BRUGGE.

En nu is onder het vachtgrauw van een wiebelende lucht de stille stad

gekomen, zijnde begoocheling voor onze ontwende oogen, raggig achter de

sneeuw die om ons valt, kwijnerig, nat.

Het is het daar zoo staan van huisjes, zoo ge zeidet, gelijk gothische

vensters smal en ribbig opgaand den een naast den ander tot een blonde

wijk; waterig geel, weêrgrijs, maar ook als appelbloesem verschijnen

de murenkleuren in deez' koud-tooverige buurt, met 't tulpengroen van

luikenverf en vensterhout, onder het anemonenrood van de natte dakjes,

soms hagelwolk-blauw, maar schemerig het al, nu het witte hemelpoeder

geheimvol rond ons neêrlaat in de stille stad.

«Mooi, is het niet?"

Het was in een straat eerst dat wij gingen de kalme opstanden langs,

die punterig gespitst of met rondkapjes gekroond of met trapjes endend,

kartelende puïen waren die uitgeknipt schenen met een schaar en het was

in de vliedende dubbelrij een vervliegen van goud-geknopte stokken,

feestelijk: banieren schuin opgedragen uit gordels hielden de huizen

alle hun vlaggestokken in de gevelborst, klaar voor het ontvangen van

een koningspaar.

«Prettig zoo'n stad zonder heeren of dames."

Winkels stallen spiegelend langs het voetpad uit, wat menschen gaan ons

voor over den kledderenden weg. Daar gaat een vrouw, daar nog een die

oversteekt de keien; zij loopen in zwaar-zwarte huiven en spillebeenen

door de nattigheid, sjokkende Begijntjes.

Er was met innig inkijkbaar licht een omvrozen zonnetje midden in den

tittelenden hemel. Hoog-schimmig hief zich voor den uitgang de toren van

den Saint-Sauveur, stoer en kanteelig, maar omkrieweld met sneeuwtjes.

En kwam toen niet het carillon over ons schellen, met brozen klankroes

luiden van oude tijden en omdat het biddag was.

Neêrgehompeld, uit vele schouwtjes rookend, rusten nu de woningen onder

den sterken toren; en de kalmte was neêrgesneeuwd ook in ons, toen we

gingen langs den steen-dreun van de Kathedraal. Afgezonderd, achter

rasters gaat hij voorbij, weggezakt in een veld van oud en wit spikkelig

gras en achter de winterboomen.

Een oud wezentje, een non gelijkend, in haar huif verdord, duistert

onder de lage poortbocht binnen. En de kerk ontvangt haar. Want «Vasten"

en «Meditation om het Bitter Lijden" wekken de plakbrieven naast de deur

tot goede werken op. En zagen wij niet, langs gaande, een arme Christus

aan zijn kruis weg-bibberen door het brekende weêr heen, oud van verf

onder het besneeuwde baldakijntje, met in de zijde het pijn-purper van

den bloedenden lanssteek.

.... Maar toen de roode pinakel van «onze Lieve Vrouwe" kwam spietsen

in den tierelierenden dag, duizelde de sneeuw in een wallige slop neêr,

blonken de witte sterretjes door het tijd-zwart van de oude stad. Wij

gingen langs het hospitaal St. Jan. Stram en kloosterlijk brokken de

duistere steenen uit het donkere grondslijk, tralies gaan naast onze

oogen. Wij staan voor de poort van het gedrongen huis. Kleumende mannen

schuilen er, makke zieken schijnend die willen ingelaten worden.

En nu komt er een huifkar aan bengelen, glanzend bovenop gelijk een

oud harnas, en schavotrood staat er een huis als een bons voor het

straatgat. In zijn ouderwetsch kielhemd lendewiegt de voerman aan; hij

heeft een hand aan den paardkop, in de andere een zweep, zoo stapt hij

in hooge hoozen het gangetje van zijn beest meê. En hij groetmompelt,

schijnt wel, onder zijn lange soldeniersknevel en, .... maar al ratelt

zijn kar met hol geweld als over een brug, nu wij ingaan onder 't nog

tjingelingelen van de bel, om de Memlinc's te zien.

* * * * *

Een Vlaming met bolle bierwangen en wierookig kerksche oogen is ons

voorgegaan naar het museumzaaltje als een regentenkamer midden in de

stilte van 't gesticht.

* * * * *

En het is in een voor zon en lucht open huis, het zitten van de

Zuivere Moedermaagd op haar mystieke troon. Onder geruisch zit zij van

serafijnen die haar overkronen. Gelijk een blanke bloemknop, zwaar,

is haar hoofd genegen boven de takken-krooken van het weidsch gewaad.

Twee jonkvrouwen, Sinte Katharina en Sinte Barbara zijn laag aan de

voeten van den troon; twee engelen ook buigen bij-zijen; als pijn en

blijdschap, donker en blond, houdt de een een boek, maakt de andere

muziek. En de beide Sint Jan's hebbend hun eigenschappen: de banderol

en de gifkelk, statuën achterin, schouwend, patronaal.

En het is op de begeleidende zijstukken: links de historie van St. Jan

den Dooper, die roepende in de woestijn, den Christus heeft gewijd.

Vooraan ligt zijn uit de halsgaten bloedspuitende romp; Salomé de

danseres staat er verfijnd lachend het sombere hoofd op de schaal te

wiegen. Rechts is het de Evangelist die zijn visioenen bepeinst op de

rotsen van Patmos. Engelen bewuiven en zwaaien de wierook voor zijn

gezichten, regenbogen gaan voor hem op en in de lucht. En de Honger

en de Pest, de Oorlog en de Dood draven over een pad dat zigzagt naar

waar een hemelstee straalt met een volk van verheerlijkte vorsten,

apocalyptisch, maar als een druk Vlaamsch stadje zoo vol onder het

geschitter van stervende zontinten.

Doch het is in het middenstuk, daar waar de Maagd met de zedig-neêre

oogen, van uit de gloeiing der tijdlooze kleur en het vlam-warm goud,

het Kindeke van Heil, blijde vrucht uit de kelk van haar schoot, blijft

toonen voor de nooddruftige wereld, nu het zachtelijk vooroverkomen

van Sinte Katharina. 't Verlangen dorst in den lach van haren mond,

nu het gezichtje opziet naar den Hemelschen Bruidegom, heel het teêre

wezen wuift, als in overgave aan naar Hem die onze zonden als een appel

draagt, naar 't kind dat reikt en kijkt. En zij nijgt en ze is hemelsch

in het glad-parelgrijs keurs en ze is hoofsch en ze is wereldsch in

haar dracht van rijk brocaat met een sleep die zich uitschikt in vouwen;

haar arm waarvan de hand om den trouwring vraagt, past in een bouwe van

karmozijn of ze was een Bourgondische princes. Maar stil liggen voor het

tapijt van den troon, het martelrad en het zwaard.

En het is het langzaam opdringen uit die suizende vrouw; bedwelming als

van een oud aroom, waarbij men om 't genieten den adem inhoudt, maar als

een geur van pas ontloken bloemen ook, is ze mooi in verrukking. Terwijl

zacht nu het lijdelijke weten komt, hoe dit alles toch al niet meer van

uit den tijd is, toen de aanbidding nog neêrplofte op de knieën.

* * * * *

Al aanhoorend de genoegelijke vertelsels van den custos of het

buurpraatjes waren, de verbeeldingen gezien die Memlinc heeft gemaakt

van Ursula, de Britannische princes met hare maagden: »de Rijve"

die gelijk boekbladen in zang na zang, de historie vertelt dier

beminnenswaardige vrouwtjes. Hoe zij ontschepen in de Heilige stad

Keulen, ingehaald worden door Koningin Sigillindis, en in Bazel zijn,

waar de Rijn gaat onder de bergen zooals hij in Keulen onder de torens

voortspoelt; en in Rome alwaar een getiaarde Paus de gelukkige ontvangt

op den drempel der kerk, terwijl gansch de stoet van onnoozeltjes

achter haar aanstaat en wacht tot in de poorten van de Heilige stad.

Maar na de apostolische wijding, vangt de terugtocht aan en zij komen

in Keulen weêr en er hun weêrloos vleesch gewillig bieden aan de wilde

Hunnen, om zoo in te gaan in het Godsrijk, onder de huif der

onsterfelijke legende.

En wij zagen het conterfeitsel van Oud-Brugge's Burgemeester van

Nieuwenhove, zoo het zich zelf betracht; en de aanbidding van de Magiers

en de wijze Anna die het kind presenteert in den tempel aan Simeon. En

Zambeth, wier oogen spits opstaan onder den verklaarden slaap, wier mond

in de zwijgende knijping veel geheim bergt, maar open, fijne wreedheden

zal kunnen zeggen gelijk geen kunstenaar vermag. Toen achter den

suppoosten-rug weggegaan, traden wij in de oude ziekenhal en ontvingen

er den klammen dag door de ogivale ramen.

* * * * *

Buiten zwierf de stille sneeuw, 't was witte sluimer voor den uitgang

van het gasthuis. En wij stonden stil voor de poort, waar meester Hans

ook eens stond en zoo de legende 't wil, ook in sneeuwweêr, zwerveling

van wel al vijftig jaar, krank geslagen komend van uit een leven dat men

niet kent;--vóór hij hier zijn werk kwam doen, in staâge overpeinzing,

als een offervaardig man die veel ijdels heeft liefgehad, en al deze

bekoorlijke schijngestalten penceelde, geduldig, in de kalmte van het

huis, met zijn naïeve ziel.

O, van al de dingen die onder den hemel zijn is de Liefde het al.

Londen.

Proza · 第 24 / 30 题