Bladz. 2.
Van den alouden staat onzer Provincie kan geene naauwkeurige
beschrijving worden gegeven, daar er niets dan onzekere berigten en
velerlei uiteenloopende gevoelens tot ons zijn overgekomen. Op eenigen
goeden grond echter mag men besluiten, dat omstreeks de vijfde eeuw
onzer jaartelling Friesland zich van Vlaanderen tot de Elve heeft
uitgestrekt, en hetzelve noordwaards den Eiderstroom tot grensscheiding
had, waardoor dan ook de kustbewoners aan deze rivier, nog heden
ten dage van den naam des Lands, dien van Strandfriezen dragen. Dat
Vlaanderen tot Friesland behoord hebbe, zoo als meermalen is beweerd,
valt zeer te betwijfelen, want aldaar was de grensscheiding.
Onder Koning Radboud I, en later nog ten tijde van Karel den Groote,
vinden wij de uitgestrektheid van dit Gewest van het land van Katzand
af, tusschen de rivier Sincfal of Zwene (de Suin of Zwin) bij Sluis
[105], tot aan de Elve: de Waal scheidde het van het gebied der
Franken af en de Wezer was tot oostelijke grenspaal gesteld. Al de
landen dus aan de oevers der Noordzee, van het Hertogdom Bremen tot
aan Vlaanderen, maakten het oorspronkelijk en overwonnen gebied der
Friezen uit: het oorspronkelijk of oud Friesland lag tusschen de Eems
en het Vlie langs de Noordzeekusten. Van de Eems tot den Wezer en aan
geene zijde van het Vlie, met een groot deel binnenlands tot aan het
Zwin, was overheerd land. Ook de eilanden tot den mond van de Eems
behoorden den Friezen, doch geenszins Helgoland, zeer verkeerdelijk
voor Radbouds zetel gehouden.
Weinige jaren voor 's Heilands geboorte, werden de Friezen, tusschen
de Eems en het Vlie wonende, de Groote Friezen, en die tusschen het
Vlie en den Rijn de Kleine Friezen genaamd. De eersten bewoonden
dus gedeelten van Gelderland, Overijssel, Drenthe en het Gooiland,
alsmede de streken beoosten de Zuiderzee en de rivier Flevo tot aan
de Eems toe: de laatsten een gedeelte van Rijnland, Kennemerland,
Amstelland en Noord-Holland. Daarna werden deze West-Friezen en gene
Oost-Friezen geheeten. Een aantal kleine volken van Germaanschen en
Gallischen of Frankischen oorsprong hadden de Friezen tot naburen.
Te dien tijde, eenige jaren namelijk voor Christus geboorte, toen
de Opperbevelhebber Claudius Drusus Nero, stiefzoon van den Keizer
Augustus, ook Friesland onder de magt der Romeinen wilde brengen, lag
tusschen West-Friesland (Noord-Holland) en het tegenwoordig Friesland
het groote meer Flevo. Het Graafschap Staveren beoosten het Vlie,
wiens uitwatering eerst tusschen Texel en Vlieland, daarna tusschen
Vlieland en Terschelling plaats had, paalde aan Noord-Holland. Het
eiland Flevo, door de verdeelde armen van het Vlie omvat, lag ter
plaatse alwaar nu de zandplaat Bree-sand zich bevindt. Uitgestrekte
bosschen lagen in den omtrek der stad Staveren, thans allen in zee
verzwolgen. De kleine rivier de IJssel liep in 't meer Flevo, hetwelk
na de door Drusus gemaakte vereeniging van den Rijn met den IJssel,
door verschillende stroomen zich in de Middelzee ontlastte [106]. Deze
zee besloeg een groot deel van het noorden der Provincie, scheidende
Oostergo en Westergo, haren loop nemende door de Grietenijen Barradeel,
Idaarderadeel, Hennaarderadeel, Rauwerderhem tot in Wijmbritseradeel,
eindigende bij Bolsward en Sneek. Bij de stad Uitgong, welligt nabij
Berlikum had zij hare uitwatering in de Wadden, en voorts tusschen
Terschelling en Ameland in de Noordzee.
Wij geven geene meer bepaalde beschrijving van den alouden staat der
Provincie, maar verwijzen den Lezer tot de breedvoeriger behandeling
hiervan te vinden in Winsemius, Schotanus, Emmius, F. Sjoerds,
bijzonder het kort overzigt in den Tegenwoord. Staat van Friesland
I deel, en over de Groote en Kleine Friezen de Aanteekeningen van
Siccama op de Lex Frisionum pag. 137 seq. Men vergelijke hierbij
hetgeen door den heer Westendorp in zijn Jaarboek van en voor de
Provincie Groningen, en door Bilderdyk in het 1 deel van zijne
Geschiedenis des Vaderlands (bepaald op bl. 18 en 251 volgg.) met
betrekking tot de oude Historie is geboekt:--als ook de Geschiedenis
der Nederlandsche Taal van den Hoogleeraar A. Ypeij, II. 106,
die aldaar en elders belangrijke bijvoegsels geeft tot den alouden
staat van Friesland betrekking hebbende.--Over de Middelzee, hare
grenzen en uitgestrektheid bevelen wij zeer aan de Bijdragen tot de
Geschiedenis der voormalige Middelzee in Friesland, door P. Brouwer
Pz. en W. Eekhoff [107]. Zie voorts de Inleiding van mijn Tafereel van
den Watervloed in Friesland. Wij voegen hierbij nog de aanmerking, ook
door anderen gemaakt, van den Ridder Scheltema, voorkomende in zijne
als nog onuitgegevene Geschiedenis der Zuiderzee, dat in vorengemelden
tijd welligt het Gooiland in Holland en Gaasterland in ons Gewest
aaneengehecht waren, verdienende het bijzondere opmerking dat de
grondgesteldheid gelijk is, en aan beide zijden de einden van eene
hooge aardrigchel, in Holland de Muiderberg en bij Staveren het Klif,
aanwezig is; even als de afgebrokene en tegen over elkander liggende
Krijtbergen in Frankrijk en Engeland zouden bewijzen dat eertijds
hier geene scheiding bestond. Waarschijnlijk stroomde er toen nog
geen zout water binnen den kreits der duinen van Terschelling af tot
aan den uitloop der Maas.--Belangrijke opmerkingen deelt de kundige
F. Arends ons mede in zijne Geschiedenis der Noordzeekusten, in welke
hij de veranderingen beschrijft, welke die kusten door stormvloeden,
gedurende een tijdvak van tweeduizend jaren hebben ondergaan [108].
Bl. 2.--Ao 313.
Wat betreft de heerschappij der Prinsen, Hertogen en Koningen
over Friesland, van den jare 313 voor Christus geboorte tot 773 of
775 jaren na dezelve, waarvan de korte beschrijving in de eerste
drie hoofdstukken dezer kronijk begrepen is, daarin komt zeer veel
onwaarschijnlijks en fabelachtigs voor, zoodat wij niet gaarne op het
gezag van deze en andere Geschied- en Kronijkschrijvers alles voor
goede munt zouden aanprijzen: alles evenwel te verwerpen, gelijk ook
door Friesche Schrijvers-zelve geschied, is evenmin raadzaam. Men leze
en overwege hier naauwkeurig wat de geleerde Baron thoe Schwartzenberg
en Hohelansberg, in de uitmuntende Voorrede voor zijn Charterboek
(vooral I. D. bl. 16 en 17), een geschrift, even nuttig als het
boek-zelf, op dit punt zegt, en aan wiens gevoelen wij eene hooge
waarde hechten. Het was voor den geleerden Emmius en in navolging
van hem voor Foeke Sjoerds en den schranderen van Rhyn, die evenwel
hier en daar niet zoo gestreng is, niet moeijelijk, het gezag van
andere Schrijvers te verwerpen, en, wat niet met krachtige bewijzen
gestaafd konde worden, voor fabels te verklaren. Maar men brenge ook
de meeningen van den Baron van Schwartzenberg ter toetse, en het lijdt
geen' twijfel, of de oordeelkundige Lezer zal, even als wij, tot de
uitkomst moeten komen, dat het gevoelen der eerstgemelden aan gewigtige
tegenbedenking is onderworpen. Het groote en altijd herhaalde argument,
waarom wij toch zoo weinig bij de Romeinsche Schrijvers van alles,
wat de kronijken bevatten, vinden, zal toch wel niet als voldoende
kunnen worden beschouwd:--dan het is hier niet de plaats, daarover
verder uit te weiden, liever willen wij hier invoegen wat de zeer
verdienstelijke Oudheidkundige N. Westendorp, in zijn Jaarboek van
en voor de Provincie Groningen (I. 21 volgg.), op dit onderwerp zegt:
»De Vriesche jaarboeken beginnen de lijst der Vriesche koningen en
vorsten reeds van vóór den tijd van 's Heilands geboorte af. Alhoewel
wij ons geenszins met zekerheid op de berigten dezer verzamelaars,
ten aanzien dier opvolgingen, durven en willen verlaten; nogtans
deelen wij gansch niet in de twijfelzucht van Emmius en van anderen,
welke hem gevolgd zijn. Vooreerst zijn er geene redenen, om zoo
ten eenenmale de geloofwaardigheid van Cappidus Staurensis, geleefd
omtrent 920, van Occo Scharlensis, welke begon te schrijven in 903 en
zulks vervolgde tot 970, van Johannes Vlieterpius, Schrijver van den
potestaat J. H. Martna en der gemeene Landsregteren, die Occo's kronijk
grootendeels uit het H. S. vertaalde en hier en daar vermeerderde
(1370), van M. Alvinus (1400), van Andreas Cornelius, overleden te
Harlingen in 1589, van Corn. Kempius (1588), van Vorperus Taboritha,
Suffridus Petri, Mart. Hamconius (1624), van Bernh. Gerbr. Furmerius
(1613), en van meer anderen, te verwerpen. Trouwens de Vriezen
hadden weleer hunne barden en bardengezangen: zoo hoorde nog de
bisschop Ludger, eenen Vrieschen bard de daden der vroegere tijden
bezingen. Andr. Cornelius is ook in mijn oog een achtingwaardig
Schrijver. Deze verhaalt in de voorrede van zijn werk, dat Vlieterp
in eene zeer lange voorrede berigtte, dat Occo Scharlensis in de
voorrede van zijn werk in het breede had ontvouwd, hoe zijn oude oom
Solcko Forteman het leven der Vriesche koningen, prinsen en heeren,
die van het begin af in Vriesland hadden geregeerd, ten tijde van den
laatsten Vrieschen koning Radbod naauwkeurig beschreven had: over welk
geschrift hij door dien koning zeer was vervolgd geworden. Schoon nu
dit opstel te dien tijde op koninklijk bevel was verbrand geworden,
nogtans waren al zijne overgeblevene schriften en boeken in handen
van Occo gekomen, door middel van Gatje Takama (zijnen vader), welke
er vele fragmenten en schoone stukken betrekkelijk Vriesland onder
gevonden had. Deze schat bewoog hem, om alles te verzamelen, wat
overgebleven was, en wat hij wist. Volgens getuigenis van Suffridus
Petri, zouden de bouwstoffen tot het werk van Alvinus uit zoodanige
oude liederen genomen zijn. Daarenboven heeft S. Petri toegang
gehad tot alle kloosterkronijken en kloosterpapieren van Vriesland,
waardoor hij in de gelegenheid was, om meer ontwaar te worden dan
anderen. Ook vinden wij er geene de minste tegenstrijdigheid in, dat
de Vriezen, even gelijk de Kymry in Wallis en de Galen in Ierland,
hunne geschiedenis aan de bardenorde toevertrouwden, en dat deze
ook hunne Taliesins gehad hebben. Bij de Kymry en de Ieren zijn
deze liederen nog grootendeels behouden, en dalen mede tot vroegere
tijden terug. De Vriesche berigten, hoezeer vermengd met dichterlijke
bijvoegselen en met aanvullingen van verschillenden aard, verdienen
waarlijk de aandacht van onderzoeklievende mannen" [109].
Betrekkelijk den oorsprong der Friezen vinden wij bij Grieksche noch
Romeinsche Schrijvers eenige voldoende berigten, uit hoofde zij hun
gezag van den aanvang niet in deze oorden gevestigd hebben. Over
de benaming en aanvankelijke regeringsvorm zijn ook verschillende
meeningen te berde gebragt. Het gevoelen ten dezen van den heer
Mr. A. van Halmael Jr. ook het onze zijnde, nemen wij hier over,
hetgeen in zijn beknopt Overzigt der Friesche Geschiedenis [110]
is vermeld:
»De oorsprong van de namen Friezen en Friesland heeft met dien van vele
andere volkeren en landen dit gemeen, dat hij hoogst onzeker is. Even
onzeker schier is het te bepalen, op welke wijze het land in de oudste
tijden is geregeerd geworden; of er één enkel persoon aan het spits
der regering stond, en zoo ja, welken naam hij droeg. Ook naar de
uitgestrektheid van het land, hetwelk den naam van Friesland droeg,
en naar de gedaante van hetzelve, kan men weinig meer dan gissen."
»Het komt ons echter, wat het eerste betreft, niet onwaarschijnlijk
voor, dat de naam van Friezen niet anders dan vrijen heeft beteekend,
welken naam dat gedeelte der Germaansche of Duitsche volkeren,
hetwelk het eerst Friesland tot woonplaats verkozen heeft, zal hebben
aangenomen, ten einde zich daardoor te onderscheiden van andere
stammen, die misschien minder naijverig waren op hetgeen zij Friezen
verstonden onder vrijheid,--volkomen onafhankelijkheid van allen,
die niet tot hunnen eigenen stam behoorden, of tot de genen welke
zij daarin goedvonden aan te nemen" [111].
»Wat der Regering betreft, één persoon schijnt aan het hoofd der
Friezen gestaan te hebben; niet evenwel zonder, in openlijke
aangelegenheden, den raad der Wijsten, dat is Oudsten zijner
landgenooten, in aangelegenheden van algemeen belang, de meening van
het geheele volk ingenomen, en dien van de meerderheid gevolgd te
hebben. Het komt ons wijders niet onaannemelijk voor, dat die ééne
persoon, meerder uitvoerder van 's volks wil dan eigenmagtig gebieder,
maar ook in de uitvoering ongebonden, den naam van Koning droeg,
welken naam wij, naar de afleiding des woords, meenen aangeduid te
hebben: den eersten man van het eerste (d. i. mannelijk) geslacht,
eens heerschenden volks."
»Daarmede willen wij echter niet geacht worden, de geheele rij
der zeven eerste Koningen (in kronijken Prinsen genoemd), der zeven
Hertogen en der negen, dezen wederom vervangen hebbende Koningen, welke
alle door onze kronijkschrijvers met name genoemd worden, te erkennen."
»Ook gelooven wij niet dat de oppermagt der Vorsten erfelijk was,
althans niet in de eerste tijden, hoewel meestal de zoon eens konings,
over wiens bewind het volk tevreden was, hem zal opgevolgd zijn."
Er bestaan over den oorsprong des Frieschen volks eenige overleveringen
en sagen uit den overouden tijd, in welken de geschiedkundige waarheid,
met de noodige versierselen en verdichtselen, werd gehuld en bewaard
gebleven is: jammer maar dat het en door den geest der vroegere
tijdperken, en door de wijze der overlevering zoo moeijelijk is
geworden waarheid en fabel van elkander te schiften. Alles komt
echter op dit punt neder, dat de Friezen geene aborigenes, dat is
inboorlingen van Friesland waren, maar over zee naar deze landstreken
waren aangekomen om dezelve te bevolken [112]. Wij willen kortelijk uit
de geschiedenis enigen dier sagen en volksvertellingen bijeenverzamelen
en mededeelen, dewijl onze kronijk slechts van eene enkele gewaagd.
Naar het gevoelen van Joachim Hopper zouden de Friezen afkomstig zijn
van de Hijperboreische volkeren, van wien zij hunne taal, godsdienst
en zeden hadden ontvangen [113].
Cornelius Kempius verhaalt dat een Karthuizer, genaamd Reinerus de
Friezen deed afstammen van een aantal Joden, die door Vespasianus
na de inneming: van Jeruzalem in 't leven gespaard, uit het Joodsche
land verdreven en herwaarts in ballingschap gezonden waren. »Doch de
goede man (zoo zegt Van Rhyn [114]) moet Tacitus en andere schrijvers
niet gelezen hebben, die hem zouden onderricht hebben, dat de Vriezen
hier al woonden omtrent de tijden van Christus,"--dus voor Jeruzalems
verwoesting [115]. Deze overlevering hoorde ook bij de oude Pruissen
te huis, wier voorouders door Salmanzar uit het Joodsche land waren
verdreven [116].
Van Frankischen oorsprong schijnt navolgende sage door Joannes
Trithemius, in navolging van Hunibaldus, geboekt in zijne geschiedenis
der Frankische koningen. Frisius was de zoon van koning Coglio;
deze werd met toestemming aller Franken Koning van Friesland, doch
aan deze keus verbonden zij de voorwaarde, dat hij en alle zijne
opvolgers met hunne onderdanen onder de Franken zouden staan, en tot
schatting jaarlijks tweehonderd en zestig koeijen leveren: daarenboven
waren zij verpligt als getrouwe vrienden en bondgenooten der Franken,
dezen in alle oorlogen bij te staan. De Friezen nu zouden, volgens
het beweerde van verschillende schrijvers [117], van dezen Koning den
naam gekregen hebben. Ook dit verhaal wordt door de geschiedschrijvers
van lateren tijd verworpen, daar de Franken toen nog niet als magtig
volk zouden hebben bestaan, maar eerst driehonderd jaar na Christus
geboorte.--Het is echter vrij zeker, dat het Frankisch gezag reeds
zeer vroeg bij de Friezen heeft geheerscht; zelfs de benaming dezer
beide volken wordt vaak verwisseld. Deze geheele sage zal echter van
later dagteekening zijn dan anderen [118].
Hubertus Thomas, een Luikenaar, schreef een boek over de Tongren en
Eburonen, waarin hij met kracht van redenen betoogde, dat de Friezen
uit de oude Phrygeers of Trojanen herkomstig waren, welk gevoelen ook
anderen aankleefden [119]. Grunus, een voornaam Trojaan onder hen, had
Groningen gebouwd, het gewest Frisia en dus het volk met den naam van
Friezen gedoopt. Vierhonderd drie en dertig jaren voor Christus waren
deze Trojanen, onder Marcomir, in Duitschland bij de Saksen gekomen en
naar den zeekant afgezakt [120]. Tot een vernuftig bewijs van zijne
stelling brengt Thomas bij, dat het stedeken Ylst niet Elostum, zoo
als sommige Latijnen zeggen, maar Iliacum, dus genaamd naar Ilium,
heeten moet, en dat Aschendorp in Groningerland, naar den befaamden
Ascanius ook den naam Ascania heeft gedragen.--Dit verhaal schijnt
van Oud-Duitsche geboorte te zijn [121].
Eggerik Beninga beschrijft in zijne Oost-Friesche Kronijk [122]
den oorsprong der Friezen ook op deze wijze. Ten tijde dat Samuel
regter over de kinderen Israels was, nadat de wereld 2860 jaren had
gestaan, was er een koning van Assyrien, Diedictus genaamd, wiens
gemalinne Albiona bij het volk in kwaad geruchte stond. Op zekeren
tijd liet zij alle hare zusters, twee en dertig in getal, en allen aan
koningen, vorsten en groote heeren door den echt verbonden, bij zich
komen, en, zich niet langer door hare mannen willende laten regeren,
sloten zij in 't geheim een verbond, dat elk zijnen echtgenoot zou
om het leven brengen en dan zelve het bestuur in handen nemen. Maar
de zamenzwering werd ontdekt en tot straf werden de 32 zusters,
met al de medepligtigen, in een schip zonder roer en zeilen gezet
en zoo voor wind en stroom aan de willekeur der woeste golven prijs
gegeven. Na lang omzwervens kwamen zij ten laatste aan een onbewoond
eiland, hetwelk zij, naar den naam der oudste zuster Albion noemden
en langen tijd bewoonden. Uit deze zusters werd het groote en wreede
reuzengeslacht geteeld, dat door Brutus is verslagen en op de vlugt
gejaagd, welke vlugtelingen de Noordzee opstevenden en naar een
nieuw vaderland zochten. Dus aan de Friesche kust gekomen, namen zij
dit land ten deele met geweld in, en zetten zich er neder. Brutus,
nu Heer van Albion, herdoopte het eiland in Brutannien en liet de
stad Londen bouwen, dan ook hij werd op zijnen tijd weder verdreven
door het geweld der Friesche koningen Engistes en Horses.--Zoo ver
Beninga.--In Westendorp's Kronyk wordt verhaald, dat de gevlugte
reuzen, bij hunne aankomst aan den Frieschen wal, onvermoeds door
de ingezetenen des lands verdreven zijn, de Maas zijn opgevaren en
Slavenburg hebben gesticht.--Zoodat volgens dit verhaal dan reeds
het land bevolkt was [123]. Deze overlevering schijnt op de Kelten,
de oudste bewoners van Brittannien te slaan.
In bijna al de geschied- en kronijkschrijvers, zoo als ook in de onze,
vinden wij de volks-overlevering, welke ook in den Frieschen geest
geheel gestemd is, van de overkomst der drie gebroeders Saxo, Bruno en
Friso [124] vermeld, en wel van verschillenden vorm en inhoud. Vooral
wat betreft de afkomst van den stamvader Friso, daarover is een groot
verschil. De een maakt hem tot een Jood, de ander tot een Macedonier,
velen tot een Indiaan. Sommige oude schrijvers hebben de waarheid van
deze overlevering niet alleen niet in twijfel getrokken, maar die
tegen anders denkenden met hand en tand verdedigd. B. Furmerius en
vooral Suffridus Petri hebben zelfs, (de laatste in zijne Apologie)
Ubbo Emmius en anderen, die dit verhaal voor eene fabel verklaarden,
voor dwarsdrijvers, slechte recensenten en vijanden des vaderlands
verklaard. Andere Friesche schrijvers, even als Emmius, verwerpen het
ook geheel, maar de meesten zijn ook getrouwe navolgers, ja zelfs
naschrijvers en napraters van Emmius, die als de God der Historie
werd aangebeden. Het valt niet te ontkennen, dat zijn geschiedboek
groote waarde heeft, doch ook onvoorwaardelijk in zijne twijfelzucht
te berusten is niet het veilig midden kiezen.
Uit hoofde men deze sage overal vindt, zullen wij dezelve in zijn
verband niet herhalen, evenmin als de geschiedenis der zeven zonen
van den Frieschen Aartsvader Friso, die de volkplanters in Jutland,
Hessen en Schotland zijn geweest. Men vindt een beknopt verhaal
hiervan in het Nabericht op Vriesland van van Rhyn [125], dat altijd
waardig is gelezen en herlezen te worden. Daarin wordt ook vermeld
hoe de West-Friezen, Keulenaars, Frisiabonen of Nieuwe Friezen,
Zwitsers en Graubunders, Franken, Strand-Friezen en Eiderstedders,
uit de oude Friezen zouden herkomstig zijn; terwijl zij ook in
Oud-Engeland of Brittannien, Ethiopien en Chili in Amerika, zich
zouden hebben voortgeplant. Van de vermelding ten tweede male der
Helvetiers of Zwitsers uit de Friezen gesproten [126], ten tijde van
den Potestaat Magnus Forteman is eene geheel verschillende lezing
in de Corte Chronyck van Sybe Jarichs [127], welke zegt, dat de
Friezen die onder Forteman tegen de Romeinen waren opgetrokken, op
den terugtogt ten deele in Lombardijen en Italien metter woon waren
gebleven, door een hoop volks meestal gedood werden, zoodat er maar
weinigen ontkwamen. Dezen nu zwierven op bergen en in dalen rond,
tot dat zij in Zwitserland gekomen, aldaar zich huizen hebben gebouwd
en een gedeelte lands bevolkt.
Menso Alting beweert, dat de Friezen van een en dezelfde afkomst zijn
als al de Overrijnsche volkeren. Het voorgeven, dat zij uit Phrygien,
of de Indien herwaarts zijn gekomen, acht hij voor zottengeklap en eene
lange reeks van leugens [128]. Hoezeer eene geheele vergelijking van al
het geschrevene over dit onderwerp, met een naauwkeurig oordeelkundig
onderzoek gepaard, een moeijelijke arbeid ware, en hoe bezwaarlijk
men ook welligt meerder licht in dezen ontvangen zou, was echter de
beproeving daarvan, en eene wijsgeerige beschouwing van alle nog
voorhanden zijnde werken en geschriften der moeite overwaardig en
een zeer verdienstelijk werk. Er is nog zoo veel aanwezig, geschikt
tot bruikbare bouwstoffen, hoezeer dan ook de vernielingswoede vele
belangrijke Charters voor altoos hebbe vernietigd, ja zelfs vele
gedenkstukken der oudheid door zorgelooze onnoozelheid het droevig lot
hebben moeten ondergaan van over de zeepalen te worden geworpen, en
welligt hun graf hebben gevonden in de diepte dier golven, welke over
de verzonken grondvesten der aloude Friesche Koningsstad henenrollen,
even als of men ook de laatste getuigen des voorvaderlijken roems in
hetzelfde graf voor eeuwig wilde begraven. Wenschelijk ware eene meer
algemeene belangstelling in het lot der Historie en in den goeden wil
dier Schrijvers, welke zonder zelfverheffing of eerbejag slechts hun
vaderland en de wetenschappen willen dienen, wier doel en handeling
niet door gloeijende eerzucht of geldgewin worden bestuurd.
Wij willen hiermede over alles wat den oorsprong der Friezen betreft
afstappen [129].
Het ligt geheel buiten ons bestek, alles te verzamelen en te vermelden
wat door de geschiedschrijvers al niet geboekt, geoordeeld en gegist
is over het hoogst onzekere tijdvak van de eerste bewoners dezer
Friesche landen, tot op de geboorte van Christus Dit behoort tot
eene volledige Geschiedenis der Friezen; dan met eenige meerdere
zekerheid kunnen worden vermeld, de gebeurtenissen van de komst van
den Veldheer Drusus in Friesland af tot aan de heerschappij van
Karel den Groote. Wij willen derhalve overnemen, hetgeen de heer
van Halmael in zijn zeer belangrijk Overzigt over dit tijdvak heeft
geschreven [130], in hetwelk men natuurlijk wel overeenkomst met de
kronijken, maar tevens ook vele afwijkingen van sommiger stellingen
zal ontdekken. Er heerscht echter over deze tijden ook nog eene vale
schemering, zoo geene duisternis; want de eerste Friesche Koning, wiens
naam en handelingen met genoegzame zekerheid kunnen worden vermeld,
heeft geregeerd in de zevende eeuw en heeft den troon beklommen omtrent
590 of 630. Adgillus de Eerste was die Vorst: wie echter zijn vader
was, daarover hebben de geleerden het niet eens kunnen worden.
Nu volgt het Overzigt:
§ 2.
»Elf jaren voor Christus geboorte, vertoonde zich de veldheer
der werelddwingende Romeinen, Claudius Drusus Nero in het land der
Batavieren. Men zegt, ten einde de Germanen of Duitschers te straffen,
die in de landen, aan hunne grenzen liggende, en onder het oppergebied
der Romeinen staande, geplunderd hadden. Hij begaf zich langs den Rijn
in den Oceaan, ten einde de monden Van de Eems en Wezer te bezoeken,
tusschen welke de Cauchen of Chauken toen woonden. Aan hunne grenzen
raakte hij in groot gevaar, doch de Friezen, met welke hij bevorens
in een vriendschappelijk verbond was getreden, redden hem."
»Een jaar later deed hij eene gracht graven, waardoor hij van den Rijn,
door den Ouden IJssel in het meer Flevo komen konde. Van daar konde hij
door de Middelzee en verder over de Wadden, in de Eems geraken. De
Friezen verbonden zich, waarschijnlijk omdat hij hun beloofde,
dat de Romeinen hen bijstaan zouden tegen hunne, immer onrustige,
Germaansche naburen, tot het jaarlijks leveren van een bepaald aantal
ossenhuiden. Ook schijnt hij ter hunner bescherming een kasteel, aan
de Noordzee te hebben aangelegd. Dat kasteel almede Flevo of Flevum
genoemd, plaatsen de oudheidkundigen op het tegenwoordig eiland Grind,
thans eene schulpplaat, niet verre van Terschelling. Daaruit kon de
Romeinsche bezetting spoedig de Eems bereiken [131]."
§ 3.
Jaren na Chr. 29. 48.
»Met de goede trouw, die van oudsher de Friezen kenschetste
(gelijk de Germanen over het algemeen), voldeden zij eenige jaren
aan hunne verbindtenis, en wel tot aan of in het jaar 29 na Christus
geboorte. Den Romeinschen veldheer Germanicus schijnen zij bijgestaan,
en zelfs zijn leger eenmaal eene groote dienst bewezen te hebben,
met hem zekere plant, door de Romeinen Brittenkruid genaamd,
ter heeling van de scheurbuik aan te wijzen [132]. In gemeld jaar
eischte zekere Olennius, een Romein, die met eenig bevelhebberschap,
misschien wel met dat van het kasteel Flevum, en met het invorderen
der zoogenaamde schatting belast was, eene soort van huiden, welke
zij, evenmin als de waarde van dien, leveren konden. Zij lieten
zich eerst daarvoor hunne ossen, toen hunne landerijen, eindelijk
hunne vrouwen en kinderen tot slaven afnemen, hopende dat men hunne
bereidwilligheid ziende, hun geregtigheid zou doen wedervaren. Maar,
het zij de klagten der armen het oor des Keizers niet bereiken konden,
het zij de Keizer zijne prefecten toeliet in het klein te plunderen,
gelijk hij-zelf in het groot deed, zij vonden geen gehoor, en begonnen
den regvaardigsten krijg. Zij grepen en doodden de hen kwellende
knechten, en belegerden Olennius in de Romeinsche sterkte. Wel moesten
zij het beleg opbreken, omdat er een aantal Romeinsche benden ter
ontzet naderde, alles onderwegen plunderende en verwoestende; doch,
ofschoon de Romeinen, volgens het zeggen hunner geschiedschrijvers,
hen, evenwel niet zonder aanvankelijke nederlagen en groot verlies,
overwonnen, zij schijnen hunne vrouwen en kinderen, en hunne landerijen
toch terug bekomen te hebben, en waarschijnlijk zijn zij zelfs wel
van Romeinen en schatting ontslagen geworden, of ontheven gebleven."
»Althans men vindt niet weder van Romeinen hier te lande gewag gemaakt,
dan omtrent twintig jaren later. Toen, heet het, hebben de Friezen zich
aan den veldheer Corbulo onderworpen. Hij leidde weder krijgsbezetting
in Friesland, en stichtte er eene sterkte, zoo sommigen meenen ter
plaatse, waar nu Groningen ligt. Doch hij moest die bezetting welhaast
terugtrekken, op bevel van zijnen toenmaligen Keizer, Claudius, die
den Rijn tot grens des Rijks bepaalde:--van eenige schatting wordt
te dier gelegenheid niet gesproken."
§ 4.
J. na Chr. 59.
»'t Schijnt evenwel dat de Friezen, wier naam, sedert het gebeurde
met Olennius, reeds onder de Germanen doorluchtig was geworden,
bondgenooten der Romeinen gebleven zijn.--Toen toch, eenige jaren
later, een deel der Friezen, onder aanvoering van Verritus en Malorix
[133], die men daarom niet voor Friesche Koningen behoeft te houden,
zich op eene ledige plek gronds, denkelijk aan den linker Rijn-oever
nedersloegen; toen daarop de Romeinsche gezaghebber in dien oord
hun aanzeide, dat zij die weder verlaten moesten, ten zij de Keizer
hun toestond, haar in te nemen, begaven Verritus en Malorix zich, om
's Vorsten toestemming te verkrijgen, naar Rome. Daar bragt men hen
in den schouwburg; zij zagen er de gezanten der volkeren, die gezegd
worden in trouw en liefde voor Rome uit te munten, op de banken der
Romeinsche Raadsheeren zitten, dat een eerbewijs heette. Daarop begaven
zij zich derwaarts, en zetten er zich insgelijks neder, zeggende:
dat geene stervelingen de Germanen in wapenen of trouw overtroffen. De
Friesche rondheid behaagde zelfs den wellevenden Romeinen."
§ 5.
J. na Chr. 240, 350, 418.
»Het komt ons voor, dat de Friezen, bij vervolg van tijd, nu eens
de zijde der Romeinen zullen gehouden hebben, in de oorlogen,
welke dezen bij voortduring tegen de Germaansche volkeren voeren
moesten; dan weder, zich met de laatstgemelden tegen de Romeinen
zullen vereenigd hebben. Van het laatste vinden wij een bewijs in
den bekenden oorlog, door de Batavieren, onder Claudius Civilis,
tegen hunne onderdrukkers ondernomen. Ook kan het zijn, dat zij
somtijds inderdaad aan hen onderworpen geweest zijn; doch zij raakten
eindelijk buiten alle betrekking tot dezelven. Gedeeltelijk voorzeker
reeds, toen onderscheidene Germaansche volkeren, onder den naam van
Franken, omtrent het jaar 240, vereenigd, zich ruim honderd jaren
later, vestigden in Taxandrie, waardoor men het voormalig eiland
der Batavieren met de zuidelijk daaraan grenzende landen, en een
gedeelte van Braband, misschien ook Zeeland moet verstaan.--Voor zoo
verre zij zelven, of althans een gedeelte hunner, tot dat verbond
behoord mogten hebben, en onder de Saliers mogen gerekend zijn,
zijn zij nogtans zekerlijk vrij en onafhankelijk gebleven, en dien
Franken niet onderworpen.--Geheel echter, toen die zelfde Franken,
nog ongeveer honderd jaren later, een koningrijk in Gallië, het
tegenwoordige Frankrijk, stichteden, hetgeen Rome erkende. Rome, dat
Rijk, hetwelk intusschen door zijnen opperheer, Theodosius den Groote,
in twee Keizerrijken, het Oostersch, hoofdstad Constantinopolen, en
het Westersch, hoofdstad Rome, was gesplitst geworden, en onder zijn
eigen gewigt bezweek, gelijk alle Staten zullen doen, die, als Rome,
naar de opperheerschappij der wereld trachten;--o troostrijke leer
der Geschiedenis!"
§ 6.
J. na Chr. 62, 68, 90, 183, 186.
»Als men het gezag onzer kronijken niet geheel wil verwerpen,--en het
zoude zoo ondienstig voor de beoefening der geschiedenis als onbillijk
jegens onze voorvaderen gehandeld zijn, indien wij het deden,--leden
de Friezen intusschen menigen aanstoot van de Noordelijker en
Noord-oostelijker volkeren, onder onderscheidene namen, maar vooral
onder dien van Deenen in gemelde schriften voorkomende.
Reeds op het jaar 62, wordt van zulk eenen inval der Deenen in
Friesland gesproken, en jaarlijks schijnen zij, tot in 68, hunne
pogingen te hebben herhaald, meer om te plonderen, dan om zich hier
te vestigen. Op het jaar 90 vindt men van eenen inval der Noormannen
gewaagd. Omtrent 183 van eenen dergelijken der Gothen en Wenden. Op 186
van eenen der Wilten, welke bij die gelegenheid de eerste grondslagen
van Wiltenburg, naderhand de stad Utrecht, zouden gelegd hebben [134].
Zijn er inderdaad zulke invallen, bloot met oogmerk te plunderen,
geschied, dan mag men daaruit afnemen, dat deze landen minder arm dan
voorheen waren. De netten van eenige visschers, en het weinige vee
van eenige arme landbouwers, kunnen toch de roofzucht van tamelijk
afgelegene volkeren niet, bij herhaling, hebben aangelokt; en wanneer
het waar is, dat men hier, op zijne beurt zich bereidde tot eenen
zeetogt naar de landen dier lastige plonderaars (welken togt, uit
hoofde van een getroffen bestand, achterwege bleef), schijnt zulks
eene regering aan te kondigen, die niet geheel van magt en veêrkracht
ontbloot was. Doch wij zullen hier niet verder in treden, omdat onze
bronnen niet zekerder en naauwkeuriger zijn [135]."
§ 7.
Jaren na Chr. 280, 449.
»Inmiddels hadden ook de Saksen zich van een gedeelte van
ons tegenwoordig Nederland meester gemaakt.--Dit volk, welks
oorspronkelijke woonplaats men denkelijk in het tegenwoordige Sleeswijk
en Holstein, over de Elve, langs de Noordzee, en op de eilanden aan de
kust dier zee moet zoeken, schoon het sedert lang zich westwaarts had
uitgebreid, kwam, waarschijnlijk over zee, eerst in Taxandrie (verg. §
5), en trad in verbond met de Franken, die hen de bezette landstreek
behouden lieten. Toen de Franken zich zuidelijker op begaven, hebben
de Saksen meerderen hunner landgenooten tot zich gelokt, en zich
meer en meer van de Franken afscheidende, en een gedeelte hunner
vorige woonplaatsen bezettende, eenen Staat op zich zelven gaan
uitmaken. Franken, Saksen en Friezen, waarin de kleindere natien,
die voorheen ook dezen grond bewoonden, versmolten waren, wat met
name van het overschot der voormalige Batavieren mag gezegd worden,
die zich met de Friezen vereenigd hebben;--Franken, Saksen en Friezen
bezetteden alzoo het grootste deel van het tegenwoordige Frankrijk
en onze Nederlanden, en naarmate de Saksen hunne vorige woonplaatsen
verlieten, hebben de Friezen zich daarin uitgebreid."
»Toen de Franken nog aan de Friezen grensden, werd er een gedeelte der
eerstgemelden, bij zekere gelegenheid, door den Romeinschen Keizer
Probus naar de kust van Pontus overgebragt. Deze Franken, gedreven
door liefde tot den voormaligen grond, verlangden daarna terug te
keeren. Zij maakten zich meester van eenige Romeinsche schepen, zeilen
daarmede door den Bosphoros en den Hellespont tot in de Middellandsche
zee, plunderen de kusten van Asia, Griekenland, de rijke stad Syrakuse
op het eiland Sicilië; zeilen vervolgens door de straat van Gibraltar,
en zoo komen deze stoutmoedige roovers, langs de kusten van Spanje
en Frankrijk, door het kanaal, aan het strand der Batavieren of
aan dat der Friezen. Dit einde van hunnen togt, welke eene reis om
de wereld mag heeten, maakt het waarschijnlijk dat er ook Friezen
onder deze zeevaarders geweest zijn, en dat de eer dier onderneming,
aan welke men zijne bewondering niet kan weigeren, ook gedeeltelijk
aan onze voorouderen toekomt. Van oudsher was verkleefdheid aan den
vaderlandschen grond een hoofdtrek van het Friesche karakter."
»Nadat de Saksen de onmiddellijke naburen der Friezen geworden
waren, hebben zij met dezen in verbond geleefd. Ook mag men het
daarvoor houden, dat de lotgevallen der Saksen, bij de Schrijvers
der middeleeuwen vermeld, grootendeels mede die der Friezen geweest
zijn [136], die dan eerst weder met hunnen eigenen naam ten tooneele
verschijnen, nadat de Saksen oostwaarts wijken voor de Franken, die
zich op nieuw tot aan Friesland uitbreiden, en eindelijk ook daar
meester worden."
»Zoo is het b. v. bij de naauwkeurigste en oordeelkundigste
Geschiedschrijvers zeker, dat er Friezen geweest zijn onder de Saksers
en de met hen vereenigde Anglen (een ander noord-oostelijk volk),
die zich, onder aanvoering van Hengst en Hors, zoo men ze noemt,
in 449 of 50 naar Brittanje, het tegenwoordige Engeland, begaven. En
hoewel het nagenoeg zeker is, dat de aanvoerders zelve Saksen waren,
komt het ons voor, dat zelfs het grootste gedeelte dier vreemdelingen
uit Friezen heeft bestaan."
»Zij waren tot die overkomst uitgenoodigd geworden door de Britten
zelven, die hunne noordelijke grens-naburen, de Schotten en Pikten,
niet wederstaan konden. Van hen en van de dochter van Hengst, de
schoone Ronixa of Rovena, maken zoowel de Britsche kronijken als de
onze gewag."
»Hier voor pleit ook de overeenkomst van de Engelsche met de echt
Friesche taal, beide dochters der Saksische, naderhand Anglo-Saksische
genaamd, d. i. dier taal, welke de in Brittanje overgekomene Saksen,
Anglen en Friezen spraken. De Britten tot hun ongeluk te laat beseft
hebbende, dat zij nimmer ter beslissing der twisten op hun eiland,
vreemden hadden moeten inhalen, moesten later die vreemden tot hunne
heeren aannemen, of hun vaderland ontwijken. Velen begaven zich naar
een gedeelte van Frankrijk, naderhand naar hen Bretagne genaamd; de
overigen versmolten in de Anglo-Saksen. De tegenwoordige Engelschen
en de Friezen mag men met regt broeders kinderen heeten. Ware deze
les voor de Friezen slechts niet evenzeer verloren gegaan als voor
zoo vele latere volkeren!"
§ 8.
J. na C. 468, 496, 555, 562, 605, 628, 631.
»Doch toen de Saksen en Franken elkander wederkeerig te magtig
werden, ontstond er groote vijandschap tusschen deze beide strijdbare
volkeren. Toen de Koning der Franken, Childerik, met zijnen mededinger
Egidius (Gilles) om de kroon twistte, kozen de Saksen de zijde van den
laatstgemelde, die hen om bijstand aanzocht. Staatkundig was het, het
verzoek van den zwakste in te willigen, ter vernedering en verzwakking
van den magtigste.--Maar de Saksers streden zoo ongelukkig, dat zij
genoodzaakt waren, zich aan Childerik te onderwerpen, zelfs hem bij te
staan in zijne oorlogen tegen andere Duitsche volkeren. Daarna weder
in oorlog geraakt met Childerik's zoon, Klovis, schoten zij ook tegen
dezen te kort. Klovis verdeelde, bij zijnen dood, zijn rijk onder
zijne zonen, en dat gedeelte, hetwelk vervolgens onder Oost-Frankrijk
of Austrasie heeft behoord, grensde aan de Saksen.--Eerst het aandeel
van Theodorik I zijnde, geraakte het later in handen van Klovis'
jongsten zoon, Chlotarius I. Deze met de Saksen in oorlog geraakt,
bragt hun verscheidene nederlagen toe. De strijd werd telkens hervat,
en eindigde met de oplegging eener schatting aan den vijand, die van
den Franken 500 koeijen jaarlijks te leveren."
»Evenmin gelukkig waren zij tegen Sigebert I, zoon van Chlotarius I,
en Koning van Austrasie, die hen sloeg aan het Boerdiep, d. i. de
Middelzee, dus in het hart van ons tegenwoordig Friesland,--tegen
Theodebert II en Theodorik II, kleinzonen van voormelden Sigebert I,
Koningen van Austrasie en Bourgonje,--tegen Chlotarius II, Koning van
geheel Frankrijk, en tegen Dagobert I, diens zoon. Deze laatste schold
hun de schatting kwijt, hun door Chlotarius I opgelegd, mits zij de
Slavoniers, een Noordsch volk, dat hem te magtig was, beteugelden,
't geen hun echter niet gelukte."
§ 9.
Jaren na Chr. 513, 677.
»Inmiddels hadden de Noordsche volkeren niet stil gezeten. Nogtans
vielen zij met meer zoo bij voortduring op de Friezen aan als te
voren. 't Schijnt zelfs dat dezen, of om in den stijl van dien tijd te
spreken, de Saksen, hen hebben bijgestaan tot het doen van eenen inval
op het grondgebied van den reeds vermelden Theodorik I. Toen Dagobert
hun de schatting kwijtschold, was Adgillus I Koning der Friezen. Hem
kunnen wij prijzen als een regtvaardig en edel Vorst. Hij vergunde
het prediken van het alleen zaligmakend Evangelie in deze landen. De
heilige Wilfrid, Bisschop van Jork in Brittanje, kwam van daar
herwaarts. Zijne vijanden aan het Engelsche hof, waartoe de Koning zelf
schijnt behoord te hebben, wanende dat hij naar Frankrijk was gegaan,
wisten den ondeugenden Ebroïn, toen Groot-Hofmeester bij den Koning
van Frankrijk, in hun belang te trekken. Deze schreef aan Adgillus,
en beloofde hem eene aanzienlijke som gelds, bijaldien hij hem den
Bisschop, levendig of dood, wilde overleveren. Adgillus was geen
Christen, maar de oude deugd der Duitschers (der Friezen vooral, zeggen
wij) woonde in zijn hart. Hij deed een' brief, in tegenwoordigheid
van Wilfrid en zijne medgezellen, en in dien van Ebroïns gezanten,
luide voorlezen; vervolgens nam hij dien, verscheurde hem, en leverde
het overschot der vlam over, de Frankische afgezondenen den smaad en
der schaamte ter prooi latende."
»Volgens onze kronijken, deed ook Adgillus zekere hoogten of terpen
opwerpen, opdat zich de landzaten daarop bergen mogten tegen de
overstroomingen, welke van oudsher deze landen met wee en jammer
overstelpten [137]."
§ 10.
J. na Chr. 679, 685, 687, 711, 719.
»De opvolger van Adgillus, Radboud I, (of hij zijn zoon was,
wordt door sommigen, niet zonder grond, betwijfeld) regeerde niet
gelukkig.--Volgens de Kronijken, werd hij zelfs door de Denen
gevangen genomen en naar Denemarken gevoerd; naderhand echter weder
vrij gegeven. Het Frankische Rijk was een tijdlang ter prooi aan
binnenlandsche oneenigheden. Van deze schijnt Radboud zich aanvankelijk
bediend te hebben, ten einde zijn Rijk tot aan den mond der Schelde
uit te breiden. Dit echter wikkelde hem in eenen krijg met de Franken,
die voorlang de Saksen verdreven hadden uit de landstreken, welke
Radboud nu aan zich trok, en er meesters geworden waren."
»De Koningen der Franken waren thans slechts Koningen in naam,
en de klem van het bewind was in handen (sedert 687) van den
Groot-Hofmeester Pepijn van Herstal, die zich Hertog en Prins der
Franken noemde. Pepijn schijnt Radboud een aanzienlijk gedeelte van
zijn Rijk ontweldigd te hebben, onder anderen Wiltenburg (Utrecht), 't
welk Pepijn vervolgens ten verblijve gaf aan Willebrord, door den Paus
tot Bisschop der Friezen verheven. Pepijn was een ijverig Christen,
en wist het Christendom wonder wel dienstbaar te maken aan zijne staat-
en heerschzuchtige oogmerken. Radboud haatte Pepijn en het Christendom,
hetwelk hem aan Pepijn onderwerpen moest. Daarom verwoestte hij bij
de eerste gelegenheid de beste den nieuwen Bisschopszetel, doch moest
weder voor Pepijn zwichten."
»Op nieuw werd de prediking in Friesland hervat. Zelfs nam Radboud's
dochter, Theodesinde of Teutsinda, het Christendom aan, en werd de
echtgenoote van Grimoald, zoon van Pepijn. Dit bewijst duidelijk,
dat de zoo magtige Franken evenwel geene kans zagen, zich de Friezen
te onderwerpen, en dat Pepijn uit dien hoofde, zich door zoodanig eene
verbintenis, ten minste tegen hunne vijandschap, poogde te verzetten."
»Deze Grimoald werd daarna vermoord door zekeren Rangarius, welke
gezegd wordt tot de lijfwachten van Koning Radboud behoord te
hebben. Daarom wijten sommigen hem, anderen zijner dochter, dien
moord. Doch dit is ver van bewezen, en wij zien inderdaad niet,
dat Radboud enig belang bij den ondergang van Grimoald zoude gehad
hebben, eene reden te minder, om aan die beschuldiging geloof te
slaan.--Wel zegt een onzer Geschiedschrijvers, dat Radboud, die
zich immer nog niet ontzag de Christenen te vervolgen, niet beducht
voor de wraak van Pepijn, wiens jaren hoog geklommen waren, vreezen
moest, dat Grimoald den hoon, zijnen vader aangedaan, zou wreken,
en hem daarom uit den weg moest ruimen; doch wat zou hem dit gebaat
hebben, daar Pepijn nog twee andere volwassen zonen had, door geene
echtverbindtenis aan Radboud verbonden, en van welke hem dus zoodanig
eene wraak nog veel meer stond te vreezen?"
»Om een bewijs te geven, hoe verschillend de latere Geschiedschrijvers
de gebeurtenissen van dien tijd opvatten, en hoe moeijelijk het
daarom is, een overzigt van denzelven daar te stellen, willen wij,
hetgeen op dien moord volgde, op tweederlei wijze verhalen."
»Pepijn, zegt een der beroemdste hedendaagsche Duitse
Geschiedschrijvers [138], bepaalde hierop, dat Theudoald, Grimoald's
onechte zoon, Hofmeester in Austrasie zou worden, welke waardigheid
alleen Pepijn eigenlijk had bekleed, hoewel hij ook grooten invloed
op de zaaken van West-Frankrijk (Neustrië of Neustrasie) had. Daarop
deed Plectrude, grootmoeder van Theudoald, de zonen van Pepijn bij
zekere Alpheid (of Alphaïda), Karel (Martel) en Hildebrand gevangen
nemen, opdat zij aan Theudoald de waardigheid van Groot-Hofmeester
niet betwisten zouden. Dit kon niet geschieden zonder voorkennis
van Pepijn.--Pepijn stierf. De West-Franken verkozen toen zekeren
Raginfrid tot hunnen Groot-Hofmeester. Daartegen verzetteden zich de
Oost-Franken, met Theudoald aan 't hoofd. Er viel een veldslag voor,
dien de Neustrasiers wonnen. Theudoald nam de vlugt, en kwam kort
daarna om. Hierop ontkwam Karel Martel zijner gevangenis, en wilde
zich met het Groot-Hofmeesterschap van Austrasie te vreden houden. Ook
dit wilden de Neustrasiers hem niet laten. Nu streed hij dan om het
geheel, en het gelukte hem, Groot-Hofmeester over de beide Rijken,
ook Hertog en Prins te worden. Theudoald was voor het overige ouder
dan Karel, die omstreeks 690 geboren was."
»Pepijn, zegt een der nieuwere en wijsgeerigste Fransche
Geschiedschrijvers [139], was Groot-Hofmeester over geheel Frankrijk;
eene van zijne grootste zorgen was, alle onderscheiding tusschen
Austrasie en Neustrië te doen verdwijnen; maar hij was genoodzaakt,
die onderscheiding weder op nieuw te maken, ter gunste van zijne
zonen. Toen Grimoald stierf, liet hij eenen zoon na, Theudoald, oud
ongeveer zes jaren. Dezen schonk Pepijn toen het Groot-Hofmeesterschap
van Neustrië. Toen stierf hij. Na zijnen dood deed Plectrude Karel
Martel gevangen nemen,--van Childebrand (Hildebrand) wordt niet
gesproken; dit had Pepijn voorzeker niet gelast. Daardoor veroorzaakte
zij dat Karel, die anders aan Theudoald het Groot-Hofmeesterschap
van Neustrië wel zou gelaten hebben, als zich met dat van Austrasie
kunnende vergenoegen, nu uit wraak, om den hem aangedanen hoon, hem dat
moest betwisten.--De grooten van Neustrië, niet door een kind willende
geregeerd worden, kozen Raganfrid. Deze wilde Groot-Hofmeester van
het geheele Rijk worden. Het overige komt met het verhaal van den
Duitscher nagenoeg overeen. Alleen wordt, bij den Franschman, Ramfroy
(Raganfrid) eerst na de nederlage van degenen, die het voor Theudoald
opnamen, tot Groot-Hofmeester verkoren."
»Zooveel is intusschen zeker, dat Raganfrid, die alleen wilde
heerschen, en eindigde met alles, op één Graafschap na, te verliezen,
naderhand echter zoo verstandig was, zich met hetzelve tevrede te
houden, hetwelk andere overweldigers, die in het eerste zijn voorbeeld
gevolgd hebben, niet deden; dat deze Raganfrid hulp zocht bij Radboud,
dien de Fransche Schrijvers slechts Hertog der Friezen noemen;--hij
mogt geen hooger rang dan Pepijn en Karel hebben. Dit moet den
doodvijand der Austrasiers welkom geweest zijn.--Hij trok te veld,
en overwon Karel, die hem afzonderlijk aanviel. Hij schijnt zich
vervolgens met de Neustrasiers vereenigd te hebben tot het beleg
van Keulen, in welke stad Plectrude zich onthield, die, nadat de
Neustrasiers hadden moeten aftrekken, omdat Karel hen in den rug
dreigde, hem tot den aftogt, door eene aanzienlijke som gelds,
overhaalde."
»Hiermede was echter de krijg tusschen Karel en Radboud nog niet
geëindigd. Nadat Frankrijk-zelf was bevredigd geworden, schijnt
Radboud, die misschien zijne aanvallen op dat gedeelte van zijn gebied,
hetwelk hem door Pepijn was afgenomen, hernieuwd heeft, nog eene
nederlage aan de Middelzee te hebben geleden, en dien ten gevolge
op nieuw de prediking van het Christendom door geheel Friesland te
hebben moeten toestaan. Daarna verklaarde hij zich zelfs bereid den
H. Doop te ontvangen. Toen echter Wulfram, laatstelijk Bisschop
van Sens, gereed stond, hem dien toe te dienen, en hij bereids
met den éénen voet in de doopvonte stond, vroeg hij den Bisschop,
of hij zijne voorvaderen en de verstorvene Friesche Edelen ook in
den hemel hervinden zoude? Wulfram's onbedacht antwoord: dat die in
de hel waren, als ongedoopten, deed hem, onder het zeggen, dat hij
liever met zijne voorvaderen en vrienden in de hel, dan met aan hem
onbekende Christenen in den hemel zijn wilde, den voet terugtrekken."
»Volgens anderen zou dit al onder Pepijn zijn voorgevallen. Sommigen
verklaren de geheele gebeurtenis, welke den inborst van Radboud
nogtans volkomen kenschetst, voor eene fabel."
»Kort daarop kwam Radboud te sterven."
§ 11.
J. na Chr. 734, 738, 744, 746, 754 of 755.
»Wie hem opvolgde, is niet geheel zeker; sommigen zeggen, zijn
zoon Adgillus II, anderen, zekeren Poppo. Misschien is het
Radboud I mogelijk geweest, zijn gebied, op het voorbeeld der
Frankische Koningen, onder zijne kinderen te deelen, en dan zal hij
Oost-Friesland, het land der groote Friezen, aan zijn oudsten zoon,
Adgillus II, en wat hem van het overige gebleven was (Noord-Holland),
aan diens broeder Poppo gegeven hebben."
»Poppo oorloogde met Karel Martel. De twistappel, hetgeen den Frieschen
Koningen van het voormalig land der kleine Friezen ontnomen was,
was voorhanden. Poppo is waarschijnlijk in dien strijd gesneuveld,
zonder dat de Friezen meer gronds verloren; zijn broeder erfde zijn
Rijk, en verdeelde bij zijnen dood hetzelve weder onder zijne zonen,
Gondebald en Radboud II."
»De laatste bekwam West- de eerstgemelde Oost-Friesland."
»Gondebald was een vreedzaam Vorst; maar Radboud II had den aard en
de denkenswijze van zijnen voorzaat van gelijken naam, en bovenal
diens afkeer van het Christendom overgeërfd. Met de Saksen verbonden,
beoorloogde hij Karoloman en Pepijn den Korte, zonen en opvolgers van
Karel Martel, maar zonder vrucht. Daarentegen stond hij zijn' broeder,
Pepijn, bij tegen de Saksen. Het schijnt op aandrijving van Radboud
geweest te zijn, dat de vrome Bonifacius, Aartsbisschop van Maintz,
het Christendom verkondigende, in het gebied van Gondebald, omtrent
het toenmalige vlek Dokkum, door de ongeloovige Friezen vermoord is
geworden. Althans Pepijn, toen reeds Koning der Franken, heeft dien
moord op hem gewroken, of dien, tot voorwendsel om hem op nieuw te
beoorlogen, genomen. Radboud moest de vlugt naar Denemarken nemen,
en misschien heeft hij zich toen eenigen tijd op het eiland Helgoland
opgehouden, en aldaar de afgodendienst in al haren vorigen luister
hersteld. Ook zou het kunnen zijn, dat Gondebald eerst toen, na het
vertrek van Radboud, de kroon verkregen heeft, en dat de laatstgemelde
tot dien tijd toe alleen in Friesland geheerscht had. In dit geval
zouden wij onderstellen mogen, dat Radboud de oudste zoon van Adgillus
II geweest is."
Tot dusverre het Overzigt van den heer v. Halmael, uit al
de Geschiedschrijvers bijeengebragt en met zijn eigen oordeel
verrijkt. Het verschil in de jaren, waarin de gebeurtenissen worden
vermeld, is bij vele Schrijvers zeer opmerkelijk; dan een opzettelijk
onderzoek hierover, zou voor ons doel van weinig nut zijn.--Wij zullen
liever de korte geschiedenis van Radboud tot aan zijnen dood vervolgen.
In den jare 768 stierf Pepijn, nalatende drie zonen, Karloman, Karel
en Gilles; welke beide eersten, daar de laatste tot den geestelijken
stand was opgebragt, het rijk verdeelden. Karloman viel Oost-Frankrijk
en Karel Friesland ten deel. Karel, door zijne regtschapenheid,
vele deugden en groote kundigheden, verwierf zich te regt den naam
van den Grooten [140]; maar zijne onrustige broeder, wien twist en
tweedragt liever was dan rust en vrede, vervolgde hem steeds als een
vijand. Dan slechts drie jaren werd hem daartoe gegeven, want toen
stelde de dood paal en perk aan deze kwelling. Karel werd nu ook als
Koning van Oost-Frankrijk erkend.
Radboud, de bittere vijand zoowel der Christenen als der Franken,
was in Friesland teruggekeerd, algemeen weder tot Koning erkend,
en begon zijnen woesten aard en wreede vervolging weder vrijen
teugel te vieren. Hij vereenigde zich met der Saksen Koning of
Hertog Witekind, ten einde Karels magt te fnuiken en op den troon
te blijven. Meer dan eens moest hij echter het onderspit delven,
tot hij eindelijk gedrongen werd weder naar de Denen de wijk te
nemen. Een paar jaren daarna, (gelijk sommige Schrijvers beweren)
tijdens den togt van Karel naar Spanje, waarin alwat Frankenland
groot en edels opleverde, tot volkomen nederlaag en vernieling werd
gebragt, kwam de nog woelzieke Radboud in Friesland, en hernam het
bewind, doch slechts voor twee jaren lang.--Karel's legertroepen
joegen den woesten Fries weder naar Denemarken, zijn toevlugtsoord,
alwaar hij in ballingschap zal gestorven zijn. Geene zekere, zelfs
flaauwe narigten van zijn levenseinde, zijne familie of kinderen is
aan de nakomelingschap overgebragt.
In Oost-Friesland zijn nog overblijfselen uit den ouden tijd aanwezig,
zoo als de Kon-Rebberts- en Rabboltswegen, de Rabboltsbergen en een
deel van de heerbaan in Groningerland, welke Radbodiweg genoemd wordt
[141].
Bl. 6.
Over het Friesche Wapen meenen wij te mogen aanmerken, dat, wanneer
men het oude Wapen van Friesland, voorkomende bij Winsemius,
Hamconius en anderen, voor het familiewapen der Friesche Koningen
houdt, de geschiedenis hiermede in strijd is, als den oorsprong der
Familienamen en Wapens uit de tijden der Kruistogten, aangevangen in
1096, vermeldende; terwijl de laatste Koning, Radboud II, omtrent
den jare 775 de kroon verloor, en waarschijnlijk kort daarop is
gestorven. Sommigen hebben echter beweerd, dat de oorsprong der Wapens
reeds bij de oude Germanen te zoeken zij; doch hoewel de schilden der
voornaamste krijgshelden onder hen werden beschilderd en versierd,
vindt men geen bewijs voor de regelmatige zamenstelling en afwisseling
van kleuren naar bepaalde regels, of van eenige figuren tot kenteeken
aangenomen. Hebben de Friezen, voor dat zij met de Romeinen bekend
waren, vanen gebruikt, het blijkt nergens uit, dat deze met figuren
zouden zijn voorzien geweest; en van de Romeinen konden zij die niet
overnemen, daar deze wel effen gekleurde en met goud gestikte vanen
bezigden; doch van regelmatige wapen-figuren vindt men niet vermeld
[142].
Het oude Friesche Wapen heeft zeer veel overeenkomst met die
wapenschilden, welke sedert de Kruistogten in gebruik kwamen,
en dit versterkt de meening, dat het niet van Friso's tijd af als
Landswapen of als veldteeken is gevoerd.--Hamconius zegt, dat van
Friso af tot Beroald het Wapen bestaan hebbe uit een azuren schild,
waarop drie zilveren balken, op welke zeven roode plompebladeren
(niet pompelbladeren, zegt Dodonaeus) geplaatst waren.--Van Beroald
tot Radboud II werden er een balk met vier bladeren bijgevoegd,
zoodanig als Beroald het veranderde, toen hij, de dochter van Koning
Ridzard gehuwd hebbende, na den dood zijns schoonvaders Oost- en
West-Friesland vereenigde.--Suffr. Petri plaatst de plompebladeren
tusschen de balken en niet op dezelve, strijdig met de regelen der
Wapenkunde, welke niet toelaten, dat men kleuren op kleuren, maar wel
kleuren op metalen plaatst, gelijk men dit bij de Schrijvers over de
Heraldie zal vinden.--Koning Haron zoude vroeger aan de Hertogen van
West-Friesland een Wapen gegeven hebben, met slechts één zilveren balk
en vier roode plompebladeren in het blaauwe schild.--Met de regering
van Karel den Groote kwamen de leeuwen en blokjes in het Landswapen.
Bl. 7.--Ao 245.
De Friesche Pateele en de Friesche Hoorn. Winsemius, Chron. fol. 12,
spreekt niet uitdrukkelijk van de eigenlijke Pateele als door Adel
ingesteld, maar wel van de vriendenmaaltijden en andere bijeenkomsten,
waarop men zich, ook op Duitsche wijze, aan de dronkenschap overgaf:
iets dat aan geen tijdvak zeer vreemd is. Echter werd er spoedig bij de
feesten een ceremonie- of zedemeester aangesteld, wien bij het drinken
vooral het toevoorzigt was gegeven. De kantteekening van Wins. ter
a. p. luidt: »Die Vriesche Hoorn inghestelt met den Schuttel."--Deze
Pateele of schotel zou uit dertien of veertien verschillende geregten
bestaan hebben, en de Hoorn een gewone stierenhoren geweest zijn. Wie
nu de geschiedenis van Adel voor eene fabel houden, beweren, dat de
Friezen het gebruik van uit Horens te drinken van de Denen en Noren
hebben overgenomen.--Dan stellig is het, dat het gebruik in overouden
tijd bestond; als ook, dat men later de Horens niet meer van gemeene
stieren, maar van Ur-ossen genomen heeft, dezelve zeer versierde en
met goud en zilver prachtig liet beslaan.--In de onuitgegeven Kronijk
van Worp van Thabor, Lib. I. cap. 2, wordt hierover uitgewijd. Zie
Hamconius, Frisia, fol 8; Gabbema, Verh. van Leeuw., bl 13; Alkemade,
Displegtigheden, II. 408 volgg.
Bl. 7.--Ao 245.
Adelingen. Ofschoon er reeds in de vroegste tijden, en welligt in
Friesland vroeger dan elders, een stand van mannen bestond, die men
Edelen noemde, is het echter niet aannemelijk, dat zij hunnen naam
van dien van Prins Adel hebben ontvangen. Immers de afleiding van het
woord spreekt het tegen. Het zij voldoende, uit meerderen hier het
aangevoerde van de kundige en schrandere Vertalers en Aanteekenaren
op de Oude Friesche Wetten aan te halen, en als het meest aannemelijk
denkbeeld na te volgen. Aldaar, op bl. 132, lezen wij: »Waar in het
weezen van den Adel, onder de Duitsche volken, bij ouds bestaan
hebbe, kan met geen volkomen zekerheid bepaald worden.--Leibnits
(Excerpt. Mejerian. p. 289) en Gærtner (ad. L. L. Sax. p. 21.) leiden
het woord Edelman af van het over oud woord ot of od predium,
possessio, [een goed, hetzij op het land of in de stad; bezit]
(waar van allod), zoo dat Edelman zooveel zoude zijn als odelman,
predii vel pagi possessor, [groot goed- of landbezitter] en stellen
op dien grond het oorspronglijk weezen van den Adel in de bezitting
van aanzienlijke vaste goederen."--Wachter en anderen stellen het
wezen van den Adel in hooge geboorte; doch altijd blijft de vraag,
hoe de eerste edelman in de wereld gekomen zij.
Adel dus van od, ode, ade, ede [143], grond, bezitting afkomstig,
zoo is Edele, Edelman oorspronkelijk een grondbezitter. Daar nu deze
Edellieden, als de aanzienlijkste personen, natuurlijke voorregten
genoten, tot hooger ambten en vooral tot hoogere rangen in de
krijgsdienst werden verkozen, hadden zij ook, in de vroegste tijden
namelijk, over hunne minderen het beheer en bestier, zelfs eigene
regtspleging en vrij gebied. In lateren tijd echter werden er algemeene
bepalingen, blijkbaar uit de alleroudste Friesche wetten (Lex Frisionum
sive antiquae Frisiorum leges) gemaakt, waaraan de Edelen zich moesten
houden. De afstammelingen der grondbezitters, rijksten, traden, hoewel
niet regtens, in de voorregten der ouders, met het ontvangen van het
ouderlijk erfdeel (Ethel, in 't Oud-Friesch). De rijken evenwel, die
zich goederen aankochten, werden niet onder den Adelstand opgenomen,
omdat hunne voorouders niet onder de Edelen hadden behoord: zoodat
al zeer vroeg de Adel zijn voorregt aan geboorte toekende.--Destijds
bestonden nog bij den alouden Frieschen Adel geene brieven, wapenen
of teekenen van Adeldom, daar deze eerst in de XI of XII eeuw in
gebruik zijn gekomen.
Ten tijde van den regerenden Vorst, Hertog Georg van Saxen, (1505)
werd op diens last een register van den Frieschen Adel opgemaakt
[144], in hetwelk de in de Grietenijen aanwezige Edelen, met de wegens
oorlogen of onlusten afwezigen, werden opgeschreven. Hierdoor mogen
wij vooronderstellen, dat van dien tijd af de wezenlijke erkenning
van den Adel heeft plaats gehad, en ook de bepaalde erfopvolging is
begonnen. De Friesche Adel onderscheidde zich alzoo van die van andere
landen, daar de eerste ten gevolge van vrij en onafhankelijk bezit van
goederen tot dien stand was verheven, terwijl de andere ten gevolge van
landgoederen, van zijnen Vorst ontvangen, daartoe geraakte; ook werden
er soms door den Vorst, zonder dit, in den adelstand ingelijfd, dat is,
in diens voorregten gelijk gesteld. Zoo had men dan ook in Friesland
niet de verdeeling in bijzondere rangen, als Graven, Hertogen, Baronnen
en Heeren, [145], maar alleen den rang en titel van Friesch Edelman,
den hoogsten rang en titel, welken men voeren kon en wilde. Echter
verkoos men in den eersten tijd zich Raden, Hoofden en Aanvoerders in
oorlog en vrede, die dan Heerschappen en Hovelingen, en in de steden,
bepaaldelijk Oldermannen genoemd werden. Deze posten bleven ook in
de familiën.
Onder de regering van Keizer Lotharius II , omstreeks den jare 1125,
bestond er tweederlei Adel,--de Hoogere, die onmiddelijk onder den
Keizer was gesteld, en de Lagere, die onder Hertogen en Graven behoorde
te staan. Dan de Friesche Edellieden wilden geene Hertogen of Graven
van Friesland erkennen, maar alleen onder de oppermagt des Keizers
staan, even als hun land. Leenmannen te wezen was hun een ondragelijk
denkbeeld, even als het voorregt uit vorstengunst gesproten, en zoo was
dan ook de alleen begeerde titel van Friesch Edelman geen mindere, dan
die van Graaf en Hertog. Het gebruik bij den Adel, om zich naar hunne
landerijen en kasteelen te noemen, was in Friesland minder algemeen,
daar men voor geslachtsnaam veeltijds den voornaam zijns Stamvaders
nam. Men leze v. Halmael's Oersicht oer Frieslâns Schijdnis, § 24:
Friesch Jierboeckjen, 1833. Vergel. voorts het vertoog van Jonkheer
M. Hettema over den Oorsprong van den Frieschen Adel, voorkomende
in het Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 27 November 1832;
de Narede van den Heer v. Halmael achter zijn Treurspel Ats Bonninga;
F. Sjoerds, Beschr. v. Friesland, I. 470; Wakker van Zon, zijn Boekje
getit. de Adel, door Anonymus Belga, p. 16. volgg.
Bl. 10.--Ao 59.
Over den Afgod Stavo, denzelfden met Thor, leze men Westendorp's
Verhandeling over het gebruik der Noordsche Mythologie, (in de
Nieuwe Werken van de Maatschappij der Nederl. Letterk. II. D. 1
St.) p. 29-33;--en vergelijke Oudh. en Gest. van Vriesl. I 283-285
en 485.
Bl. 12--Ao 4.
't Roode Klif. Al de wonderen van het Roode Klif, nabij Stavoren,
met en zonder het bestuur des Duivels, alhier en vervolgens vermeld,
kunnen wij op geenen goeden grond den waarheidlievenden Lezer
aanbevelen. Echter willen deskundigen, na ontdekking en onderzoek
van eene soort van lava in den grond aanwezig, het denkbeeld niet
verwerpen, dat het Klif een vulkaan van minderen rang is geweest, of
ten minste daarvan eigenschappen heeft gehad.--Over de menschenoffers
in Friesland gebruikelijk, zie de Aant. op 't jaar 700.
Bl. 13.--Ao 29.
Deze Holle, Olennius, was Hoofdman eener Keurbende, en Landvoogd
van wege de Romeinen over Friesland. F. Sjoerds (Jaarb. I. 128)
noemt hem »een gemeen persoon onder de Voorpyllenaars" [146].
De verklaring van Holle of Hollo, naar de Friesche taal Hoofd,
Hoofdman, vindt men bij Hamc. Fris. p. 11, en bij S. Petri, de
Frisior. Antiq. et Orig. Lib. I. Cap. IX, welke laatste hem, echter
verkeerd, een Fries van afkomst noemt.--Diocarus ontving eerst,
volgens de kronijken, na de overwinning op de Romeinen den naam van
Segon. Hamc. I. I.
Bl. 13.--Ao 29.
Omtrent het woud Baduhenne. Over den oorsprong en ligging van dit
in de Vaderlandsche Geschiedenis beroemde heilig woud is verschil
ontstaan, zoo als natuurlijk volgen moet, wanneer geene de minste
narigten uit de oudheid overblijven. Er pleit echter meer voor, dat
deszelfs ligging in de Wouden dan bij Franeker geweest zij. Even zoo
is het onzeker welke Godheid, aldaar vereerd, door Baduhenna wordt
aangeduid. Ook de Oudheidkenner Westendorp heeft het onbeslist gelaten
in zijne genoemde Verhandeling. v. Halmael, in het voorberigt voor
zijn Treurspel Adel en Ida, zegt: »De naam van het woud Baduhenna
is voorzeker door Tacitus verlatijnd. Wanneer men er den uitgang
enna of henna (dien wij, hoewel misschien anders gewijzigd, ook
in den naam Nehalennia ontmoeten,) afwerpt, heeft Badu genoegzame
overeenkomst met Balder, om de onderstelling te rechtvaardigen, dat
Baduhenna een aan Balder geheiligd woud was." Dit komt ons geenszins
vreemd voor, daar ook de vereering van den in de Scandinavische
godenleer zeer bekende Godheid Balder, zoon der Godinne Frigga,
voornamelijk en welligt uitsluitend tusschen den Rijn en den Wezer
plaats had, en aldaar in hoogen rang en van groot gezag was.--Dat
er in Friesland gewijde bosschen zijn geweest, is buiten twijfel;
jammer maar dat hunne ligging niet is nagespoord geworden, en dit,
met zoo vele andere zaken, voor een nageslacht bewaard blijft, 't
welk alsdan in zijne nasporingen misschien niets meer ontdekken zal,
dan dat het eenige eeuwen te laat gekomen is!--Vergel. West. zijne
uitstekende Verh. over het gebruik der Noordsche Mythologie. Halma,
Toneel der Vereenigde Nederlanden, enz.
Bl. 15--Ao 59.
Vryt of Verritus en Malorix,--of Maloriges. In de Jaarboeken van
Tacitus, het dertiende, is het voorval dezer beide gezanten, welke
hij regerende Vorsten noemt, in zijne bijzonderheden omschreven,
bepaaldelijk vermeldende hunne vrijmoedigheid, toen zij in den
schouwburg meer met de aanschouwers dan met het spel zich bezig
hielden, en van zitplaats veranderden, om zich in het Raadsheerlijk
gestoelte neder te zetten, onder de afgezanten van andere volken,
die men wegens trouw en vriendschap bijzonder eer bewees. Deze aloude
opregtheid, zoo als men het noemde, beviel niet alleen aan het publiek,
maar ook den Keizer Nero zoo wel, (wien in eene kwade luim zulk een
gedrag weleens zeer mishaagd konde hebben) dat hij den Gezanten het
belangrijk burgerregt te Rome schonk.--Van de bekeering in den tekst
vermeld, ook bij Winsemius geboekt, wordt bij Tacitus niet gewaagd,
zoo als het ook niet voor waarheid wordt aangenomen, onder anderen
door Harkenroht in zijne Oostfr. Oorsprongkelykheeden, p. 24 en 29,
dat Verritus en Malorix, of zoo als zij anders mogen geheeten hebben,
uit de adellijke geslachten der Hermana's en Cammingha's gesproten
zijn, 't welk door Suffr. Petri en Hamconius wordt beweerd.--P. Nota,
in zijn Aanhangzel betreffende de Oudheden van Berlikum, p. 79
in de noot, vermeent, in de woorden van Tacitus de bevestiging te
vinden, dat Verr. en Malor. geene Friesche maar Duitsche gezanten
geweest zijn. Maar waarom kunnen zij niet enkel Leidslieden van de
uittrekkende Friezen geweest zijn, en een ander Koning of Vorst der
teruggeblevenen? Deze gebeurtenis, zegt West. Jaarb. p. 15, behoort
niet tot de geschiedenis der Groote Friezen.
Betrekkelijk deze namen vinden wij bij A. Ypeij, Geschied. der
Nederl. Tale, I. D. bl. 161 noot, onder de bewijzen, dat de oude
Friezen vele namen met hunne buren gemeen hadden, en er dus eene groote
wederzijdsche gemeenschap van volk en taal bestond, 't navolgende:
»Reeds onder de oudste Vriezen schijnen er zulke algemeene namen in
gebruik te zijn geweest. Zulks toch mag men opmaken, uit de namen
van twee Vriesche gezanten van Rome, onder Nero, welke Tacitus voor
ons bewaard heeft, namelijk Verritus en Malorix. Ann. Lib. XIII
C. 54. Indien ik mij niet bedriege, waren dit, de nog bekende namen
Gerrit en Maurik. De V toch, gelijk wij weten, verandert ligtelijk in
G, en de L in U. Gelijk de Nederlanders in het algemeen van Gerrit, hun
Geert hebben, zoo hebben, naar het schijnt, de Vriezen bijzonderlijk
van Maurik hun Murk gemaakt."
Bl. 16.--Ao 59.
Op 't Oude Hof te Lewerden. Cappidus van Staveren, Suffr. Petri
en Hamconius zeggen, dat reeds voor Christus geboorte Leeuwarden
onder den naam van Aula Dei, dat is Gods-Hof, bekend was, alwaar het
opperhoofd der Druiden, Barden of Priesters was gesteld. Hier was de
leerschool van de Friezen, en genoten zij onderwijs in de godsdienst,
wetenschappen en wijsbegeerte. Dit gesticht zoude te Oldehove gestaan
en uitstekende mannen hebben voortgebragt. Latere schrijvers verwerpen
dit denkbeeld geheelenal. Wat er van zij is moeijelijk op te sporen,
nog moeijelijker te beslissen. Verg. Oudhed. en Gesticht. I. 283,
alwaar de kundige vertaler, v. Rhyn, in den geest van Emmius steeds
tot verwerpen genegen van de oude kronijken, ook geen geloof daaraan
hecht. Over de goden- en geloofsleer der Druiden, hun priesterschap,
beheer, en hun bestaan in het oude Friesche Rijk, vergelijke
men de meergemelde Verhand. van Westendorp, over de Noordsche
Mythologie, p. 319 volgg. en 331 volgg.--v. Wijn, Huisz. Leven,
I. 8, en Hist. Avondst. I. 123, zegt, dat de Germanen en dus ook de
Friezen geene Druiden of Barden gehad hebben: het tegendeel wordt
door West. bewezen;--zie bl. 287 onzer Aanteekeningen.
Bl. 17.--Ao 94.
De Noormannen. In dezen tijd, en gedurende vele eeuwen later,
werd Friesland van tijd tot tijd door de Noren en Denen vreeslijk
geteisterd en geplonderd. Menigmalen behaalden de Friezen eenen triomf
op dezelven; doch ook dikwijls leden zij bloedige nederlagen. Ocko van
Scharl spreekt reeds van eenen sterken inval op den jare 62, wanneer de
Deensche Koning door sommige Oostersche volken zou opgehitst zijn. In
het jaar 69 wil men dat de Friezen, het jaarlijks rooven, plunderen
en moorden moede, eene groote krijgsmagt naar Denemarken zonden, om
ze in hun eigen land te bevechten, dan storm en onweer hadden dezen
togt belet. In 't volgend jaar echter sloten zij met den Koning een
bestand, 't welk, hoe wonder ook, volkomen stand gehouden heeft tot
den bepaalden tijd. Deze boven bedoelde inval der Noormannen, welke
anderen op den jare 90 stellen, schijnt zeer geweldig geweest te zijn,
en uit hoofde van den weinigen wederstand aan deze zijde, daar de
meeste Friezen in Romeinsche dienst afwezig waren, hadden zij tijd en
gelegenheid zich aan moord en roof ter kele toe te verzadigen. Picardt,
in zijne Annales Drenthiae, spreekt ook alzoo van dit feit.--Zie de
noot p. 305. F. Sjoerds, Jaarb. I. 197.
Bl. 17.
Onder zeven Hertogen. Het algemeen gevoelen is, dat men onder die
waardigheid van Hertog, met welken titel thans dien van Prins,
in navolging der naburige volken, verwisseld werd, niet in eenen
Hoogvorstelijken of Koninklijken staat en magt bestaan hebbe, maar
dat de Hertogen, Heervoerders, Krijgsoversten of Opperbevelhebbers
waren, aan welken het bestuur en beleid des oorlogs, met alwat daartoe
behoorde, was opgedragen.
Bl. 22.--Ao 248.
Dokkenburg. Deze verklaring is zeer juist. Bij Kiliaan vinden
wij Docke, (vetus) navale: waaronder verstaan wordt: stabulum of
armamentarium, ligplaats der schepen, d. i. haven. Ook bij denzelfden
Docke, Germ. poppe: en in den Theutonista, Dock of Pupp, pupa, pupulla,
popje.--Docke van Stro.
Over de stichting dezer stad zullen wij niet uitweiden; zij is na
Stavoren de oudste, en in allen opzigte zeer merkwaardig geworden. Men
leze hierover de Oudheden en Gestichten, I. 404, met de aanmerkingen
van v. Rhyn, die met Emmius de hooge oudheid betwijfelt. Wat voorts
derzelver geschiedenis betreft, zeer belangrijk is, om herlezen en
vergeleken te worden, de korte Geschiedenis der stad Dokkum voor den
Vrede van Munster, voorkomende in het Mengelwerk der Leeuwarder Courant
van den 6 Julij 1830; alsmede de beide stukken in dezelfde Couranten
van 2 en 9 Maart te voren, ter verdediging strekkende tegen de dikwijls
kleingeestige en dwaze aanvallen tegen Dokkum en deszelfs bewoners,
vooral van lieden wier spelend vernuft zich door duizend vervelende
herhalingen van vroegere aardigheden tracht staande te houden. In die
stukken is eene naauwkeurige opgave der groote en beroemde mannen,
die Dokkum heeft opgeleverd, te vinden.
Bl. 23.
In den jaare 289,--of omstreeks dezen tijd, toen Constantius Chlorus,
door Keizer Diocletianus tot den rang van Roomsch Koning verheven,
Galliën met zijne grensprovincien onder zijn gebied verkregen, en de
Franken, Saksen en Friezen in Batavien had overheerd, werden er velen
door hem omgebragt, anderen verplaatst, gevankelijk weggevoerd, in het
Romeinsch leger ingelijfd, of tot harde slavendiensten vernederd. Uit
verbittering en tot weêrwraak moesten nu de Friezen, Overrijnsche
Franken, Cauchen, Chamaven en Bructeren in vereenigde magt, van den
winter en den digtgevrozen Rijn gebruik maken, om Constantius en
zijn heir te overvallen. Dan het goed krijgsgeluk diende hen niet zoo
gunstig als onze kronijk vermeld; de dooi viel in, het eiland werd door
de Romeinen omsingeld, de Friezen ingesloten, vermoord of gevangen,
en nog dieper onder 't juk gebragt. Daarna is er met hen een verbond
gesloten.--Schot. Fr. Hist. p. 30.--F. Sjoerds, Jaarb. I. 225 volgg.
Bl. 24.
Omtrent den jaare 312, enz. De kronijkschrijvers verhalen, dat
omstreeks dezen tijd door vijf aanzienlijke Edellieden, West-Friesland
(d. i. de landen ten westen het Flie) is bevolkt en bebouwd. De in
onze kronijk genoemde Diederik stichtte de hoofdplaats Medemelaca,
Medemblik, aldus genaamd naar de Godin Medea; Geerard bouwde het
dorp Opdijk; Roelaard, 't dorp Wildenes, met een sterk kasteel; Keno
was stichter van Bennenbroek, en Adelbold van het dorp Winckel.--Dit
verhaal heeft eene meerdere beteekenis, dan wij thans nog in staat zijn
te geven. Over Medemblik zijn oorkonden van de IX eeuw voorhanden.--Zie
over den naamsoorsprong enz. den Tegenw. Staat van Holland, II. 502.
Bl. 25.--Ao 334.
Friesche Buinen. Op bl. 9 onzer kronijk wordt reeds gesproken
van West-Friesland, en zou deze benaming er dus vroeger geweest
zijn.--Hamconius, Frisia, bl. 5 en 9, zegt op Firsiabones, dat
Bone in 't oud Friesch Boer beteekende, en dus Frisiabones, Friesche
Boeren zijn, waarvoor onze kronijk Plompaarts geeft. A. W. Schrieck,
in Orig. rerum Celt. et Belg., verklaart het woord door Frisii
separatim habitantes, Friezen die afgezonderd van hun eigenlijk land
en landgenooten woonden. Alting, van Rhyn en anderen beweren, dat
het woord beteekent Friesche Waterbewoners, waarmede zich latere
schrijvers hebben vereenigd, en 't welk ook door den geleerden
Ypeij, in zijne Geschiedenis der Nederl. Tale, I. bl. 164, en
II. bl 109 en volgg. nader is bevestigd. A beteekent water: buen,
boen, wonen, verblijf houden, dus zijn Frisiabones Friezen, die
aan het water wonen; en deze uitlegging is de eenvoudigste en de
beste, wel zoo goed als de ongelukkige inval van Junius (Batavia,
p. 48. Ed. 1652), om van Frisiabones, Friesche apen te maken!--Plinius
noemt dezelve als wonende tusschen het Vlie en het Helium, monden
van den Rijn. Dat deze Schrijver ook hier heeft misgetast, bewijst
Schwartz, Voorr. I. 26. Tacitus zwijgt er van, doch deze kan hen
gehouden hebben onder de Kleine Friezen te behooren. Het denkbeeld
van den Heer Ypeij is zeer aannemelijk, dat de Frisiabonen eene
volkplanting van echte Friezen zijn geweest, wonende aan de linkerzijde
van het Vlie in West-Friesland, onderscheiden van de Kaninefaten,
(waarschijnlijk aan de oevers der Noordzee woonachtig) en van de
Marsatii in de moerassige, naderhand door de Zuiderzee overspoelde
landen zich ophoudende, even zoo als de eerste Bildtbewoners eene
volkplanting was van oorspronkelijke Noord-Hollanders.
Bl. 26.--Ao 339.
Die Waarden wierd genaamd. (Zie ook op de jaren 357 en 377.) Even
zoo ook verhaalt Winsemius, Chronique, fol. 37 doch naderhand;
(fol. 40) noemt hij de stad Norden, om welke reden weet ik niet;
daarin is Soet. in zijn Op- en Nederganck van Stavoren, p. 55, hem
gevolgd, die door Harkenroth, Oostfr. Oorsprongkel. (p. 39 en 232)
daarover zeer gegispt wordt, dat hij Van Esonstad, Norden maken wil;
en toch heeft Soet, slechts het gezag van Wins. gevolgd. Door de
Noren en Denen zoowel als door herhaalde watervloeden heeft die stad
veel geleden, en is dikwijls geplunderd en grootendeels afgebrand
geworden. Westend. Jaarb. p. 19, stelt op 't jaar 398 het bouwen
van Esonstad door den Koning Ubbo (Uffo). Over de oudheid dezer stad
heeft Emmius ook zijnen twijfel mede gedeeld, doch v. Rhyn is hier
wat toegevender dan wel anders.--Zie Oudh. en Gest. I. 454 volgg.
Bl. 28 en 31.--Ao 385 en 449.
Des Hengst en Hors, zijn zoonen enz. In den jaare 449, als Hengst en
Hors enz.--De geschiedenis dezer Koningszonen is belangrijk genoeg
om in aandacht genomen te worden, en wij vinden er, verondersteld
zelfs dat wij onze kronijkschrijvers verwerpen, ook bij den Engelschen
Historieschrijver Beda, (lib. I. Cap. 15) de vermelding van. Deze zegt
dat zij de zoons van den Saxischen Vorst Vergistus (achter-kleinzoon
van Wodan), en dus niet van Odolf Haron waren, hetgeen ook met de
tijdrekening verkeerd zoude uitkomen. Hierover is twist ontstaan,
welke onbeslist is gebleven: echter komt men daarin overeen, dat
Hengistus en Hors aan het hoofd van de Saksen, Friezen, Angelen en
andere naburige volken, door den Britschen Koning Vortigern te hulp
geroepen, derwaarts zijn getogen, en zich eindelijk meester van dat
land hebben gemaakt. Hunne geschiedenis is omstandig beschreven bij
Ocko van Scharl; en hoezeer dezelve ook bij andere schrijvers in een
romantisch gewaad is gewikkeld, draagt zij, in onderlinge vergelijking
gebragt, vele kenmerken van oorspronkelijkheid. Wij kunnen hier in
geene verdere ontwikkeling treden, doch zullen voor dien het lust, de
bronnen en navolgingen aanwijzen, waarin de historie dezer gebroeders
beschreven staat, met derzelver verscheidenheden.--Occo Scharlensis,
Chronyck, op 't jaar 385 en 441; Furmerius, Annal. Phrisic. p. 124
en 144; Winsem. Chr. fol 43 en 47; Schot. Fr. Hist. fol. 39 en 53;
F. Sjoerds, Jaarb. I. 269 volgg.; Emmius, Lib. III. p. 39 seq.;
Oudheden en Gestichten, Nabericht van v. Rhyn, bl. 368; Wagenaar,
Vad. Hist. I. 289; Beda, Hist. Eccl. Lib. I. cap. 12 etc. en Chronicon;
Jancko Douwama, Boeck der Partijen, p. 37; Westend. Jaarb. I. bl. 26;
Overzigt van v. Halmael hiervoren § 7, jaar 449; Gibbon, Hist. of
the decline and fall of the Rom. Emp. Ch. 38. IV. 395; Hume,
Hist. v. Engel. I. 23 volgg.
Bl. 32.
In den jaare 463. Men vergelijke de tegenspraak in gemeld Nabericht
van v. Rhyn, p. 372.
Bl. 32.--Ao 496.
Deed Klodoveus, een inval in Friesland. F. Sjoerds, Jaarb. I. 290
en anderen verhalen, dat de Friezen in dezen strijd het onderspit
delfden, de Friezen en Saksen terugkeerden, maar de Allemannen, welke
in dezen strijd deelden, hun gebied verloren; terwijl Koning Clovis,
ingevolge hunne belofte, na de overwinning in dezen hagchelijken kamp,
met 3000 Franken, tot het Christendom overging. Eenige jaren vroeger,
omstreeks 476, was het Westersche Keizerrijk geheel ten gronde gegaan,
en niemand over de Maas en den Rijn gaf gehoor aan het Romeinsche
gezag.--Verg. Bilderdyk, Geschiedenis des Vaderlands, I. 60 en 61.
Bl. 34--Ao 517.
Groningen, bij de Friesen Grins genaamt. In 517 werd, luidens het
verhaal van eene der kronijken, Groninge of Groinge (Grens, Grins) met
een houten staketsel omgeven, ter beveiliging der veste. Deze wijze
van bevestiging was reeds veel vroeger bij de Germanen en Belgiërs
in gebruik, en behoeft, op dezen tijd, niet de minste verwondering
te verwekken.
Bl. 34.--Ao 527.
Richold, zijn oudste zoon. Over de geschiedenis in dit tijdvak
is een bijzonder verschil ontstaan bij vele schrijvers, daar de
verwarringen, zoowel in den tijd als in de personen, aanduiden, dat
men het spoor bijster is geraakt, en men alzoo tot gissingen zijne
toevlugt heeft genomen, om uit de onderlinge tegenspraak tot eenige
waarschijnlijkheid te geraken. Ook onze kronijk geeft geen meerder
licht, maar is schijnbaar in den doolhof medegedwaald. De opgave van
den zoon en kleinzoon van Diderik, (zie op 't jaar 334) beide Lem of
Willem geheeten, en Dibbalds zoon van denzelfden naam, waarvan Haarlem
zijnen naam ontleende, is in 't geheel niet in de haak, schoon ook
Winsemius (fol. 36 en 48) hem hierin is voorgegaan. Verg. Scriverius
in zijden Toets-steen op het Oude Goutsche Chronycxken, p. 204,
205. De andere kronijken springen met die historie, tot op Adgillus
tijd, wonder om, terwijl men het over diens vader maar geheel niet
eens kan worden.--Was Adgillus een Saks of een Fries? Beroald,
Bertoald of Berthold voerde volgens veler gevoelen het gebied over
de Saksen, en daar Ritserd, naderhand bijgenaamd Arundelius, in dien
tijd Koning der Hoog-Friezen was, (in onze kronijk bl. 36 genoemd)
moet Adgillus diens zoon geweest zijn. Dit is mede de gissing van
Emmius, door v. Rhyn goedgekeurd, en door F. Sjoerds (Jaarb. I. 334)
gevolgd. Het is ons wel voorgekomen, dat men Saksen en Friezen, Beroald
en Ridserd met en onder elkander heeft verward, en dat Beroald door
de Saksen tot Koning of Hertog was verkozen;--maar in hoeverre hij
ook een deel der Friezen beheerscht hebbe, en hoedanig van Odibbald
af de geslachtsopvolging geweest zij tot aan Adgillus, behoort tot een
nader naauwkeurig onderzoek. Verg. onder anderen v. Rhyn's Nabericht,
bl. 376-382, te dezen opzigte zeer duidelijk. Over Ridserd Arundelius,
die een dapper en vermaard Vorst moet geweest zijn, West. Jaarb. bl
30 volgg. Schot. Fr. Hist. fol. 47.