III.

Twee dagen zat ze daar zoo in den donker, zonder beweging, zonder een

geluidje van lijden, klachtloos te sterven in haar zelfgekozen hoek. En

ik moest wel dikwijls naar haar komen zien, al wist ik toch wel telkens

hetzelfde te zullen vinden; het schemerende hoopje, het ziek haargeglim

in het kistendonker en het smartgeglimp van haar vèr naar binnen

schouwende oogen die stom in zich zelve leden.

Eenmaal nog, den derden dag van haar ziekte, had ik haar gestoord en

haar opgebeurd met de hand zacht onder haar borst, en haar gezet bij

het raam op haar oude plaats. Er was een goed buurvrouwtje komen kijken

en die had het oude hoofd in het zwart wollen winterkapje boven haar

geschud, en gemeend had ze: het zouen misschien de tanden zijn, daar

gingen veel poesen en ook veel kinderen aan dood; en gezegd had ze: van

de natuur die haar loop moest hebben, want je wist toch maar niet wat je

aan zoo'n beest moest doen. Maar wat later, ze was al weg, was de poes

opgestaan en had beproefd te dalen van het kussen, maar 't ging niet

meer; dus had ik haar moeten zetten op den grond, voorzichtig, bang om

haar zeer te doen. En dadelijk was ze aan het loopen gegaan, wankelend

nu boven haar klein gestap, en halsstarrig was ze teruggekropen tusschen

de kisten, koppig saâmgehurkt in haar sterf hoek, norsch gesloten in al

haar kleinheid, maar klachtloos als een sterke man die onverzettelijk in

den toorn om zijn lijden gesloten loopt.

En buiten lag al dien tijd de sneeuw die de geluiden meêneemt en de

voorbijgangersvoetstappen tot onhoorbaarheid dooft. 't Was een Zondag,

de vierde dag van haar ziekte. Als ik beneden kwam zag ik het pad

lang gaan, rein verdwijnend tusschen zijn boompjes en huisjes, met de

glinsterende sporen der voetzolen en der wagenwielen, want het vroor nog

immer. In de buurt was niemand, maar in de verte van het pad kwam een

boerenvrouwtje donker aandribbelen, haar zondagskleertjes schikkend

zooals ze kwam uit haar huis, 't kerkboek met gouden slot in de hand.

En de huizen stonden alle blank overhuifd en de rook der donkere

schoorsteenen was weekelijk blauw in de warmwitte lucht, van sneeuw nog

vol. Breed bleek lag het land achter de zwarte rasters, het zwol weg

onder het malsche sneeuwdek in de witte winterstilte van den Zondag, en

van de zijde des Amstels relde dan soms een gaande of komende tram haar

gerel; het kwam, zuiver klepelgeklank in de ruimte leêg van geluiden,

als het schellen dat een priester vooruit gaat in een roomsch land,

wanneer hij het laatste oliesel brengen komt aan een verren stervende.

En ook in mijn huis was het stil, stil door de sneeuw, stil door de

zondagseenzaamheid van het huis, en door mijn raam zag ik op lichte

daken, doodsbaren onder witte lakens.

Maar tegen den avond van dien stillen dag, toen ik nog eens kijken kwam

hoe het haar ging, zat ze vooruitgekropen, den kop boven het schoteltje

met water. Wilde ze drinken? Ik reikte haar het schoteltje toe, maar

er bewoog geen een begeerte meer uit haar klein lichaam. Was 't om de

koelte dat ze zoo hurkte boven het koude water? Brandde de doodskoorts

binnen in haar hoofd? Wat kon zoo'n grove man doen voor zoo iets kleins

van zijn liefde? Een schoteltje sneeuw zou nog frisscher zijn. Naar

beneden en het wit steenen plakje geschept vol frissche sneeuw, en dan

de kachel uit en haar zoo gelaten in de kou van de werkplaats.

* * * * *

Maar den volgenden dag was 't pad een poel, het vroor niet langer, het

dooiwater lekte en rikketikte om mijn huis watergestraal en gesijpel

klutsten kuiltjes in de sopperige brij van sneeuw en modder, en groeven

de voegen tusschen de gele straatklinkers uit. En er was binnen een

gezuig en gezucht van ontlatende kou, en op het dak en uit de boomen in

den tuin was 't een voorjaarsleven alsof er veel katten leefden; maar

met plomp geruisch, met den gedoofden slag van schoppen aarde op een

kist, vielen de plakken sneeuw langs de pannen op de aarde neêr. En er

was een lucht van ontbinding en overgang overal, de lauwe geuren van

wegterend wintermooi, lucht van dooiwater en van rottend ijs en van

sneeuw die vergaat. Nattig ook kwam het licht treuren naar binnen,

blauwend als een waas om gebroken oogen, zóó de ruimte nemend voor haar

week geschijn.

Nog leefde de poes; ze zat klein maar vast in haar hoek gehurkt,

tusschen de kisten zonder een geluidje van lijden, den kop laag, de

oogen in een booze doodstrakte, boven het schaaltje met gesmolten

sneeuw.

't Was wel al twaalf uur toen de jongen schelde. 't Leven uitsnaterend

kwam hij binnen, hij had niet vroeger kunnen komen, hij had zich moeten

aangeven voor de militie. 't Dooiwater droop uit de rafels van zijn

broekspijpen bij elken tred dien hij hooger klom achter me op de trap;

hij droeg de modder neêr van zijn gedool door de slijkstraten, overal

waar hij zijn slofvoeten schoof. Hij slobberde heelemaal naar binnen,

als altijd met de handen in zijn zakken, duwde de deur met een

achteromstoot van zijn elleboog dicht en schreeuwde toen dadelijk, mij

bij de kisten ziende:

--«Heere Jezus, ze leeft nog; nou hoor, da's een taaie."

Zijn blondkop slingerde op zijn schouders, hij droeg daarop een nieuwe

pet, schuin, losjes op het rechteroor; 't was een blauwe zeemanspet met

recht glimmende klep, met een glad gelakt stormriempje aan twee koperen

knoopjes, waarin geel-glimmende ankertjes blonken. Ook zijn das was

nieuw en niet als een touw meer om zijn hals gedraaid, maar met zorg

behaagziek gevouwen en dan met een loopenden matrozenknoop onder het

strottenhoofd dicht gehaald.

Dadelijk was hij thuis en neêrgevallen op zijn stoeltje.

--«Waar is je pet?"

--«Hier."

Als een oud vel en dichtgevouwen in vieren kwam het ding zijn zak uit.

«'k Heb hard geloopen," begon hij te liegen met een hik, «want 't was

al laat; we hebben veel lol gehad, we waren wel met zijn twintigen

jongens.... he.... maar die heeren die hebben altijd de tijd, ze hebben

me lang laten wachten, wel.... wel.... drie uren. Ze mosten me opzoeken

in de boeken, wanneer ik geboren was, ziet u. Nou weet ik 't meteen....

mijn ouwe vrouw wou 't nooit zeggen, dan hoeft ze niet te trakteeren als

'k jarig ben, ziet u.... maar nou weet 'kt.... den zeuvenentwintigste

Mei van het jaar een en zeuventig.... Weet u nou hoe oud of ik ben?....

Nee?.... achttien.... de heeren hebben 't gezegd, van 't jaar één en

zeuventig.... een mooie leeftijd.... as 't m'n ouwe maar wou, dan ging

ik naar zee, naar den Oost.... maar 'k ben al twee keer teruggehaald....

m'n moeder geeft 't telkens an.... één keer was ik in Harderwijk. Je kan

teugenswoordigs niks meer doen, wat zeg ú nou.... maar ik word toch

afgekeurd, ik heb een springaar in mijn oog, hier in mijn rechter....

een springaar"....

Dat beloofde wat. Het geslenter van den ochtend, het de-held-zijn van

een troep wilde jongens, allen dapper omdat ze zich hadden aangegeven

voor den soldatendienst, het schetteren onder elkaâr over oost en zee

en mooie kleêren, het getrakteer, het telkens er nog ééntje pakken,

het luidruchtig geboemel van jeneverkroeg naar jeneverkroeg, had hem

losgemaakt in het geontdooi van den winter en het leven in hem wakker

gegeeseld.

En hij was dien middag onwederstaanbaar. Gelijk het bruis op de lippen

van een bezetene borrelde het leven over zijn lippen: het spoog uit zijn

oogen, het schuimde in zijn mond, het leefde uit zijn losgeraakte armen

en beenen; met zijn handen, niet lui meer, begeleidde hij in de lucht

zijn vaag gevisionneer. En in het opgeblazen durven, in het zelfgevoel

van zijn dapperheid was hij aan 't tabakspruimen begonnen.... «een man

mot kenne pruimen wat zegt ú nou, ja.... want wie geen slokkie lust....

dat 's geen kerel.".... En hij stond half te kauwen of dan weêr de

heete pruim in zijn mond heen en weêr te gooien; er kwam een klein vies

optrekken van het wangenvleesch om de neusvleugels, de mond viel een

beetje open, want 't overvloedige sap kwelde hem en kwijlde zijn mond

vol. Dan liep hij van zijn plaats, in 't fatsoensbegrip van bij een heer

niet op de planken te mogen kwalsteren en hij spoot het tusschen zijn

scherpe tanden door sissend in den kachelbak, of wel, dikwijls als hij

niet durfde wegloopen van zijn plaats, slokte hij met een weêrstrevend

gewring van zijn heele keel het bittere sap naar onder.

Zoo ging de middag voorbij, van werken geen sprake; telkens bovendien

liep ik even kijken naar de kisten, in de spanning van het wachten op

haar sterven. Zijn luidruchtigheid ging heel veel over mijn hoofd heen,

ik was met mijn gedachten niet bij hem.

Dus deed hij wat ie wilde; met zijn wildebeesteninstinkt voelde hij dat

hij de baas was; de enkele malen dat ik hem verbood, lachte hij slim of

hield zich sentimenteel; maar dan rommelde op den zolder weêr zijn genot

rond en zijn luidruchtige pretstem kletste voort; hij rakelde al zijn

kennis en kunstjes bij elkaâr, opsnoevend tegen zich zelven bedacht hij

nieuwe dingen, om mijn aandacht te hebben, om het werken, het stilstaan

te ontkomen.

Hij keerde een brandend stompje sigaar met zijn lippen in den mond om

en rookte met het vuur naar binnen, en flapte het dan weêr zijn natte

lippen uit, en trok en haalde met hol ingezuig van zijn elastieke

wangen het natte en half uitgedoofde eindje weêr in rooden brand. Hij

beet een cent door midden, het koper knauwend en wringend tusschen de

klem van zijn wreede tanden. Hij maalde een stuk kool uit de kachel

fijn, knersend liep het zwarte sap zijn mondhoeken uit. O.... maar

hij kon nog wel wat anders.... Hij begon omgekeerd over den zolder te

loopen, zijn handen met gesloten vingers als van een aap, plat op den

grond, de beenen knieknikkend in de hoogte spartelend, het vuile jasje

als een jak afhangend om zijn kop en handen. En daarna nam hij een stuk

papier «pampier, genogt" en vouwde het in wel vijftig repen, langzaam,

geduldig, als was het een gewichtig iets, precies, en begon toen: «kijkt

u" er meê te draaien en te wringen, het uit te klappen en dicht te

slaan, het te rimpelen en te plooien tot allerlei figuren als een

volleerd goochelaar. Met een zeurige, weenerige stem begon hij er een

lesje bij op te zeggen, dadelijk terugvallend in den juisten toon: «Dat

is voor 't eerst, Heeren en Dames, een kleine hand-harmonica," lijmde en

zong zijn kermisstem als stond hij midden op de markt onder een hoop

kijkers, of voor een deftig huis met veel kinderen om zich in een wijde

straat. Figuur na figuur kwam en wrong hij van 't papier, dingen met

stompe gelijkenis aan de dingen die zij verbeelden moesten. «Dàt is

een tràp om meê naar bóven toe te gaan; kijk nou draait ie, dat is een

kerkraam.... en dàt een kokarde die de heeren postiljons op de hoeden

dragen en dat een ster voor kòningen en kèizers. Dat is een zonnewaaier

om te verkoelen.... en dat een époulet die de heeren officieren op de

schòuders dragen.... Dat is een klein schilderhuisje en dat een wijnglas

waar de heeren graag sjampànje uit drinken.... en dat een kánapee en dat

een voetenbankje en dat een kinderenwieg, Suja.... Suja...."

Het stijve papier ratelde tusschen zijn vingers, frommelend en

friemelend en knijpend en rekkend: «ziet u, 't pampier is te stijf,

't mot olifant wezen".... ontwikkelde hij met veel armgewerk en

vingergeschik, het gevirtuoos een beetje ontwend, zijn reeks van

papieren gelijkenissen. En hij liet de gewrichtjes der vingers knakken

en kraken, als hij met een slag, een hokus-pokus-slag, het eene figuur

uit het andere haalde, tot het vermaak der menschen die hij denkbeeldig

om zich had. Het lesje liep af.... de letter K kwam, een Spaansche

halskraag werd een preekstoel met een trap er aan.... en toen de raderen

van een stoomboot die door het water vaart.... «Dat is een priëel,"

zong hij.... «en dat het mussie dat mijn zalige grootmoeder droeg,

is ze niet zàlig dan is ze ten minste gelukkig uit de vòeten.... en

dat is een spùugbakkie.... en dat een kuipersschaaf.... en dat een

koetslantaren.... en dat, Dames en Heeren, is een Engelsch zoutvat en

als je nou allemaal wat geeft dan heb ik óók wat."

Het gestrookte en beduimelde papier, grauw geworden onder het geknoei

van zijn morsige vingers, had den vorm nu van twee lompe bekervaatjes

met de punten vast aan elkaâr. In de kneep in 't midden hield hij de

gelijkenis bijeengevat tusschen duim en vinger. Hij stak het bakje

bedelend vooruit, nam met de andere hand zijn bontpet nederig af, hem

van boven vattend aan den bol, als een pleister trok hij het ding van

zijn kop en ging toen rond.

--«Nee, 't was maar gekheid, ziet u," zei hij even bedremmeld.... «maar

ziet u, u weet nou wel veel... maar ik ken ook een heele boel.... Och,

mijnheertje lief, ik kan nog wel wat anders doen.... en ziet u, u hebt

nou wel veul gezien van uw leven misschien, maar dat hebt u nog nooit

gezien... geef u me nou eris een slok petroleum."

--«Wat?"

Maar eer ik het beletten kon, had hij de oliekan van zijn plaats getild

en ontstopt.

--«Och nee, geeft u me nou maar es een lucifertje. Nee, wees maar niet

bang, 'k zal geen kwaad doen. Zet u de deur maar even open.... Toe, geef

nou hier.... och bè je belazerd, 't is wat mooi."

En toen zette hij de kan aan zijn mond en zoop met de lippen tot een

tuit gehold een forschen slok van het vieze vocht. Zijne oogen lachten

triomfantelijk boven zijn vetten mond, hij draaide met het gezicht naar

de deur, vervolgens streek hij de lucifer aan. En langzaam, en nogmaals

omkijkend, ging zijn arm met het brandende stokje tot vlak boven zijn

kin, en toen spoot hij in eens, met een blaas van zijn wangen, met een

klein voorover- en teruggeruk in de schouders, de olie met de lippen

poederend, het stille geel en blauwe houtvlammetje in.

En als een garf van fijn vuur vloog er een roode vonkenvlam, een meer

dan een meter lange pluim van vlammend gesprankel voor zijn mond uit.

't Was alsof het leven vuurlaaiend braken kwam uit zijn strot; met schrik

om het hart, met kloppende keel stond ik het aan te staren. 'k Zag zijn

wild dartele oogen blikkeren van genot, witlichten in het vuurleven

boven den bundel van poederend vonkengoud. Hij kneep de lippen

dicht alsof hij de vlam afbeet, ze was uit; ik hoorde het als ver lachen

spoelen in zijn vollen mond, maar om hem was het een oogenblik donker.

Maar alweêr een sproeisel van laaiend licht, een schoof licht; een gulp

van zijn heeten adem geleek het in brand gevlogen, zijn beestennatuur

ontploft als een vuurpijl, uitsissend uit zijn kokende binnenste.

Had ik me vergist? Had ik onder de vonkenkolom dóor mijn poes niet zien

schuiven uit haar sterfhoek? Had ik niet een klein donker geslinger

gezien naar het open buiten? Maar de jongen bleef vlammen spuwen, zij

vlogen en stoven de deur uit, want met een laatste inspanning van zijn

longen en wangen spoot hij zijn bek leêg. In vonkengewervel, in kort

gebrok van roode vlammetjes, flakkerend als vurige vlinders in het

poeder van stuivende lichthitte, in zwart rookgekrinkel vlogen ze door

het gat tot in het kleine portaal.

En toen.... een gesmoord klots, klots, een dof bonkend gecadanseer van

een week ding, vallend en stuitend in den val langs het hout van een

trap, kwam stommelend naar binnen.

.... Doodsvlammen, doodsvlammen....

Maar daar was een lach al aan het bulderen begonnen, een bezeten lach,

een hard gehort van uitgestooten gelach, en ik zag bij de bovenste trede

den jongen staan, voorover gebogen over het trapgat met de handen op

den buik, krimpend en buigend en wringend en trappend met de voeten in

zijn dol plezier. 't Bloed zwol in zijn hals en ooren en hij sloeg met

den kop, zijn oogen hadden het benauwd in hun holten; maar van zijn

olievette opengebarsten lippen druischte zijn lach, schaterde zijn lach,

bonkte en blèrde en hooggilde zijn lach, rauw als het geschetter uit een

triomf-blazende trompet.

--«O, o!" proestte hij. «O, God, o, Jezus, kijk nou, menheertje, ze wier

levend, maar nou is z' er geweest. O, kijk toch, kijk"....

En ik keek, ze was dood. Heel beneden lag ze, schuin neêrgekomen na den

tuimel, gevallen op de goorgele biesruiten van de vloermat onder aan de

trap; plat lag ze zoo, plat op haar zij, donker, met den staart achter

zich aan, als was ze doodgebleven in een bangen sprong.

En weêr als een ontdekking plotseling, zooals men iets zien kan voor de

eerste maal, drong zich uit de laagte haar kleinheid naar mij op, zag ik

weêr nu hoe ellendig klein en mager dat ze was.

En langs de treden ging ik omlaag en ik bukte en raapte haar op van het

vloermatje, terwijl boven door de trapholte het geweldige lachen van den

jongen buitelen bleef en neêrvallen kwam over haar en mij, daar waar hij

hoog op de trede nog stond uit te stuipen in een kramperig gehik van

heetschokkende ademstooten.

--«Ga maar weg, Louis," zei ik, toen hij beneden was, «hier is je geld."

--«Mot ik morgen weêrom komme, menheer?" vroeg hij, uit zijn nat gezicht

nog lachend.

--«Nee."

--«Overmorgen?"

--«Nee."

--«Niet? Dan zal u me wel weêr kommen halen."

Hij draafde weg, met het geld rammelend. In de verte van het pad hoorde

ik hem nog aangaan tegen de kinderen met zijn luidruchtige jongensstem;

maar in huis was het opnieuw stil.

En toen heb ik haar gedragen naar boven, en stil heb ik een laken

genomen, een schoon linnen van mijn bed, en ik heb dat zorgvuldig

gespreid, glad over het mousselien van het stoelkussen.

En zooals ze was in de strakke strekking van haar dood-zijn, heb ik haar

nedergelegd, den staart hoog in de blanke plooien.

En op mijn veldstoeltje heb ik mij over haar gezet toen, en ik ben haar

aan gaan zitten kijken zoo ze daar lag, wel wat weggezakt in het kussen,

maar niet zoo klein meer als straks, zóo ze daar lag, mij aankijkend met

het oog open en vol verwijt, uit het witte getreur van het armelui's

lijkenlinnen.

Een Tango.

Proza · 第 19 / 30 题