In dit jaar, Philippus de zeventien Nederlandsche Provintien van zynen
vader verkreegen hebbende, in zo een vreedzaame en wettelyke stand,
als Prins of Onderdaanen konden wenschen: kreeg het Land in tegendeel
in Philippus te gelyk een nieuw Heer, met allerlei nasleep van onheilen
en oproer. Want als hy niet wel overdagt hadde, dat zyn vader, door
eene byzondere naarstigheid, op alles een wakend oog had gehouden,
met overal zelve by te zyn; zo ondernam Philippus daar en tegen,
deze Landen in goede rust te zullen houden door eenen Stadhouder,
blyvende zelve in Spanje.
In den jaare 1559, na Philippus de Nederlanden doorreist hadde,
is hy weder naar Spanje vertrokken; bestellende het gebied der
Landen aan Margareta, Hertoginne van Parma, zyne Bastartzuster: en
iedere byzondere Provintie aan hunne Stadhouders, en Friesland aan
bovengemelden Graaf van Arenberg; die ook het opzicht over Overyssel,
Groningen en Lingen hadde.
Onder deze aanstellinge gaf hy ook met eene last, die hy hun by zeer
strenge placaaten, voor zyn vertrek, gegeven hadde, en die de waare
oorzaaken van alle volgende onlusten zyn geweest; waar van deze drie
de byzonderste waren: 1. Het aanstellen van 14 nieuwe Bisschoppen,
boven de drie, die 'er voorheenen hadden geweest. 2. Het openbaar
bevel, om de besluiten van het Consilie van Trenten in den Lande
uit te voeren: daar toe aanstellende Inquisiteurs en Kettermeesters
[92], om het volk wegens hun geloove te onderzoeken. En ten 3de. Het
onderhouden van 4000 vreemde krygsknegten, ten laste van den Lande,
en dat in tyd van vrede.
In dit zelve jaar is te Groningen overleden Regnerus Predrinus,
hebbende aldaar veel tyd Rector der Latynsche schoolen geweest,
predikende op de feestdagen openlyk het Evangelium.
De leere tegen de Pausselyke dwaalingen, nu door geheel Europa
zich uitgebreid hebbende, en in Vrankryk en Engeland daarom veele
vervolgingen geschiedende, zo quam 'er veel volk naar de Nederlanden
vlugten. Welke vervolging strydig was tegen de oude privilegien en
vryheden van den Lande, die de Koning hun beloofd hadde te behouden.
De Edelen van den Lande ondertusschen, om zulk een voorneemen naar
vermogen af te weeren, kantteden zich eerst tegen de dwingnagel van
de bovengemelde 4000 soldaaten, waar door het volk grooten overlast
wierd aangedaan, van gevoelen zynde, dat dan de Inquisitie weinig
klem zoude hebben.
Des zo beraadslaagdenze om den Koning te beweegen, dien last van
soldaaten van hen af te ligten; en zyn, na veele moeijelykheden,
naar Spanje afgescheept in den jaare 1561.
In dit zelve jaar is Groningen, by het aanstellen van nieuwe
Bisschoppen in de Nederlanden, tot een Bisdom verheven; en wierd tot
eerste Bisschop aangestelt, Heer Johan Cnyf, Minnebroeder.
In dezen tyd is wederom een watervloed over Oostfriesland gegaan,
welke de dyken verbrekende, en veele beesten om 't leeven bragt [93].
In den jaare 1564 is aan de Staaten van Friesland, nevens andere
Provintien, bevel gezonden van de Hertoginne van Parma, om den nieuwen
Bisschop Cunerus Petri aan te neemen, en in te huldigen tot Bisschop
van Friesland; zyn zetel te stellen binnen Leeuwarden, en hem in alles
de hand te bieden: het welk de Staaten weigerden; verzoekende daar
van ontslagen te zyn, als strydig tegens hunne vryheden en voorrechten.
In dit zelve jaar hebben de Engelschen de stapel der lakenhandel,
in een tyd datze verschil met de Nederlanders hadden, te Embden
geplant. Want daar quam den 23ste van May een groote vloot schepen
met lakens, na dat 'er reeds 6 gekomen waren, te Embden aan. Waar
over de vreugde in die Stad zo groot was, dat 'er eereschooten van
weêrskanten wierden gedaan. Doch de blydschap, en het voordeel datze
zich zelve daar van belooft hadden, verdween zeer haastig: over zulks
de Engelschen, hun verschil met de Nederlanders vereenigt hebbende,
van daar vertrokken, en bragten de lakens naar Antwerpen.
In den jaare 1565, als de Inquisitie hoe langer hoe wreeder voortging,
hebben de Edelen, na lange te vergeefs by de Hertoginne vertooningen
en verzoekschriften te hebben ingelevert, den Graave van Egmond aan
den Koning gezonden. Dewelke, na eenigen tyd, eerst antwoord bequam,
en hier op uit quam, dat des Konings meininge was, dat zyne beveelen
en strenge placaaten moesten uitgevoert worden. Derhalven heeft de
Gemeente ondertusschen, uit onverduldigheid, om bovenstaand langdraadig
antwoord des Konings, de kerken overvallen, en alle Roomsche beelden
daar uit gestormt.
Waar op in den jaare 1566 de Heer van Brederode, verzelt met meer
dan 200 Edelen, uit alle Provintien, verzogten aan de Hertoginne
te Brussel, om verzagtinge van die strenge beveelen des Konings te
genieten. By welke gelegentheid de naam van Geusen, waar door de
Gereformeerden beteekent worden, tot op dezen dag, van de geene die
buiten zyn, zynen oorsprong heeft genomen: wat een van 't Hofgezin der
Hertoginne, met naame de Heer van Barlemont, dezen hoop Edelen, die
slegt in de kleederen waren, het eerste aan 't Hof ziende komen, zeide
in de Fransche Spraak, dat 'er een hoop Bedelaars voor de poort waren;
gebruikende het Frans woord Gueux, dat een Bedelaar beteekent. De
Edelen dit verstaan hebbende, schaamden zich hier niet over; maar
begeerden na dien dag altyd Geusen genaamt te zyn: waarom veelen van
hen graauwe kleederen aantrokken, als de bedelende Graauwe Monniken,
en houte nappen aan hunne zyde hongen, met zilvere plaatjes beslagen,
waar op in 't Latyn stond: Het gaa den Geuzen wel: of vivent les Geux.
Het voorige verzoek der Edelen naar den Koning gezonden zynde, maar
het antwoord te laat aankomende, was 'er ondertusschen weder alomme
door het land een algemeene kerkrooving en beeldstormerye ontstaan;
en de Gereformeerden, door toelaatinge des Prinsen van Oranje,
bouwden openbaarlyk kerken binnen Antwerpen. Waar op de burgers,
zo te Leeuwarden als Sneek, mede de vryheid namen om de beelden uit
hunne kerken te breeken, en de zuivere leere te doen stand grypen;
daar veelen reeds opentlyke belydenisse van deeden. Ondertusschen
hebben de Inquisitiemeesters den nieuwen Bisschop te Leeuwarden
toegestaan, van de inkomsten der kloosters Mariengaard en Lidlum,
tot zyn jaarlyks onderhoud, een zomma van 3000 ducaten; en 't verdere
overschot ten behoeve voor monniken en paapen.
In dit zelve jaar is de Minnebroeders kerk te Groningen door de
Gereformeerden ingenomen, van de altaaren en beelden, met verlof
van de Magistraat, gezuivert, en die hun stads arbeidsvolk bestelde,
om de vloer van puin en belemmeringen te ontdoen, en bequaam tot de
predikdienst te maaken. Doch deze zaak heeft naderhand, in den jaare
1569, eenige werklieden het leeven gekost. In de Ommelander dorpen, als
te Winsum, Garshuizen, Westerembden, Ten Post, Middelstum en elders,
wierd de boer door den adel opgehitst, en veele kerken, geplondert,
tegens dank en wil der Overheden.
Arenberg, deze beeldstormerye verstaan hebbende, deed, uit last
der Hertoginne, alle de predikanten het land uitjaagen, en alle
Gereformeerden strengelyk vervolgen.
Als mede, uit naam van den Koning van Spanje, zond hy op eene
listige wyze, vier compagnien Hoogduitsche soldaten in Groningen;
welke aldaar, gedurende hunne inquartieringe, wegens den Koning,
veel moetwil bedreven aan de burgers, inzonderheid de Gereformeerden;
neemende de stads sleutels na zich, ontwapende de burgerye, en deeden
een jongman, om opgelegt verraad, vierendeelen.
In den jaare 1567, als de Prins van Oranje zag, dat de zaken, na zo
veele moeijelykheden, van erger tot erger vervielen, vertrok hy,
met een groot gevolg van Edelen en andere aanzienlyke lieden naar
Duitschland. En een schip met Edelen van Amsterdam naar Embden
vlugtende zyn by Harlingen, door trouwloosheid van den schipper,
in handen van Arenberg geraakt: waar onder de twee jonge Heeren van
Baatenburg, en drie Friesche Edelen waren; die, nevens veele van de
anderen, binnen weinig tyd daar na, te Brussel zyn omgebragt.
De Koning van Spanje ziende, dat de verwerringe al grooter en grooter
wierd, besloot zyne zuster van verdere moeite te ontlasten, en zond
als Stadhouder in haar plaatze dien wreeden en alom beruchten Hertog
van Alva; dewelke een groote krygsmacht mede bragt, van voornemen,
om alles op een wreede en gruuwzame wyze te vervolgen; die ook dien
weêrgaloozen bitteren bloedraad instelde, welke alles het onderste
boven wentelde.
In den jare 1568, als de vlugtelingen door de wreedheid van Duc d'Alva
dagelyks meer wierden, zoo dagten zy op middelen, om weder in beteren
stand in hun Land te komen. De Prins dan, veel volk vergaderende,
begon van dezen tyd af den Hertog te beoorlogen.
In dit zelve jaar, in May hebben de Graaven Lodewyk en Adolf van
Nassau, nevens Graaf Joost van Schouwenburg en anderen, met hunne
krygsmacht in Groningerland trekkende, het Huis te Wedde, den Dam,
en daar na meer andere plaatzen ingenomen: hoewelze na een korten
tyd gedwongen wierden den Dam wederom te verlaaten.
Ondertusschen was de Graaf van Arenberg, nevens den Graaf van Megen,
met hunne krijgsmacht en zes stukken kanon afgekomen: het welk van
Graaf Lodewyk vernomen zynde, trok zyne krygsbenden bijeen, vallende
den 24ste van May met eene groote dapperheid bij Heiligerlee op de
vijanden in, voor dat de Graaf van Megen daar noch was bygekomen,
en sloegen zoo furieus met hun nieuwgeworven krygsvolk onder hen,
dat er in 't kort veelen wierden neergevelt. Waarom Arenberg met
eene groote bitterheid op Graaf Adolf los rende; en, schoon hy
eerst met een kogel doorschooten wierd, heeft hy nochtans dies te
verwoeder, eerst met 't pistool, en daar na met het rapier Graaf
Adolf ook doodelyk gewond; waarop zy alle beide zyn neêrgevallen,
en niet verre van den anderen gestorven. De rest van Arenbergs leger,
alzo 't volk geen kennisse van 't Land hadde, en van de Nassauschen
omsingelt zynde, is meestendeels gequetst of dood gebleven. Omtrent
1600 mannen, zo Spanjaarden als Duitschen, wierden 'er verslagen,
waar onder vele perzoonen van rang; daar by bequam Lodewyk veel buit,
als alle de bagagie van Arenberg, zyn zilverwerk, en daar en boven
veel geld, dat tot betaalinge der soldaaten gekomen was, en zes
stukken kanon. Graaf Adolf wierd te Wedde, en de Graaf van Arenberg
in de kerk van het klooster te Heiligerlee begraven.
Daar na trok Graaf Lodewyk met zyn leger voor Groningen, doende de stad
aan twee zyden belegeren; maar de vastigheden van die plaats, groote
bezettinge daar binnen, en den belegeraars zwaar geschut ontbreekende,
deed hem niets vorderen: evenwel wierden 'er verscheidene aanvallen
gedaan, inzonderheid op den 22ste van Juny, alwaar wel 200 van de
Nassauschen, en veelen van de beleegerden sneuvelden. Maar het afkomen
van den Hertog van Alva met een leger van 16000 mannen, deed hem de
belegeringe den 14de van July opbreken, marcherende daar mede langs de
Eems, om zich aldaar te versterken; doch de Hertog is hem zeer haastig
nagetrokken, en heeft Graaf Lodewyk op den 21ste dito by Jemmingen
aangetast, en zeer afgryzelyk met al zyn volk, dat niet vegten wilde,
verslagen; daar bleven 'er weinigen over, en veelen wierden door
't zwaard gejaagd, of in 't water verdronken. Graaf Lodewyk zelve,
als eenigen verhalen, ontquam het met zwemmen over de Eems; doch
anderen willen, dat hy met een scheepje overgeraakt zoude zyn. Daar
wierden verlooren 16 stukken kanon, omtrent 1500 paarden, 20 vendels,
veele horenbeesten, en omtrent 7000 mannen.
Daar na trok de Hertog langs de dyken naar Delfzyl, voorneemens om
die plaats en Farmsum tot een stad te maaken, en dezelve Marseburg
te noemen: doch de smeekinge der Groningers heeft zulks terug
gehouden. Vervolgens hebben de Spaanschen in het aftrekken veele dorpen
in brand gestoken, eenige duizenden van horenbeesten uit het land
gedreven en groote schade gedaan. Voorts quam de Hertog te Groningen,
en ordonneerde aldaar een kasteel te bouwen, tusschen de Ooster-
en Heere Poort, met 5 bolwerken; dat het jaar daar aan is begonnen.
Karel Brimeu, Graave van Megen, wierd Stadhouder van Friesland, van
's Konings wegen, na de dood van Arenberg.
Den 7de van December is te Leeuwarden, voor de eerstemaal des Heeren
Avondmaal openbaar, naar de wyze der Gereformeerden, uitgedeelt, na dat
de gewapende burgery de beelden, door last van Burgemeesteren, uit de
kerken geworpen hadden, niet tegenstaande des Konings Stadhouder, en
't Hof zich daar tegen stelden. Ook hebben zy den Koning afgeswooren,
en zich door sterke burgerwachten bevestigt. Ook wierpen verscheidene
paapen hun priesterlyk gewaad weg, en verkondigden nu het zuivere
Woord des Heeren.
In den jare 1569, in April, quam de Commissaris Quarre te Groningen,
en informeerde zich wegens de kerkplonderinge en andere misdaaden,
in den jaare 1566 gedaan. Waarop eenigen by den kop wierden gevat;
doch de Bouwmeester, met twee arbeidsluiden braken uit de gevangkenis;
maar de andere drie a vier zyn, niet tegenstaande het verlof van de
Magistraat, om hunne begaane misdaad, op de markt onthoofd. hoofd.
Voorts hier na quam de Bisschop Johan Cnyf ook te Groningen, neemende
zijn logement in het huis dat nu des Stadhouders Hof is.
Ook wierd door bevel van den Hertog van Alva een kasteel geordonneert;
men bouwde het met vyf bastions, waarvan drie buiten en twee binnen
de stad quamen te leggen: schietende het eene met haar punt op der
Pelsterstraat, en het andere op de Gelkingestraat: waar van de gragt
wierd aangelegt op 100 voeten wyd; en de benedenste voet van de wal
op 75 voeten breed.
In den jaare 1570, den 1ste November, is 'er een geweldig onweder,
met een verschrikkelyke hooge watersnood, uit den noordwesten ontstaan;
die tot heden met den naam van Allerheiligensvloed bekent is: waar door
het water zeer hoog in Vlaanderen, Holland en Zeeland is opgeloopen,
doch by den dag, en diensvolgens met minder schade, als in Friesland:
alwaar het des avonds, omtrent 9 uuren, het geheele Land overstroomde
tot aan Sevenwouden toe; blyvende Gaasterland, en wel voornaamentlyk
Oud Mardum, Ruigehuizen en Sondel onbeschadigt. De schade aan menschen
en beesten was ontelbaar, en is af te neemen uit 1800 menschen, die
alleen in de Grieteny van Oostdongeradeel verdronken waren; daar de
vloed tot elf voeten hooger, als een gemeen ty, was opgerezen. Van
Sneek naar de Lemmer voer men regt uit op zeven en een halve voet
water over 't vlakke land: râzeilen met drie masten dreven, met
haar volle ladingen door de inbraaken der dyken. En een wieg, met
een leevend kind en kat daar in, quam te Sneek aandryven.
In den jaare 1571 hebben de Friesen alomme, gelyk ook die van Braband
en Vlaanderen, de beelden bestormt, en de paapen en monniken weder
het land uitgejaagt.
In den jaare 1572, den 7de van January, overleed binnen Zwol, de
Graaf van Megen, Gouverneur van Friesland, Groningen, enz. In wiens
plaatze hem opvolgde Gillis van Barlamond, Heere van Hierges.
In dit zelve jaar namen de Watergeusen den Briel in; en de Prins van
Oranje wierd in 't openbaar voor een Hoofd der Vereenigde Bontgenooten
verklaart. Diederik van Bronkhorst nam Sneek, Bolswert en Franeker in,
alzo het volk daar meest uit verloopen was. En des Konings Colonel,
Casper de Robles, Heer van Billi, daarentegen lag bezettinge op
de zeedyken.
Schouwenburgs volk, gesterkt met een party, van des Prinsen macht,
dat van Ameland naar Oostmahorn over quam, heeft Dokkum ingenomen:
maar de Colonel Robles, hen overvallende, heeft de plaats weder
hernomen, laatende de soldaaten vermoorden en schenden, en de stad
in brand steeken [94].
In September is Joost van Schouwenburg, als Stadhouder by den Prins
van Oranje over Friesland, te Sneek gekomen; en, na eenigen tyd,
trok hy binnen Franeker, en zette zich op Sjaardema's Slot ter
neder. Doch na zyn vertrek vielen zy weder in handen van Robles,
gelyk ook die van Bolswert. Ondertusschen hebben 's Prinsen volk de
zeekusten, behalven Harlingen en Staveren, weder onvry gemaakt; alwaar
Gaasterland en de geheele zuidhoek veel verdriet heeft uitgestaan. En
inzonderheid word verhaalt, dat die van Wykel van de roovers wierden
overvallen; Wybren Wykel met zyn vrouwe Doed en dochter Bauk gedood;
Foockel gevankelyk naar Enkhuizen gevoert, en noch eene van hunne
zusters ter vensteren uitgeworpen; Hans, hunne broeder, ontquam het
met de vlugt; en het huis wierd verbrand: van welker afkomst ons noch
een aanzienlyk huisgezin in onze woonplaats bekent is. Robles moest
hier na Sneek weder verlaaten. Diederik van Bronkhorst nam hier op
Bolswert in; alwaar hy de Overigheid veranderde, en de Gereformeerden
opentlyk liet prediken; welke eerste predikatie in de Broeren Kerk
gedaan wierd. Hier van daan vertrok hy naar Sneek en Franeker, alwaar
hy het Stadhoudersampt, in 't afzyn van Schouwenburg, bediende. Daar
na nam 's Prinsen volk het blokhuis te Staveren in: maar daags daar
aan herwonnen 's Konings volk het wederom, en staken de stad in brand.
Schouwenburg, eenige schattinge by een vergadert hebbende, tot reddinge
der Provintie, is, na hy de zelve ontfangen had, met dien geroofden
buit uit den Lande doorgegaan.
Ondertusschen heeft de Koning van Spanje, Don Louis de Requesens,
Grootbevelhebber van Castilien, tot een Landvoogd der Nederlanden
gezonden, in plaats van dien bloeddorstigen Hertog van Alva: die hier
op aanstonds weder naar Spanje vertrok; welke roemde, dat 'er door
zyn bevel wel 18000 menschen alleen door beuls handen in Nederland
waren omgebragt, behalven die in den kryg waren gesneuvelt.
In den jaare 1573, is Groningerland, Friesland en Embderland, door
een watervloed aangetast: waar door de dyken wierden gebroken, en
groote schade aan menschen en beesten geschiede.
In den jaare 1574 heeft Casper Robles, om de verschillen en
oneenigheden, al van oude tyden af, die ontstaan waren over het
maaken der zeedyken, weg te neemen, uitgevonden, en volgens zyne
gedachten en raad voorgewend, dezelve dyken, tegen zulke zwaare en
hooge watervloeden, waar van zy zo menigmaalen de smerten gevoelt
hadden, in beter order te brengen, en beginnen te verzwaaren. Wordende
omtrent twee jaaren hier na, ter gedachtenisse van dit loffelyke werk,
het Steene Beeld, dat noch heden by Harlingen op den dyk te zien is,
op 's Lands kosten, opgeregt: dienende met eene tot een Scheidbeeld
van de afdeelinge der dyken.
Alschoon des Konings zaaken dagelyks te post verliepen, zo waren echter
Staveren, Hindeloopen, de Schans te Makkum, Harlingen, en de geheele
kust, na het doorgaan van Schouwenburg, weder met Robles volk bezet
geworden. Doch Wouter Heegeman, Hopman van den Prins van Oranje, van
Texel afvaarende, heeft Hindeloopen, by eene donkere nacht, met 300
mannen overvallen en ingenomen. Waar op die van Enkhuizen hem kruid
en lood toezonden, om de plaats te versterken. Doch op het gerucht
van Robles volk, dat op hem aanquam, deed hem resolveeren, de stad
uit te plonderen en in brand te steeken. De Drost van Staveren begon
ook zyne vestingen, daags daar aan, weder te versterken.
In den jaare 1575 Bartel Entes, met eenig volk van Ter Schelling
afvaarende, lande op Oostmahorn, alwaar hy een schans opwierp: doch
na eenige schermutselingen, wierd hy door 't volk van Robles daar
weder uitgedreeven.
In den jaare 1576 waaide het een geweldige storm, waar door veele
boomen uit den grond wierden gerukt; en het dak van de Oude Hoofster
Kerk te Leeuwarden, dat door oudheid geheel bouwvallig was geworden,
deed instorten: en is tot op dezen dag niet weder opgebouwt. 't Was
mogelyk een voorteeken, dat gelyk het heidendom, voor veele eeuwen,
uit deze plaats uitgeroeit, alzo deze plaats het kerkhof was geweest,
daar het altaar van den Afgod Staf gestaan had, en dezelve geviert
wierd, alzo ook nu het gebouw des Pausdoms in deze Landen wel haast
een geweldige krak zoude krygen. Waarom wy wel mogen zeggen:
Het oude Duivels Hof, door schynschrift
lang misbruikt,
Wat wonder, zo 't haar hoofd voor 't regt
Geloove duikt.
In dit jaar hebben de Staaten en Voornaamste des Lands met malkanderen
binnen Gent een verbond gemaakt, om de welvaart des Lands, met
raad en daad des Prinsen van Oranje te helpen bevorderen: wordende
gemeld verbond gemeenelyk de Pacificatie van Gent genaamt. Het welk
de Koning daar na ook met zyne onderteekening bevestigde. De inhoud
van dit verdrag bestond voor 't meest: 1. Dat de vreemde krygslieden
uit het Land zouden gevoert worden. 2. Dat de gebruikelykste wyze van
regeeren zoude vastgestelt worden. 3. Dat ieder Provintie de zaaken
van Godsdienst zoude handhaven, na dat het tot ruste des volks het
beste zoude geoordeelt worden.
In dit jaar is te Madrid overleden Joachim Hopperus, geboortig van
Heemelum; afkomstig van dat oud Geslacht der Hopheeren, waar van boven
op het jaar 513 gemeld is; om zyne uitmuntende geleerdheid, heeft
hy hooge bedieningen bekleed, als Professor der Rechten te Leuven;
Heer van den Grooten Raad te Mechelen, en in den Geheimen Raad te
Brussel, daar Viglius de voorzitplaats had; Heer van den Hoogen Raad
der Nederlandsche Zaaken in Spanje, en 's Konings Zegelbewaarder;
waar by hem de Koning tot Ridder van de Goude Spoor sloeg, te gelyk
en op een uur met Don Jan van Oostenryk.
Ook overleed in dit zelve jaar, te Gent, Viglius Swichemius ab Aita,
afkomstig van Swichum, by Leeuwarden; deze is mede om zyne uitsteekende
geleerdheid in groot aanzien geweest, als Professor in de Rechten te
Padua, in Italien, en na 't afslaan van veele eerampten, Ryksraad in
de Kamer te Spiers; wederom wierd hy Professor te Ingolstad, Heer in
den Grooten Raad te Mechelen, Praeses of Voorzitter in den Geheimen
Raad en Raad van Staaten te Brussel, Ridder van 't Gulde Vlies, enz.
In dit jaar, den 7de van October, is te Groningen de Bisschop Johan
Cnyf, Minnebroeder, aan de pest overleden.
Den 22ste van November ontstond te Groningen een groote onlust,
door dien de Staaten Generaal, het oog op deze stad hebbende,
eenen M. T. Stella herwaarts hadden gezonden, om de Magistraat en
het krygsvolk tot het aannemen der Pacificatie van Gent te beweegen;
als mede, dat zy 't met de Generaliteit zouden houden; waar voor zy
beloofden, alle de achterstallige schulden, van de soldaten, die zeer
groot waren, te zullen voldoen.
De Gouverneur Robles, hier kennis van krygende, deed Stella aanstonts
apprehenderen en pynigen, om alzo zyn commissie uit hem gewaar te
worden: doch alles te vergeefs. Ondertusschen wist Stella door zyn
bequaamheden in 't geheim aan de soldaaten te kennen te geeven,
dat zo zy zich voor de Staaten wilden verklaren, zy van alle hunne
achterstallen ten vollen voldaan zouden worden. Hier op waren de
soldaaten aanstonds als vol vuur, namen ten eersten hunnen Gouverneur
Casper de Robles, benevens eenige Spaansche Kapiteinen, of die 't
met hun hielden, gevangen; loopende voorts naar de Waag, en haalden
de daar staande wippe omverre, en verbrandeze op de Markt, roepende:
Lang leeve de Prins! lang leeven de Staaten! Waar op zy aanstonds heen
liepen en maakten Stella los; bragten hem op de Markt, en deeden hem
in de naame der Staaten den eed van getrouwheid. Vervolgens zonden
zy Gecommitteerden met Stella naar Brussel; die aldaar de stad aan
de Staaten opdroegen, en een Gouverneur van hen verzogten: waar op
de Graaf van Rennenberg is afgezonden geworden, die aldaar in den
jare 1577, den 7de van January, met eenige heeren is aangekomen,
en betaalden de soldaaten hunne achterstallen ten vollen, dat
eenige tonnen gouds beliep. Waar op de Waalen den 13de van Maart
ter stad uittrokken; daar die van binnen zeer over verblyd waren,
om hunne gepleegden moetwille, daar ze nu van verlost wierden, dat ze
vreugdevuuren daar over aanstaken; waar door de St. Martens toren in
brand geraakte en zeer beschadigt wierd. Daar na kreeg Rennenberg
Delfzyl, en stelde daar een nieuwen Commandeur. Voorts deeden
de Groningers hem en de Generaliteit den eed van getrouwigheid;
doende daar na het kasteel, door den Hertog van Alva gebouwt,
wederom afbreeken.
Op den eersten November deed de Gouverneur Rennenberg de Staaten van
Stad en Lande te Groningen vergaderen, alwaar de Ommelander Jonkers
en Hovelingen compareerden in groot getal, doch niet denkende, dat
er iets quaads met hen voor handen was. Maar, als zy vergadert waren,
voor Rennenberg zyn propositie nog had voorgesteld of gedaan, wierden
beide de leden oneens; het welke niet verdraagen wierd; waar door
de Heeren van de Ommelanden door de Heeren van de Stad zyn gevangen
genomen, tot 24 in getal, en in leelyke gevangkenissen geworpen: niet
tegenstaande het ontzach van hunnen Stadhouder, die daar tegenwoordig
was. Daar op wierd de sterkte van Delfzyl den 20ste van December van
hare vestingen berooft; waar afgevoert wierden 9 metaale en 7 yzere
stukken kanon, en 14 bassen.
In den jaare 1578 zyn des Konings Raaden en Grietmannen in Friesland
afgezet, en andere Heeren voor hen in de plaats verkooren. Waarop de
Gereformeerden, die noch in 't heimelijk hunne oeffeningen deeden,
verzogten om in 't openbaar te moogen leeren en jaargeld te genieten,
om hunne Predikanten eerlyk te kunnen onderhouden: 't welk door den
Religions Vrede, tusschen den Aartshertog Matthias en den Prins van
Oranje, toegestaan zynde, zo bequamen die van Leeuwarden de Jacobiner
kerk tot hun gebruik; alwaar zij voor de tweedemaal de Roomsche
beelden afwierpen, en dezelve kerk tot de zuivere godsdienst inweiden.
In dit zelve jaar dagten de Ommelanders zich te wreeken; deeden
derhalve in de maand February, onder den Heer Barthold Entes van
Menteda, 12 vendelen soldaaten werven: maar de Groningers zulks gewaar
wordende, vielen op hen uit, en verstrooidenze, waar van eenige wierden
doodgeslagen, de vlugtenden nagezet, en Barthold Entes gevangkelyk
van Koevorden mede naar Groningen gevoert; daar hy groot gevaar liep
van met de andere gevangene Ommelanders onthoofd te worden. Doch de
Aartshertog Matthias en de Staaten Generaal waren hunne voorspraaken,
om het different by te leggen.
Den 28ste van Maart heeft het zeewater in Groningerland, Oostfriesland
en elders, groote schade gedaan, en veele menschen en beesten
verdronken.
In den jare 1579, om redenen, dat de Spanjaarden in geenen deele de
articulen der Pacificatie van Gent na quamen, hebben de Staaten van
Nederland goedgevonden, een naauwer verbintenisse te maaken binnen
Utrecht, die men de nadere Unie van Utrecht noemt: waar in de zeven
vereenigde Provintien, als Gelderland, Sutfen, Holland, Zeeland,
Utrecht, Overyssel, Friesland, Groningen en Ommelanden, daar benevens
Lingen en Drenth, hun eerste verbond maakten, bestaande voornaamentlyk
in: 1. Dat deze Provintien een en gemeen zouden zyn, om nooit, onder
wat naam ook, te mogen gescheiden worden: blyvende ieder nochtans
by zyne eigene oude voorrechten. 2. Dat zy malkanderen, tegen alle
vyandelyk geweld, met goed en bloed zullen helpen verdeedigen. En
3. In de oeffeninge van Godsdienst de Pacificatie van Gent na te komen.
In dit zelve jaar hebben de Heeren van de Ommelanden den Riligions
Vrede mede aangenomen, insgelyks de Graave van Rennenberg; maar
die van Groningen, uit haat tegen de Ommelanden, kantede zich hier
tegen. Waarom Rennenberg een Landdag te Visvliet deed uitschryven,
om alle questien aldaar tusschen de beide leden in der minne by te
leggen. Doch de Groningers, als strydende tegen hunne verbonden,
weigerden aldaar te compareren. Rennenberg deed derhalve zyn krygsmacht
ontbieden, om zich van Groningen nochmaals te verzekeren; doende de
stad voorts op den 22ste van May, aan de noordwestzyde, met omtrent
2000 mannen, doch tot weinig schade der stad, berennen.
Den eersten van Juny begonnen de belegeraars met die van binnen
handgemeen te worden, neemende hun een groot getal beesten af. Daar
tegen bragten die van de stad 2300 boeren uit hunne jurisdictien
op de been: welke terstond met weinig krygsvolk op de vlugt wierden
gedreven, en daar boven nog met geld geeven gestraft. Den 6de dito
verstonden die van binnen, dat er buskruid in het leger ontbrak, deeden
derhalven met hun geweld van welgewapende boeren en eenig krygsvolk,
met het geschut voor aan, een uitval op de vyanden, hebbende by hen 600
dienstmaagden, om het geschut te beschanssen. Dus in slagorde staande,
wierd er aan weêrskanten dapper gevogten; waar door veele sneuvelden,
en de partye genoodzaakt wierd te vlugten, welke tot aan de poorten,
niet zonder verlies van volk, wierden vervolgt.
Daar na begonnen die van binnen naar vrede te luisteren, geevende
zich op den 10de van Juny aan de Staaten Generaal over: de Gouverneur
Rennenberg deed zyn publyke intrede op St. Jans Dag in de stad;
die aldaar de Magistraat veranderde, en dezelve met Staatsgezinden
bezettede; den Riligions Vrede verkondigde, en de Gereformeerden de
St. Walburgs en Minnebroeder kerk deed inruimen. Vervolgens heeft
Rennenberg de fortresse Koevorden wederom vastgemaakt: doch toonde
zeer kort daar na dat hy 't met de Staaten niet wel meende.
Want in den jare 1580, den 3de van Maart, heeft de trouwlooze Graaf de
stad wederom aan den Koning van Spanje gebragt, na dat hy dezelve maar
9 maanden voor de Staaten Generaal als Gouverneur hadde geregeert. Hy
had zyn voorneemen zo geheim weeten houden, dat, schoon hy beschuldigt
wierd, van heimelyk correspondentie te houden met den Hertog van Parma,
hy nochtans den Burgemeester Hillebrands, zynde de voornaamste daar
die van de Gereformeerde religie zich op vertrouwden, des avonds,
voor dat hy de stad onder zyn geweld bragt, bedroog, terwyl deze hem
voorstelde alle de quade geruchten die er van hem gingen, en dat hy
niet hoopte dat de Graaf iets quaads met hen voor hadde. Waar op de
Graaf antwoorde: «ô Myn Vader! dien ik voor myn Vader houde! zou gy
zulk een quaad vermoeden van my hebben? Wees hierin maar gerust:" en
sloeg het hem dus uit den zin. Evenwel lag de Graaf op zyn luimen,
laatende geen tyd passeeren; want op den tweeden van Maart, des
avonds en des nachts, heeft hy met zyn geheele Hofgezin, en veele
Spaanschgezinde burgers, als mede eenige verborgene krygsknegten,
tegens den morgenstond, den 3de dito, hen gewapent. Zo dra als hy nu
kennisse had bekomen, dat de Gereformeerde wacht in den dageraat was
gaan slaapen, is hy met zyn volk, hebbende witte teekenen aan hunne
linker armen, uit zyn logiment naar de Markt gereden, gewapent zynde
van het hoofd tot de voeten, met de bloote sabel in de vuist, roepende:
Sta by, sta by, goede Burgers! heden ben ik eerst regt Stadhouder dezer
Landen. Op dit gerucht quam de Burgemeester Hillebrands, woonende
in de Heerestraat, haastig met eenige Gereformeerden voor den dag
springen, die direct op hem aanvielen: maar een van Rennenbergs knegts
schoot op hem los, dat hy dood ter aarde viel. Waarom de anderen de
vlugt namen. Eenigen wierden aanstonds gevangen genomen, en anderen
verweerden zich noch in hunne huizen; maar daar bleef niemand dood
als een perzoon. Voorts liepen en renden zij door de straaten,
schietende naar allen, die het hoofd ter vensteren uitstaken. Daar
na de stad doorzoekende, namen zy allen, die in der Spaanschgezinden
ongunst stonden, tot over de 200 voornaamste burgers gevangen; waar
van eenigen zeer qualyk wierden gehandelt; die evenwel naderhand door
verscheidene middelen meest los quamen.
Op dien zelven dag, als Rennenberg de stad voor den Koning van Spanje
had hernomen, wierd dezelve wederom door Barthold Entes belegert, met
13 vendelen soldaaten en 2 vendelen ruiters. Die van de stad maakten
eenige beschansinge in de voorstad, gelegen op het Schuitendiep,
en noch twee molenbergen buiten de stad, waarmede zy hunne beesten,
die dagelyks in de weide gingen, beveiligden. Vervolgens zonden de
Staaten Generaal den Graaf van Hohenlo, en Graaf Lodewyk van Nassau,
met nog 16 vendelen naar 't beleg.
Den 16de van May deeden de belegeraars eene attaque op 't
Schuitendiep, alwaar zeer hevig gevogten wierd, en Barthold Entes
zyn leeven verloor. Ondertusschen ontstond een gerugt in 't leger,
dat de Spanjaarden, onder 't bevel van Marten Schenk, afquamen om
Groningen te ontzetten. Hier op trok Hohenlo met eenige vendelen uit
de belegeringe naar Hardenberg, Schenk te gemoet; alwaar het gevegt
op den 16de van Juny, tot groote schade van den Graaf van Hohenlo,
wierd gehouden. Overzulks wierd Groningen door Graaf Lodewyk, na ruim
drie maanden belegert geweest te zyn, wederom verlaaten.
Den 29 van July is Delfzyl door den Graaf van Rennenberg ingenomen;
ook Enematil; doch wierd kort daar na door Hohenlo wederom herwonnen;
ook joeg hy de Rennenbergschen uit de schans Weerdenbras, by de
Ponterbrug, en nam daarop Koevorden in.
Den eersten September is Enematil door de Rennenbergschen wederom
ingenomen en geslegt.
Den 4de dito wierd Hohenlo's volk by de Bourtange door de
Rennenbergschen geslagen.
Den 6de dito zyn de Rennenbergschen, door de Friesen uit Dokkum
en Kollum, in 't klooster Aduard verrast en verslagen; waar op het
klooster, uit vreeze van wederom overvallen te worden, is in brand
gestoken; waar in de Rennenbergschen wel 300 mannen verlooren.
Den 20ste dito won Rennenberg Koevorden; onder voorwaarde, dat de
bezettinge, uit 200 mannen bestaande, met zydgeweer zouden mogen
uittrekken.
In dit zelve jaar, als de Stadhouder Rennenberg door ontrouw van de
Staaten en Prins van Oranje was overgegaan tot den Koning van Spanje
[95], en die van Leeuwarden door het blokhuis, dat noch vast was,
en by hem bezet bleef, meende te dwingen, gelyk hy Groningen reeds
al in zyne macht hadde; zo hebben de burgers, dit bemerkende, het
zelve manmoedig ingenomen, en de wallen en sterktens geslegt: ook
namen de Staaten de blokhuizen van Harlingen en Staveren mede in
hunne macht, en roeiden uit de kerken der Paapen alle de beelden;
en de kloosterinkomsten wierden allen geschikt tot onderhoud der
Predikanten en schoolen.
De Geestelyken dus uitgeroeit zynde, verkreegen die van Oostergo
de eerste stem in hunne plaats; en de steden de vierde stem in
landszaaken. Koevorden wierd vaster beschanst; en Harlingen met
nieuwe wallen en gragten versterkt. En wegens de ongetrouwigheid
van Rennenberg, zogten de Staaten zich van eenen anderen Stadhouder
te voorzien.