In dit zelve jaar 1515, Karel, Koning van Spanje, en na een korten tyd
Keizer van 't Roomsche Ryk, nu Erfheer van Friesland geworden zynde,
stelde Graaf Floris van Ysselstein tot Stadhouder aan; die zich met
de zynen eerst alleen binnen Leeuwarden, Franeker en Harlingen moest
verhouden: zynde het overige des Lands meest door de Gelderschen
bezet; tot welkers voordeel Sneek en Slooten in dien tyd met muuren
en sterktens zyn vast gemaakt [86].
En gemelde Groote Pier, speelende alle zeilen blank [87], nam weg
alles wat tegen de Gelderschen aanquam, werpende veele menschen
overboord: en inzonderheid te Workum, dat hy inneemende, de Hollanders
de voeten spoelde, daar by voegende dit grove Friesche vloekwoord:
Sjug ho kenne dy D: tjietten swomme [88].
In den jaare 1516, in April, is Delfzyl, na dat de Graaf Edzard
zyne bezetting daar uit had genomen, door Boele Ripperda, van haare
vestingen beroofd. Daar op zyn de Groningers, met hulpe van zommige
Ommelanders, uitgetrokken, hebbende den Dam gedemanteleert, en voorts
Weerdenbras ook geraseert. Verder, het kasteel van Graaf Edzard,
te Groningen gebouwd, wederom afgebroken.
In den jaare 1517 quam 'er weder zulk een hooge watervloed, dat
het water eene elle boven de dyken stond; waar men de schade wel
kan afmeeten.
Groote Pier beschermde Sneek, tegen de belegeringe der Bourgoenschen;
en nam Hindeloopen weder in, dat de gemelde Bourgoenschen vast gemaakt,
en met 300 mannen bezet hadden: en daar na Medenblik, dat hy verbrande.
In dit jaar wierd ook tusschen de Bourgoenschen en den Hertog
van Gelderland een verdrag gemaakt, na dat aan weêrszyden veele
vyandelykheden waren voorgevallen; waar door de steden nu van de eene
en dan van de andere zyde waren ingenomen, en de platte landen veel
geweld, moord en brand hadden geleden. Doch Groote Pier, met die de
Gelderschen aanhingen, zich hier noch niet toe verstaande, bleven
even standvastig tegen de Bourgoenschen, en begeerden Pier voor een
Beschermheer der vryheid geacht te wezen; dat hy voorheen ook zoude
gedaan hebben, byaldien het zommigen niet verbrod hadden. Als hy door
eenen Hollander in een brief tot afstand geraaden wierd, bespotte hy
hem met een rymtje na dien tyd, voegende boven het zelve al boertende
deze Eeretytelen: Ik, Groote Pier, Koning van Friesland, Hertog van
Sneek, Graaf van Slooten, Vryheer van Hindeloopen, en Capitein-Generaal
van de Zuiderzee [89].
Dus wierd de vereeniging door de Gelderschen verbrooken, en des
Keizers volk moest, als voorheen, zich alleen in Leeuwarden, Franeker
en Harlingen verhouden. Groote Pier deed ondertusschen de Keizerschen
op de Zuiderzee veel afbreuk, neemende gestadig aan weg alles wat
hem voorquam.
In den jaare 1518 heeft de Hertog van Gelder het accoord van Maarschalk
Willem van Ojen met de Magistraat van Groningen, uit zyn naam ingegaan,
geconfirmeert en gezegelt.
In den jaare 1519, den 6de van February, wierd te Arnhem het vorstelyke
bruiloftsfeest van den Hertog van Gelder met de Hertoginne van Brunswyk
Lunenburg zeer prachtig gehouden: zynde aldaar uit deze Provintie
van Groningen mede verzogt, Ludolf Conders, en Klaas Schaffer,
Burgemeesteren; Willem Frederiks, Priester van St. Martens kerk, wegens
de stad; en Roelof Lennep, Ritmeester, wegens de Ommelanden. Dewelke
allen zeer prachtig uitgedost waren; Willem op een wagen, en de anderen
te paard, zynde alle de paarden eveneens met blinkende wapenen over
hunne gansche ligchamen bedekt, verzelt met 30 ruiters, in heerlyke
kleederen. Hunne geschenken, dieze voor het jonge paar mede bragten,
bestonden in twee zilvere wynkannen, en twee zilvere schenkvaten,
zeer konstig verguld en bearbeid, wegende over de 50 mark zilver. Daar
nevens bragten zy 4 welgemeste ossen, van een buitengewoone zwaarte,
en 4 schoone paarden.
In dit zelve jaar, als Groote Pier bemerkte, dat de Gelderschen het
land, even als de Saxischen voorheen, onder het juk van slaavernye
meenden te brengen, zo quiteerde hy daarom zyn ampt, en zettede zich
gerust binnen Sneek ter neêr, alwaar hy zyn leeven na eenigen tyd
heeft geëindigt.
In den jaare 1520 wierd het klooster te Aduard, het waereldsche gebied,
mitsgaders het recht van patroonschap over Suidhorm en Wyrum ontnomen,
om reden dat eenige monniken op St. Bernards dag, onder een gastmaal,
dat jaarlyks wierd gehouden, twee Edellieden, Hendrik en Frederik
Gaykinga, vegtenderhand hadden doodgeslagen. [90]
Als Karel de vyfde nu tot Roomsch Keizer was verkooren, heeft hy in
den jaare 1521 Georg Schenk tot Stadhouder over Friesland aangestelt:
die, met zyn leger te Arum staande, de Geldersche steden, Sneek en
Bolswert heeft gebrandschat: doch Stoffel van Meurs, Stadhouder der
Gelderschen, vertrok naar Workum, dat hy vast maakte, om gemelde
brandschatting der Bourgoenschen af te weeren.
Hier op dreven de Sneekers de Gelderschen uit; het welk die van
Bolswert, weinig tyd daar na, mede deeden.
In dit zelve jaar, den 12de van May, is de Hertog van Gelder, door
de Staaten der Ommelanden, mede tot hunnen beschutsheer aangenomen.
In den jaare 1522, den tweede van November, quam de Hertog van Gelder
te Groningen; wordende door de Magistraat buiten de Oosterpoort
opgehaalt, en tot aan de St. Martens Kerk geleid; alwaar hy door
Mr. Willem, Kerkheer, ontfangen wierd, die hem mede naar zyn huis
nam en logeerde. Des anderen daags ontfing hy op het raadhuis de
sleutelen van de stads poorten, en den eed van de Magistraat en
de Gezworene Gemeente, en vervolgens in St. Walburgs kerk van het
gemeen. Des Sondags daar aan wierd hy door de Magistraat der stad
op het Heeren Wynhuis zeer prachtig ter maaltyd onthaalt. Daar na,
de Hertog vertrokken zynde, zond hy Jasper van Marwyk als Stadhouder
te Groningen, die zyn logiment nam op Munnikeholm.
In den jaare 1523 bouwde Stoffel van Meurs een blokhuis te Workum,
en den tooren versterkte hy met gragt en wallen, om de zeekust tegen
de Bourgoenschen te beschermen. Maar wierden van Schenk vermeestert,
die den tooren van boven af liet werpen, en het blokhuis met veel
volk bezette. In welken tyd ook de geweldige Stins van Inthiema door
de Keizerschen verbrand en vernietigt is. Doe zonden de Gelderschen
eenige zeeroovers uit Dokkum; het welk de Bourgoenschen belegerden, en
mede by verdrag inkreegen. Ook vlugten de Gelderschen van Bolswert naar
Slooten; dat zich, belegert ziende, mede aan Schenk over gaf. En by
een gemeen opbod der landlieden, zyn de Gelderschen t'eenemaal uit het
land gejaagt: en Karel de vyfde tot Erfheer over Friesland bevestigt.
Ook is Schenk en Wassenaar, uit naam des Keizers, in de Ommelanden
gekomen, roovende en brandende zeer schielyk onder de landlieden;
vervolgens ontboden zy hen om den Keizer te beëedigen te Noorthorm,
mits tot boete geevende 32000 goudguldens.
In den jaare 1525, des Vrydags voor St. Laurens, geraakte de stad
Groningen in een groot oproer; alzo de Bouwmeesters en Gildens zich
heimelyk verbonden hadden van hunne goederen 'er by op te zetten,
om alle de accynsen, uitgenomen de wyn en het Hamburger bier, af te
schaffen. Zy hadden dieshalven by de twee Bouwmeesters, noch 24 van
de voornaamste personen uit de Gildens gekooren, die het zelve aan
den Raad zouden voordraagen. Als deze voorstellinge op het raadhuis
geschiede, stond de geheele markt van het gemeen bezet, raazende en
tierende als verwoede menschen, die door des Overigheids redenen
niet te stillen waren. Een groote hoop liep als woedende op het
stadshuis, met een groot stuk hout in de handen, en stoote de deur
van de raadkamer daar mede open; voorneemens om den geheelen Raad
dood te slaan. De geene die beneden stonden, met bloote messen in
hunne handen, riepen: Sla dood, sla dood; werpt ons de verraaders
ter vensteren uit! Waar door de Raad zich genoodzaakt vond, deze
gecommitteerden te zeggen, hunne begeerte te zullen voldoen: doende
daar op de klok luiden, en hunne wille publiceren. Waar door het
woedende gepeupel wederom vertrok.
In den jaare 1527 was 'er wederom een groote onlust te Groningen,
waar door omtrent verscheidene magistraatspersoonen hun leeven zouden
verlooren hebben: want een Jan Gryp, zynde een groot oproermaker,
trok zyn zwaard uit, en riep: Sla dood! en sloeg den Bouwmeester
Jan.... onder den voet, houwende nochmaals verscheidene keeren naar
hem; doch wierd, door toedoen van anderen, noch gelukkig gered. De
Raad, vergadert zynde, vlood van het stadshuis; ziende ieder om een
goed heenkomen. De Burgemeester Hillebrands, Roltman en Rein Duirds,
met noch eenige andere Raadsheeren, liepen in de St. Martens kerk;
maar de Burgemeester Ludolf Conders viel by de waag onder het gespuis;
waar door hy nochtans door eenige raadsgezinde burgers gelukkig wierd
ontzet, neemende daar op de vlugt, de Heere Poort uit, naar Helpman
op zyn hofstede.
Dit zelve jaar overleed Graaf Edzard van Oostfriesland, oud zynde 66
jaaren, binnen Embden; wordende des Vrydags na vastenavond tot Norden
begraven. Na hem succedeerde Graaf Enno daar op, in zyns vaders plaats.
In den jaare 1530 heeft Keizer Karel aan zynen Stadhouder Schenk last
gegeeven, om Dokkum en Slooten, welke Steden hy, na 't vertrek der
Gelderschen, hadden doen vast maaken, de wallen wederom te slegten.
In dit zelve jaar, den 10 van July, nam Graaf Enno van Oostfriesland
Widmond door verrassinge in; en belegerde voorts Ezens; waar op
hy verscheidene maalen stormde, en veel volk verloor; doch op den
28ste van September hebben die van binnen zich aan hunne vyanden
overgegeeven; waar op, Jonker Balthazar een voetval voor Graaf Enno
doende, pardon bequam.
In den jaare 1531 heeft Jonker Balthazar een hoop krygsvolk aangenomen,
waar mede hy in Graaf Enno's land trekkende, alles in brand stak wat
hem voor quam; sleepende een grooten buit met zich; en begaf zich
naderhand onder den Vorst van Gelder.
In den jaare 1533 heeft Jonker Balthazar den Overste Meindert van Ham
met omtrent 2000 Geldersche soldaaten te Jemmigen, in Reiderland,
gezonden: maar Graaf Enno hen te gemoet trekkende, heeft van hen
een Vendel Gelderschen, welke by de Noorth verachtert waren, ter
neêr geslagen. Doch een weinig tyd daar na, hebben de Gelderschen
de Oostfrieschen aangegreepen, en deerlyk geslagen; waar door in 't
geheel omtrent 400 mannen zyn gebleven, en waar onder veele braave
persoonen van aanzien.
In den jaare 1535, den 30ste van Maart, zyn omtrent 300 zo
genaamde Wederdoopers, na datze hunne leere in Friesland openbaar
hadden voorgestelt, byeen getrokken, overvallende Oldenklooster,
by Bolswert, en namen het in; noodzaakende de monniken daar uit te
vlugten; en van gedachten zynde, by aldien de Landsheer hen mogt komen
bestormen, zouden de bestormers zelve door hunne eigene wapenen gedood
worden. Maar de Gouverneur G. Schenk zulks gewaar wordende, zond een
troup soldaaten derwaarts, en overweldigde het klooster aanstonds;
waar door in de eerste furie het meestedeel dier arme menschen door de
kling wierden gejaagt: 24 zyn 'er vervolgens aan galgen opgehangen,
en 15 onthalst; en de vrouwen en maagden eenige te Leeuwarden, en
andere in het Hempensermeer doen verdrinken.
In den jaare 1536 heeft Menno Simons, Priester te Witmaarsum, zyn
priesterambt verlaaten, en zich tot de Wederdoopers begeeven: waar
van dezelve den naam van Mennisten hebben bekomen, zo als zy noch in
Friesland, zonder onderscheid, allen genoemt worden.
In dit zelve jaar, hebben de Groningers hunne hulpe aan den Hertog
van Gelder tegens Graaf Enno van Oostfriesland opgezegt. Waar over
de Hertog zeer te onvreden zynde, zyne krygsmacht deed vermeerderen,
en den Overste Meinard van Ham met de zelve den 29ste van April naar
den Dam zond; die aldaar ten eerste de vestingen deed versterken,
steekende de voorstad by de Steenstil- en Poelepoort in brand;
als ook de voorstad van de Ebbinge- en Botteringepoort; waar door,
alzo de vlam over de wal quam, omtrent de Peperstraat 5 huizen en 30
schepen verbrande.
Waarom door de Staaten van Stad en Lande, door groote verbitteringe
dieze tegens den Gelderschen Vorst gekregen hadden, geresolveerd
wierd, zich aan het Huis van Bourgondien over te geeven; zendende
derhalve hunne Gezanten aan Koningin Maria, zuster van Keizer Karel den
vyfde, in Brabant, met verzoek, dat zy onder de bescherminge van zyn
Keizerlyke Majesteit mogten aangenomen worden. De Koninginne heeft hen
daar op met veele beleeftheid aangenomen, en voorts met een genoegzaame
krygsmacht onder het bevel van Georg Schenk versterkt. Waar op Schenk
den 7de van Juny met groote blydschap ter stad wierd ingehaalt, en
als Stadhouder gehuldigt, doende de Raad en het Gemeen voorts den
eed aan hem, uit naame des Keizers. Wordende dus de stad Groningen
en Ommelanden aan de Nederlanden gehegt.
Hier na trok Schenk te velde, en sloeg de Holsteinschen in
Westerwolde; nam Delfzyl in; won den Dam, Wedde en Koeverden van de
Gelderschen. Hier na is de vrede tusschen den Keizer en Hertog van
Gelder geslooten, welke te Groningen op den 8ste van December van
't stadshuis gepubliceert is geworden.
In den jaare 1538, of omtrent dezen tyd, overleed de trouwelooze
Hertog Karel van Gelder, oud 70 jaaren; hebbende zyne nabuuren 50
jaaren lang met verscheidene oorlogen beroert.
En omtrent dien zelfden tyd leefde Vorperus Thaborita, Kanunnik
te Thabor, by Sneek; die, tot op dien tyd, de oude Friesche
Geschiedenissen heeft te zamen gestelt.
In den jaare 1540 overleed Georg Schenk, Stadhouder van Groningen, in
wiens plaats, hem opvolgde Maximiliaan van Egmond, Graaf van Buuren. En
den 24ste van September overleed Graaf Enno van Oostfriesland,
wordende te Embden begraven.
In den jaare 1542 is een watervloed over deze landen geweest, waar
door veele schade aan menschen en beesten is veroorzaakt.
In den jaare 1545, omtrent St. Jan, quam Koninginne Maria te Groningen;
wordende aldaar door de Magistraat op eene zeer plechtige wyze
ingehaalt, en met ryke geschenken beschonken.
In den jaare 1546 is in 't Klooster Wittewyrum eene conferentie
gehouden, over het verschil van de voorbyvaart van Embden, tusschen
de Groningers en de Graavinne van Oostfriesland.
In den jaare 1548 overleed Maximiliaan van Egmond, Graaf van Buuren,
en Stadhouder van Groningen, in wiens plaatze hem opvolgde Jan van
Ligne, Graaf van Arenberg.
In den jaare 1550 hebben de Groningers, benevens die van de Ommelanden,
aan den Graaf van Arenberg hunnen eed gedaan, wegens Philippus den
tweede, Koning van Spanje.
In den jaare 1552 was 'er, na 't geweldig doorbreeken der dyken, en
't vloeijen van water, zulk een harde winter, dat men van Friesland
naar Ter Schelling, van Medenblik naar Staveren, en van Amsterdam
naar Kampen, met paard en slede, kon over de Zuiderzee ryden [91].
In den jaare 1555 droeg Keizer Karel de vyfde de bestiering der
Nederlanden over aan zynen zoon Philippus.