Atlas van Nederlandsche planten en detailplaten,
bewerkt door Th. Nieuwenhuis onder redactie van
Prof. Dr. J. Ritzema Bos.
Wanneer men de grof-bonte prenten kent, welke tuinbouw-blaadjes,
zaad-catalogen enz., waarlijk het aanbod is groot, zoo vaak vergezellen,
en de stomp-duidelijke afbeeldingen voor leerboeken en schoolgebruik, de
vraag er naar schijnt grooter nog dan het aanbod, wanneer men die kent,
dan is het een vreugde voor een bewonderaar van het mooie plantenleven,
nu eens een prent te krijgen die een gewaarwording wekt, evenredig
prettig aan het gevoel dat het aanschouwen der planten zelve hem geeft.
Maar behalve dit gevoel geeft de Heer Nieuwenhuis ons in deze eerste
plaat van de reeks, welke opsteller en uitgever der Vragen van den Dag
ons met bijschrift van Prof. Dr. J. Ritzema Bos beloven, nog wel wat
anders ook, dat te bewonderen en een dankzegging waard is.
Eerstens om de wijze waarop hij in dit eerste nummer het begrip toont
van het doel, waaraan deze reeks, lijkt ons, beantwoorden wil.
Pl. I heeft tot onderwerp «de Gewone-wilde of paardekastanje (Aesculus
hippocastanum L.)"
Boven uit den linkerhoek van het plaat-vierkant, ons als dadelijk
vingerwijzend hoe de boom gemakkelijk aan zijn blâren kan worden
herkend, komt de bladsteel of hij afstak van een onzichtbren tak en
spreidt het blad met de zeven stralige midden-nerven naar alle kanten
uit. Een blad uit een _herbarium_ is noch gaver, noch zuiverder, en de
noodzakelijke afsnijding door de grenzen van het te beteekenen vlak,
vermindert in het minst niet de kloekheid van het volgroeide blad.
Langs de gansche rechtsche zijde komt dan de blanke bloemkaars, de
staande tuil der bekoorlijke snipperige bloemetjes van onderop, tusschen
uit de voetingen van twee bladstelen--steunblaadjes? knopjes? zijn in de
oksels--en links naar de richting òp van den bladsteel van het volwassen
blad, draagt de eene steel, een ander, een jong, wat saâmgevouwen blad,
dat krachteloos nog van nerven, gaat afhangen naar d'ondersten
linkerhoek.
En in den rechter hoek van onder is de plaats der vrucht, van den
stekeligen opengesprongen bolster houdend het gladde zaad.
Zóo, uit een strikt gevoel voor de nobele groei-wijze der aftebeelden
plant is Pl. I geheel gevuld geworden.
En de kleur, teruggebracht tot het allernoodzakelijkste, doet meê tot
den vriendelijken schijn. Het groen der blâren, op den achtergrond zwart
als niets anders te doen hebbend dan het verheffen van het blank der
bloemtuil, is saâmstemmend verzeld alleen en aangevuld door het sober
rood van het zaad.
En ten andere is zeker nooit genoeg te loven, de geest die uit dit werk
naar ons toekomt. Er gaat zoo een ontvankelijkheid naar ons van uit,
een stille blijdschap om het mooie werk dat te doen is, en een trachten
om de eenvoudigheid, en een ontdekking om de frischheid en ook, om het
begrijpen van de eeuwige struktuur. Wanneer wij de aandoening hier
zouden willen zeggen, welke van af deez' wetenschappelijke plaat,
dit jonge, heelemaal opengaan willende blad, ons plantenbeminnaars
verschaft, wel, wij zouden er hemel en aarde voor kunnen gaan bewegen
in dezen kouden vries-tijd.
Ten laatste ook iets dat op een aanmerking gelijkt; want, 't mocht eens
gebeuren dat deze planten-reeks (wel jammer dat zij vastgehecht zijn
in het boek) werden opgehangen in schoollokalen en kinderkamers. Dan
zou 't gebeuren kunnen, dat een dreumes de «dolle" kastanje die hij
gretig raapte in park of tuin--wat later in den tijd raapt hij er de
«paardepooten" en maakt er brillen van en bitten--opdiepte uit zijn
broekzak en poetste op zijn mouw, dat zij glom, glom, en hij zijn
kastanje, met reden, mooier vond dan die doffe van de plaat.
De Heer Nieuwenhuis zal zeggen: ja maar, het paste niet in mijn
prent-geheel. Best.... maar een _eigenschap_?
Zoo'n kastanje-bolster is een nijdig ding en prikt aardig van zich
af. Dikwijls verwonderde het ons, hoe dit mildvallende, wrange,
wansmakelijke zaad,--«geen beest wil 't vreten," zeggen de buitenlui,
die nog altijd kastanjes tegen rheumatiek in hun zak dragen--met zoo'n
afwerend schild is beschermd geworden. Misschien, nu er de herten niet
zoo veel meer zijn, verbergt het voor ons ook nog een groote waarde.
Ook om dergelijke verwonderingen en de vragen die er in den wilde door
kunnen in ons ontstaan, zal Prof. Ritzema Bos ons wellicht wat meer
«populair" willen tegemoet komen, wanneer hij maar weet dat er onder
zijn lezers zijn, die luisteren graag.
Februari 1897.
Gedichten van Jacques Perk met Voorrede van mr. C.
Vosmaer en Inleiding van Willem Kloos. Versierd door
Th. Nieuwenhuis. Uitgave van S. L. van Looy, Amsterdam.
Alweêr, het is al de tweede maal na nieuwjaar, kwam met Nieuwenhuis'
kunst het voorjaar bij ons in. 't Leek of er wezenlijk het raam mocht
open en of die zachte lucht naar binnen kwam waar al de knoppen op
wachten. Als die er is, dàn zal er getjuik van vogeltjes zijn van
overal, alle geluiden worden opener, de menschen beroepen elkander of
zich hun zielen ontpopten. Want de lente-bekoring is onwederstaanbaar
en waar zij komt is er ontwaking zomerwaarts. Zoo was het toen wij dit
boekje kregen; en voor ik er toe overging de verheuging daarom hier wat
uit te vieren, uit te laten schieten tot een zodeke wel op 't papier,
en er het krinkeltjes blasende zoeltje van mijn genoegen om dit dubbele
present, over durfde laten gaan, tot er was 't maar éen meizoentje in
bloeide, heeft het in mij omgegonsd als van een vroege bij.
En nu, schoon 't buiten vriest weêr, maar het geuren der daags geplukte
viooltjes de gedachtenis om dit boek als komt bewierooken, herdenk ik
hoe de winter is voorbij toch en hoe dit zelfde boek, lang geleê, mij
ook eens het geschenk van een vriend was, toen anders, nu in een kaftje
donker, maar als een onsomber geworden rouw om het vroege verbloeien van
den dichter,... dit zelfde gedichten-boek, waarover ik een andere hand
vòor mij, als streelend zag gaan nu, en waarom ik wel wenschen zou deze
lente-bode te mogen begroeten in de mooie roke der bewondering van haar
wier boodschapper ik hier ben.
Was dit boek eens mijn geluk en heb ik het hooge:
O zomer, met uw lokken glanzend gouden
En met uw oogen blauw gelijk de wanden
Van 't rondend hemeldak,
in me laten neêrzijgen als een regening louter goud, en het wijde:
Stil--Duizendoogig spiegelt zich in 't meir
De nacht en laat haar bleeken luchter beven,
in me voelen glazuren tot een diepte van toen ongekend blauw nog en het
uit den blijden jubel omzwevende vers-einde nagestaard:
Die zon en zomer te beminnen leeren,
en 't treuren gehad:
Al vlecht ik rozen saâm en lelies, wit en rood,
En leg ze op den bemosten steen,
en d' ademloosheid der droefheid die wil terug herkennen:
Zie 'k zijn gelaat: nu maneschijn
Zweeft--als mijn liefde--over zijn doodeschrijn.
thans zijn al deze zelfde schoonheden weêr teruggekomen, en van de mooie
erkenning als van een nieuwe lente vergezeld.
Deze tweede uitgave van Jacques Perk's gedichten zal een succes blijken
te zijn voor den modernen uitgever door wiens edel zorgen mede dit
boekje zoo mooi tot stand kwam. Is het vertoon: te voelen wat voor een
ding een boek eigenlijk is, reeds een volmondige lof waard, het zal hier
niet de kleinste verdienste mogen zijn geheeten er zulk een frissche
kracht voor te hebben gezet aan den arbeid. Er bewoog zich in alle
opzichten veel jongs om dat jonge boek. Laat mij dus hier nog maar
eens mogen herhalen hoe ik den versierden bundel, deze verzen gesloten
tusschen d' als loover en spruiten lichtgele groene schutbladen, iets
als van de lente hoorde noemen en er daarom nog wat over praten.
* * * * *
Voorrede en Inleiding beschouwend als de tijd-eer om den dichter,
dan is, dacht me zoo, dit versieren geen verbeelden juist naar d'
eigen beeldenschat des dichters, zelfs de Iris-apotheose is dat juist
niet,--zegt niet Kloos, dat van achter dit gedicht de tragedie wenkt
van een menschenhart,--en ook geen ingaan in de stemmingen van den
klankvollen zanger der Mathilde sonnetten en daaruit verkiezen naar
eigen toon-aard; dit is een meêgaan, een als kinderlijk ondergeschikt
blijven, en een verhooging geworden, want dit is een voelen hoe elke
dichter in zijn wezen, het neêrgeschreven gezang, door de teeken-taal
kan worden vergezeld. En er spreekt daarom misschien deze reine
onnoozelheid ons uit aan, die ook elke dichter botviert na 't gedaan
hebben van een blij-makende vondst. Dit is een natuurlijk dichten
geworden om dichten, zooals een goed kind de beeltenis van zijn
vêr-vereerden vader zou omlijsten en met bloemen tooien, en toch een
weidsche begeleiding, gelijk een zuiver begrepen geïnstrumenteer een
heerlijk alleene zangstem niet aanklinkt, doch tevreden schijnt wanneer
de stilte onder de stem maar van leegte is geroofd. Zoo stijgt er en
drijft er de ziel van den dichter, waar hij stormt en juicht en weent en
mijmert, eenzaam onder de blauwe oneindigheid, wijl om hem, en langs hem
en onder hem, de rijkdommen zijn, veelkleurig, veelvormig, maar onder
zijn hooge stemming verzonken en schier vergaande, gelijk de zoovele
gebrokenheidjes geworden van het leven binnen in hem. Was het een
zandkorreltje, een gepluisd zaadje, een scheutje, een lobje; een knopje,
een drieblaadje, een onkruidje; het eitje van een mier, een larfje, een
popje, een rupsje, een motje? Was het 'n air-sprietje, een varentje, een
paddestoel, gras? 't Spiraalhorentje van een slak, een gehaft insekt,
een goud-haantje? Was het een madeliefje, een takje lelietjes van dalen,
gezien, «in the pavilions of tender green" een koekoeksbloem, een wilde
ranonkel, kamperfoelie; was 't een foksia voor een raam, een mosrooske
in een hof, of aan een vijver een iris;--'t zijn haast alle vroege
bloemen die er de teekenaar bloeien laat, de erica zou er zijn om
de lente der hei.--Of was het 'n appelbloesemen, 't slierten van een
jonge hop-rank door een heg, of de scherm-bloemen van den wilden kervel
onder 't hooge hout? Was het een geruchtende vogel, het aansturen eener
zwaan, of een gevlinderte boven gevlindert'? Waren het waterlijnen of
zwieringen van wolken, was het de voorbijgaande wuiving eener vrouwe
beweging.... het laatste is een ster.
Hoe makkelijker men zich eigen voelt in de houding van dezen werker, van
hoe 'n vriendelijker jonkheid het alles wordt. Na de Iris-verbeelding:
de figuratie van de ontbinding van het gulden licht in het diepe
water-blauwen (eeuw'ge tragiek, maar geen dichter is 't, die de
aarde zou wenschen woest en ledig) komt er met de verspreide «Overige
gedichten en fragmenten" ook iets verspreids in hem zelven. Is dit zich
als even verraden een schade voor 't boek-geheel? Maar dieren zijn toch
niet minder passend dan bloemen tot mooi-making van het dichterleven; al
veroorzaakt een dier meer last, ook aan den eerbied van den teekenaar.
Ze komen zoo onverwacht, al die jolige dieren bij elkaâr en men
glimlacht eer men 't zelv' weet.... Kom, wanneer een dichter ligt te
droomen in het gras, komt er ook wel eens een leuk beest plotseling
voor den dag, een eekhoorntje of zoo; en dichters zijn ook menschen, ze
hebben een thuis; soms; want wat niet te ontkennen is, er zijn marabouts
onder; al zijn er ook wel bij die een grooten gevlekten hond kunnen
houden en zich 't lidmaatschap koopen van Artis. Daar, wanneer de
kiezel-tredende voeten rond de concert-tent hem gaan verdrieten, of 't
Ewig-Weibliche er hem tè modieus is, gaat hij naar de roosvleugelige
flamingo's, die vlerk-kleppend voor hem zingen naar de zon van hun ver
vaderland, en hij droomt er van Ganges en Nijl. Of wel hij vergeet zich
voor de aquarium-glazen waar de visschen zijn en in hun element. Alle
dichters worden bespookt van herinneringen; de ooievaar vliegt bij hen
even goed over 't dak als de roekeloerende duiven en al is gezegd dat
groote mannen niet geestig zijn, ze houden toch allemaal erg veel van
katten, is het niet?
Er is nog wel een Hollandsch boek dat wij graag eens zoo ten geschenke
zouden ontvangen. Mei. De jeugd, de lente, de illusie, die, de eeuw'ge
jeugd van 't leven, als d' adem zelve der schoonheid is die over den
dichter gaat. Mei, in zoo een boek; de ook uit water gesteeg'ne, de
het land ingedraag'ne op zonne- en luchtewolken en dragende als een
geuren-vracht de volksgeboortenis aan; Mei, zóo te hebben, omstoet van
alles wat maar den vroegen zomer doorbloost.
Zeg, lieve lezeressen dezer Mei-aflevering, zou dat goed zijn; zou het
goed zijn, minnaars van liefde en lente.
April 1897.