EEN TANGO.

In de Casa de Huespedes[53], welke Senora Leona tot padrona had, zou het

op den avond na San Isidro[54] feest zijn. Toen het diner afgeloopen

was en de eters weggeslenterd naar hun kamertjes, druk nog door al het

praten dat ze gedaan hadden aan tafel, was de senora dadelijk in den

comedor[55] aan den gang gegaan; ze had haar dik lichaam druk gemaakt,

ze ging dribbelend rond, haar groote borsten klokkebengelden op en neêr

in haar wit soepel jak, en klap, klap, gingen haar muiltjes op den

grond, haastig en kort bewegend onder het duister van haar zwarte

degelijke rokken.

[53] Spaansch kosthuis.

[54] Patroon van Madrid.

[55] Eetzaal.

Toen al het eetgerij van de tafel weg was, ging ze de stoelen één voor

één zetten tegen den witten kalkmuur, de zaal was toch al niet groot,

mopperde zij; ze wilde alles zelve beredderen, ze had het heel druk met

haar zware spierronde armen die van onder uit haar opgestroopte mouwen

puilden, rood en vol van bloed. En als ze aandribbelde en een oogenblik

staan bleef onder den lichtkring der lamp, dan kwam haar welgedaan

gezicht stralen en glimmen als was het besmeurd door de pomade die

glansde op haar kapsel; jong zwart haar nog, sierlijk geplakt om haar

voorhoofd en om haar slapen, in een reeks van kleine krulletjes, 's

morgens zoo éen voor éen gemaakt met al de ijdele zorgvuldigheid die

Spaansche vrouwen geven aan haar knutseligen haartooi. Dan was haar

wangengezicht licht, een beetje gehit door de haastigheid, en daarin

doesde een klein rond neusje lodderig weg, tusschen een paar prikkelende

oogjes die er steenkoolzwart uit boorden en boven een breed bloeienden

mond, een paar slurpende lippen, omgeschulpt in hun geplooi, krullend

tot twee donkere groefjes naar de hoeken, vaag onder het donsje van een

teêr knapenkneveltje.

Doch in haar kissebissige haast drentelde ze gauw weêr rond en snauwde

ze tegen haar dochter Consuela die haar opgejaagd en verward in de

voeten liep; van alle kanten te gelijk kwebde haar mond en zwermden en

zwatelden haar hooge woorden; ze schold de oude dienstmeid die werkeloos

stond te schemeren in het donker van de gangdeur, voor animala[56], maar

de meid bleef staan, de handen onder het blauwe keukenschort, eventjes

geniepig lachend om haar dunne, ingevallen lippen.

[56] Beest.

En al maar pruttelend had de senora toen de zware pootige mesa[57]

dichtgeklapt, haar met een til naar achterover aangepakt en in haar

armgespan genomen, het houten gevaarte tegen haar geweldigen buik

opgebeurd, en zoo, met den bobbel op het tafelblad en de handen er

stevig omgekromd, zeulde zij voetje voor voetje vooruit, stenend boven

haar buik, schommelend met de tafel waarvan de vracht een donkeren

spierslinger trok onder in haar arm. De tafel plompte neêr met een

harden bonk, en de senora, doodaf, viel als een zwaar pak neêrgesmeten

op den stoel die 't dichtst bij was.

[57] Tafel.

Consuela stond met de lamp in de hand niet wetend wat te doen. 't Licht

door de wit-steenen lampekap omlaag gestuurd, viel op de onderhelft van

haar bakvischachtig meisjesgezicht, liet de oogen in schaduw, maar gleed

afstroomend langs den sluiken rok van haar daagsch japonnetje. Doch de

moeder schreeuwde haar toe de lamp op het buffet te zetten. Por Dios, ze

kon daar toch niet eeuwig als een kerkkandelaar blijven staan; er moest

nog zooveel gedaan worden. Zij was alweêr overeind; de brasero[58] moest

nog weg; was 't niet al warm genoeg na al dat eten. En met hetzelfde

aangepak van haar machtige armen bukte ze naar den vloer, ze beurde den

wichtigen houten ring met koperen bak vol gloênde asch den grond af en

dribbelde er meê vooruit en gaf aan de kat, die er zich bij te koesteren

zat, een schopje met haar zwart-gepantoffelden voet; schrikspringend en

met den staart in de lucht, hoepte het beestje voor zijn sjouwende en

blazende meesteres de gangdeur uit en de keuken in.

[58] Verwarmingstoestel.

De senora bleef toen in de keuken, de comedor was in orde. De matte

stoelen, alle vóor aan de zittingen vochtig donker geworden van het veel

bezeten zijn en glimmend door het lange gerij der beenen, stonden langs

de muren gedrongen, stijf, sportig en leêg, zielloos de gasten wachtend.

Op het buffet, hoog zooals Consuela haar gezet had, in den hoek 't

dichtst bij de deur, stond de lamp groengoud schitterend op het oude

brons der fijn gefigureerde oliepeer; eenzaam brandde de vlam boven het

stortbad van haar eigen licht. En 't was er omheen op de buffetplanken

en waterglazen een stil en innig geglans, beweêrlicht door het snel

opgeflikker der karaffen en waterglazen, die ondersteboven gekeerd om

het stof, de planken vulden met het waterachtig donker van hun

glaslichamen.

Aan den anderen kant doesde de lichtcirkel der lamp over het deurgat

heen tot in de gang en daar verschemerend, kwam dan terugkrommend op de

eerste stoelen, maar liet het groote kale veld van den witten kalkmuur

in de dun uitgespreide schaduw van het goudene lampgeschijn. Zoo was de

comedor weggevaagd achter het weinige licht. In een hoek tegenover het

buffet aan den wand geschoven, schuilde de tafel, en daar stonden nog

meer stoelen onder de geluikte ramen, die overdag uitzicht gaven in het

patio[59]; twee schuine ijzeren bouten kruisten daar den wand, de luiken

klemmend in het binnenzicht der kozijnen. De meid was even naar binnen

komen sloffen; ze zette een karaf met glazen op een rood gelakt

presenteerblad klaar op de tafel en slofte toen weêr heen, de handen

dadelijk onder de schort. En in den wachtenden comedor was daar de klok

het eenige levende ding, zooals zij zwart midden op den muur haar

slinger heen en weêr stuurde, die dof-gloeiend glansde in zijn eeuwig

gaan.

[59] Binnenplaats.

* * * * *

Van uit de keuken kwam in een wadem van warm water en lauwe

etens-geuren, een door-elkander-slaan van vrouwenstemmen, tegen elkaâr

oppratend, een holderdebolderachtig gekijf, verbrijzeld door het

geklikklak van steen slaande tegen steen, kwaad bewogen borden in een

vaatwerk, het onverschillig gedoe der meid die almaar krieuwende met

de senora en Consuela, den etensboel wegwaschte. Dan klepten er deuren

in de gang, voeten stapten er, en stemmen zeiën: «buen paseo, buenas

noches."[60] Twee mannen gingen het deurgat voorbij, een er van pakte

het licht op den witten handboord van zijn bewegenden arm. Ze bleven wat

lachen in de keuken, kwamen weêr terug, zacht met elkaar pratend. En

even daarna kwam de stem der padrona hun weggaan nagalmen: «Non llegad

esta noche tanto tarde, caballeros, vienen muchas gentes."[61] Een

jongensstem met den baard nog in zijn keel praatlachte wat terug; toen

kwam de witgejakte padrona voor het deurgat staan; ze had de armen

opgestoken als een wanhopende en almaar lachend riep ze: «Si, si....

o, estos perfidos muchachos, o. o.. o... o!"[62] Ze deed een paar

stappen vooruit om beter verstaan te worden: «Si... si.... mujures

tambien, puedo asegurar a Ustedes!"...[63] «Si.. si!" herhaalde ze

met de hand als een roeper aan den mond. «Volved pronto Senor Juan y

Frasquetito"[64] toen met een: «Toma!"[65] smeet ze haar laatste woorden

hun achterna: «Carmela va bailar!"...[66]

[60] Prettige wandeling, goeden avond.

[61] Komt van avond niet zoo laat thuis, heeren, er komen veel luidjes.

[62] O, wat een slechte jongens!

[63] «Ja, ja, vrouwen ook... ik kan het u verzekeren."

[64] Kom gauw terug.

[65] «Pak aan."

[66] «Carmen gaat dansen."

* * * * *

Laat in den avond kwam Frasquetito binnenstappen in het gebabbel dat uit

de open deur van den schemerenden comedor feestelijk hem te gemoet kwam.

De lamp was voor mogelijke ongelukken blijven staan in de hoogte op het

buffet. Er waren nog niet veel menschen en er moesten er zooveel komen:

el caballero de abajo[67] nog en zijn vrouw, en de dokter, maar die

zou wel laat komen, en dan Carmen nog die dansen zou, zeker, o, ademas

muchos[68]. Zoo snoefde de padrona. Ze was nu deftig in het zwart.

Prettig en zelfvoldaan blonk haar vet gezichtje in haar neêrgezegen

zwart zijdene voornaamheid. Ze had al haar gouden ringen aan haar

vingers en boven op den knoedel van het hoog opgekamde haar, met een

rijkdom van krulletjes als een vlechtwerkje op haar voorhoofd geplakt,

was de speldeknop voor de mantilla pronkend als een gouden knikkerbal.

Ze zat achterover, met de hand steun zoekend aan de zitting van den

stoel, om meteen zoo haar ongemakkelijk lichaam een beetje te helpen

verzetten. Zoo keuvelde ze met een ouden, deftig uitzienden mijnheer,

een rijken wijnkooper, die voorover gebogen, deed of hij erg luisterde,

op haar knieën keek, speelde met zijn zwaar gouden horlogeketting,

aldoor gewichtig knikkend met zijn kaal en glimmend hoofd.

[67] Mijnheer van beneden.

[68] «O, een heele boel nog."

--Mire[69] daar was Frasquetito al... Caspita, hij had zijn guitarra bij

zich,... en olé!... «musica y alegria!"[70] jubelde de meisjesstem van

Consuela uit een anderen hoek van den comedor.

[69] Kijk.

[70] Muziek en vroolijkheid.

't Was een lange slungel met een schonkigen jongenskop, een boersche

verschijning, die met sloome beenen naar binnen kwam. Hij was geboortig

uit Huelva en beproefde hier in Madrid zich bekwaam te maken voor

Toledo, voor de militaire akademie; want hij zou eenmaal officier zijn.

Omdat hij nog zoo jong was en al zoo veel praats had, werd hij door zijn

tafelgenooten, plagend, Fransje genoemd in plaats van Frans. Maar wat

zou dat? Zou je dan denken dat Napoleon geen praatsmaker geweest was?

Hoe wou je anders in tijd van oorlog de soldaten aanvuren? Geen beter

dan hij kon uren schetteren over de Carolinakwestie, en stokstijf hield

hij vol dat geen Pruisisch soldaat het uithield tegen een Spaansch, die,

matig, uren kon marcheeren met pak en zak, op water en brood, en die

bovendien allen valiente[71] waren. Hij zat bij 't comida[72] naast Dr.

Avilar, die echt Castiliaan, deftig, bijna nooit iets zei, geen wijn

dronk--Frasquito beweerde uit armoe--een donker ernstig man, overtuigd

revolutionair, die dadelijk na den eten zijn diario[73] uit den zak

haalde en begon te lezen.

[71] Dapper.

[72] Middagmaal.

[73] Dagblad.

Aan zijn andere zij zat 's middags een vreemdeling, een schilder, die in

't museum van het Prado copieën maakte naar Velasquez; hij noemde dien

zijn amigo[74] en probeerde zijn weinigje Fransch aan hem te luchten.

[74] Vriend.

Overdag zat hij in zijn kamertje studentikoos sigaretten te rooken,

waarvan hij er altijd een als een pennenhouder had zitten achter zijn

oor en die 't vel van zijn rechterhandsduim hadden bruin gebrand, en

tokkelde dan, lui met het hoofd tegen den muur, op zijn guitarra, de

stores van het patio-venstertje neêr, zoo de uren doorlevend in het

lommer der binnenkamer, soezerig in het gemurmel van zijn zwaarmoedige

landsliederen. Maar soms leerde hij, en dan kon ieder in de gang van het

kosthuis hem hooren leeren: «el padre.. le père. en... de las madres...

des mères... à la hya... à la fille.. las hermanas... les soeurs"... of

wel hij begon voor de zooveelste maal het begin van den «Télémaque" op

te dreunen: «Calypso ne pouvait se consoler du départ d'Ulysse" omdat

hij dat kennen moest voor zijn admissie.

In huis deed hij altijd zijn guttapercha-boord af, dat was luchtiger, en

dien lei hij dan om weêr wit te weeken in zijn waschwaterkom.

Nu ook had hij het zich gemakkelijk gemaakt, thuis, zonder stijfheid

aan zijn jongenshals kwam hij binnen, overdreven buigend met een gewilde

snaakschheid. De senora vroeg hem of Don Juan nog niet kwam, hij bracht

haar, «o, este perfido muchacho," met een aardigheidje over vrouwen aan

het lachen. Vervolgens maakte hij zijn compliment voor de dame die naast

de padrona zat. Met zijn guitarra achteruit gestoken, langs de beenen

strak gestrekt, stond hij, een troubadour op een oud prentje gelijk,

zijn grimassen te maken voor de knieën der terugknikkende schoone.

't Was een mooie Andaluze, een jongere zuster der padrona, met de

feestdagen over. Achteruit geleund zat ze op haar stoel, vol komend

zoo met haar zwart glimmend corsage uit het mat-glanzende plooien- en

krookengeschik der zwaar zijden japon, die overal over den stoel hing en

bij elke beweging kraakte. Achter van haar hoofd, omdalend langs haar

gave ronde wangen, vielen de plooien der uit de mode rakende mantilla;

een gespin van kantrag omwolkte het ovaal van haar gezicht en een

strooisel van fijne gaasbloempjes borduurde in de plooien en brokkelde

over haar schouders. Ze bewoog de handen zacht in den schoot, wolkjes

frischheid zoo opjagend naar boven met haar rooden, zacht wiegenden

waaier, en kleintjes lachte haar mooie mond, terwijl ze verwonderd keek

onder de loome oogleden vandaan naar den grappig doenden Frasquetito.

Allen hadden schik in hem; de dentiste die op de tweede piso[75] woonde,

een luidpratende, zich veel bewegende man, een blonde Arragonees met

roode wijnwangen, een goede vent al zag hij er wat bar uit, vertelde

Frasquetito, met een gezicht dat bijna enkel snor was (twee dikke

wreedharige snorbossen van een koperdraadkleur had hij als een valsche

karnevalsknevel geplakt zitten onder zijn neus) bulderde bravo en deed

zijn lippenvlaggen wapperen en trillen en sprong en reed op zijn stoel

alsof de zitting ervan betooverd was. Consuela giegelde en riep den

geestigen Frasquito bij haar te komen, maar juist had de dentiste hem

bij den knoop van zijn jasje vastgekregen, dus knikte hij maar even naar

haar om, koddig, met de hand op de plaats waar zijn hart zat.

[75] Verdieping.

--«Buenas noches!" zei Arturo, de man der senora en kwam witgevest in

het lamplicht binnen. Hij zag bleek en lijdend, vermoeid en schuw school

het blauw van zijn oogen in den belangstelling-vragenden kop. Hij hield

zijn zoontje aan de hand, een mooi aangedrild kereltje, vier jaar

ongeveer, gestoken in een wit uitstaand gestreken jongenspakje, met een

brandroode sjerp er over heen. Het ventje stond er stijf in, naast de

knieën van zijn vader, heelemaal in de schaduw van een buitensporigen

wandelhoed, die als een kolossaal boomblad schuttend zich omboog over

zijn kleinheid. Hij werd bewonderd. Consuela sprong op en begon haar

broertje te zoenen en te knuffelen, zoodat de vader riep: «Hombre! je

verkneukelt hem heelemaal!" De kleine plakte zijn handje in het gezicht

van zijn zuster, de gasten lachten om den bijdehanden Arturito.

Pruttelend ging Consuela naar haar plaats, de hand aan de wang, kijkend

met zwarte oogen, donkerder nog van den toorn, haar broertje na, die in

de laagte van stoel tot stoel ging op aanraden van zijn dikke mama. De

vader was in zijn mooie houding bij de deur blijven staan, leunend op

zijn wandelstok, wachtend om zijn jongen zelf naar bed te brengen.

Maar Frasquetito was naast den extrangero[76] gaan zitten die ook

gevraagd was. Hij vond dezen met zijn rug tegen de tafel, zeker in zijn

hoek. 't Was een klein persoon, een beetje stevig, een beetje rossig,

een bril op zijn neus, een man die zich blijkbaar vreemd voelde en stil

in zich zelven voortleefde. De eerste dagen dat hij in de Casa was,

hadden de studenten getracht een loopje met hem te nemen; 't scheen dat

hij er niets van gemerkt had. Frasquetito voorop, deed zijn best; zij

spraken vrijuit over hem, in de zekerheid dat hij 't wel niet verstaan

zou. Hij gaf zich dan ook al heel weinig moeite; meestal bracht hij aan

tafel een boek meê, lei het naast zijn bord en las er uit tusschen het

kauwen door. De eenige met wien hij soms wat praatte, was Arturo, die

wel Fransch sprak, maar die at meestal niet meê of kwam pas bij het

dessert.

[76] Vreemdeling.

Arturo was telegrafist; hij was vroeger, evenals de studenten, slechts

kostganger geweest, maar nu sinds eenige jaren leefde hij met de padrona

die weduwe was. De kleine Arturo was uit hen geboren. Maar men nam in

't huis niet veel notitie van hem. Frasquito had den schilder al gauw

verteld dat hij onder de plak zat, en dat hij een zwakke man was en dat

die vrouw zijn geheele gestel had ondermijnd. Maar zonder die inlichting

had de vreemdeling zelf veel kunnen zien; alle dagen hoorde hij het

paar twisten en het stemmetje van den telegrafist ondergaan in het

forsch-ademend gepraat der padrona. De heeren aan tafel maakten onder

elkaâr gekheid om 't geval. Don Juan wist zeker dat zij van Arturo

genoeg had, Doctor Avilar goed aankeek, maar die zou zich wel niet zoo

gauw laten inpalmen... och wat, een vrouw was altijd sterker dan een

man... en Consuela, haar dochter.... maar die was ook niet zoo onnoozel

als ze er uitzag.... had Don Rafaël niet gezien dat ze zich door den

brievenbesteller op den mond liet kussen, achter de deur. En ze vonden

dien altijd lezenden schilder «demasiado franco,"[77] niet beleefd

genoeg, vervelend, en «bruto como todos los temperamentos del

Norte."[78]

[77] Te vrij.

[78] Grof als alle Noordsche temperamenten.

Doch op een goeien dag had de vreemdeling zich in eens met een kort

gezegde in hun spreken gemengd; ze waren er beteuterd een oogenblik van,

verlegen dat hij hun gesprek begreep, verbaasd, waar hij toch, caramba,

que cabeza[79] dat Spaansch vandaan gehaald had. Dr. Avilar had plots

opgekeken toen boven zijn krant vandaan en geschaterd had hij van uit

zijn zwarten snorbaard met een ongewoon kort harden lach. Na dien tijd

werd de schilder ontzien en was het ijs gebroken; Frasquetito vooral,

beschaamd geworden, noemde hem nu zijn «amigo", vroeg de uitspraak van

moeielijke Fransche woorden, deed zijn best te bevallen, was niet zoo

snaaksch meer jegens den vreemdeling.

[79] Wat een hoofd.

De gezelligheid in den comedor werd telkens grooter, er kwamen immer

nog gasten bij. Zoo pas was het de mijnheer van beneden geweest, een

nietige man, die achter zijn statige vrouw aanging, een bleeke

Madrilena. Omdat ze toch de straat niet over behoefde te gaan, kwam ze

zonder hoed, ongekleed in een havanabruin huiskostuum met een groote

poef van achteren. Nu was het de huisgenoot Don Juan, die staakrecht

door de deur kwam, in de puntjes verzorgd, zoo hij kwam van de paseo;

't was een Aranjuees, doctor in de rechten, die in Madrid zijn carrière

zocht, royalist als Frasquetito en een politiek twistzoeker met Dr.

Avilar. Maar zijn groote passie, dat waren de toros. Zondags aan tafel,

na elke corrida, overstroomde hij de eters met zijn verrukt-zijn om een

mooie overwinning of met zijn luidruchtige kwaadheid over het mislukken

van zijn geliefd genot.

Hij groette beleefd, maakte zijn compliment voor de Andaluze, en, mooie

man, praalde hij voor haar met zijn witte tanden, die aaneengesloten

blonken als het gebit van een neger tusschen uit zijn zwarte en zuiver

geknipte knevel en puntbaard. Frasquetito vertelde dat hij een

vrouwengek was, die allerlei buitenkansjes had. Juan bleef bij de

Andaluze zitten praten, almaar bevallig, spitsend aan het puntje van

zijn baardje, of onder het causeeren dóor knipte hij met den langen

nagel aan den pink van zijn witte rechterhand.

Bij den stoel van den dentiste was een kleine opschudding, de mijnheer

van beneden weigerde met «muchisimas gracias"[80] de hem aangeboden

plaats, maar de senora gaf van uit haar hoek hard lachend raad; de

dentiste liep weg, drentelend ging zijn rustelooze vroolijkheid van den

eenen hoek naar den anderen.

[80] Veel bedankjes.

Langzamerhand geraakten de gasten op hun gemak, de comedor begon te

gonzen van gezelligheid. Frasquetito had herhaaldelijk willen praten

met den extrangero, maar 't kon niet vlotten. Zijn buurman, afgezonderd

in zijn hoek, bleef of hij iemand wachtte, stiller en stiller geworden

in dat rondgezwerm van vreemde spraakgeluiden, van veel woorden, niet

tot hem gezegd, aanspoelend in zijn ooren, veel woorden die hij niet

verstond. Hij hoorde het lispelen om zich, rustloos als het gezwatel

van bladeren in een boom, een gegons als een ruimtewind van geheimen

vol, een loom lippengebabbel als van water dat eeuwig loopt,

vertrouwelijk gezeur en geleuter, gaande van mond tot oor; maar

opschietend als vinnige visschen uit 't vlakke water van 't gefluister,

kwamen tot zijn bevatting de hooger gezegde woorden in het gehinnik van

het gelach en het geklank der taal, wanneer een bedoeling natrilde in

het levende geluid; hij hoorde het uitsissen en uitzeggen, hij zag de

woorden aankomen van achter de gesloten tanden, het optillen van het

lippenvleesch en buitjes van spathagelend geluid den mond uitgaan,

scherp als een gezegden hoon uitgestooten, dan als met een beet

afgeknapt, nijdig. En stemmengegrom kwam overal vandaan, klanken

opdoemend als uit de diepte van den buik, een kelderachtig geknor

gorgelend door de keel, wanneer uit een wijd opengeganen mond een woord

kwam met de zware Arabische jota[81], die als een stuk Noordsche ernst

gromt door het gesuizel van de zuiderspraak.

[81] De Spaansche j wordt uitgesproken als een zware g, als onze ch.

Stil zat de vreemdeling, verloren in dat wonder van een gesproken spraak

en meêdrijven liet hij zich op dat groote mysteriënmeer, dat hij om zich

hoorde ebben en spoelen al breeder en zwoeler, een geluiddrang die de

wanden zou uitzetten, te groot geworden voor den comedor. Een waas van

vocht begon te nevelen in zijn dichte oogleden, als een vlies cirkelde

het zich voor den oogbal; hij voelde de saâmdrukking der pupil en

de rimpeling boven de brauw, als wanneer hij zich tot kijken moest

inspannen, tot turen zijn oogen vernauwde. Toen was 't een oogenblik of

alles wat hij om zich wist, schijnen kwam binnen in de luiken van zijn

oogen, verinnigd en vereenvoudigd.

Maar Frasquetito begon zijn snaren aan te slaan en «musica, musica,"

joolde de meisjesstem van Consuela uit een hoek van den comedor.

Hij keek op. Een valscherm van licht gelijk, sloeg de lamp in zijn

oogenzien, hoog, als zwevend boven den vloer; en langs den witten

schemerwand zag hij de donkere menschen zitten, zwarte spoken,

vaal-lampzwart, met handen en koppen begloeid van een doovig rood; in

het natte oogwit spritste het licht en er was naglimmend gefonk in hun

gouden sieradiën.

Ze zaten allen stil, leunend naar elkaâr nog, half pratend naar elkaâr

nog, in onbewuste spreekbewegingen gebleven, onderbroken in hun gesprek

door de eerste akkoorden der guitarra.

Over den vloer, tusschen de stoelen vandaan, zag hij de poes sluipen,

stil-donker levend op het strak wachtende plankenveld, dat tusschen hem

en de menschenrij kaal en leêg lag, doorploegd met stijve naden en met

de bloemen van het nervige hout.

Maar bij den ingang der deur was de lichtcirkel van de lamp rossig op

den grond en daar midden-in stond op de voeten wijd vaneen geplant,

maar hoogerop leunend tegen het buffet vol glazen, de dentiste in

zijn leverkleurig pak, lachend uit zijn wijnrooien kop, met het licht

brandend in zijn geel haar en in zijn vlamkleurige snorren.

--«Cantemos, cantemos!"[82] daverde zijn stem.

[82] Laat ons zingen, laat ons zingen.

--«Olé, olé," schreeuwde Consuela dadelijk klaar; ze begon in de handen

te slaan.

--«Quien sabe cantar el flamengo?"[83]

[83] Wie kan er flamengo zingen?

--«La senorita."[84]

[84] De juffrouw.

--«Don Juan."[85]

[85] Mijnheer Jan.

--«Excusame Usted."[86]

[86] Verontschuldig me.

--«Si, si."

--«Toca, toca, Frasquetito."[87]

[87] Speel, speel, Fransje.

Allen riepen tegelijk. In het gehaspel der stemmen stemde Frasquito zijn

guitarra die hij als een kind op zijn schoot had, de hals stak hem hoog

boven den schouder uit.

Arturo, die zijn zoontje had naar bed gebracht, kwam weêr binnen en nam

den stoel naast Frasquetito.

--«Venga par aqui, caballero!"[88] stoorde bevelend bijna de

soldatenstem der padrona; «aqui, par aqui," riep ze met de hand op de

zitting van den stoel kloppend, die nu ledig was aan haar zij.

[88] Kom hier, mijnheer.

Boven het klankgat van zijn guitarra gebogen loopend, den jukbeenigen

kop schuin, den jongensmond open, verstrooid door aandacht, luisterend

naar het timbre van het geluid dat zijn hand uit de snaren tokkelde, zoo

liep Frasquito over naar den stoel aan den anderen wand.

En de comedor was geheel stil geworden van menschengepraat; de klok

tikketakte met klein droog geratel boven den jongen, die het zich

gemakkelijk maakte, zoo hij dat in zijn kamertje gewoon was. Hij

schuurde met zijn hoofd langs den muur om een goed plaatsje te vinden.

De Andaluze, die zingen zou, kwam op uit haar behagelijke keuvelhouding

met Don Juan, leunde naar den kant van den speler om beter met hem samen

te gaan.

--«Un momento,"[89] vroeg deze.

[89] Een oogenblik.

Hij wrong een paar der schroeven boven in het schopje aan den zwarten

hals van zijn guitarra nog wat vaster, ze knerpten onder het

weêrgestreef der snaren die wit voorbij het donkere klankgat zich

spanden, vervolgens beproefde hij nog even met zijn duim, de toon

zoemde, toen lei hij het hoofd achterover.

--«Pronto, que tocar?"[90]

[90] Klaar, wat spelen?

--«Un tango, un tango!" riepen drie, vier stemmen.

--«Bueno, un tango."[91]

[91] Goed, een tango.

En als het geluid van een gong in een oostersch huis begon het. Zijn

hand, slap in het polsgewricht, flapte heen en weêr, met slierende

vingers sloeg hij de snaren over. Het klaagklankte en trilde uit den

hollen buik van zijn instrument, ernstig en zwaar, den toon van een

violoncel nabijkomend was het snaargeluid, en het weende en zoemde na

als het sterven van een gongslag in een oostersch huis.

En meteen daarop, hoogkeelde de Andaluze een aanroependen tweeklank uit,

den verren kreet van een dwaler in de bergen geleek het, toen ze zong:

[Muzieknotatie: Ja- - -a Ja- - -a.]

--«Olé, olé!" blèrde Consuela weêr, ze sloeg de handen holklappend op

elkaâr, hard bij de guitarra-tonenreeks beginnend, die dadelijk volgde

op den aanroep. Joedelend neuriede de Andaluze er bij meê:

[Muzieknotatie: _Ad libitum._]

De uitpsalmende klank zieltoogde, zwoel, veel geluid in zich dragend,

donker, en ging toen dood.

't Was even stil, toen begon de guitarra opnieuw. Frasquetito's hand

ging streelend nu over de snarenbaan, met loomen greep, gedachteloos,

zooals een mannenhand streelt over vrouwenhaar. En onder het liefkoozen

van zijn dwalende vingers, zwol weg een zwerm van week tonengebruis,

soms met een klein waterhelder opgetokkel van de duimsnaar aan het

einde; een groot rumoer van veel ver trillende peessnaren was het, vaag

als vliegende insecten in heiren gonzend, treurig als het zwaarmoedig

gestem van oosterlingen klaagzingend door hun neus. 't Was of de speler

met zijn dichte oogen zichzelven er mede sussen wilde tot den slaap, zoo

gedoofd was 't geluid en de rust die eruit op zich drong.

En voor dat achtergeluid van dommel en droomen, geluidjes aan elkaâr,

zooals de gebronsde kleurtonen gebonden zijn in een oud wandbehang

van arabesken vol, tjingde het hooge nootje van den duim als een goud

zonvonkje op een hoogsel van het ornament en stemde het levende liedje

dat de Andaluze met een zachte altstem zong:

[Muzieknotatie:

Un mar de pe-nil-las ten-go, -- -- -- -- --

Un mar de pe-nil-las ten-go,

In el fon-do de mi al-ma,

Cu-an-do su-be la ma-re-a,

Ni-no de mi co-ra-zon.

Cu-an-do su-be la ma-re-a

De los o- -jos sa-le el a-gua

Cu-an-do su-be la ma-re- -a

De-los o- - -jos sa-le el a-gua.[92]

]

[92] De vertaling van het liedje is:

Een zee van smarten heb ik

In de diepte van mijn ziel

Wanneer de vloed stijgt,

--Jongen van mijn hart--

Springt uit mijn oogen het water.

Het gezang zweeg, uitsuizend in het geschemer van den comedor. De

Andaluze zakte gemakziek in de plooien van haar japon terug, terwijl

Frasquetito voorovergekomen, met grootere aandacht nog in de snaren

greep, als een echo de laatste maten naämend van het gezongen lied.

Stil stierf onder zijn handen het akkoord, sober als vaak het gebaar

is waarmeê een mensch een droefheid besluit.

--«Brava, muy bien, bonita,"[93] schreeuwden de gasten.

[93] Zeer goed, mooi!

De dentiste draafde naar de tafel, schonk zich een glas water, draaide

lollig de punten van zijn snor met het vocht op en ging naar den hoek

waar de senora troonde.

Daar werd het druk. Don Juan maakte er complimentjes aan de senorita

over haar mooie stem. De wijnkooper praatte bedaard en fatsoenlijk met

de madrilena, terwijl haar man nietig en wezenloos op zijn stoel zat.

Met halven toon tokkelde Frasquetito voor zichzelven.

--«Il joue très bien le flamengo[94] ce garçon," zei Arturo tot den

schilder.

[94] Flamengo = Vlaamsch = distingué. Men beweert dat Karel V wanneer in

zijn hofomgeving, hem iets trof door zijn mooiheid, gewoon was zijn

tevredenheid te betuigen: «het is of 't Vlaamsch is." _Nu_ is 't woord

populair.

--«Si, si, ça sonne bien."

--«Et ça vous plaît?"

--«Beaucoup."

--«Savez-vous," hernam Arturo in zijn nationaliteitsijdelheid

geprikkeld, hij draaide op zijn stoel bij «savez-vouz, c'est absolument

espagnole....e." (Hij hield ervan, wanneer hij Fransch sprak, de woorden

wat te liefkoozen.) «Ce sont des airs très antiques... d'origine

arabe... ça nous est venu des Maures."

--«Aha!"

--«Oui," ging hij voort, met een fijn mondje, een weinig doceerend,

een beetje van uit de hoogte pochend: «Oui, de chanter et de jouer

le flamengo, c'est bien difficile... Ça ne s'apprend pas á l'école,

comprenez-vous, cette musique est toute de tradition vocale.... C'est

comme l'art de taureau, om naît avec cela... il faut avoir.... Cómo

se llma," hakkelde hij, het fransche woord in zijn hoofd zoekend,

«como se llama?... il faut avoir... la gracia,[95] comprenez-vous?"

[95] De genade.

--«Oui, monsieur, je comprends, le don."

--«Preciso... le don... oh, comme j'aime le français.... Moi," (hij zei

dat, als had hij den mond vol aan het woordje) «moi, je voudrais vivre

toujours à Paris.... oh, Paris, oui, monsieur, Paris."

--«Vous connaissez Paris?" vroeg zijn buurman.

--«Pas encore.... mais, j'espère.... écoutez, monsieur," vervolgde hij

geheimzinnig, «je suis en train de faire une grande découverte.... une

invention, vous comprenez?.... je rêve, oui, monsieur, je rêve un

nouveau système télégrafique, ce sera pour la grande exposition!"....

De ander keek hem in de afgematte oogen en hij vond hem bijna onnoozel

met zoo te bluffen, want in zich zag hij hem dadelijk terug, 's avonds

laat nog, tot overmiddernacht, zittend aan de tafel in den comedor, in

zijn witte hemdsmouwen onder de lamp, bezig met het calligrafeeren van

statistieken voor zijn dienst om een sigarettenduitje te verdienen. Hij

zag hem weêr knutselen met liniaal en pen, van allerlei soort lagen ze

voor hem, pennen voor rondschrift, voor groot en klein, en voor de

zwierige krulletters die door ieder in huis oprecht werden bewonderd;

maar hij zei niets, naast hem wond de man zich al meer en meer op, met

veel ah's en oh's.

--«Ah, si vous voulez, je vous montre demain tous mes préparatifs.... au

bureau.... mes chefs me tiennent en grande considération, vous savez....

o, comme je serai heureux à la fin de quitter Madrid.... cette vilaine

ville.... qui m'étouffe, qui m'ennuie.... soy cansado de Madrid,

mucho.... mucho!"[96]

[96] «Ik ben erg moe.... erg, erg."

Door zijn fatterig gepraat was een wrok komen trillen, en als een paard

dat opmerkzaam de ooren spitst op het fluitje van zijn menner, begon de

extrangero te luisteren naar dat levende geluid; want naast hem sprak

Arturo al drukker, zijn borstlijdersgezicht gloeide op de koonen, af en

toe moest hij kuchen en zijn weekblauw oog werd nat.

....... «Je voudrais vivre loin de Madrid, à Paris, ou.... n'importe

où.... mais loin d'ici. Madrid me fait mourir. O, si j'étais riche....

j'irais vivre à la campagne, seul avec mon petit, loin, bien loin de

cette vilaine maison. Voyez-vous, vivre dans un beau pays.... avec

beaucoup d'arbres.... avec une grande verdure, toute peuplée

d'oiseaux.... le matin nous chevauchons à travers bois, le petit et

moi, nous mettons le fusil a l'épaule, ou nous pêchons à la ligne,

si toutefois le désir ne nous prend de monter en l'air de gros

cerfvolants,[97] tout de papier d'or, brillants au soleil.... et

despues[98].... hij klakte met den mond.... bien manger et bien dormir

dans notre petit château"....

[97] Vliegers oplaten is ook door groote menschen in Madrid een zeer

gezocht tijdverdrijf. Op Zon- en Heilige dagen, kan men heele familiën

zien zitten buiten op den grond, etende en drinkende, rondom een in het

zand gestoken ijzeren pen waaraan een haspel met touw draait; hoog in de

lucht staat dan de vlieger.

[98] Après.

--«En Espagne" moest de andere spotten.

Maar zijn buurman hoorde het niet, opgegaan als hij was in zijn

luilekkerlandachtige fantasie.

--«Et en hiver.... j'irais m'amuser à Paris, passer mes jours au café à

lire des journaux.... et mes soirs au théâtre ou mieux encore, avec de

jolies femmes.... mon petit aura de bons instituteurs, ça sera parfait."

--«Musica, musica!" 't Was Consuela weêr die uitjuichte boven 't gegons

der menschen en boven het getokkel der guitarra waarin Arturo's stem

zich wiegde; ze was opgesprongen en had den dentiste om het middel

gepakt, klaar tot dansen.

Maar ze moest als gekastijd weêr naar haar plaats; want «'sta quieta,

mujer!"[99] galmde, bang voor te vroege drukte, de padrona van uit haar

hoek. Als het geblaat van een geit sleepte ze de laatste lettergreep in

haar mond na.

[99] Hou je stil!

--«Comme elle crie cette femme," minachtte Arturo, en even daarna: «ah!

attention, nous allons chanter une ronde."

Juan zat al naast de guitarra te wachten tot hij moest invallen. Hij

sloeg de maat met zijn hand tegen den kant van zijn stoelzitting, bij

gebrek aan een stokje. Beverig kwam de aanroep, toen 't olé, olé en het

kletsende klappen van holle handen. Improviseerend begon hij, onderweg

de woorden schikkende naar de melodie, almaar door bevallig zat hij, als

een hond die mooi opzit, een zingende mooie man:

A una piedra de la calle

Mis penas lo conto yo...

Zoo zong hij, keurig, met een vrij zuivere tenorstem; maar voor het

donkere geklank der guitarra verwaterde zijn aanstellerig gevibreer,

zwak en toonloos werd het als een slappe kleur op een grond van

goudgloed.

Como serian las penas...

Onder het zingen van zijn liedje, schudde hij aldoor het hoofd in kleine

korte rukjes, zooals de flamengo-zangers van beroep dat doen, wanneer ze

al zingend, met een gebaar van vrijheid en onafhankelijkheid het hoofd

achterover gooien in den nek;

Nina de mi corazon,

viel hij wat hooger uit.

Como serian las penas,

Que la piedra se partio.[100]

[100] De vertaling van het liedje is ongeveer:

Aan een steen van de straat,

Vertelde ik mijn smarten

De smarten waren zoo veel,

--Meisje van mijn hart,--

Dat de steen spleet.

Hij keek sentimenteel-smachtend even naar de Andaluze om; toen gonsde de

guitarra alleen.

Allen vonden het liedje prachtig. Juan ging de senora zeggen dat 't haar

beurt nu was.

Ze liet zich niet bidden. Zonder voorover te komen, lui blijvend in haar

donkeren hoek, begon ze. Dommelig kwam haar stem de schaduw uit, evenals

't gekoer van een doffer rolde het zangetje uit haar overvloedig

vleesch...

* * * * *

Proza · 第 20 / 30 题