermeld: zij moet eene schoone, vernuftige en schrandere vrouw geweest
zijn, wier zucht echter tot pracht en weelde der spaarzaamheid zeer
in den weg stond. In den jare 1726 is zij in Duitschland gestorven.
Zij regeerde van 1696 tot 1707.
JOHAN WILLEM FRISO.
ZESDE STADHOUDER.
Johan Willem Friso, Prins van Oranje-Nassau, geboren den 14 Augustus
1687 te Dessau, aanvaardde in 1707 het Stadhouderschap over Friesland,
en het jaar daarna over Groningen en Ommelanden. Na den dood zijns
Vaders nam Prins Willem III de zorg zijner opvoeding op zich, en deze,
zonder kinderen overlijdende, maakte zijn geliefden kweekeling tot
zijnen eenigen erfgenaam. Op den 1 Mei 1709 trad hij in den echt met
Maria Louisa, Prinses van Hessen-Cassel, uit welk huwelijk zijn geboren
twee kinderen: eene dochter Anna Charlotta Amelia, getrouwd met den
Prins van Baden-Durlach, en een zoon, Willem Karel Hendrik Friso. Op
den 14 Julij 1711 is de Stadhouder, in zijnen jeugdigen leeftijd,
op eene droevige wijze omgekomen, daar hij bij de overvaart van het
Strijensche Sas aan den Moerdijk, toen door een rukwind de pont werd
omgeslagen, zijn dood in de golven vond. Zijn krijgsroem was reeds
gevestigd; zijne deugden waren velen, en had hem een langer leven
mogen te beurt vallen, hij zou ongetwijfeld in 's Lands geschiedenis
eene luisterrijke plaats hebben bekleed. Gedurende anderhalf jaar, in
1700 en 1701, heeft de Prins te Franeker gestudeerd, en bijzonder het
onderwijs van den beroemden Fullenius genoten, waarna hij, op begeerte
van zijnen Voogd, Prins Willem III, zich ook naar de Hoogeschool te
Utrecht begaf.
Hij regeerde van 1707 tot 1711.
MARIA LOUISA.
VOOGDESSE.
Maria Louisa, Prinses van Hessen-Cassel, een der veertien kinderen
van den Landgraaf Karel en Maria Amelia, Prinses van Courland, is
geboren op den 17 Februarij 1688. Onder de leiding harer uitmuntende
moeder, wier evenbeeld zij werd, ontwikkelde zich in haren jeugdigen
leeftijd reeds den voortreffelijken aanleg tot deugd en bekwaamheid,
welke het sieraad eener vrouwe zijn, en de Vorstin bovendien tot een
verheven en magtig voorbeeld voor hare onderdanen stelt. Gedurende
de minderjarigheid van haren Zoon, bestuurde zij 's Lands zaken met
beleid en verstand, zoodat zelfs de Staten van dit gewest, haar met
een geschenk van 5000 gulden vereerden, en eene levenslange jaarwedde
van eene gelijke som. Na den dood van Prins Willem IV en deszelfs
Weduwe werd haar weder de waarneming van het Stadhouderlijk bewind
over Friesland opgedragen, hetwelk zij met welgezindheid aanvaardde
en met ijver behartigde. Op den 9 April 1765, dus ruim 77 jaren
oud, is deze Vorstin te Leeuwarden overleden, en hare nagedachtenis
is door alle tijden bij de Friezen in zegening gebleven: want zij
was godsdienstig, nederig, milddadig en beminnelijk van karakter,
zoodat men dan ook haar steeds met den vereerenden lievelingsnaam
van Maryke-Mui bestempelde. Als Stadhouderes regeerde zij met
wijsheid en gematigdheid. Zoowel voor de stille rust als voor het
woelige hofleven geschikt, bragt zij in godsdienstige afzondering en
vrolijke uitspanning vele dagen door in haren lusttuin Marienburg,
bij Leeuwarden, of op het geliefkoosd Oranjewoud [200].
Zij regeerde van 1711 tot 1731, wanneer haar zoon meerderjarig
werd. Van diens dood tot in 1759, in welk jaar hare schoondochter
Prinses Anna, is overleden, had zij eenig deel aan 't Stadhouderlijk
bewind, en na dien tijd regeerde zij weder geheel tot 1765.
WILLEM KAREL HENDRIK FRISO.
ZEVENDE STADHOUDER.
Willem Karel Hendrik Friso, of Willem IV, Prins van Oranje-Nassau,
werd te Leeuwarden geboren den eersten van Herfstmaand 1711, zes
weken na zijns Vaders overlijden. In den eersten leeftijd onder het
oog zijner verstandige moeder opgevoed, daarna door de beroemdste
geleerden, zoo als Wesseling, Hemsterhuis, Heineccius en anderen,
aan de Friesche en Utrechtsche Hoogescholen, onderwezen, moest
zijn krachtvolle geest zich spoedig ontwikkelen, en eene grondige
kennis van zaken bekomen, welke den echten Landsvader kenmerken, en
zijn bestuur ten beste der onderdanen doen gedijen. In den jare 1731
aanvaardde hij de waardigheid van Stadhouder over Friesland, na reeds
daarin over Groningen, Drenthe en Gelderland te zijn bevestigd. In het
merkwaardig jaar 1747 werd een perk gesteld aan de verdeeldheden eener
vijfenveertigjarige Stadhouderlooze regering in de overige Provincien,
en Willem IV tot Algemeen Stadhouder over al de gewesten verkoren, met
erfelijk-verklaring dier hooge waardigheden, zoowel in de vrouwelijke
als mannelijke linie. Hij trad in den echt met Anna, Kroonprinses van
Groot-Brittanje op den 25 Maart 1734. De spruiten uit dezen echt waren,
behalve drie dochters, welke allen kort na de geboorte zijn overleden,
Prinses Carolina en Prins Willem V. Hij regeerde gelijk het den Vorst
betaamt, wien zijn Land en Volk, als zijn eigen welzijn, zeer ter
harte gaan. Twee groote Nederlandsche Historieschrijvers, Stuart en
Scheltema, getuigen beide van hem: »dat hij de grootheid van zijn
Huis alleen zocht in de ware grootheid van den Staat; zijn hoogste
eerzucht in de liefde zijns Volks stellende." Geen offer achtte
hij te dier voor de belangen der natie, en standvastig van geest
volgde hij steeds het hem aangewezen moeijelijk pad. Vele goede en
beminnelijke hoedanigheden waren van de Moeder op den Zoon overgegaan;
godsvrucht en christenliefde paarde zich aan opregtheid en eerlijkheid
[201]. Als vriend der geleerden en voorstander der wetenschappen, vond
ook de Friesche Hoogeschool in hem eenen ijverigen Beschermheer. In
den ouderdom van ruim veertig jaren bezweek zijn van tijd tot tijd
verzwakt ligchaam, onder de rusteloosheid van eenen veelvuldigen
zwaren arbeid. Hij stierf den 22 October 1751, en werd te Delft in
den Vorstelijken grafkelder van Willem I begraven.
Hij regeerde van 1731 tot 1751.
Anna, Kroonprinses van Groot-Brittanje, Prinses van
Brunswijk-Lunenburg, Gemalinne van Willem IV, was de oudste Dochter
van Koning George II, en werd geboren den 2 November 1709. Zij was
eene schoone vrouw, helder en krachtvol van geest, kloek van verstand,
edel van ziel en grootmoedig van karakter; de geschiedenis getuigt
van haar, dat zij niet alleen vele voortreffelijke deugden, maar
ook uitstekende talenten bezat, zoodat zij in verschillende talen
oordeelkundige werken over godsdienst, geschiedenis en zedekunde
geschreven heeft, en dit wel, hetgeen bijzondere opmerking verdient,
niet om te schitteren, maar tot eigen oefening en anderer nut. Dat
zij alzoo voor haren Gemaal een onschatbaar kleinood was, zal wel
geen betoog behoeven: want, ook in staatszaken ervaren, ondersteunde
zij in die oproerige tijden den vredelievenden Vorst met wijzen
raad. Na den dood van dezen had zij bij het voeren des bewinds en
't bestier der voogdij, eene standvastigheid en kloekheid betoond,
die den Grooten Frederik, op het ontvangen van haar doodberigt, aan
der Staten Gezant schrijven deed: »Ik heb eene Vriendin verloren,
die door hare grootmoedigheid, wijsheid en eene hare kunne te boven
gaande kracht van geest al mijne achting verdiende." Op den 12 van
Louwmaand 1759 ontsliep zij in den ouderdom van ruim 49 jaren te
's Gravenhage, en werd bij haren Gemaal te Delft begraven.
Zij regeerde als Gouvernante van 1751 tot 1759; terwijl echter
het beheer in Friesland aan de Staten en Prinses Maria Louisa was
opgedragen.
CAROLINA.
REGENTESSE.
Aan Carolina, Prinses van Oranje, eenige overgeblevene dochter van
Willem IV, geboren te Leeuwarden den 28 Februarij 1743, werden, na
den dood harer Grootmoeder Maria Louisa, in den jare 1765, ten gevolge
der Landsverordeningen op de Voogdij, de Magistraatsbeschikkingen in
de Friesche steden opgedragen, tot aan de meerderjarigheid van haren
Broeder. Zij huwde in 1759, dus zestien jaren oud, na vele staatkundige
tegenstribbelingen, aan Carel Christiaan, Prins van Nassau-Weilburg,
gesproten uit de linie van Walram.
Zij regeerde tot in 1766.
WILLEM V.
ALGEMEEN STADHOUDER.
Willem V, Prins van Oranje-Nassau, geboren den 8 Maart 1748, aanvaardde
het Stadhouderschap over al de Gewesten den 8 Maart 1766. Hij trad
in den echt den 4 October 1767 met Frederica Sophia Wilhelmina,
Prinses van Pruissen, Nicht van Koning Frederik II, den 7 Aug. 1751
geboren. Deze zijn de doorluchtige Ouders van onzen geëerbiedigden
Koning. Prins Willem overleed te Brunswijk in Grasmaand 1806, en
zijne verhevene Gemalinne op het Loo 9 Junij 1820.
Bl. 201.--Ao 1591.
En 6 yzere gotelingen. In dezen tijd was voornamelijk ook eene
soort van geschut in gebruik, genaamd Gotelingen, van 18, 8, 6, 4,
3 en 2-1/2 pond, benevens metalen Kartouwen, Colverijns, Veldslangen,
Sakers, Dranken, Mignions en anderen; die vooral op de schepen gebezigd
werden. De Jonge, Gesch. van het Zeewezen, I. 402. Verg. Kiliaan op
't woord.
Bl. 208.--Ao 1594.
En op Ostagiers handelende. Ostagier, Stagier beteekent een gijzelaar;
vandaar: op Ostagiers geven, handelen, nemen, d. i. gijzelaars ten
onderpand geven of ontvangen. Zie Kiliaan. Over dit merkwaardig
beleg vergelijke men den Tegenw. Staat van Stad en Lande, I. 518;
Wins. fol. 817, enz.
Bl. 216.--Ao 1620.
Die heerlyke begraafplaats. De Groote of Jacobijner kerk is volgens
Gabbema, Verhaal van Leeuwaarden, gebouwd in den jare 1487, doch,
volgens J. van den Bosch, in zijn meergem. werk, was zij reeds door
de Heeren van Cammingha en eenige rijke burgers in 1228 gesticht;
en daarna afgebrand zijnde, werd zij herbouwd in 1487. In derzelver
Koor aanschouwde men de prachtige marmeren graftombe van Graaf Willem
van Nassau en zijne Gemalinne Anna, onder welke tombe de Vorstelijke
Grafkelder zich bevond, waarin zijn bijgezet geworden:
1. Prinses Anna, Gemalin van Willem Lodewijk.
2. Graaf Willem Lodewijk, eerste Stadhouder.
3. Graaf Ernst Casimir, tweede Stadhouder.
4. Graaf Hendrik Casimir, derde Stadhouder.
5. Prinses Anna Sophia, Weduwe van Graaf Ernst Casimir.
6. Graaf Willem Frederik, vierde Stadhouder.
7. Prinses Sophia Hedwich, dochter van Graaf Willem Frederik.
8. Prinses Albertina Agnes, Weduwe van Graaf Willem Frederik.
Nog stonden in dezen grafkelder twee kleine kisten, waarin
waarschijnlijk de dochters van Graaf Ernst Casimir zijn bijgezet; zoo
bevonden er zich drie kleine houten kistjes, in welke tinnen doozen,
waren geplaatst, die ingewanden van gebalsemde Vorstelijke lijken
zullen hebben bevat.
Toen deze begraafplaats te klein geworden was is door Prinses Amelia
eene tweede aangelegd, in welke zijn bijgezet:
1. Prins Willem Georg Friso, zoon van Prins Casimir II, geboren
te Leeuwarden 24 Junij 1685.
2. Prins Hendrik Casimir II, vijfde Stadhouder.
3. Prins Johan Willem Friso, zesde Stadhouder.
4. De tweede dochter van Prins Willem IV, bij de geboorte gestorven
22 December 1739.
5. Prinses Anna, jongste dochter van Prins Willem IV, geboren te
Leeuwarden 15 November, en den 29 December 1746 overleden.
6. Prinses Maria Louisa, weduwe van Prins Johan Willem Friso.
Van deze Vorstelijke begraafplaats en het marmeren grafgesticht
is niets meer overgebleven, dan het aandenken aan derzelver vorig
bestaan. Niet door den vernielenden tand des tijds, die al wat
onvergankelijk schijnt aan stukken knaagt, maar door den geesel der
verwoesting en het teugelloos geweld, uit overdreven vrijheidszucht,
haat en partijschap geboren, wier blinde drift zelfs de graven der
afgestorvenen niet eerbiedigt, zijn deze gedenkteekenen vernietigd. Dan
wij willen de treurige herinnering aan die tijden niet verlevendigen,
en dergelijke gebeurtenissen liever der vergetelheid overgeven.
Van de zeven Stadhouders, de Prinsessen Amelia, Maria Louisa en Anna,
benevens de Graven Johan Maurits, Adolf, Jan en Albert van Nassau,
zijn op het Hof te Leeuwarden nog uitmuntend geschilderde beeldtenissen
bewaard gebleven.
Bl. 221.--Ao 1636.
Een oud boekje getiteld: Teghen-gifte teghen de Peste, door Lucas
Trelcatius beschreven, uitgegeven te Leeuwarden 1637, meldt in
een Aenhanghsel, dat de verschrikkelijke Pest, welke in dit jaar in
Holland heerschte ook tot Friesland was overgeslagen, en in de dorpen
nog heviger woedde dan in de steden, vooral in Anjum, Grouw, Oldkerk,
enz. terwijl binnen Leeuwarden ettelijke weken lang, bij en over de
200 dooden werden begraven, waarna men de verwoesting in de dorpen
aangerigt kan afmeten.
Bl. 227.--Ao 1665.
De Veldmaarschalk Graaf Johan Maurits van Nassau was de kleinzoon van
Johan den Ouden, den Vader des eersten Frieschen Stadhouders. Bij
gelegenheid van dit ongeluk maakte hij te Franeker zijn uiterste
wille, en gaf die over ter bewaring aan de Akademie. In 1679 overleed
deze zachtaardige en brave man te Bergendaal bij Kleef, alwaar zijne
nederige grafstede nog jaarlijks door vele reizenden bezigtigd wordt.
Bl. 229.--Ao 1672.
Den eersten van Juny, of na de oude Styl den 22ste van May. Voor dat
men den tijd naar behooren geregeld en verdeeld had, of willekeurig
verdeelde, om te voorkomen dat de Saizoenen zich niet verplaatsten,
was het opzigt hierover aan de Priesters des volks aanbevolen. Eene
halve eeuw voor onze jaartelling maakte Julius Caesar een einde aan de
verwarde tijdsberekeningen en derzelver gevolgen in zijnen Staat. Hij
bepaalde het zonnejaar op 365 dagen en 6 uren. Het burgerlijk jaar
werd dus verordend: er zouden telkens drie achtereenvolgende jaren
ieder van 365 dagen loopen, en het vierde of schrikkeljaar moest een
dag meer dragen, welke dag in de maand Februarij werd ingelascht. Het
jaar bestond uit 12 eenigzins ongelijke maanden, zoo als het nu nog
bestaat. Dit was de Juliaansche Jaarrekening of Stijl, Oude Stijl
genaamd.
De bepaling des zonnejaars van 365 dagen en 6 uren was echter ruim
elf minuten te groot genomen, hetwelk eene afwijking of verloop
moest veroorzaken, die dan ook na vier eeuwen tijds bij de viering
van het Paaschfeest, waarvan de berekening op de maan gegrond was,
duidelijk werd opgemerkt. Men nam maatregelen welke echter onvoldoende
waren, en gedurende vele eeuwen bleef dit gebrek bestaan, zoodat in
de XVI eeuw de lente-nachtevening van den 21 Maart op den 10 was
gekomen. Eindelijk nam Paus Gregorius XIII zich de zaak ernstig
ter harte, liet door geleerden en deskundigen het ontwerp van
Aloisius Lilius, een geneesheer van Verona, onderzoeken, en na rijp
beraad werd er in den jare 1581, bij Apostolische Bulle, eene nieuwe
verbetering aangekondigd en bevolen. De sedert het Concilie van Nicea
vervroegde tien dagen, moesten in het jaar 1582 in de maand October
worden uitgelaten, zoodat men van den 4 dadelijk op den 15 telde. Het
verschil van de elf minuten, die men vroeger op het zonnejaar te veel
gerekend had; werd gevonden, door in vier eeuwen, telkens op het einde
van ieder eeuw één schrikkeljaar over te slaan; dus zoude het jaar
1600 een schrikkeljaar blijven, maar 1700, 1800 en 1900 gemeene jaren
van 365 dagen, en 2000 weder een schrikkeljaar zijn. Het zonnejaar
werd alzoo vastgesteld op 365 en het schrikkeljaar op 366 dagen. Deze
inrigting noemde men de Gregoriaansche Jaarrekening of Stijl, en in
tegenoverstelling van den Juliaanschen den Nieuwen Stijl.
Door deze verstandige en doeltreffende instelling was er geene
afwijking of verloop van tijdsberekening in eeuwen meer te duchten;
en was men overal verstandig genoeg geweest, men zou niet geaarseld
hebben daarin te berusten, dan vooroordeel, dwaze driften, koppigheid
en ongodsdienstige ijver, keerden aanvankelijk in die woelige tijden
van hervorming onder zoo vele goede zaken ook deze. In de Catholijke
Landen werd de verbeterde Calender spoedig aangenomen, dan eerst in
en omstreeks den aanvang der XVIII eeuw, ging men daartoe in andere
Landen, en ook in de Nederlanden over: Braband, Vlaanderen, Zeeland
en Holland waren de eerste gewesten, daarna volgden Friesland,
Groningen, Gelderland, Utrecht en Overijssel. Dat deze instelling
op ongelijke tijden aangenomen, en dus de een zich van den Ouden,
de ander van den Nieuwen Stijl bedienende, veel verwarring te weeg
bragt, is meermalen gebleken. Zoo schreef b. v. Graaf Johan Maurits
van Nassau, hiervoren gemeld, uit 's Gravenhage eene Missive aan
den Rector en Senaat van de Akademie te Franeker, op den 3 September
1670, en het antwoord op dezelve, drie dagen na dien datum afgezonden,
droeg de dagteekening van den 27 Augustus. In Engeland heeft men eerst
in 1752, en in Zweden een jaar daarna, den Nieuwen Stijl ingevoerd:
in Rusland volgt men nog den Juliaanschen.
Ingevolge Resolutiën der Staten van Friesland van den 10 en 11
October 1700 werd vastgesteld en bij Publicatie van den 12 dier
maand afgekondigd, dat op den 1 Januarij 1701, in plaats van den
Ouden Stijl de Nieuwe zou worden ingevoerd, en men op dien dag niet
den eersten maar den twaalfden Januarij zoude schrijven, en aldus
de telling vervolgen. Alzoo eindigde in Friesland het jaar 1700 op
Dingsdag den 31 December, en den volgenden dag, Woensdag, heeft men
12 Januarij 1701 geschreven [202]. In de Provincie Groningen is ten
zelfde dage en op gelijke wijze de Nieuwe Stijl ingevoerd.
Het verschil alzoo tusschen den Ouden en Nieuwen Stijl, door vele
schrijvers niet in acht genomen, waardoor misstellingen in de
dagteekeningen zijn ontstaan, of bij sommigen verkeerd aangeduid,
bestaat alleen hierin, dat men altoos tien dagen tellen moet bij de
dagteekening, welke de Oude of Juliaansche Jaarrekening aangeeft.
Men vergelijke de Historische Verhandeling over den zoogenaamden
Nieuwen Stijl door den Oud-Hoogleeraar Mr. J. W. de Crane, geplaatst
in het II. Stuk van het Archief der Heeren Visser en Amersfoordt.
Bl. 259.
In den jaare 1677. Hetgeen hier volgt tot bladzijde 271 is een
bijvoegsel van den tweeden druk, en heeft niet uitsluitend betrekking
op Friesland, maar is meer eene kronijksgewijze opgave van algemeene
gebeurtenissen. Wij hebben ons moeten onthouden van eene meerdere
uitbreiding onzer Aanteekeningen over het belangrijk tijdvak der
geschiedenis in de laatste eeuwen, daar dezelve reeds tot een aantal
bladen zijn aangegroeid, en ons bestek geen grootere uitvoerigheid
gedoogde. Ook mogen wij het daarvoor houden, dat dit gedeelte
der Historie, en bepaaldelijk die der Stadhouderlijke Regering,
den Lezer meer bekend zij, als zijnde daarover ook genoegzame
bronnen voorhanden. Wij hebben achterwege gelaten de onbelangrijke
beschrijving van den intogt des Prinsen J. W. Friso in Groningen,
op bl. 327 en 328 van den tweeden druk der kronijk voorkomende, als
mede de berijmde Nareeden, of zoo als achter den eersten druk staat,
Aanspraak op Naaspraak, hoewel tot onderschrift voerende: 't Kan niet
beeter; want wie zal thans nog smaak vinden in verzen als deze?
Wiens breinkas gestoffeerd met puik van waarde stoffen,
Zal ooit op eenge stoff, wiens loff maar stoff is stoffen.
of
Een keurger keure, keur de keur, met keur in 't leezen;
In 't geen hy keurig keurt, met keur 't zyn uit te leesen.
Ook het Treurig gesprek tusschen een Vreemdeling en een Fries, over
het verongelukken van Johan Willem Friso, in zeer middelmatig rijm
van de door haren tijdgenoot Lucas Pater en daarna door den heer J. de
Vries hoog verheven, door Witsen Geysbeek daarentegen diep vernederde
Friesche Dichteres Jetske Reinou van der Malen, hebben wij gedacht
veilig te kunnen weglaten.
Bl. 273.
De Landstreek van deze Provincie. Over deze verdeeling en het bestuur
der Graafschappen, vergelijke men onze Aantt. bl. 344; § 4 van het
Overzigt in het Friesch Jierboeckjen 1833, en de 2de § van dat van
1834. Over de benamingen van Estrachia of Austrachia en Westrachia,
moet ik nog wel aanmerken, dat Alting in zijne Descriptio agri Batavi
et Frisii, of Notit. Germ. Inf. zeer verkeerd op alle zijne kaarten de
eilanden Ameland en Terschelling dus noemt, in navolging van zekeren
Fredegarius, een Schrijver van de VII eeuw, (die echter voor Austrachia
Anistrachia schrijft,) als zullende beteekenen Ooster- en Wester-oog,
van achia, age, oog, welke benaming dikwijls aan eilanden gegeven
wordt, zoo als Schiermonnikoog, Spikeroog, Langeroog enz. Te vergeefs
zal men bij eenig Friesch Schrijver die eilanden, dus genoemd, zoeken,
maar wel vindt men, dat eertijds Westrachia Westergo, en Austrachia
Oostergo beteekende. Winsemius bevestigt zulks op den jare 728,
toen Karel Martel Oostergo en Westergo plonderde en verwoestte. In
de afbeelding van Oud-Friesland door Schotanus, de eenige oude kaart,
welke het best met de geschiedenis overeenkomt en 't meest vertrouwen
verdient, gevoegd in zijne Beschr. van Frieslandt en achter de Groote
Atlas, worden de streken beoosten en bewesten de Burdo of Middelzee,
welke ook het best door hem is afgeteekend, te regte Austrachia en
Westrachia genoemd. Verg. Oudh. en Gest. II. 287, alwaar v. Rhyn
in 't breede hierover uitweidt, aan Fredegarius geen gezag boven
Friesche Schrijvers toekennende. Alting, II. in voc. Austrachia
Burdine, Westrachia; Brouwer en Eekhoff, Nasporingen betrekkelijk de
Middelzee, bl. 31 noot, 116 en 117, waarin ook de gebrekkigheid van
de oude kaarten wordt aangetoond.
Bl. 273.
Die men een Grietman noemt. In het laatst der XIII en in het begin
der XIV eeuwen, wordt het eerst van Grietmannen gewaagd. Van ouds
moet de verkiezing door de gemeente, de ingezetenen of de bezitters
der stemhebbende Staten hebben plaats gehad. Zij hadden Assessoren of
Bijzitters en andere Regters van minderen rang onder zich, terwijl er
tevens Schouten hebben bestaan, welk ambt later weder is vernietigd
of in die des Grietmans is overgegaan. Aanvankelijk waren zij Regters,
maar in den drang en druk der oproerige tijden, in welke geene regten
geëerbiedigd werden, moesten zij zich tot Beschermheeren verheffen,
en wisten van hunne magt en invloed een krachtig, soms al te krachtig
gebruik te maken. Elke Grietenij had één Grietman, voor één jaar
benoemd tot Hoofd; doch eene enkele uitzondering was er op dezen regel:
bij latere inrigting werd bepaald, dat ieder, die de vereischten bezat,
op zijn beurt den post van Grietman en Regter zoude waarnemen. Onder
de Hertogen van Saksen en daarna onder het Stadhouderlijk Bewind was
de begeving van dit ambt ook aan dezen en aan het Hof verbleven.
Maar nu den oorsprong van den naam Grietman te bepalen, dit is eene
moeijelijke zaak, waarover reeds vele geleerden zijn geraadpleegd en
veler gevoelen ter toetse is gebragt, doch het is als nog onbeslist,
welke beteekenis voor de eigenlijke en oorspronkelijke moet worden
gehouden. Onze Kronijk is er, mijns bedunkens, niet achter en geen
wonder, want de Heer Beyma, in zijn Tractatus de Grietmannis geeft een
aantal verschillende gevoelens op, en na dezen Schrijver zijn er nog
meerdere te berde gebragt [203]. Het meest aannemelijk gevoelen is, dat
men den naam moet afleiden van het Oud-Friesche Greta, klagen en dus
Greet- of Grietman degeen was, die aan de klagers regt verschafte. Zeer
belangrijk zijn de Aanteekeningen over de Grietmannen van de Heeren
H. en W. v. S. voorkomende in het Mengelwerk der Leeuwarder Couranten
van den 15 en 29 Mei 1832, tot welke wij den Lezer verwijzen, als
mede tot opgenoemd Tractatus de Grietmannis van C. L. van Beyma,
Franeq. 1780.
Wat het kerkelijk Bestuur van Friesland in de vroegste tijden aangaat,
dit is ons niet klaar genoeg gebleken: later was dit gewest den
Bisschop van Utrecht onderworpen, die tot het Aartsbisdom van Keulen
behoorde. Friesland was verdeeld in Dekenschappen, waarvan de Dekens
door den Bisschop werden gekozen en met groot gezag en magt bekleed. De
Hoofdpriesters of Priesters in eene parochiekerk werden Personae
genoemd, en de mindere Priesters Kapellanen. De Abten waren Oversten
of Bestuurders der Kloosters en derzelver aanhoorigheden: zij stonden
op zich zelven, hadden vele voorregten, samen de eerste plaats op de
Landsdagen, en waren alleen den Paus onderworpen: de Priors waren
oorspronkelijk hoofden van minderen rang, gelijk ook de Proosten,
hoezeer dikwijls deze verschillende benamingen door elkander gebruikt
werden. Zie hierover onder anderen Friesch Jierb. 1833. Oersicht § 4.