De drachtige akker ligt bemarmerd van sneeuw; in het land staat er de
mestkar als vergeten. De tijd is stil. De zon, een schim, wijlt hoog-weg
boven de wereld, schijnt te rooven en te geven niet, en moeielijk
streeft de weg de voeten vooruit als naar een verheveling onder de
heemlen.
De aarde zoo aandoenlijk ligt; vergezichtloos en heimlijk zich
vertoonend; uit de drassige dooi en de oude waden der lucht
losgewikkeld, gelijk een pop die het spinsel ten halve verliet, te
vroeg; want de wolken onbetrouwbaar zijn in hun gedaanteloosheid.
Sintelige vooglen klapwieken over.
* * * * *
Ontlating er is. Als groeizaamheid dreint uit de wolken daar neêr over
het benaderde bosch en beweging verdeelt de nevelen. En opener broeien
zich de voren in het land, waar zienderwijs de dunne sneeuwing smelt. O,
niet zoo ras versmelt de kilte neêrgelaten in een open ziel. Een greep
zaadkorrels, zaaien zich vogeltjes weg in de voren, er dwarrelen er voor
den dissel der mestkar die gebaart naar den mist; ontlating is overal,
slootwater doet of het wil te rooken beginnen en boven de weêrschijnen
van verguldingen vol, drijft parelig kroos vrij van den molmigen wal.
* * * * *
In-sidderend van knopjes als water-gedrop en waterdroppels als knopjes
staat er het suizelende bosch. Het broze gebruisch van leeking groeit
aan als het leven van weldoenden regen, en eensklaps, tusschen uit het
geraamte van het vrozene hout kwam de wedervinding: de lucht als te
parelen meê aanvangt van de volheid der vogels.
* * * * *
Hoor, uit het bewoonde, uit de boomtoppen, het gedak der laatste
omsjilpte huizing overbeurend, gaan ze, naar de van sintelige vooglen
omstommelde kruinen, de lange halen van de regenfluiters, naar den
bosch-zoom over. En gansch een vlucht wegzwermde van den akker, streek
licht-streepig wiekend in de lage takken-raggen neêr, tot vele keeltjes
er blozen.
* * * * *
Uit de schemeringen zoeken de geluiden hun weg; hoe wonderlijk is
nu het binnene van het bosch. De stammen zich bouwen blijven uit het
vochte moer, ze werken zich op naar waar de stemmen drijven. 't Is
onverdrietelijke aarzeling toch boven al dit opgaan en dalen; de
ruige struiken overal, doode vreugden beklaag ze niet, behangen van
bladerlijkjes zijn, waar mossen fonkelen als schatten die verzonken.
Hoor, hoe de halen der regenfluiters zich heen komen buigen over deze
vergetenheid waar het zingen wil.... het pinkt en piept, het tutert er
en kwinkelt en twinkelt, genood en teeken van tegenwoordigheid wiekt
henen en weêr door het teêr redetwistende hout. Een keeltje vleide,
vervloog ginnegappend, sliept verder op uit, fluit ver-weg en toch
dichte-bij, weêr slaat een aan en hoog-óp tiereliert het: o zomer, o....
maar, knappende snaar, het wijsje breekt af, ver fleemt het lokken en de
verweeuwde zanger jaagt. Nog worden de melodieën niet volzongen in het
van glazene schilfers overal wiebelende bosch.
Sprenkelingen van zang, het gesprokkel nog niet uit is in het
rot-riekende. Zijn de vogeltjes voorbarig? Maar zingen is worden en
nooddruft ook. Het spa getij mag tronen nog en de gezangen kortwieken
telkens, nauw is er krieking van vroeg-jaar of het bosch is van ze vol.
En wel een stem is brekelijk, gezang is als jeugd, als vriendschap en
liefde, gedragen van wasemen en adem, en de winter is de ouderdom van
het àl. Wat weten de vogeltjes van dit alles, wat van voorbijgaan, wat
van de kou der ervaring, nauw is er krieking van vroeg-jaar of de hemel
is aan hun.
Boven de alomme verweering en verkeering werken ze met d'ontbonden
banden van hun keeltjes. Hoor, hoe de zangen knoppen, hoor naar den
wildzang van het bosch en verlang niet meer. Als eenmaal de schutsels
zullen vallen en welige schuilingen, de blaâr-tenten staan, zullen ook
stemmetjes genoeg zich hebben leeren voegen naar elkander. Dan zal er de
zanger zijn die der dagen volheid doorproefde en om de nachten zingt.
Het klagen is om het zijnde. Hoor, hier in het middene komen de roepen
der regenfluiters alle samen, en staat het bosch te parelen onder de
onzienlijke togen van het geluid.
* * * * *
Het stronkige akkermaalshout glinstert boven de rooie molm der aarde.
Vogeltjes gulden groen als 't geschijn uit knoppen en blauw als de
opene, vochtvolle hemel stroopen de twijgen af. Hun vlerkjes proesterig
snorren.
En der uiterste boomen wichtige takken zwenken weêr over den weg. Waar
wijd in de stilte dezer dag, het werkland zich gelaten aanlegt,
paarsch-zwart en bijna schrijnend open, van de gevleugelde wondertjes
bestoven.
Boekbeoordeeling.