Hij stond in zijn eentje te hengelen. Droog, lang, hoekig van magerte,
maar in zijn degelijke waterproefjas, in de lenden met een trekker
dichtgehaald, als in een huid voor hem veel te wijd; op het oude
vlondertje thuis, stevig op zijn schuitvormige laarzenvoeten, stond hij
te loeren in het natte geklots van het Amstelwater. Naar het gespoel van
zijn rooden dobber, een eind ver in den stroom, hield hij zijn rustigen
rentenierskop gekeerd, met kalm geknepen oogen kijkend uit een door
niets van zijn stukken te brengen aangezicht, met turende oogjes uit een
gelooid vel als van leêr, verdroogd door rust en veel buitenlucht. Hij
had den kraag van zijn zwarte regenjas opgezet, tot over zijn oorlellen,
als de kraag van een kapotjas hoog, maar de pijpen van zijn pantalon
omgeslagen met een breeden zoom, lieten de dikke enkelrimpels van zijn
laarsschacht bloot. 't Weêr was buiig, het regende bij vlagen, doch hij
stond aldoor hetzelfde, den buik een beetje vooruit, ongevoelig voor nat
of droog, als vergroeid met zijn verweerd vlondertje.
't Was een drieplankig vloertje, dat steunde op twee palen met
dwarslegger, donkere oude palen, vastgeplompt in het slib van den
Amsteloever, wormstekig hout, rottig van 't eeuwige vochtgeklots en
glibberig omkringeld met groen geslobber en aalkroos.
En 't hinderde hem volstrekt niet als de regen tegen zijn rug aansloeg;
telkens kwamen er nieuwe buien van uit het zuidwesten drijven, de wind
was bijna vlak zuid, juist goed weêr om te hengelen. Over de weilanden,
van den Schinkel, kwamen de buien waaien, over hem en den Amstel heen;
hij begon als een paling te glimmen. Van zijn oud kaasbolletje, een hoed
om meê uit visschen te gaan, droop het regenwater zijn rug langs, en op
zijn óverlange, gekromde mouw, vol glimmende krooken in de buiging van
den elleboog, en vandaar weêr over het paarse stukje vleesch dat van
zijn hand te zien kwam die den hengel hield.
't Was een mooie stok, van glanzende stukken riet, al dunner
uit-schuivend naar het einde, met blikken kokers aan elkaâr geleed. Hij
bewaakte een goed onderhouden spannetje hengels zoo, want, kijk vóor
hem, stil tegen het vlondertje aangelegd, met het dunne einde onder
water gedompeld, voorzichtig, omdat hij bang was de visch te zullen
verschrikken anders, kwam nog een hengelstok tusschen zijn beenen
doorsteken. De snoer was maar half afgewonden, de dobber schommelde
dichter onder den wal, een witte dobber met een rooden kop. Zoo lag de
hengel onder zijn hand. Hij behoefde z'n ander gevisch niet te storen
wanneer de dobber wat afdreef; hij had maar even te bukken, als hij eens
verleggen wou of meende dat het daar nopte.
Maar hij stond al-maar-door, stuursch in zijn natte
vischachtig-glimmende zwartheid, kalm turend in het grauwe, opgeruide
water, waarin de regen soms spikkelspatte; de stroom ging als gestuwd,
ook wanneer de wind niet flakkerde, onder hem voorbij, met
donkeropschuivend watergevlak; de Amstel beroerd door buien hobbelde
voort, de deining klotste en sloeg witte schuimstrepen voor de palen van
zijn vlondertje uit, zijn dansende dobbers vroegen al zijn aandacht.
Achter zijn hielen werd het jaagpaadje slijk, en daarachter de steenen
straat van plassen glanzend in de kuilen van den rijweg. Voorbij de
boomen, over de sloot heen, zwollen de weiën weg, gedrenkt, sappig in
een heerlijk en pralend groen onder het vernis van den regen. Tapijten
gelijk, lagen de landen vlak, uitgerold tusschen de slingers der
slooten, die luchtspiegelend van glansen wisselden onder het geblaas van
den wind. Laag kwam de hemel erover welven; een oproerig, waterachtig
beduisterd wolkenveld met buien schoof boven die groote vorstelijke
grazigheid; een lucht, nat dampig en schuw van daglicht hing over al
dien rijkdom en al dien oogenlust van malsch zomergras. En overal, tot
aan het blauwende boomenverschiet, was de wei levendig van puik blank
vee, als besterd met koebeesten, die lagen in kalme herkauwing of rustig
graasden, scherend met de tong het vette gras, tusschen de buien door.
Maar de dobbers van den hengelaar schommelden heftiger, bobbelend over
de rimpelkoppen en tusschen de donkere golvengleuven. Als de wind
aanwoei, joegen de panden van zijn jas hem voor de beenen weg, als
vlaggenslippen wapperden zij op den wind. Doch onverstoorbaar stond hij,
beschermd door zijn hooge laarzen, in het natte weêr, als een visch in
zijn element, almaar te turen naar zijn wiegelend vischtuig. Soms nopte
het wel even, dan sloeg hij handig op; de roode dobber vloog door de
lucht aan het krinkelende snoer. 't Was maar een zuiger geweest. De haak
lag bloot en zonder van houding te veranderen, alleen met wat gewerk van
zijn handen, den stok, als een geweer in zijn arm, stijf tegen het lijf
gedrukt, schoof hij de pier recht, en begon van nieuws aan te hengelen.
Van over het forscher blauwende boomenverschiet kwam een zware bui
opzetten, een donker, dreigend wolkenvlak vloog schuin langs den hemel
op; het verschiet verschemerde achter een sluier van regen, het vee
achter in het land stond als in een dauw, verzilverend. En de waterwolk
met haar oorlogsvorm snelde al hooger tot den hemel op en zweepte
regenstralen neêr uit haar flanken op het rustige weiland, waar de
koebeesten allen stonden met den kop laag, allen hetzelfde, gebogen
onder den geesel van het neêrvlagende water. De bui snelde aan, de
druppels ratelden al kwaad in de boomen, klikkeklakten rumoerig op den
weg, sloegen boos gaatjes in het water. De Amstel, plotseling toornig
zwart, schuimde van witte krulsels op zijn voortstommelende golven.
Nop, en uit den stroom wipte de roode dobber; de hengelaar, met zijn
twee handen aan den hengel, sloeg een donkerkronkelende, draaiende en
tegenspartelende paling achter zich op het rijpad neêr. Hij lei den stok
behoedzaam op het vlondertje, en met een paar stappen was hij bij het
beest, dat aan den angel te wringen en te wentelen lag in het slijk
van den weg, onder den neêrkletsenden regen. En de paling schoof woest,
pijnkrimpend in een schakel van slijmige S-glimmers naar den rivierkant
toe, maar de visscher, die onder zijn jas in zijn broekzak zocht, zette
zijn vollen laarsvoet op het beest, dat onder de zool wel voortkrimpen
bleef; maar zóo vast lag aan den grond.
Met den voet op zijn prooi stond de hengelman midden in de bui, zwart in
het schuingestreep der regenstralen. Toen hij met een open knipmes in
de hand bukte naar de paling, was het een geklater op de harde huid van
zijn regenjas, de regen striemde zijn pantser, de stralen braken op zijn
rug en spatten op en om hem heen. Glimmend als een groot waterroofdier,
greep hij zoo de paling in zijn grijpende vingers. En handig, of 't
dagelijksch gedoe was, kerfde hij vervolgens het beest boven in den kop;
regenbloeddruppels drupten van zijn hand waar de slang in wrong, terwijl
de andere den hoek uit de kieuwen lospeuterde en scheurde. Toen begon
hij de paling te villen. Met den duim en middenvinger, als een tang,
als de knijpende schaar van een schaaldier, kneep hij in de bloedende
kieuwen, in het roode open van het ademende beest. Hij maakte met de
punt van zijn mes een zoompje aan het vel onder de kieuwen, en toen een
kleine overlangsche snede in den goren melkwitachtigen vischbuik. Het
mes liet hij vallen, en met den vollen greep van zijn roodbemoorde
hand, als een koker knellend om het groenglibberige vel, probeerde hij
knijpend en strijkend de huid naar omlaag te stroopen. Maar 't ging
niet; de regen gudste, zijn hand werd nat, had aan de wringende paling
geen houvast. Hij beproefde het nog eens, maar bukte toen 't weêr niet
ging, naar den grond, waar hij zich de hand ruw wreef in de modder van
het jaagpad. Met zekeren greep stroopte hij toen de paling het vel van
het levende vleesch. Hij kletste de blauwende saâmgekleefde huid voor
zich neêr, holde met den vinger peuterend de ingewanden bij de kieuwen
uit, en sneed er toen den kop af. En de nog altijd levende en wringende
paling verdween onder zijn leêren jas, bloedend geborgen in een vischnet
daar, bij meer prooi.
En de regen stroomde, de bui groeide, kletterend op het pad, blazen
slaande in het water en in het dras op den weg, terwijl de man nogmaals
bukte, kalm vóor zich een bosje gras uit den grond trok, zijn mes er meê
schoon wreef, en toen weêr naar het vlondertje ging, om zijn handen in
het water af te spoelen van slijk en bloed.
Hoog boven zijn geploeter hing de regenwolk, jagend aan haar
uitkruivende randen, uit elkaâr gewaaid, tot pluis geslagen aan haar
wilde zoomen, uitslierend gelijk lang wapperend harpijen-haar; maar in
het midden was zij een groot velum van rouw, dat doorhangend, land en
water bespande met haar droef grijs; een benauwde ophooping was het van
lichtwerende duisternis, die het gras blauwde en het water donkerde, een
luchtgedrocht met den buik zwanger van somberheid en kwade vernieling.
En als voortwentelend in de drift van den wind, schuivend haar donkere
vlakken als de platen van een wapenrusting over elkaâr, zóo telkens
vernieuwend haar oorlogzuchtig aanzien, donkerde de wolk voort,
terwijl zij al-maar-door waar zij overdreef, 't land geeselen bleef
met waterstriemen uit haar geopende flanken. En uitzwellend over den
meerpolder, saâmgerold, verdikte zij zich daar tot een boos blauwzwart,
en slorpte toen in een bui van water de boerenhofsteden op tusschen
boomgroepen in het land; en de torens der kalkovens aan de monding der
Weespervaart beefden in de verte onder het gezweep van haar slaande
stralen.
Maar met een verschen wurm aan den haak stond de hengelaar alweêr, éen
hengel in den arm en de andere tusschen zijn beenen doorstekend, als
gegroeid uit zijn vlondertje, onveranderlijk in zijn vischachtige
zwartheid, te loeren in het wilde Amstelwater naar zijn roode dobbers.
Zacht ruischte de regen uit; achter den hengelaar, over het land van den
Schinkel, beefde alweêr het zilverige grijs van den bleeken regenhemel,
terwijl voor zijn niets dan de dobbers ziende oogen, de bui wegdreef
gelijk een kwade droom.
En de koebeesten in het natte land vingen weêr aan te grazen, rustig,
rein in den damp dien de regen naliet. De lucht brak, de blauwe hemel
kwam door de wolken schijnen, even, een flets-blauw, teêr als van licht
fayence of van het herfstluchten-blauw dat de mooie scholekster in haar
vleugels draagt.
En op den rijweg krioelden de oeverzwaluwen samen, opkomend als uit
de sloot, schril scherende met hun wigvormige vleugels den slijkgrond
langs; of zij zetten zich op hun lage, niet voor loopen geboren pootjes
tusschen de plassen, al pikkend de regenpiertjes.
En op het jaagpad kwam een paard aansukkelen, nat en ruig in zijn oud
tuig, met een moe-bengelenden en afgeleefden kop, de tong uit den mond;
de jager liep er naast, een verweerd man in een nat zwart pilo-pak,
tegen het paard aangedrongen, schoorloopend tegen de schoft van het oude
knollebeest, om het zoo te houden binnen de smalle krommende baan van
het jaagpad.
Ze gingen achter den rug van den hengelaar voorbij, die toen wel
genoodzaakt was te bukken voor het door de lucht snijdende jaagtouw.
En een schuit van zwaren bouw, een logge zwarte kotter, schoof
voorbij aan zijn dobbers, en deed ze schommelen nog meer, op de lange
waterplooien voor den boeg. Toen klotste de Amstel weêr voort onder zijn
oogengetuur en voorbij zijn vlondertje, en hij stond weêr in zijn eentje
te hengelen.
Brugge.