1. Willem, Prins van Oranje, Graave van Nassau, enz., wierd van de
Staaten van Friesland, om het Stadhouderschap van deze Provintie
mede waar te neemen, begroet. Doch, om de moeijelykheden, daar de
andere Provintien in stonden, gaf het hem ongelegentheid, om overal
zelve te gaan; derhalven zond hy Merode, Heer van Rummen, om van
zynent wegen het Stadhoudersampt als Luitenant te bedienen. Hier na
belegerde Rennenberg Steenwyk; neemt de Kuinder en Slooten in; trekt
naar Staveren, daar hy 't kasteel weder opbouwt; werpt te Makkum
weder een nieuwe schans op, en stroopt langs de zeekust tot aan de
Harlinger Poort. Waar door Friesland weder in 't uiterste gevaar quam
om overwonnen te worden. Doch daarentegen ontzette de Overste Norrits
Zwartsluis, 't kasteel van Hattem en Steenwyk; waardoor Rennenbergs
loop ten eenemaal gestuit wierd, en al het voorgemelde weder by de
Staaten herwonnen.
De onzen verlooren ook een veldslag by Winsum, in Groningerland,
dat Friesland in eene groote benaauwdheid bragt: maar als de Overste
Norrits den vyand by Visvliet geslagen, en tot aan de poorten van
Groningen verjaagt hadde, veranderde het zelve in vreugde. Even hier
na wierd het bolwerk en wallen om Dokkum gemaakt.
In den jaare 1581, in May, quamen de Rennenbergschen uit Aduard, om
een schans op het Reidiep te maaken, om alzo den Heer van Nienoort
uit zee af te snijden: doch hy wierd zulks tydig gewaar, en voorquam
niet alleen hunne aanslag, maar bragt hen zelve in hinderlaag; waar
door veelen der vyanden wierden verslagen.
Daar na is Aduard door den Heer van Nienoort belegert; brengende
grof geschut daar voor, om het klooster daar mede daadelijk te
beschieten. Maar de Rennenbergschen van alom hunne macht byeen
rukkende, trokken by Groningen over het Reidiep, om de belegerden te
ontzetten. Nienoort was zulks wel verwittigt, maar door meerderheid
van stemmen geresolveert de vyanden af te wagten: dewelke van achter
het klooster straks quamen toeschieten: waar door de Nienoortschen de
vlugt namen, achterlaatende verscheidene Officieren voor gevangenen, en
eenige dooden aan hunne bespringers. Voorts trokken de Rennenbergschen
op Aduarder-Zyl, en deeden het plaatsje aanstonds, doch vrugteloos,
bestormen: maar met kanon daar voor komende, en een goede bresse
geschoten zynde, quamen zy met de derde storm daar binnen; slaande
doe alles dood wat 'er in was; waar onder Schelto Jarges, een zeer
geleerd en dapper Kapitein.
Den 9de van July sloeg Norrits de Rennenbergschen by Grypskerk, en
vervolgden hen tot aan Groningen, waar van 700 mannen door de kling
gejaagt, en veelen gevangen wierden genomen; vier stukken kanon,
alle de bagagie, en veele paarden wierden tot buit gemaakt; zynde
des overwinnaars verlies daar tegen zeer gering.
Den 23ste dito is in Groningen overleden die trouwelooze Graaf van
Rennenberg, Stadhouder van Groningen, enz.; zynde door eene knaaginge
zyner confidentie geheel uitgeteert van mismoedigheid en berouw,
om dat hy de Staaten Generaal zo ontrouw had behandelt; wordende
begraven in St. Martens Kerk, in 't choor. Hy had in zynen laatsten
levenstyd zyne zuster verstooten, die hem tot dezen afval vervoert
had. Daar na is Francois de Verdugo wegens den Prins van Parma,
als Stadhouder van Groningen, in des overleedens plaatze gestelt.
De algemeene Staaten van gevoelen zynde, dat door deze geduurige
vyandelykheden, de Koning van Spanje meer een openbaare vyand, als een
beschermend Overheer was; hebben daarom geresolveert, hem van alle zyne
voogdye af te zetten, en zyne gehoorzaamheid ten eenemaal afgezwooren:
waar toe de Staaten van de andere Provintien, en Friesland mede, in
dit zelve hebben bewilligt. Waarop des Konings wapenen alomme wierden
afgebroken, uitgestreeken en vernietigt, de zegelen plat geklopt,
en die der Staaten in deszelfs plaats gestelt.
Rennenberg overleden zynde, heeft de Koning, die de landen daarom
noch niet verlooren gaf, eenen Francois Verdugo, Heer van Schenge,
tot Stadhouder gezonden; die met 1500 Waalen te Groningen komende,
de Friesen zeer verslagen maakte.
Aanstonds nam Verdugo Reide in. En kort daarna raakte hy in een gevegt
tegen het Staaten volk, onder Norrits, by Noorthorn, dat hy deerlyk
sloeg: alwaar omtrent de helft zo Grooten als gemeenen sneuvelde,
en een groot gedeelte gevangen wierd genomen.
Des de landlieden, in de wapenen gebragt zynde, hebben in 't dorp
Oudeboorn een schans opgeworpen; welke van Verdugo aangevallen,
maar afgeslagen is: waar op hy, na eenige plonderingen, uit het land
weder vertrok.
In den jaare 1582 heeft de Stad Groningen van den Koning van Spanje
een bulle bekomen, omtrent het Stapelrecht.
In den jaare 1583 heeft een Spaansch Overste, Taxis genaamt, Steenwyk
door list ingenomen: en in Friesland vallende, de schans te Oudeboorn
en Rotserschans ingenomen; en alomme het land door stroopingen en
plonderingen geplaagt.
In het zelve jaar in September is Oterdum door de Heeren van Nienoort
en Azinga Entes verovert; jaagende de Spaanschen bezettinge daar uit,
en deeden het plaatsje daar op versterken; waar mede zy veele dorpen
daar omtrent tot contributie dwongen. Overzulks is Oterdum door de
Spaanschen in de maand December wederom belegert: maar die van binnen
dapper tegenstand biedende, is het beleg, wederom opgebroken.
Omtrent dezen tyd overleed binnen deze sterkte de Heer van Nienoort,
na eene langduurige ziekte, en wierd aldaar begraven; zynde een
Edelman geweest, die naar zyn vermogen, groote diensten aan het
Vaderland had gedaan.
In den jaare 1584 heeft de Prins van Oranje den Graave van
Merode uit Friesland opontboden, en Graaf Willem van Nassau tot
Luitenant-Stadhouder in zyn plaats aangestelt. En, vermits de
dagelyksche overvallen der vyanden, hebben de Staaten de schans in
de Lemmer doen vast maaken.
In dit zelve jaar, den 10de van July, wierd tot groote droefheid van
den lande, binnen Delft, de Prins van Oranje, door een boosaardigen
Franschman met een pistool doorschooten; zynde door de Spanjaarden
daar toe verraadelyk omgekogt [96].
2. Willem Lodewyk, Graave van Nassau, enz. wierd in deszelfs plaats
van Luitenant-Stadhouder, door de Staaten van Friesland tot tweeden
Stadhouder, na de afzweeringe van den Spanjaart, verkooren.
Verdugo, de schans Oterdum op den 18de van September wederom belegert
hebbende, liet dezelve aanstonds met twee stukken kanon beschieten:
doch die van binnen, benevens de schepen die op de Eems lagen,
bleven hun niet schuldig; waar door veelen van de belegeraars gedood
en gequetst wierden. Daar na, in de maand December, wierd de schans
gesecoureert door allerlei nooddruft, alhoewel de belegering noch
zyn gang ging; doch met weinig voordeel. Maar op Lichtmissenacht in
het volgende jaar, zyn de schansen van Verdugo voor Oterdum, door
een geweldigen storm en watervloed weggespoelt; waar door veelen der
belegeraars verdronken; zo dat Verdugo zich genootzaakt vond het beleg
op te breken. Oterdum had weinig door 't water geleden, en wierd ten
eersten herstelt met vier bolwerken, schoone gragten, en een haven,
waar in omtrent 30 schepen te gelyk konden leggen, gemaakt.
Den laatsten February deed Verdugo een vrugteloozen inval in
Friesland. Maar de Westfriesen deeden insgelyks in Groningerland een
inval van meer nadeel; verbrandende in de Marnkant, van Vierhuizen
tot aan Baflo, meest alle de huizen af, om datze geen contributie
wilden opbrengen.
Omtrent dezen tyd, had Roelof Ketel een aanslag op Groningen, om deze
plaats aan der Staaten zyde te brengen. Hy begaf zich derhalve met
15 mannen daar binnen, verlaatende hem alleen op de slappigheid der
wacht aan de poorten. Daar by was Graaf Willem van Nassau met 1500
mannen in 't Drenth, om hem, zo de aanslag gelukte, by te springen:
doch de zaak wierd ontdekt, en Roelof Ketel by den kop gevat zynde,
wierd het hoofd afgeslagen en gevierendeelt.
Insgelijks heeft Kapitein Schaay, leggende te Niezyl in bezettinge,
een aanslag op Groningen gehad; zynde in een tyd dat de stad gebrek
aan levensmiddelen had: maar dezelve voorts geproviandeert wordende,
mislukte de aanslag.
In den jaare 1585 hebben de Staaten de bestieringe der landen
opgedragen aan Hendrik den derde, Koning van Vrankryk; maar die hen,
om zyne eigene inlandsche oorlog, alwaar hy zelve zeer mede belemmert
was, moeste afwyzen. Waar op hy Elisabeth, Koninginne van Engeland,
tot bescherminge liet verzoeken: doch die Majesteit weigerde mede
de volle heerschappye. Doch hier na, Prins Maurits in zyns vaders
plaatze en bedieningen gestelt zynde, is van gemelde Koninginne
de Graave van Leicester, als Overste van haare hulpbenden, naar de
Nederlanden gezonden; die de Staaten naderhand tot Stadhouder der
Nederlanden hebben aangenomen.
Na dat de kloosterinkomsten, als wy boven reeds gemeld hebben, tot
onderhoud van predikanten en schoolmeesters bestelt waren, heeft het
de Staaten des Lands ook goed gedagt, uit de zelve ook een schoole
van geleerdheid of Academie op te regten, en dezelve met bequaame
leermeesters of professoren, en dat 'er verders toebehoort, mildelyk
te voorzien; dezelve plaatzende binnen de Stad Franeker.
In den jaare 1586 hebben de Spanjaards, over 't ys komende, alzo
het zeer sterk gevrooren hadde, een uitval gedaan, trekkende met
2500 voetknegten en 400 ruiters de Wouden in, door Lemsterland,
en vernachtende omtrent Workum en Hindeloopen; van waar zy voorby
Bolswert, over Marnzyl, door Schettens en Witmarsum, te Tjum zich
nederzettende, quamen ten derden dage te Spannum en Winsum, welke
dorpen zy beide in brand staken: en als zy veel gevlugt volk op de
Winsumer toren gewaar wierden, zo stookten zy een zeer smookend vuur
van onderen aan dezelve, om gemelde vlugtelingen te doen verstikken:
waar door eene zwangere vrouw, gevoelende haare kleederen en
hoofdhairen gezengt, uit de klokgaten sprong; en gevallen zynde,
noch door een Spanjaard op de naakte borst getrapt, en zeer gewond
geworden, waar door zy haare zinnen verloor: doch na twee maanden
quam zy weder tot haare voorige kennis en verstand. En eene andere,
met twee kinderen in haare armen, sprong uit het hoofd van den toren,
en bragt het eene kind noch leevendig te Franeker. De onze in aller
yl met 1000 voetknegten en een Cornet paarden daar na toe trekkende,
vonden zich niet in staat om de vyanden te keer te gaan: des zy van
Oosterlittens naar Boxum afweeken, op hoop van eenige hulp, om zich dan
voordeeliger te kunnen te weêr stellen: maar de vyanden, hen spoedig
nazettende, beletten dit, overvielenze, en een bloedige slag wierd
getroffen, daar wederzyds veel volk sneuvelde; doch de onzen moesten
eindelyk de vlugt neemen, zo naar Leeuwarden, als andere plaatzen;
en een gedeelte wierd in de kerk bezet, en gevangen genomen. Van deze
slag is zulken indruk in de gemoederen der menschen gebleven, dat 'er
in Friesland niets bekender is, als deze Boxumer Slag, voorgevallen
op den 17 January.
In dit zelve jaar, ondernam Graaf Willem van Nassau een aanslag op
Groningen: doch dezelve wierd door een zeer hoogen springvloed ontdekt
en verydelt.
In den jaare 1587, in September, had Graaf Willem van Nassau nochmaals
eene vergeefsche aanslag op Groningen.
Den 17de van December is een zwaare inbreuk van 't zoute water in de
Ommelanden geweest, waar door alle hooge landen onder liepen, wezende
het water byna zo hoog, als de Allerheiligen Vloed van den jaare 1570,
maar deed zoo eene groote schade niet.
In den jaare 1589, in 't begin van den zomer, had de Gouverneur Graaf
Willem eene vergeefsche aanslag op Delfzyl; doch besprong Reide, en
maakte daar een beschanst Eiland van: ook won hy de schans Eemetille;
en kort daar na Swaagsterzyl en Soltkamp; zynde een schans in de mond
van 't Reidiep, en dat stormenderhand, voor 't gezigte van Verdugo,
slaande 80 mannen dood, en nam veele gevangenen mede.
Daar na nam Verdugo Eemetille weder in; zond twee booswichten in 't
leger by Kollum, om Graaf Willem te vermoorden: maar dezelve ontdekt
zynde, wierden gevangen genomen en onthoofd.
In den jaare 1590, in Maart, hebben eenige burgers en inwoonders van
Groningen hunne stad en Staat onder de bescherminge van de Koninginne
van Engeland gepresenteert: doch wierd hun geweigert. Waar op Verdugo,
meer volk van den Hertog van Parma ontfangen hebbende, de schans
Enematil besprong; trekkende van daar op Nieuwezyl. Ondertusschen
quam Graaf Willem, Gouverneur van Friesland, afzakken, en legerde te
Kollum; en alhoewel de legers ruim een uur maar van malkander lagen,
viel er echter weêrzyds niets aanmerkelyks voor.
In den jaare 1591, den tweeden van July, won Prins Maurits Delfzyl;
waar in gevonden wierd 5 metaale stukken kanon, en 6 yzere
gotelingen. Daar na deeden die van Friesland deze schans grooter
en sterker bouwen; zelfs poogden zy daar van eene stad te maaken,
en dezelve met groote Privilegien te begiftigen: om alzo de burgery
van Groningen daar te trekken. Doch op hoope van Groningen ook te
krygen, is zulks achter gebleven. Van hier trok het leger na de Opslag
van Enematil, leggende op een water, genaamt Nieuwezyl, en dwong de
bezettinge door geweld zich over te geeven, en met witte stokjes in
hunne handen uit te trekken, sterk zynde 150 mannen. Voorts vertrok
de Graaf naar Enematil, en beschoot de schans met 12 stukken kanon,
tot dat de bezettinge zich op den 11de van July overgaven; als ook
een weinig hier na de schans te Lettelbert.
In den jaare 1592, in Augusty, heeft Prins Maurits de sterke vesting
Koeverden belegert. Graaf Fredrik van den Berg had het bevel daar
binnen, hebbende voor des Prinsen komste alle de huizen buiten de
vesting in brand doen steeken.
De belegeraars naderden hem met alle vlyt aan de loopgraaven,
en benamen hun de sluizen; waar door zy het water uit de gragten
leiden. Hier op begon het schieten aan weêrskanten dapper aan te
gaan, wordende aan weêrszyden verscheidene mynen onder de wallen
gegraven, die wel haast ter neêr of invielen. Den 7de van September,
quam Verdugo met zyn krygsmacht voor den dag springen, hebbende alle
witte hemden over hunne harnassen, om de belegerden te ontzetten. Hier
op maakte Prins Maurits zich gereed, telde zyn volk in slagorder, met
't grof geschut vooraan, en ontfong der vyanden macht zo onbeleefd,
dat door 't losbranden van 't kanon, een meenigte van hen over hoop
en in 't moeras raakte. Daar bleven in 't geheel 300 mannen dood,
behalven de gequetsten: en van 's Prinsen zyde bleven er maar 3
mannen dood en 6 gequetsten, uitgenomen Graaf Willem van Nassau, die
een schot, doch zonder gevaar, door 't dunne van zyn lyf kreeg. Daar
na hebben die van Koeverden zich den 12de van September aan Prins
Maurits overgegeven; mits met hunne vendelen, wapenen en brandende
lonten uit te mogen trekken, behalven de Artillery en amunitie; daar
wierden in gevonden 9 stukken kanon. Voorts is hier tot Gouverneur
gestelt de Heer van Nienoort.
In den jaare 1593, den 8ste van April, heeft Graaf Willem de
Bellingewolderzyl beginnen te versterken, om alzo het fort de Bourtange
te benaauwen. Hier tegen quam Verdugo met zyn leger by Vlagtwedde,
in 't geheel sterk zynde 2500 mannen, doch derfde niets uitvoeren
tegen dat vast maken.
Den 29ste van Augusty nam Graaf Willem Wedde in; als mede de vaste
pas Bourtange; 't welk aanstonts sterker wierd gemaakt, eer Verdugo
daar by kon de komen.
Daar na heeft Verdugo de sterke schans van Aduarderzyl; na den derden
storm, met geweld ingenomen, slaande de geheele bezettinge dood. Van
daar trok hy naar Wedde; dat hy ook in nam, en sloeg van de 117 mannen,
die daar op waren, 50 dood. Voorts legerde hy zich voor de Bourtange;
zynde dit fort tegenwoordig tamelyk sterk, en alzo dat 'er geen geschut
voor gebragt konde worden; de wallen waren redelyk hoog, en de gragten
wel voorzien van water. Vyf vendelen soldaaten, onder den Gouverneur
de Jonge, lagen daar in bezettinge. Ondertusschen wierd Verdugo van
andere gedagten; brak de belegeringe op, en trachte Graaf Willem
aan te tasten; doch te vergeefs; hoewel er eenige schermutzelingen
wierden gehouden, waar door veel volk is gebleven. Daar op trok
Graaf Willem naar de Bourtange, neemende Wedde wederom in: en Verdugo
naar Koeverden, beschanste daar de passagie; maar zyn volk is door
ongemakken voor 't grootste gedeelte verstorven of verloopen.
In den jaare 1594, den 12de van February, des nachts, hadden de
Groningers een aanslag op Delfzyl: doch die van binnen hen tydig
gewaar wordende, is 'er aan weêrskanten wel twee uuren lang scherp
gevogten. Tot geluk van het Fort, was 'er een oorlogschip, daar omtrent
leggende, dat wat nader aanquam, en de Groningers met 16 stukken kanon
dwars onder hun hoop sterk beschoot, dat zy met groote schade moesten
aftrekken, sleepende wel 35 sleden met dooden en gequetsten met zich
naar de stad, en noch 7 dooden, dieze lieten leggen. Die van binnen
verlooren een Kapitein, een Vendrig, een Sergeant, en 9 Gemeenen.
Den 6de van May, quam Prins Maurits en Graaf Willem van Nassau met hun
leger by Koeverden: welke aankomst van Verdugo bezigtigt zynde, hem
deed resolveeren zyne beschansinge by nacht op te ruimen. Overzulks
trok de Prins met zyn krygsbende direct naar Groningen; doende
de stad op den 20 dito berennen, en aanstonds opeischen. Doch
kreeg tot antwoord: Dat dit geen stad was, die zich zo haast konde
overgeven. Prins Maurits liet derhalven al zyn oorlogstuig aan land
zetten, en het kanon voor de stad planten. Onderwylen heeft Graaf
Willem op den laatsten van May de sterke schans Aduarderzyl aangetast,
hebbende over de 135 mannen tot bezettinge, en tot Commandant eenen
Kapitein Prenger, die aan Graaf Willem ten antwoord gaf, als hy de
schans opeischte: Dat hy het met hem zoude wagen, als met een meisje
van 15 jaaren. Maar dit geviel hem niet wel; want de vesting wierd
kort daar na zo gruwelyk sterk beschooten, datze dezelve met 'er
haast beklommen en inkreegen; doe wierd alles aan stukken geslagen wat
'er in was, uitgenomen 8 a 9 perzoonen, die 't ontquamen.
Ondertusschen had Prins Maurits eenige andere schansen ingenomen,
als Slogteren, Hogerbrugge, enz., waar door de leevensmiddelen in
't leger zeer goedkoop wierden.
De Stad Groningen was zeer wel voorzien van een wel in de wapenen
geoeffende burgerye; en geeft ander guarnisoen binnen hebbende,
dan de slegtste burgerye en inwoonders, dewelke al voor langen tyd,
als soldaaten onder vendelen geoeffent, in plaats van bezetting,
van den Koning wierden betaalt: behalven deze, hadden zy krygsvolk
van Verdugo altoos onder haar gebied; en hadden nu onder het beleg 5
goede oude vendelen daar van, onder den Overste Luitenant Laukema,
buiten de stad, op een gesterkte plaats aan 't Schuitendiep. Van
krygstuig, voorraad enz., wasze alles wel voorzien. Die van de
stad wenden vervolgens alles aan wat hun dacht dat den vyand zoude
krenken. Waarom de Prins zyn begravinge van verre moest neemen, en
aldaar zyne batteryen opwerpen, mits digt onder de stad de belegerden
tegen-batteryen maakten; hebbende 400 groote tonnen met buskruit en
geschut meer, als andere steden. De Groningers deeden verscheidene
uitvallen, waar mede zy meenig braaf Kapitein en soldaat versloegen,
en zelfs eenige vendels binnen bragten: weshalven de loopgraaven
versterkt moesten worden. De belegeraars deeden alle afbreuk met
hun geschut dieze doen konden; doch vorderden nochtans weinig,
tot dat zy een poort met een brug, die na een rondeel liep, omverre
hadden geschooten, eenige bolwerken ondergraven, en eenige gragten
aldaar vulden, alles onder de bescherminge van 't geschut: dis deed
de trouwe burgery gedwee worden, en begon naar verdrag uit te zien;
overzulks zy Jan te Boer met brieven aan Prins Maurits en Graaf Willem
uitzonden, om verdrag: wordende daarop weêrszyds gyselaars gegeven,
en hielden op van schieten. Maar de burgemeester Jarges, zynde een hard
Konings-gezinde, rukte een party voerlieden en schuitevoerders byeen,
en stonden op tegen die geene, die van verdrag hadden gesproken. Hier
na kregen de belegeraars een te smadelyk antwoord, te weeten, dat
de belegerden besloten hadden, noch een tyd lang hun ontzet af te
wagten. Hier op trad Maurits met Willem in de loopgraven, om een
plaats tot een nieuwe batterye af te zien; ondertusschen komt een
kogel zo sterk tegen de rondas, die Maurits voorgehouden wierd,
dat hy achterover viel, doch zonder hem te quetzen.
Den tweeden van July waren de belegeraars over de gragt, en wel 30
voeten onder het rondeel gekomen, daar de heele stad haar winst of
verlies aan hing. Drie dagen daar aan was de myn 30 voeten diep,
en opgepropt met 5 a 6000 ponden buskruit, dat den 10de dito, des
avonds, na het gegevene teeken, in brand wierd gestoken; waar door een
groot gedeelte aarde, en alles wat 'er op was, in de lucht sprong,
met wel 140 menschen; waar van twee in 't leger vielen, en de een
noch leevendig: hier op vielen drie vendelen Schotten los, die straks
meester van het rondeel waren, en alles, wat noch leevendig bevonden
wierd, doodsloegen, blyvende daar in 't geheel wel 200 dood. Daar
boven sneuvelden 30 Schotten, behalven noch twee Kapiteins. Dit
bragt onder de gezamentlyke soldaaten, en onder de allerhartigste
burgerye zulk een schrik, bevreest zynde voor meer ondergravingen,
datzy op verdrag dagten. Over zulks zonden zy Gecommitteerden uit,
zo wegens de Geestelyke, Magistraat en Ambagten der stad, als ook
wegens den Overste Luitenant Laukema; en op Ostagiers handelende van
den 16de tot den 22ste van July, met Prins Maurits en Graaf Willem
van Nassau, zyn daar op met advis van den Raad van Staaten eindelyk
overeen gekomen. Dus is Groningen en de Ommelanden op den 24ste van
July onder Maurits gebied gebragt, na dat 'er wel 10000 schooten op
waren gedaan, en 400 mannen voor zyn gebleven: waar tegen de belegerden
ook 300 soldaaten en veele burgers hebben verloren. In de stad wierden
gevonden 36 metaale stukken kanon, behalven de yzeren, en wierd daar
over Graaf Willem van Nassau tot Stadhouder gestelt. Prins Maurits
en Graaf Willem daar binnen komende, wierden verwellekomt door den
klokspeelder, speelende de wys van den 6den Psalm. Daar na wierd
de Magistraat verandert, wordende daar tot eerste Burgemeesters
aangestelt, Mello Conders, Joachim Alting, Harmen Koning en Egbert
Alberda. Voorts wierd de St. Martens Kerk van hare beelden gezuivert,
en de eerste predikatie van de Gereformeerden daar in gedaan: doende
de Magistraat en Burgerye daar na den eed van getrouwigheid aan Graaf
Willem, hunnen Stadhouder en aan de Staaten Generaal.
In 't zelve jaar is de Aartshertog Ernestus, van 's Konings wegen,
in Nederland tot Stadhouder gezonden.
In den jaare 1596 is uit last van de algemeene Staaten en den Prins
van Oranje, het Collegie der Admiraliteit te Dokkum ingestelt; om
alzo bequaamelyk over het werven der oorlogschepen van Friesland alle
zaaken te kunnen beraamen.
In het zelve jaar, den 24ste van Augusty, is Graaf Willem van Nassau,
Stadhouder van Groningen, mede tot Gouverneur over het Landschap
Drenth aangestelt.
In dit jaar is de Cardinaal Albertus, Aartshertog van Oostenryk, tot
Stadhouder des Konings, in Nederland gekomen; die naderhand huuwde
met Isabelle, Dochter des Konings; en deze landen wierden hem tot
een huwelyks goed toegezegt.
Omtrent dezen tyd was 'er eene Friesche dochter, Margarita genaamt,
zynde een jong vrouwsperzoon, of moedige Amazoone, en lang van persoon;
deze heeft, in manskleederen, de Heeren Staaten zo binnen Oostende
als elders zeven jaaren gedient, buiten kennisse haarer ouders, in
alle eerbaarheid, eerst een spies gedraagen, en daar na een musquet
gevoert, met een witte veder op de hoed, als een kloek en onvertzaagt
krygsgezel, ja onder de Adelborsten gerekent, en zelve veele schansen
om Groningen en Steenwyk helpen inneemen. Ten laatsten bekent geworden
by haar medegezel, als zy een schoon hemd aandeed, hebbende groote
borsten en rond opgewasschen, meer dan andere welgevleesde jongmans:
op zyn vraage, heeft ze hem beleden, een vrouwsperzoon te zyn, dat
hy verwonderende aanhoorde; is daar op met eere verlieft geworden, en
in 't leger voor Koeverden met haar getrouwt. Zy waren noch woonende
binnen Groningen in den jaare 1602, en veele jaaren daar na, een winkel
doende van vette waaren, in alle stilheid en eerbaarheid huishoudende,
en t'zamen geneerende. Deze Amazoone heeft ook een lied gedicht, de
jonge Dochters tot liefde des krygs, om 't Vaderland te beschermen,
na haar voorbeeld vermaanende. Zie E. v. Meteren [97].
In den jaare 1597 verzogten die van Groningen aan de Staaten van
Friesland, om Drenth en Twenth geheel vry te maaken, en den vyand
van daar te vernestelen: welk verzoek uit last van de algemeene
Staaten, door hulp van den Prins van Oranje, wierd vastgestelt: en
alle sterktens en schansen, door de vyanden aldaar bezet, wierden
overwonnen, namentlyk, Grol, Ootmarsen, Oldenzeel, Lingen, enz.
In dit zelve jaar, den eersten van Juny, is de Overste Sonoy, gewezen
Gouverneur van Noordholland, op Dyxterhuis, een Heerlykheid in de
Ommelanden, overleden; wordende deszelfs ligchaam tot Peterbuuren in
de kerk, in tegenwoordigheid van zyn Genade Graaf Willem van Nassau,
Stadhouder van Groningen, begraven.
Den 18de van Augusty was 'er een zwaare watervloed in deze landen,
waar door de Delfzylen en anderen uitbarsten, en veele menschen en
beesten verdronken.
Den 8ste van December is Graaf Willem door de Groningers met groote
toejuichinge ingehaalt.
In den jaare 1599 is te Groningen door de Heeren Burgermeesteren en
Raad het Burger-Weeshuis opgericht.
In den jaare 1600 is te Groningen. omtrent de Heere Poort, wederom
een kasteel gebouwt; zijnde ten zuidoosten van de stad, omtrent ter
plaatze daar weleer de kasteelen van Graaf Edzard van Oostfriesland,
en van den Hertog van Alva hadden geweest: welk kasteel over de
400000 guldens quam te kosten. Ook wierd de burgerye ontwapent,
en Jonker Casper van Ewsum met 800 mannen op gemeld kasteel gelegt.
In dit zelve jaar ontstond 'er groote oneenigheid tusschen de Heeren
van den Lande en Steden, over het stuk van de gemeene lasten en
bezwaaringen te draagen: doch wierd door Gemachtigden van de algemeene
Staaten en den Stadhouder weder bygeleit.
In den jaare 1605, den 10de van Augusty, zyn te Groningen door
de Heeren Burgemeesteren en Raad, in plaats van vier Kapiteinen
der burgerye, hier Hopmans genaamt, acht aangestelt; en doende de
Kapiteinen de nominatie van de Vendrigs, die door den Raad wierden
geëligeert op den zelfden dito.
Den 23ste van Augusty quam de Stadhouder Graaf Willem van Nassau
met 18 vendelen, voetvolk en 6 compagnien ruiters binnen Groningen;
waar door de stad van het haar gedreigde quaad bevryd wierd. Ook gaf
men de burgerye hun geweer weder. Prins Maurits verzond ook eenige
troupen ter versterkinge van Koeverden en de Bourtange; zijnde deze
plaatzen alle met groote verbaastheid aangedaan, wegens de veroveringe
van Lingen en Oldenzeel, door de Spaanschen, onder het commando van
den Marquis de Spinola.
Ambrosius Spinola met zijn macht in Twenth zijnde, om op Friesland een
kans te waagen, en welk land de Koning van Spanje hem reeds ten erve
had geschonken; doch, God zij gedankt, hem nooit heeft kunnen leveren,
moest zich vergenoegen met Lingen en Oldenzeel, en dat Friesland in
groote benaauwtheid bragt. Maar Graaf Willem hield binnen Koeverden
een oog in 't zeil, zo dat Spinola die plaats niet derfde aantasten,
en vertrok druipstaartende weder naar Vlaanderen, ook eenigzints door
de natte zomer verhindert.
In dit zelve jaar, in Maart, wierd met den Spanjaard een bestand van
acht maanden geslooten.
In den jaare 1608 was 't zo een harden winter, dat men van de Friesche
kusten naar de vooreilanden, als Ameland, Ter Schelling, en ook naar
Grind niet alleen, maar zelf naar de Hollandsche kusten van Harlingen
af met paard en slede konde overjaagen. Gelyk een Ariën Wierds,
den 9de van February uit de Haven rydende, voor 't poortsluiten te
Amsterdam binnen quam. Ook drilde voor de Harlinger haven op het ys
een compagnie soldaaten.
In dit zelve jaar zyn de nieuwe fortificatiewerken van de Groningers
begonnen, wordende de stad aan de zuidkant daar door vergroot; ook
is een gedeelte van het Groninger kasteel, tegens de burgers aldaar
gebouwt, wederom afgebroken.
In den jaare 1609, den 9den van April, is te Antwerpen het twaalfjaarig
bestand geslooten, tusschen den Koning van Spanje en de Staaten
Generaal der vereenigde Nederlanden; zynde wegens de Provintie
van Groningen aldaar gecommitteert Abel Conders, Burgermeester te
Groningen, wordende het zelve op den 18de dito in 's Hage gepubliceert.
In den jaare 1610, op Nieuwejaarsdag, hebben de burgers van Leeuwarden,
na dat zy eenigen tyd met de Burgermeesteren oneens waren geworden,
de deur van 't Raadhuis met een mast open geloopen, verbreekende de
glazen, vensteren en alles wat hun voor quam.
Een Jan Cornelisz. Femmes, bestond in dit jaar een reukelooze daad,
spruitende uit een wedspel, waar in hy aannam, om een rond jaar te
willen woonen op het Kamper Zand (dat een droogte is, gelegen tusschen
Ter Schelling en Ameland, loopende met alle etmaalse vloeden onder
water). Op voorwaarde gaf hy aan zyn medewedder paarden, wagen,
ploegen, en andere huismans gereetschappen; zullende hy, by aldien
hy zyn voorneemen een rond jaar uitvoerde, een groote zomme geld in
tegendeel genieten. Hier op bouwde Jan den 2de van Juny aldaar op
eenige roeden of stutten een huisje; en om het zelve by springvloeden
of hooge watertyden om hoog te heffen, gebruikte hy een tistel of
vyzel, waar door hy het om hoog kon opvyzelen, of doen zakken: en dus
hielde hy 't het bestemde jaar volkomen uit; zynde eene ongehoorde
zaak. [98]
In den jaare 1611, den 25ste van January, heeft Graaf Enno van
Oostfriesland de sterke vesting Lieroort aan haar Hoog Mogende de
Heeren Staaten Generaal overgegeven.
In den jaare 1612, en 't volgende jaar, is de stad Groningen rondom
vergroot, doch meest naar 't noorden, en is doe vervolgens met zeven
schoone groote poorten voorzien, benevens noch een kleen poortje
bezyden het Schuitendiep; hebbende een zeer breede en hooge wal,
met 17 dwingers of bastions en een diepe besloten gragt.
In den jaare 1614 is de Academie te Groningen opgericht, onder het
Stadhouderschap van Graaf Willem Lodewyk van Nassau. De inwydinge
geschiede op den 23ste van Augusty. De eerste Professoren zyn
geweest Ubbo Emmius, Professor in de Historiën en Grieksche Taal,
als eerste Rector Magnificus. Herman Ravensberg, Professor in de
Godgeleerdheid. Cornelius Pynaker, Professor in de Rechten. Nicolaas
Mulerius, Professor in de Medicynen en Mathesis. Johan Epinus,
Professor in de Philosophie en Ethicæ, en extr. in de Rechten,
Guill. Macdowel, Professor in de Philosophie, Logicis, Phys:
& Methaphysicis. De inleidings redevoeringe wierd uit naam der
geheele Provintie gedaan, door Do. Pancratius, stads Syndicus. Na 't
eindigen derzelve, deed Do. Ravensberg een andere, op deze handelinge
passende. De eerste Rector in de Rechten, die hier zyn promotie bequam,
was Hugo van Nyeveen; houdende zyn inauguraal dispuit op den 13de van
November 1615, onder het Rectoraat van gemelden Professor Ravensberg.
In den jaare 1616, den 18de van Maart, is Graaf Willem Lodewyk door
de Groningers zeer plechtig ingehaalt.
In den jaare 1618 is het Sapmeer droog gemaakt, en is het volgende
jaar met gruppen en een doorgaande vaart voorzien. Waar op is gevolgt
de aanvang en continuatie van deszelfs vaart of diep door 't hooge
en wilde Veen, van Sapmeer tot aan Zuidbroek.
In den jaare 1619 bequamen die van Staveren vernieuwinge en handhavinge
van hun onderrecht.
In dit zelve jaar, in July, is de Heerlykheid van Wedde, Westerwolde,
Bellingewolde en Bleyham gekogt van Willem van den Hove, en den
2de Augusty in den Raad geapprobeert, voor de zomma van 140300
guldens. Voorts heeft de stad deszelfs possessie aanvaart, en is den
21ste van September Edzard Rengers tot Drost, en Michiel Visscher
tot Richter van Bellingwolde en Bleyham gekoren.
In den jaare 1620, den laatsten van May, is binnen Leeuwarden
overleden Graaf Willem, Stadhouder van Friesland; tot wiens loffelyke
gedachtenisse die heerlyke begraafplaats of tombe in de Jacobyner
Kerk is opgeregt; alwaar hy met zyn Gemalinne na 't leven in steen op
uitgehouwen is: en is zedert dien tyd de rustplaats der Stadhouders
altoos geweest en gebleven.
3. Ernst Casimier, Graave van Nassau, enz., wierd, na 't overlyden
van zynen broeder, in de maand Augusty, tot Stadhouder van Friesland
verkooren. En die van Groningen, Ommelanden en Drenth verkooren Prins
Maurits tot hunnen Stadhouder. In December begon het zo geweldig te
vriesen, dat men wederom naar Ter Schelling en Ameland met paard
en slede overjoeg. Het volgende jaar, den 2de van February, quam
een Harlinger schipper, met een sleetje en stok in de hand, van
Friesland, over den Fliestroom, te Harlingen binnen treden. Graaf
Ernst, geleidende den jongen Koning van Boheemen, quam met gezelschap
van over de 100 sleden, van Leeuwarden tot op de zee voor Harlingen
afjaagen.
In den jaare 1621, den 29ste van Maart, is de Burgerye te Groningen
door de Heeren van den Raad in 12 vendelen verdeelt; wordende daar op
den 30ste dito de Officieren gekooren, en den 13de van April door hun
Edelheden goedgekeurt, dat voortaan de Vendrigs onder de Luitenants
zouden staan.
De volgende winter van het jaar 1621 en 1622 was het mede een
harde winter; waar in Anna Sophia, Gemalinne van den Stadhouder,
vergezelschapt met een compagnie soldaaten, en hun byhebbende
gereedschap, van Enkhuizen naar Staveren langs het ys overquam.
In den jaare 1622, in Augusty, deeden de Spanjaards een aanval
op Friesland, trekkende met 800 voetknegten en 70 ruiters door
Oudeberkoop, naar Schoot, om 't Heerenveen te overvallen. En vermits
het Staaten Volk zich meest aan den Rhyn nedergeslagen had, waren
slegts maar drie compagnien verstrooit in de Zevenwouden gebleven;
dewelke, naar 't Veen rukkende, den vyand, die een geweldigen storm
deed op een schansje of redout op den weg naar Schoot, wakker afkeerde,
en veelen van zyn volk deeden sneuvelen. De vyanden, misleid zynde,
waren van gedachten geweest, dat 'er boeren en geen soldaaten op het
Veen lagen: en trokken na dit treffen weder af op Ommen: alwaar zy
door des Prinsen volk van achteren bezet wierden, en in de kerk allen
gevangen zyn genomen.
In October is Ernst Lodewig, Graaf van Mansveld, met zyn krygsbenden,
wel 5000 mannen uitmaakende, in Oostfriesland gevallen, bedervende
de inwoonders en landen elendig, zelfs zodanig, dat zyn eigen volk in
den jaare 1624 meest van honger verliep. Hy had zyn hoofdquartier in
de vesting Lieroort; en eer hy vertrekken wilde, dwong hy Graaf Enno
van Oostfriesland een groote zomme geld af.
In den jaare 1623 was er een zwaare pestziekte in Groningen; als
mede een groot oproer over het draagen der dooden: want op den 5de
van Augusty zyn de oude lyken des voormiddags door de vrouwen, en de
jonge lyken des namiddags door de maagden ter aarde gebragt.
In den jaare 1624 deeden de Spanjaards, onder het bevel van Lucas
Cayro, Gouverneur van Lingen, een inval in den Oldambte; zy staken
verscheidene dorpen in brand, als Winschoot, Heiligerlee, Noordbroek,
Scheemda en Slogteren; verzonden in alle omleggende plaatzen brieven
van brandschattinge: waar door de huislieden afquamen om de brand
af te koopen. Maar het geruchte der aankomst van den Oversten
Stakenbroek, deed hen haastelyk de vlugt neemen, doch een grooten
roof mede voerende.
In den jaare 1625, den 8ste van Maart, is Oostfriesland door een
schrikkelyke watervloed aangetast, alle dyken doorbrekende of
beschadigende, zodanig datze met geen 800000 guldens te herstellen
waren; en de huislieden, door de Mansvelder troupen ten eenemaal
verarmt en bedorven zynde, hadden geen macht om die te repareren,
dies de zee daar uit en in spoelde.
In dit zelve jaar, den 23ste van April, is Prins Maurits, na een
langduurige krankheid uitgekwynt zynde, in 's Gravenhage ontslaapen. En
zyn broeder Frederik Hendrik wierd aanstonds in zyn plaats tot opperste
Veldoverste verkooren.
In dit jaar is Graaf Ernst van Nassau tot Stadhouder van Groningen
en Ommelanden, en 't Drenth aangenomen.
Den 29ste van December overleed binnen Groningen de Hooggeleerde en
wydvermaarde Ubbo Emmius, Professor dier Academie.
Omtrent den jaare 1627 is het groote Provinciale magazyn of
Artilleryhuis alhier gebouwt, en het Orgel in 't H. Geest-Gasthuis
nieuw gemaakt: ook het Orgel in de groote kerk, eertyds door Agricola
gemaakt, vergroot en vernieuwt.
In den jaare 1628, in Augusty, is de Nieuwe of Lange-Akkerschans
volveerdigt, en daar in drie compagnien soldaaten tot bezettinge
gelegt, onder den Gouverneur Roussel; dewelke in October de Dylerschans
innamen; doch zyn 'er voort daar na door de Keizerschen wederom
uitgejaagt.
In den jaare 1631 wierd Prins Frederik Hendrik, behalven Holland en
Zeeland, ook het Stadhouderschap van Gelderland, Utrecht, en Overyssel
opgedraagen. Maar Stad en Lande hebben Graaf Ernst aangenomen.
In dit zelve jaar, in de maand van May, ontstond door 't geheele
Land een geweldige oploop van 't gemeene volk; waar door beide, zo
Opper- als Onderregenten, by hen verdagt wierden, en alle aanzienlyke
lieden in verachtinge quamen. En den eersten Augusty heeft Graaf
Ernst Oldenzeel ingenomen, en des zelfs vestingen afgeworpen.
In den jaare 1632 wierd Graaf Ernst, zo als hy van Venlo op Roermond
aankomende, en den grond aldaar bezigtigde, van de wal met een vuurroer
door 't hoofd geschooten; en echter wierd hy dien dag noch meester
van de stad.
4. Hendrik Ernst, Graave van Nassau, enz., wierd in de plaats van
zynen vader tot Stadhouder van Friesland aangenomen; en weinig tyd
daar na mede van Groningen, enz.
In den jaare 1633, omtrent Pinxter, was 'er een watervloed in
Oostfriesland, waar door al het koren op 't land verdronk.
In dezen tyd trokken twee compagnien of 350 burgers uit Groningen
naar de Bourtange; dewelke op het verzoek van haar Hoog Mogende de
Staaten Generaal, en Advis van zyne Exellentie, op 10 stuivers daags
naar buiten zouden marcheren, om hun vaderland te dienen, en op de
vyanden te waaken; en hebben alzo hunne huizen en familien een tydlang
vrywillig verlaaten.
In den jaare 1634, wanneer de nieuwe Middelen, als Hoofd- en
Schoorsteengelden, enz., ter ondersteuning van den oorlog, eerst
in Friesland verpagt wierden, ontstond 'er in verscheidene steden en
dorpen een groote oploop; waar door zommige Heeren en heerenhuizen zeer
slegt mishandelt wierden: maar door inlegering van soldaaten wierden
de voornaamste belhamels gevat, en alzo weder tot stilte gebragt. In 't
begin van dit voorjaar strande aan Ameland een Walvis: ook schryft men,
dat 'er op dit zelve Eiland mede in dit jaar vorsschen zyn geregent.
In den jaare 1635 was 'er te Groningen een zwaare pestziekte, waar
door over de 100 menschen in een week stierven.
In den jaare 1636 is Oostfriesland door twee watervloeden aangetast:
de eerste op den 24ste van Juny, en de andere op den 25ste van July,
waar door de huislieden, wegens gebrek van hooy, hunne beesten naar
andere plaatzen in de kost moesten besteden.
In den jaare 1638, als het leger van den Prins voor de Graaf lag,
en Graaf Hendrik naar 't huis te Gennip, om het zelve te bezichtigen,
gezonden was, gebeurde het dat zyn paard op zekere plaats achteruit
deinsde, en in een bedekte put tot op den grond nederschoot; maar
Graaf Hendrik zulks voelende, in aller haast zyn voeten uit de beugels
van de stegelreep rukkende, viel achter over de gemelde put heenen;
buiten welke val hy elendig had moeten omkomen en versmooren.
In den jaare 1640, is Graaf Hendrik, zullende in de belegeringe van
Hulst een schansje of redout bespringen, doodelyk gewond geworden;
na hy en de zynen ongemeen manhaftig gestreden hadden; en onder
andere zyn broeder Graaf Willem, die reeds al op zyn derde paard was
gestegen. En den 17de van July overleed gemelde Graaf aan zyn quetzuur,
die door geheel Nederland zeer beklaagt wierd.
5. Willem Frederik, Graave van Nassau, enz., wierd, na zyn broeders
overlyden, tot Stadhouder van Friesland aangenomen. En de Prins van
Oranje verkreeg het Stadhouderschap van Groningen en Ommelanden.
In den jaare 1643 is 'er in veele landen door 't hooge water een
onwaardeerlyke schade geschied, zodanig als by menschen geheugenisse
niet was voorgevallen. In 't dorp Gaast spoelden de dooden uit de
graaven. Door 't doorbreeken der dyken, was het land zo verre onder
water, dat men dwars over het land van Groningen naar Zwartsluis
konde overvaaren.
In den jaare 1645, den 22ste van January, is Oostfriesland wederom door
een watervloed overstroomt; waar door veele dyken wierden gebroken,
en tot Embden, zo 'er gezegt word, de Corps de Guarde wegspoelde.
Dit jaar, den eersten van September, quam de Stadhouder Prins Willem
van Oranje te Groningen, om aldaar de doe zwevende verschillen by te
leggen; wordende door de Magistraat en burgerye met groote eertekenen
ingehaalt, 't guarnisoen in de wapenen, benevens 't losbranden van
het kanon, enz.
In dit zelve jaar, wierd de trekweg van Harlingen naar Leeuwarden
gemaakt.
In den jaare 1647, den 14de van Maart, is Frederik Hendrik, Prins van
Oranje, in 's Gravenhage ontslaapen. En dien zelven dag deed zynen
Zoon, Willem de tweede, den eed van getrouwigheid aan de Staaten.
In den jaare 1648, den 30ste van January, is binnen Munster in
Westfaalen, na een oorlog van over de 80 jaaren gevoert, eene vrede
gemaakt, tusschen den Koning van Spanje, en de Staaten der zeven
Provintien: door welke gemelde Koning deze Landen voor eigene en
vrygevogtene landen heeft moeten verklaaren; en zyn recht op dezelve
eeuwig en erflyk afgestaan.
In dit zelve jaar gebeurde binnen Dokkum, op 't Raadhuis, een gering
doch merkwaardig geval, zinnebeeldig op bovenstaande vrede; men zag
een mossel een muis vangen: dat dus geschiede, een hoop mosselen
aldaar leggende, quam de muis daar zyn aas zoeken, en een treffende,
die gaapte, sloot de mossel haare schelpen toe, en de muis, in de
zyde gevat, was gevangen.
In den jaare 1650, den 27ste van October, is Prins Willem van Oranje,
in 's Gravenhage, aan de kinderpokjes overleden.
In den jaare 1651, den 22ste van February, was 'er een watervloed
over de Groninger Provintie, en elders; waar door de dyken wierden
gebroken en groote schade geschiede.
Den 20ste van May is Graaf Willem Frederik van Nassau, Frieslands
Stadhouder, te Groningen ingereden; wordende door de Magistraat en
burgerye met groose staatsie opgehaalt, en ten zelven dage aldaar tot
Stadhouder en Gouverneur over Stad en Lande aangenomen, gehuldigt,
en in 't openbaar beëedigt.
In den jaare 1653 is, uit vreeze voor de Engelschen, die zich voor onze
kusten vertoonden, op Ameland, Ter Schelling, Flieland, enz., een goede
wacht van krygsvolk gezet, om een waakend oog in 't zeil te houden.
Niet lang daar na quamen zy voor de zeegaten van Texel en 't Flie,
met schrobbers en bezems op de masten braveerende; willende daar door
te verstaan geeven, dat zy als Meesters van de zee, dezelve hadden
schoon gemaakt.
Den 8ste van Augusty geschiede omtrent Texel het zeegevegt van
drie dagen, waar in de Admiraal Tromp door een musquetschoot wierd
getroffen, en dood op den overloop van 't schip ter neêrgeveld.
In den jaare 1654 was 'er geheel Europa door een groote overvloed
van graanen; alzo dat de Hollandsche kooplieden het zelve op hunne
korenzolders niet kunnende bergen, naar Friesland moesten overvoeren.
In den jaare 1655, den 10de van November, zyn de eerste trekschuiten
tusschen Groningen en Leeuwarden gevaaren.
In den jaare 1656, den 8ste van Februarij, heeft de Magistraat van
Groningen, ter gelegentheid van de Raads-keur, voor de eerstemaal met
Goude Boonen beginnen te looten; zijnde het zelve bevoorens altoos
met gemeene Turksche Boonen gedaan.
In den jaare 1657, den 17de van October, waaide het drie dagen lang
zo een bittere stormende oosten wind, dat de zuiderzee en andere
binnenstroomen het water op veele plaatzen ontliep; zo dat men van
't eilandje Ens droog over naar Friesland konde gaan. Odulfs Kerk,
en andere oudheden, lagen by Staveren geheel bloot. Waar op volgde
een felle en lange winter.
In het zelve jaar, den 23ste van October, zyn te Groningen de 12
vendelen burgerye door de Heeren van den Raad tot op 18 vendelen
vermeerdert.
Ook was 'er in dit jaar te Groningen zekere onlust; waar door eenige
huizen wierden geplondert: doch door den Stadhouder Prins Willem
wierdze wederom gestilt.
In den jaare 1659, den 6de van Juny, is de Vorst van Anhalt, Joan
Georg, met de Prinsesse Henrietta Catharina van Oranje, enz., zeer
prachtig te Groningen in de St. Martens Kerk getrouwt. De ingang
van gemelde kerk tot aan het Vorstelyke Trouw-Theater was rondom
zeer heerlyk behangen, en met tapyten belegt. De Prinsesse Bruid was
zeer prachtig gekleed, met een heerlyke kroon vol diamanten op haar
hoofd, enz., wordende verzelt van de Keurvorstinne van Brandenburg,
Graaf Willem van Nassau en zyne Gemalinne, Prins Maurits en meer
andere Grooten. Hier na wierd de geheele stad vervult van vreugde,
zo door konstige vuurwerken, losbranden van het kanon, enz.
In den jaare 1662, den 28ste van February, heeft Oostfriesland door
een watervloed wederom zeer veel geleden: want daar groote schade
aan dyken geschiede, en tusschen Delfzyl en Embden 8 schepen vergingen.
In den jaare 1663, den 30ste van October, liep Oostfriesland wederom
geheel onder; waar door veele beesten wierden weggerukt, en groote
schade aan dyken geschiede.
In den jaare 1664, den 6de van July, is door Graaf Willem, Stadhouder
van Friesland, de Eilerschans by verdrag verovert van den Bisschop
van Munster.
Den 21ste van Augusty, is Willem Frederik, gemelde Stadhouder, binnen
Leeuwarden, aan een quetzuur overleden; welke hy van onderen in de kin
door een pistool bekomen had, als hy de proef daar van zoude neemen:
schryvende zelf: als zy geen vuur wilde geeven, doe zag ik daar na,
en willende den stempel daar uittrekken, zo ging ze in dien tyd
los. Nalaatende een Prins van 8 jaaren en twee Prinsessen.
6. Hendrik Casimier, Graave van Nassau, enz., aan wien de Staaten
des Lands al in den jaare 1659, by survivance of overlevinge, de
toezegginge van 't Stadhouderschap, by 's Vaders leeven, hadden
verleent, wierd nu mede het Kapiteinschap Generaal over Friesland
opgedraagen; om deze bedieninge in het 20ste jaar zyns ouderdoms aan
te vaarden.
In den jaare 1665, in January, als Prins Johan Maurits, wederkeerende
van Leeuwarden van de begraaffenis van Prins Willem Frederik,
Stadhouder van Friesland, en door Franeker reed, zo schoot hy met
zyn paard, op een oude valbrug zynde, in 't water ter neder; doch,
schoon in gevaar van zyn leeven te verliezen, wierd hy echter noch
onbezeert gereddet.
Den 22ste van September trok de Bisschop van Munster, als een huurling
en in dienst van Engeland [99], om Nederland aan deze zyde te plaagen,
met zyne macht Twenthe en Drenthe in, daar hy alles verwoeste: en
omtrent eene maand verloopen zynde, boorde hy by 't Roveen door; dat
in Friesland geen kleene vrees veroorzaakte. Doch, voor Ommerschans
afgeslagen zynde, vertrok hy naar Groningerland, en nam Winschooterzyl
en Burgerschans in. Maar als hy een goede borstweering by Heiligerlee
vond, en de Bourtang, Koeverden, Ommerschans en Friesland van alles
wel voorzien zag, achte hy zich gelukkig, zonder van Maurits volk
bezet te worden, zelve weder uit te geraaken.
Den 5de van December was 'er weder een zwaare watervloed in veele
Landen, die Zeeland, Holland, Friesland en de Ommelanden groote
schade toebragt.
In den jaare 1666, den 15de van July, heeft de dappere en manhafte
Zeeheld Tjerk Hiddes, Luitenant-Admiraal van Friesland, terwyl hy
met den Zeeuwschen Luitenant-Admiraal Jan Evertsz. den Engelschen
Admiraal van de witte vlag aan boord lag, en zeer moedig streed, zyn
been te gelyk met het leeven verlooren: zyn ligchaam wierd staatelyk
binnen Harlingen ter aarde bestelt.
Den 8ste van Augusty quamen de Engelschen, met menige scheepjes
en vyf branders binnen 't Flie, daar zy de twee convojers, en een
vloot van 170 koopvaarders in den brand staken; van welke ook veelen
door de vlam verteert wierden: waar onder omtrent 30 schippers van
Hindeloopen van hune schepen beroofd wierden; en ook eenige die 't
ontvluchten. Daar op landen zy op Ter Schelling, en staken een onnoozel
weerloos visschers dorpje in den brand: roemende in Engeland als of
zy de geheele waereld gedwongen hadden. Maar Gods wraak vervolgde hen
al te spoedig, alzo het beste gedeelte van de vermaarde stad Londen
in vyf dagen, door een byna onuitblusbaare brand, in de assche wierd
gelegt, tot een onwaardeerlyke schade van veele gegoede lieden. En
de schade door 350 huizen, op Ter Schelling in den brand gestooken,
had een geringe overeenkomst, tegen van hen ruim 35000 huizen door
de vlammen verteert.
In den jaare 1672, wanneer Louis de veertiende, Koning van Vrankryk,
trachtende na het Oppergebied van geheel Europa, en reeds zulks in
't werk stellende, het niet voor 't geringste gedeelte van zyne
uitvoeringen achtede, de zeven Vereenigde Nederlanden alvoorens af te
loopen, om onder zyn geweld te brengen; en Friesland, een gedeelte
daar af zynde, na de gelykheid van de leden van het zelve ligchaam,
kon hier niet ongevoelig van zyn.
Den eersten van Juny, of na de oude Styl den 22ste van May, moet voor
een Schrikdag van geheel Nederland aangeteekent worden: van welken
tyd zy geen 50 dagen konden tellen, of was meer als 80 van hunne
sterkste steden en vermaardste beschansingen door den vyand ontbloot.
Doe wierd Nederland met 6 legers, op 6 verscheidene plaatsen, te
gelyk besprongen, namentlyk van 4 Franschen voor Orsou, Rynberk,
Wezel, Burik, en 2 Bisschopschen voor Grol en in Twenthe. Na alle
bovengemelde veroveringen, den vyand voorttrekkende, nam ook langs
den Rhynstroom alle plaatzen in.
Den 2de van Juny, ruktenze voorby Schenkenschans, daarze by 't Tolhuis,
langs een droogte in den Rhyn, doorbraaken: zynde die plaats door
den Oversten A. W. van Ailua met eenige Friesen dies tyds bezet. Waar
op Mombas, schynende de Franschen eerst te willen tegen gaan, dwars
heen en weêr met zyn ruitery door het Friesche voetvolk reed, dat
zich zeer mannelyk weerde, alschoon zy door geduurig omzwerven,
dan naar Nieumegen, dan naar Doesburg, Zutfen en Schenkeschans,
zeer vermoeit en afgemat waren: geevende dien verraader Mombas daar
door gelegentheid, dat het Friesche voetvolk onder de voeten van
zyn ruitery, en diesvolgens in een groote verwarringe geraakte,
zo dat zy genootzaakt wierden om quartier of lyfsgenade te roepen,
en alzo elendig wierden overwonnen. Dit doorbreeken in de Betuw, door
dien men meende, dat des vyands macht aan den Rhyn verbrooken zoude
worden, was een droevig begin van alle volgende onheilen: waarom het
ook in Holland zo een verbaastheid verwekte, dat men geene woorden
zou kunnen uitvinden om het zelve uit te drukken. Waar op dat heel
kort daar na het Sticht Utrecht mede onder de macht des vyands quam.
Den 13de van Juny heeft geheel Overyssel zich by verdrag mede schendig
aan den vyand overgegeeven. En zo is Friesland, door 't verlies van
de Kuinder, Blokzyl, Zwartsluis, Steenwyk, Ommerschans en Roveen zyn
plegtanker afgekapt geworden. Waar over de verbaastheid, ontroeringe,
en flaauwhartigheid, die de winkels innam, de handwerken aan een zyde
wierp, de Rechtbanken toesloot, de Academien en Schoolen ledig maakten,
de lieden van angst en benaauwtheid uit hunne huizen deed loopen,
den eenen tegen den andere aanstootende, en zo alles in verwerringe
bragt. De vreeze en benaauwdheid was te grooter, om dat alles hen
zo schielyk en onverwagt overquam: waar van geen eigener beeldenis
kan vertoont worden, als ieder gevoelig mensch zich, in herdenking
van dien tyd, in zyne gedachten voorstelle: en die het slegts in
een eenvoudig en naakt verhaal wilde te kennen geeven, zoude woorden
moeten uitvinden, om eenigzints uit te drukken. Om daar evenwel iets
van te zeggen, zullen wy daar over, als ook over de eerste gevolgen
van dien, de woorden van Mr. P. Valkenier, Pleitbezorger voor den
Hove van Holland, hier by voegen [100]. Hy schryft:
«De tydinge van dit schandelyk en haastig overgaan van de geheele
Provintie van Overyssel, vloog aanstonds geheel Friesland en
Groningerland door, en verwekte aldaar zo een groote vreeze en
verbaastheid, als het doorbreeken der Franschen aan 't Tolhuis, en het
verlies van Utrecht, in Holland veroorzaakte. Want elk stond verlegen,
en verwagte alle omzien den vyand. Niemand wist wien het eerst zoude
gelden; alzo het geheele land onbedekt, en zonder de minste afsnydinge
voor hem open lag. Elk wilde met zyne beste losse goederen vluchten,
maar niemand wist byna waar heen. Eenigen, die hunne goederen uit
de steden wilden vervoeren, wierden dezelve of door oploop, of door
plondering van 't gemeene volk kwyt. De Overheden, die mede wat meenden
te bergen, moesten opentlyk het verwyt aanhooren, dat zy verraaders
waren, en de gemeente in deze algemeene nood wilden verlaaten. De
Regeeringe stond raadeloos, en het volk redenloos, alzo het zelve,
als een pot te vuur, opliep, en voorts alles in verwarringe bragt. De
Heeren Gedeputeerde Staaten van Friesland, ziende dat de geheele last
van dit onheil op hunne schouderen aanquam, wierden te raade, om de
Heeren Raaden van 't Hof van Gerichte te verzoeken, dat zy hen in deze
verlegentheid met raad en daad geliefden by te staan. Waar op beide
die aanzienlyke vergaderingen, tusschen den 13de en 14de van Juny,
's nachts, binnen Leeuwarden, in alle stilheid byeen vergaderden:
alwaar voorgestelt wierd, de bedroefde staat van hunne Provintie. Hoe
dat de doortocht van Meppel, regt naar Dokkum, en voort de Dongerdeelen
in 't Bild door, tot Harlingen toe, om haare hoogte, niet konde onder
water gezet worden. Dat de twee schansen, op die doortocht gelegen,
als Breeberg en de Friesche Paalen, genoegzaam geslegt waren,
en geen wezen meer hadden. Dat het krygsvolk, op hunne bezoldinge
staande, tot bewaaringe der grenzen van andere Provintien zodanig
was gebruikt, dat 'er tot bezettinge van hunne eigene Provintie,
niet een eenige soldaat over was, als alleen eenige compagnien onder
den Luitenant-Generaal Ailua, die uit Overyssel quamen afzakken. En
dat hunne wapenhuizen en de wallen der steden van geschut, wapenen
en leevensmiddelen onvoorzien en geheel ontbloot waren, en alzo in
't geheel niet of weinig voorraad ter verweering. Hier op begon men
te beraadslagen, hoe men de Provintie op het beste zoude bewaaren uit
den tegenwoordigen nood en gedreigde gevaaren, die hen zo na boven
't hoofd hingen. Waar op wierd voorgeslagen, dat zulks zou moeten
geschieden door een van deze twee middelen: of gemeenzamerhand en met
alle ernst trachten te verweeren, en het uiterste te waagen: of dat
men zich met een algemeene overgeeving der Provintie uit die onheilen
zoude redden: en ingevalle van overgeeving, dat men dan behoorde
indachtig te zyn, met wat voorwaarden men de gemeene welvaart het
best zoude kunnen verzekeren.
«Na eenige onderlinge strydigheden, en na dat de Predikanten der
stad Leeuwarden mede in deze vergaderinge verschenen, die byzonderlyk
aanbevoolen, het stuk van godsdienst en gemeene vryheid, wierden alle
zwaarigheden aan eene zyde gestelt, en een moedig en hartelijk besluit
genomen, om, tot behoudinge van godsdienst en vryheid, gezamentlyk
het uiterste te waagen, en goed en bloed tot den laatsten droppel aan
te leggen. Men zond aanstonds uit het midden van deze vergaderinge
eenige Heeren aan hunne Hoog Mogende, aan de Staaten van Holland,
aan die van 't Noorder Quartier, aan die van Stad en Lande, en aan
die van Amsterdam: welke alle, daar na, zonder troost of de minste
hulpe weder te rugge zyn gekomen. Men besloot, om alle sluizen open,
en alle Polders en bedykte landen onder water te zetten. Men deed
een opontbod van alle Steden en Grietenyen; die daar op met vreugde
uittrokken na het Heerenveen, om zich daar met de weinige aankomende
krygslieden, onder den Heer Luitenant-Generaal Ailua, te vereenigen,
en een legertje uit te maaken; om daar mede den vyand te verwagten,
en te betoonen, dat zy noch van 't regte bloed der oude en beroemde
Friesen waren, die in standvastigheid alle volkeren overtroffen." Dus
schryft die Hollander.
En alschoon het geruchte, wegens dat merkelyk verlies van de Friesche
krygslieden aan het Tolhuis, van welke slegts maar eenige weinigen
door den Oversten Hans W. van Ailua, ter naauwernood uit Zwol gered,
naar de grenzen van Friesland, tot onder Leeuwarden quamen afzakken,
de verslagentheid niet verminderde; zo begon echter evenwel de moed
weder aan te wasschen, door 't bovengemelde legertje, dat ondertusschen
tot 13 a 1400 soldaaten vermeerderde, behalven een goed getal burgers
en boeren, die 'er dagelyks toevloeiden. Dit gemelde legertje wierd
zeer voorzichtig, onder het beleid van den Heer Ailua, op de grenzen
in een geduurige beweeging gehouden, op dat niemand van de Bevelhebbers
konde weeten, hoe sterk of zwak het was.
Middelertyd, als de vyand zyn aantocht over Steenwyk, op Friesland
had genomen, bequam hy tyding, dat de Friesen met de Groningers zich
wakker tot tegenweer stelden; waar over de Bisschop van Munster
zeer bulderende en geweldig tegen de Friesen uitvoer, barstende
onder anderen in dezen Bisschops vloek uit: Der Teuffel hoole die
Pfhaffen! waar door hy de Predikanten van Leeuwarden verstond. Des
hy van voorneemen veranderde, achte het dienstiger naar Koeverden
te zetten, en heeft eerst d' Eiler-, Oude- en Nieuwe Schans,
Winschooterzyl, en 't Huis te Wedde, met alles wat 'er by of omtrent
was, zonder slag of stoot ingenomen: de Bourtange eischte hy mede op,
en bood aan den Commandeur of Opperbevelhebber Prot 200000 guldens,
en aan ieder Kapitein of Hoofdman 50000 guldens, by aldien zy zich
wilden overgeeven. Maar de Bevelhebber Prot gaf hierop tot antwoord:
dat hy eerst met den Bisschop wel een gesprek wilde houden, daar hy
hem zo veel kogels zou vereeren, als hem guldens waren aangeboden.
Hier na hield de Bisschop een krygsraad, en de vraag was, of men
Friesland, of Delfzyl, of Groningen zoude overvallen? Het laatste
wierd by hem beslooten. Doch van dien tyd af wierd hy wel degelyk
in zyn raad verbystert, en in zyn voortgang zodanig gestuit, dat hy
daarna niet een voet aarde meer heeft gewonnen.
Uit de zeesteden zond hy kapers uit, om de Zuiderzee onveilig te
maken: dat, zo men zegt, geen drie dagen voortgang had: want alle
zyne vaartuigen wierden hem afhandig gemaakt: gelyk ook eenige van
zyn volk, meenende het eilandje Urk uit te plonderen, wierden van de
inwoonderen gevangelyk naar Enkhuizen gevoert.
De steden ondertusschen, waar eenige schyn van bescherminge was,
herstelden haare vestingen. Gelyk mede aan elke zyde van den Zwarten
Weg, omtrent neeven Meedum wierd een schansje gebouwd, en by Tietjerk
een schoone borstweering, reikende langs de weg naar Hardegaryp.
En door dien men bedugt was, of men in 't toekomende een geweldigen
vyand, of overlastige stroopers te gemoet zag, hebben die van
Hindeloopen, ten opzichte dat zy voor 't grootste gedeelte aan de
zee genoeg bevryd waren, aan de zuidoostzyde, daar zy aan 't land
vast zyn, een vesting van drie bolwerken opgeworpen: bestaande de
werklieden uit de burgerye, die zulks uit eigen drift gewillig bij
der hand namen: maar, nadien zy by ongelegentheid van dien tyd geen
onderstand of fortificatiepenningen, in gelykheid van andere steden,
uit de Gemeene Lands Middelen hebben kunnen bekomen, zo hebbenze het
verdere opmaaken tot op beter gesteltheid van tyden willen opschorten.
In deze dagen hebben de Bisschopschen uit de Kuinder de Lemmer
opgeeischt, en zoudenze overvallen hebben, ten waare zy de wagens met
vlugtelingen langs de wegen niet voor toevoer van krygsvolk hadden
aangezien: daar zij slegts een borstweering met eenige stukken geschut
op de zeedyk hadden toegestelt; welks toegang zy in 't verborgen
bedekten met heimelyk aan een gekeppelde eggen.
Den 4de van July heeft de Bisschop van Munster de sterke fortresse
Koeverden met een macht van 16000 mannen belegert, doende dezelven
dag noch aan de loopgraven werken. De twee volgende dagen liet hij zo
een groote menigte bommen en granaaten werpen, dat het tuighuis daar
binnen, met verscheide daar bystaande huizen, in brand geraakten. Den
7de dito liet hij de plaats opeischen, en eerlyke voorwaarden aan de
bezettinge aanbieden. Doch de Commandant Johan van Burum [101], na
die niet willende luisteren, wierd 'er overzulks aan weêrskanten noch
dapper vuur gegeven, tot den 10de der maand; wanneer de Bisschop de
plaats voor de tweedemaal opeischte. Ter zelver tyd zond de Commandant
drie Officieren aan den Bisschop, die den 12de de overgaaf der plaats,
zonder consent van den Bevelhebber, doch op eerlyke voorwaarden,
beslooten. Maar de Bisschop had Koeverden zo dra niet in 't bezit,
of betoonde zyne trouwloosheid en barbaarsche wreedheid aan de
uittrekkende soldaaten.
Ondertusschen maakte de Overste Ailua, met 1200 uitgeloote of
gecommandeerde burgers en soldaaten, eenen aanslag op de Kuinder;
alwaar de Bisschopschen veel roof hadden te hoop gesleept. Zy zouden
het vermeestert hebben, en hadden reeds al 200 mannen van den vyand
ter nedergeschooten, ten ware de besprookene Hollandsche kaapers,
wegens onstuimig weder opgehouden, hadden kunnen aannaderen, en de
vyand mede geen haastig ontzet van 2000 mannen, zo uit Kampen, als
Zwol had bekomen. Waar op de Friesen, dit ziende, met verlies van 30
mannen, weder aftrokken. En zy afgetrokken zynde, hebben de vyanden
het zelve uitgeplundert en hunnen buit vervoert.
Den 16de van July is de Friesche Brandwacht, leggende tusschen Bergum
en de Drachten, niet wel op hun hoede zynde, van 13 standaarden
Bisschopsche ruiters overvallen geworden. Doch zich in tyds noch
naar het gros van 't leger te Bergum begeevende, quam het terstond in
roeren, en viel de ruitery daar op in. Waar door de vyanden achteruit
deinsden, en de Friesen alzo tot nevens hunne hinderlaagen uitlokkende,
die het byna te quaad zouden gehad hebben, door dien een party volk
van den vyand in 't korenland verborgen lag; doch echter, door hunne
manmoedigheid, drevenze de Bisschopschen te rugge, met verlies van
van 150 ruiters, en maar 25 van hunne Friesen.
Daar na wierd de stad Groningen, op den 19de van July, door den
Bisschop van Munster en den Keurvorst van Keulen, met eene macht van
22000 mannen, aan de zuidkant by twee poorten belegert. De stad had tot
Gouverneur Karel Rabenhaupt, een dapper en ervaaren Kapitein. De Hertog
van Holstein Pleun had het bestier van het voetvolk, en de Colonel
Stoltzenburg van de ruitery. De bezetting bestond in 't begin maar
uit 24 compagnien voetknegten, 4 standaarden ruiters, en 3 vendels
dragonders, die alle te zamen omtrent 2000 mannen uitmaakten. Maar
zy wierd meer dan de helft versterkt, door de 18 vendelen burgers,
die geweer voerden. Daar na wierden 'er noch vier compagnien van
Advocaaten en andere lieden, die tot dezen tyd toe vry van de wacht
hadden geweest, en een compagnie studenten, 150 mannen uitmaakende,
opgericht: en voor dat de stad noch geheel berent was, quamen 'er 200
met byltjes gewapende mannen, uit het regiment van Koningsmark binnen.
De sterktens en magazynen waren in goeden staat, met overvloed van
wapenen, krygs- en leevensbehoeften voorzien; de Magistraat meende
het zo wel als het volk, en waren altemaal de bevelen van Rabenhaupt
onderdanig.
Deze Gouverneur de belegering al van langerhand voorzien hebbende,
had derhalven alle de huizen en tuinen, die buiten die kant van de
stad stonden, doen verbranden of slegten. Op de eerste aantocht der
vyanden deed hy de sluizen openen, en de dyken doorsteeken, om alzo het
land rondom te laten onder loopen. Doch dit weerhield den Munsterschen
Bisschop niet, den 22ste van July zyne krygsbenden te doen aannaderen,
en dien zelven avond aan de loopgraven te laaten werken. Hy deed den
27ste dito van een battery met 5 stukken kanon op de stad schieten;
maar de braave konstapels, waar van de stad voorzien was, maakten
de geheele battery, eer den dag ten einde was, onbruikbaar. Des
anderendaags liet de Bisschop de mortieren te werk stellen, en met
bomben en granaaten op de huizen werpen; doch door de goede voorzorg
van Rabenhaupt en de naarstigheid der Mennoniten deden ze weinig
schade. Maar de volgende dagen schooten de belegeraars geweldiger,
waar door in de stad groote schade wierd veroorzaakt; 't welk de
inwoonders noodzaakte met hun huisgezin naar het noordergedeelte van
de stad, daar zy niet komen konden, te vertrekken.
Rabenhaupt schikte zyn mortieren zodanig op de wallen, dat hy op 't
laatste van de maand de wyken van den Bisschop, en van de Keurvorst
zeer begon te beschadigen. Hy liet verscheide uitvallen doen, waar
door de belegeraars genootzaakt wierden met verlies te wyken, en
nieuwe werken te beginnen. De burgers, die de beveelen des Gouverneurs
gehoorzaamden, droegen zich zo manhaftig, als de beste in den oorlog
geoeffende en geschikste krygsbenden. De Studenten queeten zich op
zo een verwonderenswaardige manier, dat de Staaten der Provintie
Gedenkpenningen tot hunner eer lieten slaan, om deszelfs geheugenis
voor de nakomelingen over te laaten. Inmiddels zagen de belegeraars
het getal hunner bomben verminderen, zonder veel uit te werken; en
daarom begonnenze in de maand Augusty met gloeiende kogels te schieten:
daar waren 'er geen dan de eerste die schade bybragten, want door den
grooten yver der Mennoniten wierden 'er veelen uitgedooft. Daar na
zond de Bisschop een trompetter en een tamboer aan den Magistraat,
om eerlyke aanbiedingen voor te stellen, indien zy de stad wilden
overgeeven. Doch hem wierd te kennen gegeven: dat in 't algemeen
beslooten was, het uitterste af te wagten, en de stad, die een nieuwe
versterkinge van soldaaten, kruid en geld bekomen had, van volk en
allerlei behoeften voor veele maanden was voorzien, te verdedigen.
Het vuur van 't geschut en de bomben ging echter met dezelve hevigheid
voort, tot dat het den 25ste van Augusty op de middag begon te
verslappen, en de Bisschop de geheele hoop verloor van een generaale
storm te waagen. Na dien tyd hoorde men in zyn leger niet meer als met
musquetten schieten; 't welk de belegerden deed denken, dat zyn geschut
onbruikbaar was, en vreesden derhalven voor een krygslist: doch 300
van de ongeduldigste mannen deeden een uitval op de loopgraven van den
Keurvorst van Keulen, daar zy een groot bloedbad maakten, en eenige
gevangenen mede in de stad bragten. De volgende nacht liet de vyand
het gros des legers opbreeken, laatende de mynen, die zy vervaardigt
hadden, springen, en verlieten alle hunne werken. Rabenhaupt kreeg
hier kondschap van, deed daar op den 27ste dito de batteryen in brand
steeken, de gragten vullen, en de wapenen, krygsbehoeftens en tuig,
dat de vyanden achtergelaaten hadden, daar uit halen. De stad wierd
den laatsten dag geheel verlaaten; welke dag door vasten en bidden
gevierd wierd, om God over deze gelukkige verlossinge te danken.
Het verlies der belegerden was zeer gering, na de groote meenigte
kogels, bomben, en granaaten, die op hen geschooten en geworpen waren;
en daar wierden geen 100 menschen verloren. Maar dat der vyanden was
zeer groot: van 22000 mannen, die zy in 't begin des belegs sterk
waren geweest, gingen 'er maar 12000 te rug; waar onder men 1400
zieken rekende: 600 quamen 'er in de stad overloopen, en 5000 begaven
zich naar andere plaatzen, zo dat 'er omtrent 4500 dooden waren,
waar onder de 3 Kolonellen, 2 Luitenant-Kolonels en 63 Kapiteinen
wierden gevonden.
Den 13de van Augusty heeft de Heer Dirk Baard en Kapitein Hania,
geleidende 450 mannen van de Friesche burgery, en met verscheidene
vaartuigen omtrent Blanckenham landende, Blokzyl vermeestert: de
burgery van binnen had een goed gesprek met dezelve, en opende de
poorten, ter beschaaminge van geheel Overyssel. Aanmerkelyk was 't,
dat, terwyl de vyanden de zuiderpoort uitvluchten, zekere Mennoniet
veelen van dezelve in zyn huis riep, zeggende, dat zy zich alle aldaar
voor de eerste oploopentheid der Friesen konden verbergen, en leverde
alzo by de 70 Bisschopsche soldaaten in handen van de onzen gevangen.
Den 2den van September, als de Kuinder, door het overgaan van Blokzyl,
nu van toevoer afgesneden was, heeft Kapitein Holbarent, met 240
mannen, een aanval op dezelve gemaakt, met gering verlies van volk,
alzo de Bisschopschen, schoon 250 mannen sterk, na eenige weinige
tegenstand, de vlucht namen; achterlaatende eenigen buit, een karos
en gespan van 6 paarden, en 28 gevangenen: zynde hunne voornaamste
roof al te vooren weggepakt.
Van den eersten September af begonnen de Groningers ook hunne handen
ruim te krygen. En alles van binnen wel bestelt hebbende, heeft de
Overste Jorman, met 2000 mannen, zo voetvolk als ruitery, Winschooten
vermeestert. Waar op de vyand, door vreeze, de Winschooterschans, Zyl,
't Huis te Wedde, en Brugschans aanstonds heeft verlaaten.
Tusschen den 8 en 9de van September, zyn de Bisschopschen, met een
groote furie, tot driemaalen in die zelve nacht, op de Schans van 't
Heerenveen aangevallen; doch telkens manmoedig afgeslagen, alhoewel
daar eene kleene bezetting in lag: hebbende de onzen voorheen een
Ritmeester, een Luitenant, een Cornet, en 4 ruiters gevangen bekomen.
Den 17de van October is de Oude Schans door de Groningers, onder
het commando van den Oversten Eybergen, wederom belegert, en met
grof geschut beschooten. De belegeraars maakten zeer kort zo een
benaauwtheid, door hun sterk schieten, in deze schans, dat die van de
Nieuwe Schans, versterkt zynde met veel volk uit Munsterland, afquamen
om de belegerden te ontzetten. Doch Eybergen wierd zulks tydig gewaar,
zendende derhalven 250 mannen, onder het commando van den Oversten
Wachtmeester Wyllers, met twee stukken kanon vooraan, hun tegen,
stellende hen by Stoksterhorn in slagordre. Hier op quamen de vyanden,
omtrent 1500 mannen sterk zynde, den 25ste van October op hen los:
maar Wyllers hen zeer na onder het geschut laatende komen, deed hy tot
twee keeren een generaale losbrandinge onder de vyanden; waar door zy
ten eenemaal in confusie de vlugt namen, wordende veele Bevelhebbers
en soldaaten doodgeslagen en eenige gevangenen mede gevoert.
Daar na verzogten die van de Oude Schans op den 27ste dezes te
capituleren: 't welk den zelven avond noch wierd geslooten; wordende de
plaats voort des anderendaags met 7 vendelen Staatsche troupen bezet.
Den 26ste van December heeft de Gouverneur Rabenhaupt, na dat hy alles,
wat tot den aanslag op Koeverden noodig was, had laten vervaardigen, en
waar toe een harde vorst, daar op een haastigen dooy en zwaare nevel,
hem grootelyks bevoordeelde, deed hy het ys in de gragten om Groningen
opbreeken. Hy gaf het opperbevel aan den Kolonel Eybergen; dat van het
voetvolk aan den Oversten Wachtmeester Wyllers; en dat van de ruiterye
aan den Majoor Jan Hendrik Sikkinge. Voorts liet hy de konstapels
en grenadiers aannaderen, en het overige van het kleine leger, dat
niet boven de 400 paarden en 1000 voetknegten sterk was, begaf zich
in aantocht op den 27ste der maand. Den 30ste dezes, des morgens ten 3
uuren, quamen zy voor Koeverden, en verdeelden zich in drie ligchaamen,
ieder op zyn bestemde post. God gaf, om den aanslag te begunstigen,
met het aanbreken van den dag zo een zwaare mist, dat de geene, die
malkanderen aanraakten, zich niet konden onderscheiden. Zy naderden
daar op tot aan de conterscharp, zonder ontdekt te worden; maar door
de biesbruggen over de gragt te leggen, wierdenze van de schildwacht
ontdekt; die daar op alarm maakte. Voorts quam de bezettinge in de
wapenen, en gaven dapper vuur van de wallen. Doch dit weerhield de
bespringers niet, van tot aan de afschutzels en stormpaalen van de
conterscharp te geraaken, die zy met bylen omverre hakten.
Hier op wierden de wallen, doch met groote moeite en verlies van
hun volk, beklommen; zy geraakten 'er op, en overweldigde den vyand
met het rapier in de vuist, en wierden meester van de poorten des
kasteels. Hier op overstelpte de vreugde de overwinnaars zodanig,
dat de Bevelhebbers, in hunne eerste ontmoetinge op 't kasteel,
geheel als verstomd waren: tot dat eene, als uit verrukkinge van
zinnen opryzende, zeide: Wel hoe is het mogelyk! Waar op dezelve zeer
wel voegende ten antwoord kreeg: Dit is niet anders als Gods hand.
De Gouverneur Jan de Mooy wierd 'er gedood, na dat hy zyn plicht
als Commandant zeer wel had waargenomen. Maar door zyn verlies liet
de bezettinge de moed zakken, waar van 'er 700 weerbaare mannen in
gevonden wierden; die daar na zagen, datze door de groote meenigte
hunner vyanden overmand waren, liepen 'er 200 de poort uit; omtrent
150 zyn 'er gesneuvelt, en de rest lieten het geweer vallen, en
wierden ten getalle van 400 tot krygsgevangenen gemaakt, en in de
kerk geslooten: ondertusschen stonden de overwinnaars de soldaaten
toe de plaats te plunderen; alwaar zo wel de soldaaten als Officieren
grooten buit bequamen; hebbende van hun kant in 't bespringen omtrent
60 mannen verlooren.
Deze buitengewoone daad trok de Hollanders, die onder het gebied
der Staaten, in een tyd dat Neêrland overweldigt scheen te worden,
uit hunne algemeene verslagentheid.
En veele zullen 't noch indachtig zyn, hoedanig die overwinning de
gemoederen in Friesland en Groningen ontroerde, en van vreugde veelen
de traanen uit de oogen deeden barsten.
De Gouverneur Rabenhaupt wierd daar op van de Staaten, behalven
Luitenant-Generaal dezer Provintie van Groningen en Ommelanden, en
van Gouverneur der stad Groningen, met het Drossaartschap van het
Landschap Drenth en Gouverneur van Koeverden begiftigt. De Kolonel
Eybergen wierd Commandant binnen Koeverden, en Meester Meyndert van
Thynen, die als voornaamste wegwyzer der bespringers had gediend,
wierd aldaar tot Generaal-Commies gemaakt.
Van dien tyd af hebben de Groningers in 't Graafschap Benthem, Twenth,
en tot onder Zwol en Deventer gestroopt; haalende van daar gestadig
veel roof, en met veele gelukkige schermutselingen op de Bisschopschen.
In den jaare 1673 is 'er een vuur van oneenigheid opgeborsten uit
de gemeene beroeringen des volks tusschen de Heeren der Regeeringe,
die van de Gemeente zeer mistrouwd wierden, en dat al in 't einde
van 't verloopene jaar had beginnen te smeulen. De oude en nieuwe
Regeeringe wierd elk byzonder gehandhaafd, beide de Souverainiteit
en Oppergezag der Provintie vertoonende, de eene te Leeuwarden en
de andere te Sneek vergaderende, en neemende strydige besluiten
tegen malkanderen, zonder malkanderen te kunnen verstaan; dat zeer
schadelyk voor de Provintie was. Doch wierd gemeld verschil eindelyk
weder door Gelastigden van hunne Hoog Mogenden en den Heer Stadhouder,
als bemiddelaars, bemiddelt.
In 't begin van 't jaar, in January, bequam de Overste Ailua, in een
hevige schermutzeling tegen den Graave van der Lip, twee trompetten
en een vendel, die hy den Prins van Oranje vereerde.
In February quam 'er een gerucht, als of de Munsterschen een inval
op Friesland voorgenomen hadden: waar op een goed getal krygsvolk
uit Holland wierd overgescheept.
In April hebben de Heeren Staaten, ten Landsdage vergadert zynde,
beslooten, hoedaniger wyze men het Land zoude onder water zetten,
indien een hoogdringende nood zulks vereischte: als mede om aan
't Heerenveen een schans te doen opwerpen, tot verzekeringe van
't Land. Voorts wierden de overige posten wel verzekert, hebbende
Prins Johan Maurits het Oppergezach over de Hollandsche krygslieden,
Ailua over de Friesche, en Rabenhaupt over de Groningers.
Den 29ste van April wierd een algemeen, opontbod der landzaaten en
burgery gedaan; wordende ieder huisgezin belast, een weerbaar man,
tusschen de 18 en 60 jaaren oud zynde, uit te leveren, en moetende
binnen 14 dagen met snaphaanen en pieken gereed zyn; zullende ieder
burger ter week 3 guldens soldy genieten.
Omtrent dezen tyd maakten de Friesche stroopers, uit het leger van
den Oversten Ailua, dagelyks een goeden buit.
Den 6de van Juny vertoonde zich Houttuin met 18 standaarden ruiters,
en 1500 voetknegten, aan de post te Sonnega, welke hy opeischte: andere
2000 ruiters, met eenige honderden voetvolk verzelt, wierden tusschen
Steenwyk en Blesse ontdekt, waar van een groot gedeelte te paard,
elk met een musquettier achter op, tot aan de Blesbrugge naderde:
maar wierd, door de hulp van de ruitery van Wolvega en Oudeberkoop,
rustig afgekeert. Waar op Prins Maurits met het gros van 't leger, in
meeninge hem op den weg naar Steenwyk te onderscheppen, is afgekomen:
doch zy reeds te verre afgeweken zynde, zo zond hy eenig volk hen
achter na; waar uit zy verstonden, dat het gemelde voetvolk, behalven
de 2000 ruiters, noch 1000 mannen sterk was. Van den vyand zyn twee
Kapiteinen gedood, en 70 gequetsten wierden binnen Deventer gebragt. Na
dit voorval deed Prins Maurits een ongemeenen iever, om het water in
het land te doen loopen, dat door een sterken wind ook zeer schielyk
voortging; en om het ingelaatene te bewaaren, liet hy een dyk in de
Tjonger leggen: waar door het den vyand ondoenlyk wierd om ergens
te kunnen doorbreeken. Ondertusschen quamen 3 geheele compagnien
Munsterschen, met hunne Bevelhebbers, tot de onzen overloopen.
Den 10de van Juny heeft Rabenhaupt de Nieuwe Schans, na dat hy dezelve
den geheelen winter door geblokkeert had gehad, met geweld van wapenen
aangetast. Hy trok te water met veel volk, geschut en voorraad,
aan geene zyde, en posteerde zich op de Bonder dyk, en daar omtrent,
om de schans van drie zyden aan te doen.
De Bisschop van Munster deed aanstonds zyn uiterste best in 't werk
stellen, om de belegerden te ontzetten; zendende derhalven een Overste
met 600 dragonders en 400 fantaisyns [102], om het beleg door te
breeken; doch wierden met groot verlies te rug gedreven. Overzulks
wierd de belegeringe sterker voortgezet: zo dat de Bisschop voornam,
tusschen den 29ste en 30ste van deze maand noch eene proef tot ontzet
van deze plaats te neemen, en met een macht van 3500 mannen de post
by Bonda te overvallen; meenende langs een nieuwe passagie door 't
moeras heen eenige vyandlyke troupen af te snyden: doch Rabenhaupt
zulks tydig gewaar wordende, zond aanstonds 9 vendelen, onder het
commando van een Majoor, derwaards; die te zamen den vyand niet
alleen afgekeert, maar hun zelfs met een groote furie hebben op de
vlugt gedreven, laatende wel 300 zo dooden als gequetsten achter.
Daar na, op den 18de dito, eischte Rabenhaupt de schans op: doch
kreeg tot antwoord: Dat de Ravens dien Winter daar niet nestelen
zouden. Hier op deed zyn Excellentie den Luitenant-Kolonel Tamminga met
zyn krygsbenden aannaderen, en tusschen den 21ste en 22ste de aldaar
leggende redoute aantasten. Des nachts ten een uur ging de attaque aan,
die zo sterk wierd voortgezet, datze, na eenigen tegenstand, dezelve
veroverden; vlugtende de Munsterschen met de uiterste verbaastheid
langs de conterscharp naar de schans: maar de Staatschen volgden hen
op de hielen, datze met hen in de poort, en vervolgens in de schans
geraakten; hoewel zeer weinigen in 't getal, dewyl zy door de engte
van de passagie, maar eene t'effens konden voortgaan: doch de vyand
door deze onverhoedsche overval nochtans verbaast zynde, denkende dat
de geheele macht van de Staatschen binnen quam, wierpen de wapenen
neêr en riepen om quartier, terwyl Rabenhaupt, niet weetende van dit
vervolg, noch dapper op de schans schoot, daar ze al gewonnen was. Dat
het meest te verwonderen is, is dat niet meer als twee mannen van de
Staatschen in dit stormen zyn gebleven.
Den eersten van July quam Johan Maurits, vergezelt met de Heer
Scheltinga, Gedeputeerde, en den Oversten Ailua, geleidende een
hoop volk van 3000 ruiters, en 600 voetknegten, by zich hebbende 4
veldstukken, van 't Heerenveen, door Dieveren, om de Munsterschen,
leggende tusschen de Wyk en Staphorst, achter een borstweering en
schansje, doch zonder geschut, te vernestelen: als de dragonders den
aanval deeden, zo wierd des vyands Overste Post gewond en gevangen,
en op zyn woord van eer naar Hasselt gelaaten, neemende de overigen
de vlucht: die door de achterlaage gekeert zouden zyn geweest, by
aldien de bestelde 800 mannen uit Blokzyl, ter bestemder tyd op weg
zynde, die van Hasselt naar 't Rooveen legt, had kunnen tegenwoordig
zyn. Van den vyand wierden 'er 20 by de onzen gevangen genomen,
waar onder 10 Bevelhebbers, en 17 of 18 gedood. De onzen hebben 2
dragonders by misverstand geschooten.
Den 3de van Augusty hebben eenige dragonders de brandwacht der
Bisschopschen, bestaande in 18 ruiters, van tot onder Steenwyk
weggehaalt, en in het leger op 't Heerenveen gebragt.
Den 5de van Augusty zyn 7 vyandlyke ruiters, met hunne volle
wapenrustinge, mede ingehaalt.
Den 25ste van Augusty zyn over de 8000 vyandlyke voetknegten, en
100 cornetten of standaarden ruitery, van Steenwyk uittrekkende,
op Friesland aangekomen, die zich in zo veele benden afdeelden,
dat zy de schansjes by Meldam, als Blesbrug, Bekaf, Donkerbroek,
Makkinga en Wolvega, die maar bequaam waren om de huislieden voor
strooperyen te beschermen, te gelyk konden bespringen: omtrent
1000 paarden en een regiment dragonders, quamen, onder 't beleid
van Houttuin op Blesbrugge aanzetten, en anderen op Bekaf; 't was
een Mornas, die de zynen door Makkinga, Donkerbroek en Nyjeberkoop,
op Wolvega aanvoerde, alwaar de Overste Ailua het gezach voerde over
6 regimenten, als 3 te paard, 2 te voet en een dragonders.
Als Prins Maurits bemerkte, dat 's vyands voornemen was, om alle
het bovengemelde van 't Heerenveen af te snyden, zo verwittigde
hy den Overste Ailua en anderen, om gelykelyk naar 't Veen af
te deinsen. Middelerwyl ontmoete de Graave van Dona met zyn 200
soldaaten, op de heide van Meldam 150 vyandelyke ruiters, waar mede hy
een schermutseling hield, en schooten 26 Bisschopschen onder de voet,
benevens 2 Bevelhebbers, waar van hy de eene, een Ritmeester zynde, met
eigener piek doode. De onzen dus naar 't Veen de wyk genomen hebbende,
zo wierden aanstonds eenigen naar de Jouwer, en anderen naar Gordyk
gezonden. Van waar 60 mannen, den vyand, die over de Veenen meenden
te komen, wierden tegengestelt; en met dezelve in schermutseling
geraakende, liet de vyand 14 dooden, 25 gemeenen en 4 Bevelhebbers,
als gevangenen na. Een andere party van 30 mannen, vervielen in handen
van den vyand: als ook een brandwacht van 15 dragonders achter Bekaf.
De Bisschopschen dus nu de voet al te Schoot hebbende, konden wel ligt
het Heerenveen trachten te overweldigen, om zo voort Friesland in te
trekken, alzo zy wagens mei stroowerk mede voerden, om de gragten te
kunnen vullen: waarom de Staaten van Friesland alomme de uitgeloote
manschap, ten spoedigste, zo by nacht als dag, derwaards deed pressen.
Ondertusschen zo stelden zich de Bisschopschen als roofzieke wolven
aan, in 't uitplonderen der onweerbare landzaaten: dat in die gewesten
weder een groot vluchten veroorzaakten.
Den eersten September vertrokken zy, hebbende wel 600 mannen laaten
zitten, zonder iets merkwaardigs uitgevoert te hebben; als dat zy
het bederf van die boeren wat verhaastenden.
Den eersten October is de dyk, die de Bisschop van Munster met
veele kosten over de Vecht gemaakt had, en meer als derdehalf uur
gaans lang was, alleen om Koeverden door water te benaauwen, door een
stormwind weggespoelt: waar door omtrent 1400 menschen verdronken. 't
Is aanmerkelyk, dat dit geschiede juist op dien tyd, als men op 't
Heerenveen raadpleegde, om die te overweldigen, en reeds daar toe al
3000 Friesche burgers om de grenzen, als 't Veen en andere te bezetten,
waren uitgezonden.
Als de Prins, met de Keizersche en Spaansche Bondgenooten den vyand
buiten 't Land lokte, om van krygsbodem te veranderen, in 't Sticht
Keulen en elders waren ingevallen; zo wierden de Franschen daar door
genoodzaakt, hunne veroverde plaatzen weder te verlaaten, gelyk zy
dit jaar alles verlieten, behalven de Graaf.
In den jaare 1674, den 10de van February, is er vrede gemaakt tusschen
den Koning van Engeland, en de Staaten Generaal, welke den 9de van
February, oude styl, te Londen van gemelden Koning wierd geteekent.
Den 12de Maart zijn de Bisschopschen, omtrent 1000 mannen sterk,
over de hartgevroorene moerassen, by 't klooster ter Appel,
in Groningerland gevallen, plonderende te Winschooten en daar
omtrent. Waar op Rabenhaupt Nyjenhuys met stormen, en andere steden
met bezettinge innam, en maakte Twenthe geheel zuiver en vry.
De Bisschop sloot ondertusschen den vrede met den Keizer, die te
Keulen den 11de van April wierd geteekent: als mede daags daar aan
met de Heeren Staaten Generaal. In de Meymaand volgde de Bisschop van
Keulen mede. Waar op zy de overheerde plaatzen, die ze zoo schielyk
hadden overrompelt, noch haastiger weder moesten ontleedigen: en 't
geen zy zo greetig hadden ingeslokt, in weedom van hunne harten, weder
uitbraaken. En alzo zijn de drie verloorene Provintien wederom aan
de andere gehegt, en de bundel der Zeven Pylen weder te zamen gebonden.
In den jaare 1675 was 't een felle en lange winter; zo dat laat in
't voorjaar, van Harlingen naar Enkhuizen, over de Zuider-Zee, veele
menschen met geheele gezelschappen, en beesten op 't ys overtrokken:
ja eenigen hadden in 't laatst van April noch op 't ys gestaan.
In Maart, hebben de Friesen, overwegende beide de loffelyke daaden
en voorzorge van 't Huis van Nassau, en in 't byzonder de groote
gevaaren, die zyn Vorstelyke Doorluchtigheid, onze Heer Stadhouder,
in groote manhaftigheid, had ten dienste van 't gemeen uitgestaan
in de laatst voorigen slag in Henegouwen tegen de Franschen, het
Stadhouderschap hem erflyk opgedraagen: alle de Heeren, zo van 't
Land als Steden, leverden daar toe om de eerste te zijn, te meer,
alzo de Hollanders den Prins van Oranje mede tot Erfstadhouder van
hunne Provintie hadden aangenomen.
In het zelve jaar, den 12de van Augustij, is te Koeverden overleden
Karel Rabenhaupt, Baron van Zucha en Crombach, Luitenant-Generaal
der Vereenigde Nederlanden, wegens de Provintie van Stad en Lande,
Gouverneur van Groningen, mitsgaders Drossaart van 't Landschap Drenth,
en Gouverneur der fortresse Koeverden: zijnde een krijgsman geweest van
een zonderling beleid en dapperheid. Tot 's mans lof heeft G. Bidloo,
dit volgende bij zijne afbeeldinge gestelt:
Dit 's Rabenhaupt, die Dorsten won,
Die Nuis en Lingen temmen kon;
Die Karel, die Lamboy versloeg,
Van Groeningen den Bisschop joeg;
En knoopte aan zyn legerkrans
Van Koeverden, de Nieuwe Schans.
Zo waakt zyn' staatzorg, deugd en hand
Ten dienst van 't Volk, en Kerk en Land.
Zyn' dapperheid is uit zyn weezen
Zo wel, als uit zyn' kling te leezen [103].
Als 'er tusschen den 26ste en 27ste van October, met een noordweste
wind, veele dyken, door de felle aanpersing van 't water, waren
doorgebrooken, leeden die van Friesland mede geen kleene last: want
een gat van 30 roeden brak by Staveren, en omtrent by Molkwerren was
het niet veel kleender, zo dat die geheele landstreek blank van 't
zeewater stond: ook was 'er een gat van 30 roeden breed en zeer diep,
by Zwartsluis.
In het jaar 1676 was men bezig om op de vredehandeling der Europische
Prinsen, die in 't voorgaande jaar te Nieumegen was begonnen, alle
geschillen, door welke Europa in de grootste verwerringe gebragt was,
te beslechten; terwyl de geweldige oorlogstrompetten noch al geen
minder krygstoerusting verkondigden, als voorheenen. Doch de sterke
rustgeevende Vredevorst gaf hier toe, dat uit het blaakend oorlogsvuur
schielyk ontsproot de heilzaame en zegenryke hoorn des vredes: en
dus wierd de roemruchtigste Vryheid der Friesen weder als herbooren,
en zy eindelyk verlost van de slaavernye des duivels [104].
In den jaare 1677 zyn de opgerezene staatsgeschillen tusschen
Groningen en de Ommelanden, door de Heeren Staaten Generaal weder
beslegt geworden; gelyk mede te Deventer.
In den jaare 1678, den 15de van February, is te Groningen de Landsdag
weder aangevangen, na dat de Heere Osebrand Rengers van zyn zesjaarige
gevangenis was ontslagen en herstelt.
In dit zelve jaar, den 10de van Augusty, is te Nieumegen, de vrede
tusschen den Koning van Vrankryk en de Staaten Generaal geslooten.
In den jaare 1679, den 10de van April, stond Albertina Agnes, moeder
van den Stadhouder Hendrik Kasimier, nu 20 jaaren oud zynde, haare
Voogdye af, en vertrok naar haare landgoederen in Duitschland.
In den jaare 1681, den 2de van Augusty, zyn te Groningen vier ringen
aan alle kanten van de zon gezien, en eenigen verhaalen, dat diergelyke
zich mede te Rome en Tubingen hebben vertoont.
In den jaare 1682, in May, is in Groningerland en Oostfriesland een
zeer hevige veeziekte geweest, waar door veel rundvee is gestorven:
doch op 't uitgaan van het jaar is de sterfte weder opgehouden.
Den 4de van November is Grietzyl, in Oostfriesland, door de
Baandenburgsche soldaaten overrompelt, die zich naderhand aldaar ook
hebben neêrgelegt, als ook te Norden en Embden.
In den jaare 1683, in November, is de Erfstadhouder van Friesland,
Hendrik Kasimier, en zyne Gemaalinne Amelia, te Leeuwarden, met
staatsiewagens en vertooningen, nevens een groot en prachtig vuurwerk,
ingehaald: doende, eenige dagen daar na, zynde den 17de van September,
ook zyne intrede binnen Groningen.
In den jaare 1686, in July, overleed de jonge Prins van Nassau, zoon
van den Erfstadhouder van Friesland, enz.; en omtrent een maand daar
na beviel de Vorstinne weder van een jongen Prins.
In dit zelve jaar, den 22ste van November, wierd Groningerland,
door een afgrysselyke watervloed aangetast, al het omleggende
land overdekkende; waar door veele menschen en beesten het leeven
verlooren. Het getal der verdronkene menschen beliep 1558, geheel
weggespoelde huizen 631, en de zeer beschadigden 616, de verdronkene
paarden 1387 en de koeyen 7861.
In den jaare 1687, den 2de van May, overquam Groningen een tweede ramp,
door een schrikkelyke brand in de Veenen van Sapmeer, Wildervank en
Pekel A, waar door alle de gegravene turf tot duizende van vuuren,
eenige huizen en schepen verbranden, en de schade op eenige tonnen
gouds wierd geschat.
In dit zelve jaar, den 14de van Augusty, is de Prins Jan Willem Friso,
te Dessau gebooren.
In den jaare 1688, den 11de van November, deed Prins Willem van Oranje
die vermaarde overtocht naar Engeland; landende met zyn byhebbende
krygsbenden den 15de dezer in de haven van Torbay.
In den jaare 1689, den 11de van April, is de Prins van Oranje, Willem,
nevens Maria, zyn Gemalinne, te Londen met de gewoonlyke plechtigheden
gekroont als Koning en Koninginne van Engeland.
In den jaare 1690, den eersten van July, geschiede het bloedige
gevegt in de vlakte van Fleury, door de Franschen onder Luxenburg,
en de Geallieerden onder Waldek; waar van 't weêrzyds verlies op
16000 mannen wierd begroot.
In den jaare 1691, den 5de van February, is Koning Willem in 's
Gravenhaage met zeer groote vreugde en eerteekenen, door praalpoorten,
vol geschilderde zinnebeelden, opgehaalt en naar het Hof gevoert.
In den jaare 1692, den 3de van Augusty, sloeg het voetvolk der
Geallieerden, onder den Hertog van Wirtenberg, tegens de Franschen
onder Luxenburg, by Steenkerken, doch met weinig voordeel.
In den jaare 1693, den 29ste van July, geschiede het gevegt by het dorp
Landen, tusschen de Geallieerden, onder Koning William en Keur-Beyeren,
en de Franschen onder Luxenburg, 80000 tegens 40000 mannen: dus schade
aan weêrszyden.
In den jaare 1694, den 15de van Augusty, wierd te Groningen gejubileert
van des stads overgang voor 100 jaaren aan der Staaten zyde, door
het beleid van Prins Maurits en Graaf Willem van Nassau; ook datze
de Gereformeerde Religie aannam; by welke gelegentheid ook medaillien
geslagen wierden; waar op staat:
Des Prinsen zwaard, met Godes arm,
Bragt Paap en Spanjaard in alarm,
Als leugen voor het licht verdween,
Wier zuivre glans in templen scheen.
Een regte vreugd voor klein en groot,
Die Groningen sluit in haar schoot.
Dit heeft des Heeren hand gedaan,
En deze Penningen doen slaan.
In den jaare 1695, den 7de van January, is de Koninginne van Engeland,
Maria Stuart, eene zeer deugdzaame Prinsesse, te Londen overleden.
In den jaare 1696, den 25ste van Maart, overleed te Leeuwarden
Hendrik Kasimier, Stadhouder van Friesland, enz., aan een borstquaal;
nalaatende een zoon en eenige dochters. Tot wiens lof L. Smids zegt:
't Was Frieslands Stedevoogd, Vorst Willems Bloedverwant,
Zoon, Neef en Naneef van drie nooit volpreezen Helden,
Gedrochtetemmers in 't ontroerde Nederland,
Die, zich, gelyk een wal, voor haat en outer stelden:
Doch dit Geboorterecht nam Hendrik geenzins aan,
Maar stond na heldenroem, door eigene oorlogsdaên.
In dit zelve jaar, den 24ste van May, is op Oranjewoud, in Friesland,
overleden Albertina Agnes, moeder van den overledenen Stadhouder, en
dochter van Frederik Hendrik, Prins van Oranje, in den ouderdom van
62 jaaren. En in de maand van Augusty, is Amelia, weduwe van Hendrik
Kasimier, Erfstadhouder van Friesland, enz., te Leeuwarden van eene
Prinsesse bevallen.
In den jaare 1697, den 20ste van September, is de algemeene vrede
op het huis Nieuburg, te Ryswyk, by 's Gravenhaage, geslooten,
tusschen Engeland, Vrankryk, Spanje, het Duitsche Ryk en de Vereenigde
Nederlanden; zynde hier over den 6de van November alomme vreugdevuuren
aangestoken.
In den jaare 1698 zyn de sterke fortificatiewerken, aan de zuidkant
buiten Groningen, door den Generaal Koehoorn begonnen; en na eenige
jaaren met zeer vaste muuren opgemetzelt, en de halvemaanen of bastions
met bruggen en poorten voorzien.
In den jaare 1699, den 15de van November, is in Oostfriesland een
hooge watervloed ontstaan, waar door groote schade geschiede: want de
nieuwshermaakte dyk, om 't dorp Gerdsweer, wierd byna geheel vernielt;
zes huizen spoelden geheel weg, eenigen wierden beschadigt, en veele
beesten zyn verdronken.
In den jaare 1700, den 27ste van November, heeft de Koning van Sweden,
Karel de XIIde, met 12000 mannen geoeffende troupen, 80000 Moskovieters
verslagen, op de vlugt gedreven, en aldus de stad Nerva geweldiger
hand ontzet.
In den jaare 1701, in het begin, namen de Franschen alle de steden
van de Spaansche Nederlanden in bezettinge; waar op de toebereidzels
ten oorlog door den Keizer wierden gemaakt.
Den 28ste van May trokken de Keizerschen, met groote moeite en zwaaren
arbeid, over het Alpische gebergte, in Tirol, maakende vervolgens in
Italien een doortogt met de degen in de vuist.
In den jaare 1702, den 19de van Maart, is Willem de derde, Koning
van Engeland, te Kensington overleden; zynde op de jagt met zyn
paard gestruikelt, waar door hy het sleutelbeen brak; wordende op
den 23ste van April daar aan volgende, in de Kapel van Westmunster,
zonder uiterlyke pracht, begraven. Hy wierd in de regeeringe opgevolgt
door Prinsesse Anna, Gemaalinne van Prins Georg van Denemarken.
Den 15de van May wierd byna overal de oorlog tegens den Koning van
Vrankryk gepubliceert.
Den 11 de van Juny, hebben die van Nieumegen, met een groote
dapperheid, der Franschen hevige aanval, onder den Maarschalk de
Bouflers, van hunne vestingen afgekeert en te rug gedreven.
Den 16de dito is Keizerszwaard van de Geallieerden belegert en
ingenomen.
Den 15de van Augusty heeft Prins Eugenius de Franschen met groot
voordeel by Luzzara geslagen.
Den 8ste van September won Keur-Beyeren Ulm, in Swabenland.
Den 10de dito is Landau de Franschen ontweldigt; als ook den 23ste
dito Venlo, en den 2de van October Stevenswaart.
Den 7de van October wierd Roermond met geweld door de Geallieerden
tot overgaaf gedwongen, en den 13de dito is Luyk door de burgers aan
de Geallieerden overgegeven.
Den 22, 23 en 24ste dito, wierd de Fransche Zilvervloot, by Vigos,
door de Engelschen en Hollanders bemachtigt, geplondert, verbrand
en geruïneert.
In den jaare 1703, den 15de van February, is Rhynberg door de wapenen
des Konings van Pruyssen bemachtigt; en omtrent dezen tyd Traarbach
door Hessen-Kassel.
Den 8ste van April won de Beyervorst Regensburg.
Den eersten van May wierden de Polen door de Zweden, by Pultouw,
geslagen: den 10de dito wonnen de Franschen Tongeren, en den 15de
dito is Bon door de Geallieerden herwonnen.
Den eersten van July geschiede het bloedig gevegt by Eekeren en
Wilmerdonk, waar in de Hollandsche dapperheid in 't byzonder heeft
uitgeblonken; onaangezien de Generaal Obdam genoodzaakt geweest is
naar Breda te vlugten.
Den 25ste dito is de stad Hoey den Franschen ontnomen.
Den 4de van September is Trente door de Franschen gebombardeert,
en Brizak door hun gewonnen; als mede den 27ste dito Limburg door
Marlboroug bemachtigt.
Den 14de van October wonnen de Zweden de stad Thoorn.
Den 8ste van December trof een ysselyke zuidweste stormwind, zo
te water als te lande, Engeland, Vlaanderen, Holland, Friesland,
en meer aangrenzende gewesten, waar door veele ongelukken gebeurden.
Den 16de dito is de stad Gelder door den Koning van Pruyssen verovert.
In den jaare 1704, in February, wierd Prins Friso in Friesland
geavanceert; verwekkende dit eenig misnoegen by zommige andere
Provintien.
In dit zelve jaar, den 27ste van Maart, overleed Menno Koehoorn,
in 's Gravenhage; zynde lang ziekelyk geweest, en over de 70 jaaren
oud. J. de Recht heeft op zyn afbeeldzel dit eervaars toegepast:
Ziet hier een Held, beproefd in oorlogsblixem vlammen;
Die voor 's Landt Vryheid spreekt uit monden van metaal;
Die 't opgezwolle nat door dyken jaagd en dammen,
En 's vyands krachten breekt door water, vuur en staal,
Den Vriessen Jupiter, die, met zyn donderslaagen,
Den Franssen Faëton bonst uit zyn Zonnewagen.
Den 2de van July sloeg Marlboroug en Baden, in Beyeren, de Fransche
en Beyersche krygsmacht, by den Schellenberg; en op den zelven dag
is Brugge door de Geallieerden ook gebombardeert.
Den 3de dito is door de Geallieerden Donawerth bemachtigt, en den 11de
dito Regensburg; als mede den 26, 27 en 28ste dito, de stad Namen,
doch zonder voordeel, gebombardeert.
Den 4de van Augusty heeft de Geallieerden vloot, onder Hessen-Darmstad,
Gibralter bemachtigt; en den 13de dito hebben de Geallieerden, onder
de Generaals Marlboroug en Eugenius, de Franschen en Beyerschen by
Hogstet geslagen; zynde hun verlies wel op 40000 mannen begroot.
Den 18de van November wonnen de Geallieerden, onder den Erfprins van
Hessen-Kassel, Traarbach.
In den jaare 1705, den 5de van May, overleed te Weenen Keizer
Leopoldus, oud zynde 65 jaaren; wordende van zynen zoon Josefus in
't Keizerryk gevolgt.
Den 5de van September zyn 96 schepen van de Groenlandsche vloot voor
Delfzyl gearriveert, hebbende in alles gevangen 1100 vissen.
Den 14de van October gaf Barcellona zich aan Koning Karel over. Ook
is Stanislaus omtrent dezen tyd tot Koning van Polen verklaart en
gekroont.
In den jaare 1706, den 23ste van May, sloegen de Geallieerden,
onder Marlboroug, tegens de Franschen, by Ramellies, en bequamen
een roemruchtige overwinninge; waar op zich verscheidene steden in
Braband en Vlaanderen hebben overgegeven. Den 6de van July wonnen
de Geallieerden Oostende: den 22ste van Augusty Meenen; den 5de van
September Dendermonde; en den 7de dito is Turin door Prins Eugenius
gewapenderhand ontzet: en den 3de van October is Aath mede door de
Geallieerden gewonnen.
In den jaare 1707, den 16de van April, leeden de Geallieerden een
groote neêrlaag in Spanje, by Almanza. Den 20ste van July, heeft
de stad Napels, met haar drie kasteelen, zich aan Koning Karel
onderworpen.
In dit zelve jaar, in Augusty, is Johan Willem Friso, Stadhouder van
Friesland, enz., getreden in zyn chargie als Generaal der Infantery
of voetknegten. L. Smids, voegde dit onder zyn afbeeldzel:
Als Friesland zag het beeld van Frieso; reeds in 't weezen
Oranjes yver en Nassouwers moed kon leezen
Zo sprak zy, (drukkende dit konststuk aan haar mond)
Wat schooner dag beloofd my zulk een morgenstond!
In den jaare 1708, in February, is zyne Hoogheid Jan Willem Friso,
Prins van Oranje en Nassau, en der Friesen Erfstadhouder, door de
Edele Groot Mogende de Heeren Staaten van Stad en Lande, tot Stadhouder
over derzelver Provintie aangenomen.
Den 5de van July is Gent en Brugge door de Franschen ingenomen;
den 11de dito zyn de Franschen door de Geallieerden, onder Eugenius,
Marlboroug en Ouwerkerk, by Oudenaarden geslagen.
In Augusty wierd aan Prins Friso het Oppergezach der belegeringe
van Ryssel toevertrouwt, ondersteunt van Prins Eugenius; en wierd
dit meesterstuk der krygsbouwkunde by verdrag gewonnen den 22ste van
October, en 't kasteel den 8ste van December. En den 30ste dito wierd
Brugge den Franschen weder ontnomen.
In den jaare 1709, den 4de van January, hebben de Franschen de stad
Gent wederom verlaaten.
Den 29ste van April is zyn Hoogheid Jan Willem Friso, Prins van Oranje
en Nassau, met Prinsesse Maria Louisa, dochter van den Landgraaf van
Hessen-Kassel, op het kasteel van Kassel met zeer groote plechtigheid
getrouwt.
Den 8ste van July wierd de Koning van Zweden, door de Moskovieters,
in de Ukranie, by Pultowa, ten eenemaal geslagen: den 28ste dito
is de stad Doornik aan de Geallieerden overgegaan: den 11de van
September geschiede het wreede en bloedige gevegt der Franschen en
Geallieerden by Malplaquet: en den 25ste dito wonnen de Geallieerden
Bergen, in Henegouwen.
In den jaare 1710, den 2de van January, is Prins Friso, nevens zyne
Gemalinne, te Leeuwarden, met een buitengemeene staatsie ingehaalt. Als
mede den 18de van Maart te Groningen.
Den 25ste van Juny is Douay door de Bondgenooten verovert: den 28ste
van Augusty Bethune: den 28ste van September St. Venant: den 8ste
van November Arien.
In den jare 1711, den 17de van April, is Keizer Josephus te Weenen
overleden, oud zynde 33 jaaren.
Den 14de van July, op den middag, is zyne Hoogheid, Prins Jan Willem
Friso, Frieslands en der Groningers Stadhouder, in 't overvaaren van
't Hollandsche Diep, aan 't Stryensche Sas, zeer ongelukkig verdronken;
wordende deszelfs ligchaam door een schipper, van de Klundert komende,
op den 22ste derzelver maand eerst gevonden en opgevischt, voorts haar
Dordrecht gebragt, en aldaar gebalsemt, en vervolgens naar Leeuwarden
gevoert: alwaar het op den 25ste van February 1712 met eene heerlyke
doch droevige lykstaatie in 't graf zyner Voorvaderen wierd bygezet.
En in hetzelve jaar, den eersten van September, is de Prinsesse van
Friesland, Weduwe van den Stadhouder, van een Prins bevallen, en
genaamt Willem Karel Hendrik Friso, zynde de tegenwoordige Stadhouder.