[101] Moeder van mijn hart.
* * * * *
Haar mond ging bijna niet open. Ze zong haar zuchtend liedje met een
stemmetje dat ze teeder en zacht wist te maken voor de gelegenheid.
En een luid bravo bekroonde haar, van alle stoelen stegen de
bijvalskreten.
Ieder moest zingen, daar hielp niets aan.
De dentiste, altijd vol grappen, schaterzong met veel gebibber van zijn
snor en midden in de zaal druk gesticuleerend, «over de tanden van zijn
hart;" zoodat de menschen dol aan 't lachen sloegen.
Maar de oude wijnkooper verontschuldigde zich, stribbelde tegen:
«No, no, dispénseme Usted, no sé cantar yo,"[102] maar 't hielp niets.
«Canta, no importa--fa nada, canta... Usted como nosotros."[103] Hij
kuchte, bedacht zich. 't Scheen dat hij niet te improviseeren wist; hij
waagde dus maar een liedje dat hij onthouden had van een café flamengo,
een verdacht mopje, een beetje dubbelzinnig. Arturo stootte zijn buurman
even aan, «comprenez-vous," terwijl de mijnheer zong met zijn versleten,
als verroeste stem.
[102] Neen, neen, pardon ik kan niet zingen.
[103] Zing maar, 't doet er niet toe, zing, Uwe Edelheid even goed als
wij.
't Werd nog al goed opgenomen. De pret maakte vergevensgezind; de mannen
hadden er plezier van, Consuela durfde er hardop om lachen. De senora
schudde: «o este perfido hombre."
Daarna zong Consuela, met haar hoog meisjesorgaan blérrend zoo hard ze
maar kon, verrukt zich zelve zoo te hooren, te kunnen gillen zoo hard 't
haar lustte. Ze klapte met haar handen, tripte de maat met klakkenden
voet, terwijl haar mond in 't zingen opgespalkt, donker gaapte.
En Frasquetito sloeg en tokkelde, onverschillig naar het scheen voor wat
de menschen zongen, geleund tegen den wand in het schemerlicht, koppig,
met dichte oogen begeleidde hij den een na den ander.
De madrilena volgde, ze zong een onverstaanbaar liedje, onhoorbaar
bijna, schuw, vreesachtig als een zucht die den mond niet uitdurft.
De guitarra klankte toen alleen. Het klagen der maten kwam vol, in
stroomende modulaties, van de snaren af; onder de grijpende hand van
den jongen vandaan, huiverde en weende weêr de oude melodie, met zijn
echten toon als van oud goud. 't Was als een doodgaan van vreugde, een
uitruisching in smart, gemijmer van gelatenheid die uitbreekt weêr in
smart, terugkeerende opborrelingen van leed, leed keerende tot leed, dat
zoeken gaat in oude smarten, wetend dat er vreugde te puren valt uit
pijn.
En in de ooren van den extrangero kwam dat intense rhythmen-geween
zonder het leêge spel der woorden; herhaaldelijk was het komen
vallen tot in zijn ziel als een regen van neêrdruppelend verdriet.
En het gezegde van Arturo: «Ça nous est venu des Maures," was in
hem teruggekomen en soezend was de herinnering verschenen aan een
schilderij, ergens gezien, bruine mannen leunend bij een duinrand; ze
keken melancholisch over zee, over blauw water heen, uitziende naar een
verre, verloren kust. De melodie klaagde: een gedachte vlotte er meê
zijn denken binnen, een ergens gelezen frase over de grootheid der
kunst, troosteresse en wreekster van een volk, dat om zijn verloren
erfgrond treurt.
De zware maten weenden. Frasquetito, geen stem hoorend, sloeg zijn
snaren forsch, en in de verbeelding van den schilder kwam toen
binnenrijden een wit-gemantelde moor, 't hoofd hoog op den ranken hals.
Recht stond hij in de stijgbeugels boven zijn witten hengst. In den
donkeren kop waren de oogen zwart, schroeiend van haat, en zijn smalle
lippen waren wrokkend dicht, strak van 't geweld om het niet uit te
kreunen. Hij had zijn handen op zijn borst berustend in gebed gekruist,
maar de vingers krompen en woelden in den witten burnoes. De maten
vergingen; in de fantasie van den schilder ontstrakte het gelaat van den
moor; hij boog het hoofd, zijn mond ging open als een granaat die rijp
splijt, terwijl hij prevelde het begin en het besluit van zijn
fanatisme: «God is groot."
Een gezang stemde weêr samen met het gebruis der guitarra, en de
vreemdeling peinsde er over, hoe mooi het was dat dit mooiste leven
van een doodgegaan volk, van een uiteengejaagde populatie, van een
samenleving tot nomaden verbrokkeld en toen gestorven, als een camée
gesneden, in harden steen bewaard, gegrift bleef in de logge stof, in
de trage bevatting van een vijandig volk. Ja, machtiger dan macht, dat
mooiste leven van een volk, zijn kern, zijn ziel. Hoor, hoe de adem nog
leeft waar de borst lang reeds stierf, levender dan het leven, een niet
te smoren stem, een niet te dooden natuurgroei, dat groeit, dat groeit,
dat laat zich niet delgen. 't Zaad is er, de grond wordt er van bevrucht
en men weet niet hoe. Vliegt het op den slag van den geweldigen wind,
wordt het aangedragen in de bekken van zwervende vogels? 't Doet niets.
't Zaad is er, en 't valt en kiemt en 't schiet wortel. Roeit het uit
hier, 't baat niet, want 't komt elders op, dat groeit, dat groeit,
voortvegeteerend, almaar, almaar, in den mest van rotte en halfvergane
aardstof.
Luisterend zat de vreemde man, spinnend zijn gedachten in het geroes der
snaren; maar in den roodenden schemer van den comedor viel weêr een
gongslag en naast hem steeg de aanroep; als een cikadenzwerm gonsde het
snarenleven, de lange maten zoemden met hun donker geluid als van een
violoncel; Arturo zong en improviseerde:
* * * * *