Twee dagen zat ze daar zoo in den donker, zonder beweging, zonder een
geluidje van lijden, klachtloos te sterven in haar zelfgekozen hoek. En
ik moest wel dikwijls naar haar komen zien, al wist ik toch wel telkens
hetzelfde te zullen vinden; het schemerende hoopje, het ziek haargeglim
in het kistendonker en het smartgeglimp van haar vèr naar binnen
schouwende oogen die stom in zich zelve leden.
Eenmaal nog, den derden dag van haar ziekte, had ik haar gestoord en
haar opgebeurd met de hand zacht onder haar borst, en haar gezet bij
het raam op haar oude plaats. Er was een goed buurvrouwtje komen kijken
en die had het oude hoofd in het zwart wollen winterkapje boven haar
geschud, en gemeend had ze: het zouen misschien de tanden zijn, daar
gingen veel poesen en ook veel kinderen aan dood; en gezegd had ze: van
de natuur die haar loop moest hebben, want je wist toch maar niet wat je
aan zoo'n beest moest doen. Maar wat later, ze was al weg, was de poes
opgestaan en had beproefd te dalen van het kussen, maar 't ging niet
meer; dus had ik haar moeten zetten op den grond, voorzichtig, bang om
haar zeer te doen. En dadelijk was ze aan het loopen gegaan, wankelend
nu boven haar klein gestap, en halsstarrig was ze teruggekropen tusschen
de kisten, koppig saâmgehurkt in haar sterf hoek, norsch gesloten in al
haar kleinheid, maar klachtloos als een sterke man die onverzettelijk in
den toorn om zijn lijden gesloten loopt.
En buiten lag al dien tijd de sneeuw die de geluiden meêneemt en de
voorbijgangersvoetstappen tot onhoorbaarheid dooft. 't Was een Zondag,
de vierde dag van haar ziekte. Als ik beneden kwam zag ik het pad
lang gaan, rein verdwijnend tusschen zijn boompjes en huisjes, met de
glinsterende sporen der voetzolen en der wagenwielen, want het vroor nog
immer. In de buurt was niemand, maar in de verte van het pad kwam een
boerenvrouwtje donker aandribbelen, haar zondagskleertjes schikkend
zooals ze kwam uit haar huis, 't kerkboek met gouden slot in de hand.
En de huizen stonden alle blank overhuifd en de rook der donkere
schoorsteenen was weekelijk blauw in de warmwitte lucht, van sneeuw nog
vol. Breed bleek lag het land achter de zwarte rasters, het zwol weg
onder het malsche sneeuwdek in de witte winterstilte van den Zondag, en
van de zijde des Amstels relde dan soms een gaande of komende tram haar
gerel; het kwam, zuiver klepelgeklank in de ruimte leêg van geluiden,
als het schellen dat een priester vooruit gaat in een roomsch land,
wanneer hij het laatste oliesel brengen komt aan een verren stervende.
En ook in mijn huis was het stil, stil door de sneeuw, stil door de
zondagseenzaamheid van het huis, en door mijn raam zag ik op lichte
daken, doodsbaren onder witte lakens.
Maar tegen den avond van dien stillen dag, toen ik nog eens kijken kwam
hoe het haar ging, zat ze vooruitgekropen, den kop boven het schoteltje
met water. Wilde ze drinken? Ik reikte haar het schoteltje toe, maar
er bewoog geen een begeerte meer uit haar klein lichaam. Was 't om de
koelte dat ze zoo hurkte boven het koude water? Brandde de doodskoorts
binnen in haar hoofd? Wat kon zoo'n grove man doen voor zoo iets kleins
van zijn liefde? Een schoteltje sneeuw zou nog frisscher zijn. Naar
beneden en het wit steenen plakje geschept vol frissche sneeuw, en dan
de kachel uit en haar zoo gelaten in de kou van de werkplaats.
* * * * *
Maar den volgenden dag was 't pad een poel, het vroor niet langer, het
dooiwater lekte en rikketikte om mijn huis watergestraal en gesijpel
klutsten kuiltjes in de sopperige brij van sneeuw en modder, en groeven
de voegen tusschen de gele straatklinkers uit. En er was binnen een
gezuig en gezucht van ontlatende kou, en op het dak en uit de boomen in
den tuin was 't een voorjaarsleven alsof er veel katten leefden; maar
met plomp geruisch, met den gedoofden slag van schoppen aarde op een
kist, vielen de plakken sneeuw langs de pannen op de aarde neêr. En er
was een lucht van ontbinding en overgang overal, de lauwe geuren van
wegterend wintermooi, lucht van dooiwater en van rottend ijs en van
sneeuw die vergaat. Nattig ook kwam het licht treuren naar binnen,
blauwend als een waas om gebroken oogen, zóó de ruimte nemend voor haar
week geschijn.
Nog leefde de poes; ze zat klein maar vast in haar hoek gehurkt,
tusschen de kisten zonder een geluidje van lijden, den kop laag, de
oogen in een booze doodstrakte, boven het schaaltje met gesmolten
sneeuw.
't Was wel al twaalf uur toen de jongen schelde. 't Leven uitsnaterend
kwam hij binnen, hij had niet vroeger kunnen komen, hij had zich moeten
aangeven voor de militie. 't Dooiwater droop uit de rafels van zijn
broekspijpen bij elken tred dien hij hooger klom achter me op de trap;
hij droeg de modder neêr van zijn gedool door de slijkstraten, overal
waar hij zijn slofvoeten schoof. Hij slobberde heelemaal naar binnen,
als altijd met de handen in zijn zakken, duwde de deur met een
achteromstoot van zijn elleboog dicht en schreeuwde toen dadelijk, mij
bij de kisten ziende:
--«Heere Jezus, ze leeft nog; nou hoor, da's een taaie."
Zijn blondkop slingerde op zijn schouders, hij droeg daarop een nieuwe
pet, schuin, losjes op het rechteroor; 't was een blauwe zeemanspet met
recht glimmende klep, met een glad gelakt stormriempje aan twee koperen
knoopjes, waarin geel-glimmende ankertjes blonken. Ook zijn das was
nieuw en niet als een touw meer om zijn hals gedraaid, maar met zorg
behaagziek gevouwen en dan met een loopenden matrozenknoop onder het
strottenhoofd dicht gehaald.
Dadelijk was hij thuis en neêrgevallen op zijn stoeltje.
--«Waar is je pet?"
--«Hier."
Als een oud vel en dichtgevouwen in vieren kwam het ding zijn zak uit.
«'k Heb hard geloopen," begon hij te liegen met een hik, «want 't was
al laat; we hebben veel lol gehad, we waren wel met zijn twintigen
jongens.... he.... maar die heeren die hebben altijd de tijd, ze hebben
me lang laten wachten, wel.... wel.... drie uren. Ze mosten me opzoeken
in de boeken, wanneer ik geboren was, ziet u. Nou weet ik 't meteen....
mijn ouwe vrouw wou 't nooit zeggen, dan hoeft ze niet te trakteeren als
'k jarig ben, ziet u.... maar nou weet 'kt.... den zeuvenentwintigste
Mei van het jaar een en zeuventig.... Weet u nou hoe oud of ik ben?....
Nee?.... achttien.... de heeren hebben 't gezegd, van 't jaar één en
zeuventig.... een mooie leeftijd.... as 't m'n ouwe maar wou, dan ging
ik naar zee, naar den Oost.... maar 'k ben al twee keer teruggehaald....
m'n moeder geeft 't telkens an.... één keer was ik in Harderwijk. Je kan
teugenswoordigs niks meer doen, wat zeg ú nou.... maar ik word toch
afgekeurd, ik heb een springaar in mijn oog, hier in mijn rechter....
een springaar"....
Dat beloofde wat. Het geslenter van den ochtend, het de-held-zijn van
een troep wilde jongens, allen dapper omdat ze zich hadden aangegeven
voor den soldatendienst, het schetteren onder elkaâr over oost en zee
en mooie kleêren, het getrakteer, het telkens er nog ééntje pakken,
het luidruchtig geboemel van jeneverkroeg naar jeneverkroeg, had hem
losgemaakt in het geontdooi van den winter en het leven in hem wakker
gegeeseld.
En hij was dien middag onwederstaanbaar. Gelijk het bruis op de lippen
van een bezetene borrelde het leven over zijn lippen: het spoog uit zijn
oogen, het schuimde in zijn mond, het leefde uit zijn losgeraakte armen
en beenen; met zijn handen, niet lui meer, begeleidde hij in de lucht
zijn vaag gevisionneer. En in het opgeblazen durven, in het zelfgevoel
van zijn dapperheid was hij aan 't tabakspruimen begonnen.... «een man
mot kenne pruimen wat zegt ú nou, ja.... want wie geen slokkie lust....
dat 's geen kerel.".... En hij stond half te kauwen of dan weêr de
heete pruim in zijn mond heen en weêr te gooien; er kwam een klein vies
optrekken van het wangenvleesch om de neusvleugels, de mond viel een
beetje open, want 't overvloedige sap kwelde hem en kwijlde zijn mond
vol. Dan liep hij van zijn plaats, in 't fatsoensbegrip van bij een heer
niet op de planken te mogen kwalsteren en hij spoot het tusschen zijn
scherpe tanden door sissend in den kachelbak, of wel, dikwijls als hij
niet durfde wegloopen van zijn plaats, slokte hij met een weêrstrevend
gewring van zijn heele keel het bittere sap naar onder.
Zoo ging de middag voorbij, van werken geen sprake; telkens bovendien
liep ik even kijken naar de kisten, in de spanning van het wachten op
haar sterven. Zijn luidruchtigheid ging heel veel over mijn hoofd heen,
ik was met mijn gedachten niet bij hem.
Dus deed hij wat ie wilde; met zijn wildebeesteninstinkt voelde hij dat
hij de baas was; de enkele malen dat ik hem verbood, lachte hij slim of
hield zich sentimenteel; maar dan rommelde op den zolder weêr zijn genot
rond en zijn luidruchtige pretstem kletste voort; hij rakelde al zijn
kennis en kunstjes bij elkaâr, opsnoevend tegen zich zelven bedacht hij
nieuwe dingen, om mijn aandacht te hebben, om het werken, het stilstaan
te ontkomen.
Hij keerde een brandend stompje sigaar met zijn lippen in den mond om
en rookte met het vuur naar binnen, en flapte het dan weêr zijn natte
lippen uit, en trok en haalde met hol ingezuig van zijn elastieke
wangen het natte en half uitgedoofde eindje weêr in rooden brand. Hij
beet een cent door midden, het koper knauwend en wringend tusschen de
klem van zijn wreede tanden. Hij maalde een stuk kool uit de kachel
fijn, knersend liep het zwarte sap zijn mondhoeken uit. O.... maar
hij kon nog wel wat anders.... Hij begon omgekeerd over den zolder te
loopen, zijn handen met gesloten vingers als van een aap, plat op den
grond, de beenen knieknikkend in de hoogte spartelend, het vuile jasje
als een jak afhangend om zijn kop en handen. En daarna nam hij een stuk
papier «pampier, genogt" en vouwde het in wel vijftig repen, langzaam,
geduldig, als was het een gewichtig iets, precies, en begon toen: «kijkt
u" er meê te draaien en te wringen, het uit te klappen en dicht te
slaan, het te rimpelen en te plooien tot allerlei figuren als een
volleerd goochelaar. Met een zeurige, weenerige stem begon hij er een
lesje bij op te zeggen, dadelijk terugvallend in den juisten toon: «Dat
is voor 't eerst, Heeren en Dames, een kleine hand-harmonica," lijmde en
zong zijn kermisstem als stond hij midden op de markt onder een hoop
kijkers, of voor een deftig huis met veel kinderen om zich in een wijde
straat. Figuur na figuur kwam en wrong hij van 't papier, dingen met
stompe gelijkenis aan de dingen die zij verbeelden moesten. «Dàt is
een tràp om meê naar bóven toe te gaan; kijk nou draait ie, dat is een
kerkraam.... en dàt een kokarde die de heeren postiljons op de hoeden
dragen en dat een ster voor kòningen en kèizers. Dat is een zonnewaaier
om te verkoelen.... en dat een époulet die de heeren officieren op de
schòuders dragen.... Dat is een klein schilderhuisje en dat een wijnglas
waar de heeren graag sjampànje uit drinken.... en dat een kánapee en dat
een voetenbankje en dat een kinderenwieg, Suja.... Suja...."
Het stijve papier ratelde tusschen zijn vingers, frommelend en
friemelend en knijpend en rekkend: «ziet u, 't pampier is te stijf,
't mot olifant wezen".... ontwikkelde hij met veel armgewerk en
vingergeschik, het gevirtuoos een beetje ontwend, zijn reeks van
papieren gelijkenissen. En hij liet de gewrichtjes der vingers knakken
en kraken, als hij met een slag, een hokus-pokus-slag, het eene figuur
uit het andere haalde, tot het vermaak der menschen die hij denkbeeldig
om zich had. Het lesje liep af.... de letter K kwam, een Spaansche
halskraag werd een preekstoel met een trap er aan.... en toen de raderen
van een stoomboot die door het water vaart.... «Dat is een priëel,"
zong hij.... «en dat het mussie dat mijn zalige grootmoeder droeg,
is ze niet zàlig dan is ze ten minste gelukkig uit de vòeten.... en
dat is een spùugbakkie.... en dat een kuipersschaaf.... en dat een
koetslantaren.... en dat, Dames en Heeren, is een Engelsch zoutvat en
als je nou allemaal wat geeft dan heb ik óók wat."
Het gestrookte en beduimelde papier, grauw geworden onder het geknoei
van zijn morsige vingers, had den vorm nu van twee lompe bekervaatjes
met de punten vast aan elkaâr. In de kneep in 't midden hield hij de
gelijkenis bijeengevat tusschen duim en vinger. Hij stak het bakje
bedelend vooruit, nam met de andere hand zijn bontpet nederig af, hem
van boven vattend aan den bol, als een pleister trok hij het ding van
zijn kop en ging toen rond.
--«Nee, 't was maar gekheid, ziet u," zei hij even bedremmeld.... «maar
ziet u, u weet nou wel veel... maar ik ken ook een heele boel.... Och,
mijnheertje lief, ik kan nog wel wat anders doen.... en ziet u, u hebt
nou wel veul gezien van uw leven misschien, maar dat hebt u nog nooit
gezien... geef u me nou eris een slok petroleum."
--«Wat?"
Maar eer ik het beletten kon, had hij de oliekan van zijn plaats getild
en ontstopt.
--«Och nee, geeft u me nou maar es een lucifertje. Nee, wees maar niet
bang, 'k zal geen kwaad doen. Zet u de deur maar even open.... Toe, geef
nou hier.... och bè je belazerd, 't is wat mooi."
En toen zette hij de kan aan zijn mond en zoop met de lippen tot een
tuit gehold een forschen slok van het vieze vocht. Zijne oogen lachten
triomfantelijk boven zijn vetten mond, hij draaide met het gezicht naar
de deur, vervolgens streek hij de lucifer aan. En langzaam, en nogmaals
omkijkend, ging zijn arm met het brandende stokje tot vlak boven zijn
kin, en toen spoot hij in eens, met een blaas van zijn wangen, met een
klein voorover- en teruggeruk in de schouders, de olie met de lippen
poederend, het stille geel en blauwe houtvlammetje in.
En als een garf van fijn vuur vloog er een roode vonkenvlam, een meer
dan een meter lange pluim van vlammend gesprankel voor zijn mond uit.
't Was alsof het leven vuurlaaiend braken kwam uit zijn strot; met schrik
om het hart, met kloppende keel stond ik het aan te staren. 'k Zag zijn
wild dartele oogen blikkeren van genot, witlichten in het vuurleven
boven den bundel van poederend vonkengoud. Hij kneep de lippen
dicht alsof hij de vlam afbeet, ze was uit; ik hoorde het als ver lachen
spoelen in zijn vollen mond, maar om hem was het een oogenblik donker.
Maar alweêr een sproeisel van laaiend licht, een schoof licht; een gulp
van zijn heeten adem geleek het in brand gevlogen, zijn beestennatuur
ontploft als een vuurpijl, uitsissend uit zijn kokende binnenste.
Had ik me vergist? Had ik onder de vonkenkolom dóor mijn poes niet zien
schuiven uit haar sterfhoek? Had ik niet een klein donker geslinger
gezien naar het open buiten? Maar de jongen bleef vlammen spuwen, zij
vlogen en stoven de deur uit, want met een laatste inspanning van zijn
longen en wangen spoot hij zijn bek leêg. In vonkengewervel, in kort
gebrok van roode vlammetjes, flakkerend als vurige vlinders in het
poeder van stuivende lichthitte, in zwart rookgekrinkel vlogen ze door
het gat tot in het kleine portaal.
En toen.... een gesmoord klots, klots, een dof bonkend gecadanseer van
een week ding, vallend en stuitend in den val langs het hout van een
trap, kwam stommelend naar binnen.
.... Doodsvlammen, doodsvlammen....
Maar daar was een lach al aan het bulderen begonnen, een bezeten lach,
een hard gehort van uitgestooten gelach, en ik zag bij de bovenste trede
den jongen staan, voorover gebogen over het trapgat met de handen op
den buik, krimpend en buigend en wringend en trappend met de voeten in
zijn dol plezier. 't Bloed zwol in zijn hals en ooren en hij sloeg met
den kop, zijn oogen hadden het benauwd in hun holten; maar van zijn
olievette opengebarsten lippen druischte zijn lach, schaterde zijn lach,
bonkte en blèrde en hooggilde zijn lach, rauw als het geschetter uit een
triomf-blazende trompet.
--«O, o!" proestte hij. «O, God, o, Jezus, kijk nou, menheertje, ze wier
levend, maar nou is z' er geweest. O, kijk toch, kijk"....
En ik keek, ze was dood. Heel beneden lag ze, schuin neêrgekomen na den
tuimel, gevallen op de goorgele biesruiten van de vloermat onder aan de
trap; plat lag ze zoo, plat op haar zij, donker, met den staart achter
zich aan, als was ze doodgebleven in een bangen sprong.
En weêr als een ontdekking plotseling, zooals men iets zien kan voor de
eerste maal, drong zich uit de laagte haar kleinheid naar mij op, zag ik
weêr nu hoe ellendig klein en mager dat ze was.
En langs de treden ging ik omlaag en ik bukte en raapte haar op van het
vloermatje, terwijl boven door de trapholte het geweldige lachen van den
jongen buitelen bleef en neêrvallen kwam over haar en mij, daar waar hij
hoog op de trede nog stond uit te stuipen in een kramperig gehik van
heetschokkende ademstooten.
--«Ga maar weg, Louis," zei ik, toen hij beneden was, «hier is je geld."
--«Mot ik morgen weêrom komme, menheer?" vroeg hij, uit zijn nat gezicht
nog lachend.
--«Nee."
--«Overmorgen?"
--«Nee."
--«Niet? Dan zal u me wel weêr kommen halen."
Hij draafde weg, met het geld rammelend. In de verte van het pad hoorde
ik hem nog aangaan tegen de kinderen met zijn luidruchtige jongensstem;
maar in huis was het opnieuw stil.
En toen heb ik haar gedragen naar boven, en stil heb ik een laken
genomen, een schoon linnen van mijn bed, en ik heb dat zorgvuldig
gespreid, glad over het mousselien van het stoelkussen.
En zooals ze was in de strakke strekking van haar dood-zijn, heb ik haar
nedergelegd, den staart hoog in de blanke plooien.
En op mijn veldstoeltje heb ik mij over haar gezet toen, en ik ben haar
aan gaan zitten kijken zoo ze daar lag, wel wat weggezakt in het kussen,
maar niet zoo klein meer als straks, zóo ze daar lag, mij aankijkend met
het oog open en vol verwijt, uit het witte getreur van het armelui's
lijkenlinnen.
Een Tango.