Naar een lucht als verzadigd van ouden rook en harig geworden van den
zwarten regen die er zwiebelt, gaat de zwartere flank van het Station
nu op, zich stijvend tot het spook van een burcht of toren, waar hoog
tusschen de logge bastions het oog van een raam in brandt.
.... Over 't steenkolig bouwsel; over de kap die aanvaart gelijk
een kerkschip uit den boezem van den toren; over de kroonsels; de
ijzeren teekenen der snelheid die vergroezelen in den slikkigen
nacht, of Babylonisch gevleugeld, vliegklaar staan voor roetige en
maan-schemeringen ergens, blijft het raam-oog, half versloten, als
starend over al de verheffingen, over de zwellingen, de scheringen
en het gediagonaal; over bout- en spant-opstuwingen van wreed ijzer;
over de webben bestikt van millioenen schroefknoopen en moeren, koude
vingerdrukken van het Intellekt; langs de kletterende signalen door de
gewevene poorten, naar waar d'oude Theems zijn scholven schuift in de
spelonken van ijzer.
Een trein glijdt aan en de stoom loenst en gloeit.... zwaaiden
gedrochtelijke wierookvaten hun dampen op in dezen tempel.... door de
doffe glazen der kap. En een trein snelt uit, de wagens gebufferd de
een aan den ander tot een lange lade, 'n laaiing, bolderen met hun
dreunlooze karavaan weg in smook en prikkeling van zwavel, over de
hooggesjorde wegen weg, boven de afgronden en de verscheurde
nacht-vergezichten henen door de wouden van schoorsteentjes,
vlam-schichtend door den nacht.
* * * * *
De Bar straalt wit.
* * * * *
Stappen van beslagen schoenen klanken op het asphalt, dat van de groote
straat waar 't blok Station bliksemend naar gekeerd staat met zijn
slokkende ingangen, zijlings tusschen de glidsende voetpaden als in
een wijde goot komt afloopen, naar hier, berild van vuur, spiegelend
't leven daar. Maar onder den zijmuur en onder de luchtbrug die zich
vaststaaft in een muurgaping overzijdsch, de baan vries-donker moddert,
dan roezig van nattigheid komend de schaduw uit, en breekt in weeke
licht-schollen weêr en wentelt verguldingen onder 't schijnsel van
een straatvlam, om te vallen in een ruige square als in een land dat
overstroomde. Een nieuwe voetstap brokkelt hol boven de zoo hellende
straat, terwijl er een rookje vlokt, ondergronds opgeblazen, en
verzweeft in de schaduw.
* * * * *
De Bar straalt dicht, gestolten boven de witte lichtschollen van de
straat, onder de geluiderige schaduw van het Station.
* * * * *
Achter de lijst van muur en luchtbrug is het kleurgezicht dat het
asphalt berumoert. In 't felle straateind drangt en draait het
chroomgeel, 't cinnaber en 't groen van vinnige metaalroesten:
omnibussen, bestreept, beletterd van reclames, als van zwatelende
nieuwspapieren gebouwd, dragen de kudden menschen onder regenschermen
voorbij; over de karkassen gloeien de geveltjes bar met gladde ribben
van geverfd hout. Daarboven is de nacht.
Al wat daar voorthaast, hoog en verwijderd op 't onzichtbaar plavei is
bevlaagd van 't licht. Kaarsschijnen van gas, verinnigen onder de kille
verstarringen van 't manige, rookelooze elektriek, dat harde raskaken en
neuzen en ooren en monden die houten pijpjes klemmen, voorbij doet gaan
tot tronies in een droom geboetseerd. Snijdende schaduwtjes verholen
oogen; hoeden, schermen en kleêrplooien duisteren als inkt; schouders en
knieën knoken naast paardkoppen en pooten; handen van velerlei leeftijd
glissen naar elkaar in den zakelijken loop; en als de kraag niet
opstaat, het klatert om de halzen.
Vrouwen gaan met mannen, mode-kleeren poeffen op heupen en boezems;
blootshoofdsche meiden sleuren de franjes van hun zwarte omslagdoeken
over den vloer voorbij; de hoogbeenige pas van een rooden soldaat bloedt
in den spiegel; nu met een paarschen weêrslag in het asphalt, een vrouw
draalt voor den mond der straat. Ze draagt in de versombering der
umbrella een hoed beweeglijk als de veêrtooi van een wilde op 't gele
haar. Een satijne, wier oogen glassen de dwarsstraat in, en die den
geschulpten onderrok bloot tipt, spreekt haar aan; beiden gaan den kant
uit dien ze zijn gekomen.
Goudlichten in de verpoedering van den gestagen regen schieten voorbij,
kostbaar gevonk: cabbies, glans-lakkig als dekschilden van torren,
rollen geruischloos op de gomme banden achter 't gerikketik van de
paardjes. Koetsiers achter over de verhemeling sturend, als tillend het
paard, hebben de voeten in dekens; een heer leunt even uit met krakende
borst.
Bus rijdt aan bus; de geleiders schreeuwen maar weinig, theaters zeker
al sloten, music-halls ook.... is het niet of van 't scherpe vermaak
dáár, dat de grimas van den beenderigen dood niet smaadt tot ophouding
van het vleeze leven, hier naschijnt onder 't elektriek.... en nog gaat
er een kar bestapeld onder 't natte zeil als 'n machine op rollen,
achter 'n breedborstig paard met logge haam.
De helm in regenhuls, in zijn schoudermanteltje metalig, de vuisten in
wanten, zwart, plomp en onaanrandbaar komt de politie-man staan; de dreg
strengt zijn rug, hij heeft een horlogeketting naast zijn knoopen en de
city-band ordenend zijn mouw. Een schooierskind dat marde onder de
donkere muurlijn, vlucht voor zijn arm.
Dan is alles dáar een laag klotsend zwart, beschilferd van gelaten.
En in de plotselinge verstilling die er even is, beginnen de droge
hameringen van de paardepooten te gaan, als van overal in drommen
trappend den nacht die boven de huizen wiebelt.
Glazen wagens dringen naast wagens weêr met hun vrachten van zwarte
paddestoelen boven-op; de wielen warren boven 't asphalt en 't lekt als
een wentelende tong tot diep in de schaduw, nu er het reuzige scherm
weêr langs komt, negerachtig, barbaarsch opgestoken boven den bok eener
omnibus van den metropolischen spoorweg.
* * * * *
De witte Bar met de gulden krulletters B. A. R. in den grollen kop
van het als een kapel vooruitdringende geveltje om den middeningang,
komt ijselijk boven zijn onderste-boven, wankel-blinkend en van den
voetpad-rand doorstreept spiegelbeeld; de ziedende licht-ballen, boven
elke deurpoort éen, het daar begeesteren, dakloos en zonder achter,
onder de donkere noodzakelijkheid van de kap en van den torenigen
opstand. En het lage, kartelende hoekhuis heeft scherpe tanden bloot
staan op zijn lijsten die kralen lang-uit, want weêrszijds rekt zich
de vurige barak met driemaal overboogde spiegels, van den middeningang
naar den rechtschen, waar een vrouw-beeldje een regenscherm in staat
dicht te doen, en naar den linkschen, die aan de zijstraat, half
onzichtbaar is achter de rottige rastering, omheinend een poel van
zwart-achtige afbraak en omhoekend, hier het voetpad volgt naar de
square.
De bleekgloeiende letters folteren zich door den mist van den licht
wordenden regen. Suis-zingend, 't bruisen nabij staat er de Bar. Ze
houdt de kandelaars-armen verwelkomend uitgestoken bijzijden den kapel,
die dragen nog de gekroonde kooien van het ouderwetsche gas of 't
leêge bekers waren. En een paar mannen, gekomen uit het donker van de
winkelpuien der tegenover-gerichte dwarsstraat, treden er recht op aan,
over de gladde baan; zoo nacht-insekten 't licht, verteert hen de Bar.
De regen glibbert; de natte nacht verwerkt de geluiden niet. De Bar
bestookt uit de licht-kolven, hangt festoenen op in het hout boven de
zweeterig beslagen spiegels; door de zwarte nacht-wildernis schreit een
metalen gil, en onder de kaarsvlam van de straatlantaren staat nu _a
soul_ onbeschermd in den regen en houdt een monoloog.
Een Wandeling.