II.

--«Kom, Louis, sta nu eens een beetje stil."

--«Ja, mijnheer Ko," zei hij onderworpen.

En 't was weêr een poosje werkstil in mijn atelier. Onder het daklicht,

tegenover mij, stond de jongen poseerend voor zich uit te kijken, de

handen in den zak. Zoo had ik hem eens voor de deur zien staan als

straatventer van lampeglazenwisschers en komfoor-treeftjes, en ingepakt

dadelijk door zijn mooi openluchts-uiterlijk, had ik hem overgehaald

bij mij als model wat geld te verdienen. Dat deed ik nu al een tijdje,

't was wel een goedkoop model, maar 't ging maar niets.

Nu stond hij daar. Hij haalde met een luien ruk zonder de handen te

gebruiken, zijn broek die met een touw om zijn heupen hing, op, en keek

vervolgens uit de blauwe oogen schuin, op zijn gemak het raam uit, naar

de groote lucht, in de wittige zon, waarin droge sneeuwpluisjes als

losgestoven donsveêrtjes, men weet niet vanwaar zij komen, voorbijgingen

aan het raam.

--«Neen, Louis," zei ik.

De jongen keek den zolder in naar mijn gewerk en een onnoozel-slimme

lach spleet het rood van zijn zinnelijken jongensmond vaneen, de wangen

poffend; maar eer ik goed opkeek was die lach weggemoffeld met een

lippenbeweging alsof hij hem snel inzoog en stond hij zoetsappig voor

zich uit te kijken. Ik wist al lang dat de schooier me uitlachte. In

zijn vlagen van losbandige onverschilligheid had hij me meermalen

gezegd, hoe zot hij het vond zich zoo af te beulen op zijn bakkes.

Maar opnieuw zochten zijn oogen verstrooiïng en hij zei:

--«Ze hèt 't leelijk te pakken."

Hij sprak van de poes, die in elkaâr gekrompen zat in de kussens van den

rieten stoel onder het raam. Gisteren was ze den geheelen dag onrustig

geweest en had haar bedorven maag en ziek lichaam rondgesleept door den

zolder; maar nu bleef ze stil, wilde niets eten en drinken; suffend

zonder slapen zat ze kleintjes, soms met lustelooze oogen kijkend naar

mijn bewegen.

--«'t Is toch een lief beestje, 't is toch jammer."

De schelm. Zooeven had hij mij gezegd dat ik haar maar dood moest slaan;

hij wou 't wel doen, hij wist de huid te verkoopen voor zestien

stuivers.

--«Kom, poes, gaap eres," zei hij, in eens uit zijn onbewegelijkheid

schietend, en met het gele borsteltje van een lampewisscher begon hij 't

beest aan den neus te kittelen.

Ze schoof stom achteruit, bang voor het gele gedrocht.

--«Wil je het gauw laten, hè."

Een wreed lachen schoof kort hortend den jongen den mond uit. Hij was

voorover gevallen van plezier, den krulharigen blondkop met de ruige

petkluit van oud bont vooruit, saâmgevallen schaterde hij 't uit, de

handen op den buik, onder het blauwe gezwabber van het bijna plooilooze

vest.

--«'k Mot altijd zoo lachen als u kwaad wordt," zei hij, toen 't

eindelijk gedaan was; «maar 't is toch een lief beest, 't is toch

jammer."

--«Eergisteren heb ik nog twee katten gevangen," praatte de jongen voor

zich uit met zijn spuugstem. «Eén heb ik er op zijn kop getrapt, daar

kennen ze niet tegen."

--«Niet?"

--«Nee, ziet u, ik schoot em eerst met een steen, hij liep in het land

bij ons op het erf, bij de wagen van m'n zwager, ziet u, en daar begon

ie te draaien, en toen dacht ik, wacht; en 'k liep naar em toe, en

ratsch, mijn hiel op zijn kop. Kijkt u, zoó.... Ach, toen was ie toch

meteen uit zijn lijen ook. Wat zegt ú nou?"

Zijn hals en krop was onder 't vertellen aan 't zwellen gegaan; zijn

stem werd almaar natter, of 't water hem van achter kwam loopen in den

mond; toen hij met zijn hiel draaide en stompen gaf in den grond op de

denkbeeldige kat, had er een scheutje oogenwit woest geflikkerd, maar

langzaam zakten zijn zware oogleden neêr, 't brutale smoel was weg en

hij stond weêr onderworpen, 't hoofd sentimenteel op zij.

En toen zijn stem met een hap ophield was het stil, opnieuw werkstil.

Beneden onder het raam trippelden kinderen voorbij, de school ging uit.

Ik hoorde hun druk gekibbel, hun opgewonden-zijn in de langzaam vallen

gaande sneeuw. Daar ginder kwam gillend een jongen hard aanloopen;

achter in mijn werkend hoofd kwamen de frissche geluidjes, jubelend

geklank, hoog lachjesgesteiger vol jonge onnoozelheid. Maar als bezeten

arbeidde ik voort, worstelend om het vliedende gezicht te vatten en

te hervatten op dien jongen, dat ik me telkens en telkens, dagen lang,

ontsnappen zag en verder weggaan en dan weêr even aankomen, in de

wisseling van het geweldige leven dat uit hem spotten kwam. Beneden uit

de steenhouwerswerkplaats bomde het onder me, het dof klopgeslaag der

houten hamers gruizelend den steen.

Wat een wuft gegroeide neus en 't leek wel of die vagebond honderd

monden had; zoo straks was zijn hals rank als een schooljongenshals en

nu was 't een krop dien hij opblies, een zak dien hij volstopte met zijn

opborrelende wilde neigingen.

Maar in een geslobber van zijn oude kleedij, lui staakbeenend in de

afgerafelde broek en te vadsig nog om zijn handen uit den zak te halen,

liep hij van zijn plaats zonder iets te zeggen, met de voeten sloffend

en zakte neêr op 't matte stoeltje dat ik voor hem had klaargezet als

hij rusten wou.

--«Je krijgt zoo'n pijn in je rug van dat staan."--

--«Och kom, je hebt gisteravond zeker weêr te veel jenever gedronken, je

kop is van morgen net zoo rood als een rooie kool."--

--«Heere God nee, ik ben er af."--

Hij zat al met de ellebogen op de knieën neêrgelaten, en met zijn

bontpet als met een dood beest spelend, hing hij voorover, log,

vierkant, een vracht op den vloer. En zoo liet hij me neêrkijken op

zijn gemeenen rug, die bot kwam onder het opgestop van de vracht oude

kleêren, welke arme menschen om de kou over elkander dragen. Onder het

neêrstortende vallicht was die rug als een vlak stugheid, een hard

klankbord, waar elke goede redeneering op afstuiten en stuk slaan zou.

Er was iets zoo geweldig beestachtigs in het geglimmer van zijn ronden

rug, iets zoo laags bij den grond in dien nederig gebogen slavenbast,

hoe was het mogelijk dat ik in die kluit grofheid ooit had gezien

en er telkens weêr inzag, eventjes, eventjes, het frissche van een

openluchtskind, het losse van een vrijen lanterfanter die gaat zoo 't

gaan maar wil.

Zoo had ik hem gezien en zoo was ik hem begonnen, dwalend van uitzicht,

mak als een wilde zomervogel in den ontbering-brengenden winter; maar

toen 't geld gekomen was, 't geregelde geld, toen verdween dat alles;

dan kwam hij 's morgens aanzeulen, hunkerend naar meer geld, opgeblazen,

met de uitspatting in de oogen van den vorigen avond, met het zwelgen

nog zwellend in zijn wangen en hals. 'k Zou hem maar weêr een poosje

de wei in sturen; maar hoe kreeg ik hem dan terug; hij woonde met zijn

moeder in een kermiswagen en driemaal op een dag sprak hij er van om

soldaat te worden en dan weêr naar zee, en dan weêr wat anders,

uitvliegen, uitvliegen, 't was een ellende.

Stil zat voor me, toen ik mijn palet neêrlag, mijn poes met ingezakten

rug, met de bekkenschonkjes en schouderplaten stekend door het vel, tot

een bangelijk hoopje saâmgehurkt in het mousselien van het stoelkussen.

Ze had de pootjes opgetrokken, weggeborgen onder het haarvel en de

staart als kouwelijk om zich getrokken. En ze was zoo stil, men merkte

niet dat ze er was; alles aan haar was stil, het kopje met den bleeken

bloedloozen neus, stil; en de oortjes steil, aan de randen droog en

dor, zonder een knipje beweging; ze was een doodstille zieke zóo;

alleen achter in haar halftoeë oogen donkerde en schroeide de levende

koortspijn. Ik had haar een legertje gemaakt bij de kachel, denkend dat

ze 't koud had, maar sluipstappend en kleinlijk klagend was ze de warmte

ontloopen en teruggekomen onder de frischheid van het raam. Toen had ik

haar maar aan haar lot overgelaten, men kan zich toch niet altijd bezig

houden met een zieke kat.

--«Neen! 'k wil ze niet meer!" spuugstemde de jongen met zijn kop naar

den grond.

Hij zat wat te frommelen met zijn zwarte vuilvingers aan het dotje van

een rouwstrikje op zij van zijn pet, toen kwam hij overeind, eerst de

eene arm, dan de andere.

--«Ik kan er anders wel teugen, ziet u, maar twintig borrels dat is toch

te veul, wat zegt ú nou?"

--«Jij liever dan ik."

--«Wat?" schoot hij snoeverig uit, zich ferm en recht makend, «de broer

van Jan drinkt er wel dertig."

--«Wie is Jan?"

--«Wel Jan, dat is de baas van het danshuis waar ik wel es speul, u weet

wel."

--«O ja."

--«Een goeie man die Bram, die houdt veel van me, maar hij heeft al twee

maal een toeval gehad; hebt u dat wel eens meer gehoord, menheer, de

vlam sloeg hem de keel uit, van de hitte van binnen, van de brandende

jenever!"

Er ging een ribbeling door het vel onder zijn oogen en zijn woorden

kwamen uit zijn mondholte zacht en bang, toen hij nog eens zei:

--«Nee, 'k wil ze niet meer."--

Maar dadelijk zijn angst verjagend, verzette hij zijn dunne beenen en

kletste voort:

--«We hebben samen al wat een lol gehad, want 't is wat een goeie man.

Hij mag me graag. Ze magge me allemaal graag. Weet u nou hoe dat komt?"

--«Nee? Ziet u, dat komt omdat ik altijd zoo vroolijk ben. Ik ben altijd

vroolijk, ziet u. Ik maak m'n moeder altijd aan 't lachen, ziet u.

Laatst toen mijn vader zaliger stierf, heb ik er nog aan 't lachen

gemaakt. Ze zei teugen me: «Louis, wil je nou nog niet eres je ouwe

vader voor 't laatst gedag zeggen".... en ze huilde zoo.... ik zei, ja

moeder.... en toen ben ik naar zijn bed gegaan bij ons in de wagen....

ziet u.... en ik heb gezegd, «nou dag, vader, 't ga je goed." Toen is

mijn moeder beginnen te lachen. O god, ze lachte zoo.... ik dacht dat ze

mijn ouwe weêr heelemaal levendig lachte. Ziet u, daarom maggen ze me

nou allemaal zoo graag."

Ik was geduldig over hem gaan zitten en liet hem zijn praatzucht

uitbuiën. 't Waren juist de dagen als hij den vorigen avond gezwendeld

had dat hij zoo doorsloeg, om 't werken te ontkomen. En hij had een slag

van verhalen doen, hij kon me soms aan 't luisteren zetten naar de echo

van zijn wild leven. Uit zijn ongeleerd hoofd spon hij soms tafereelen,

waarbij 'k mijn studie en mijn werk vergat.

Hij kon me vertellen hoe hij ging zoodra de kou voorbij was, met zijn

wagen, zijn gewielde woning, en zijn moeder, die hij zijn _kokkerol_

noemde, zijn vader: _stérestan_, en met zijn hit, gaande van kermismarkt

tot kermismarkt, levende in de groote lucht, in de groote zon. Hij kon

me vertellen van zijn bivakken aan de straatwegen, met het paardje

grazende aan den kant van een trekvaart, hij deed 't ho.o.o.... ho....

van de schippers tegen de schuitjagers na. Hij kon vertellen van warme

zomerdagen met gestolen aardbeien verfrischt, en van zoel wasemende

nachten met hooilucht vol. En hij vertelde graag, al snoevend, van zijn

jongensvechtpartijen en van de groote die hij had gezien, nadruk leggend

op het mooiste en bloedigste, in het meêgaan met zijn verhaal. En ze

waren soms wel wat bont zijn geschiedenissen en vol van noodkreten uit

houten reiswagens, angstkreten uitgestooten in den nacht, van onder de

neêrgeslagen zeilen der veldtenten, om hulp roepend, en van onder de

hangende nachthuiven om mallemolens, waar 's morgens vroeg, mannen met

woeste nachtharen elkaâr nazaten met bloote messen om een vrouw, zoekend

elkaâr te steken en te dooden in het morgendonker, tusschen de houten

paarden door en tusschen het stijve geschommel der geel geverfde leeuwen

van het caroussel.

En hij wist te verhalen, en hij deed het graag, van dichtbij geziene

bacchanalen, van menschen in troepen en 't keurslijf uit. Dan leefde hij

op, dan begon hij te stappen en met zijn armen te doen; met een ruk had

hij zijn pet schuin gezet, en met grooter oogen kijkend naar mij om,

riep hij, «kijkt u, zóo!" Hoe hij ging in den roodwalmenden kermisnacht,

in de bolle opwinding van muziek overal vandaan, in het vette gegeur

van goedkoop oliegebak, overal in de lucht, een lollenden menschentroep

vooruit; bezetenen van vrijheid en jenever als hij, die op zijn

harmonica zagend, in de ruimte zijn hoog heesche jongensstem voor zich

uitstuurde, zingende: «Och meissie, wà bè je lief en skoon." En dan zag

ik hem weêr, dan sprong en rees er uit zijn afgestompten jeneverkop,

uit zijn winterdofheid, zijn loutere jonkheid op, soms als een straal

spattend uit een aangeslagen vuursteen, soms tot een breedheid van

vlammende verbeelding gaande om hem, komend voor het geslobber uit van

zijn luien gang; en er was iets heel ongewoons, iets heel frischs in

zijn vuile stem, als hij dan neêrviel op zijn stoeltje en zijn groot

verlangen naar den ruimen zomer uitzuchtte: «'k wou dat 't maar weêr

voorjaar was."

Maar als hij, zooals nu, aan 't vertellen sloeg van zijn gezwerf, van

zijn nachtbraken en van zijn gauwdievenhistories uit de stad, dan

schoof er vaak tusschen hem en zijn naar diefstal en jenever ruikende

vertelling, plotseling als een staak uit den grond, zijn groote angst

voor de politie; dan bleef hij in de war gebracht staan, stom, met nog

pratenden mond, alsof een vuist hem had gegrepen van achteren in den

nek, en hij zweeg, zweeg, begon nog eens stotterend, maar sloeg dan aan

't liegen dat hij 't zelve geloofde.

Och, liegen, dat wist hij niet wat het was, hij loog uit gewoonte en

uit lust om te liegen; als een artist te midden van zijn materie, stond

hij vaak midden in zijn jokkerijen. Dan verstrikte hij in zijn eigen

verzinsels, en eer het verhaal gedaan was had hij zich wel tienmaal

versproken. Deed ik dan maar, en dat was voor het werken het

verstandigste, of ik alles geloofde, dan voelde hij dat niet, sloeg

door, almaar meer meêgesleept door zijn fantasieën. Maar soms gebeurde

het dat ik het kriebelen van den lust niet weêrstaan kon en hem zei hoe

hij loog, dan werd hij kort en norsch, of wel lachte me driest in 't

gezicht uit; of zooals meestal, hij maakte zich sentimenteel, lei het

hoofd op zij, begon te klagen, schijnheilige woorden, fraseerend zoo

zijn grootste leugen, de leugen van zijn bestaan, de leugen die hij met

de moedermelk had ingezogen en de leugen van zijn gansche ras en soort:

«och een mensch mot al wat doen om zijn broodje te verdiénen; wat zegt ù

nou?"

Het rusten had nu lang genoeg geduurd en ik zei:

--«Wil je?"

--«Ja, menheer," maar hij bleef zitten.

--«Neen, ga nu staan. Als je 't goed doet krijg je een sigaar."

--«Hè, twee, dan heb ik er van avond ook nog een."

--«Twee."

--«Ik geloof dat er maar weinig jongens zijn die 't bij u zoo goed

hebben als ik."

--«Kom, ga nu maar staan."

--«U bent een goeie menheer."

Hij hielp zich op, schokkend in een korten, als een plotselinge

hoeststoot, hortenden lach, kwam heelemaal overeind en slobberde in alle

vadsigheid vooruit.

En het werken werd hervat onder het luide gegeeuw van den jongen, die

met een wijd kakengegaap omdraaide op zijn plaats en me toen kijken liet

in zijn open mond met wreede, stompe tanden; als een apenbek, bleek-rood

van binnen, klepte de holte toe.

--«Allemaal lust."

Na het geworstel kwam al gauw het krachten slopende geploeter, om het

leven te geven, het leven dat alleen leven voortbrengen zal. En het

gewerk bezat me weêr, dat alleén maar mijne groote behoefte voldoen kan

naar dadengeleef.

--«Kijk, kijk ze wil er af. Kan je wel, poes?" spotte de jongen. «Wil ik

je een gatje geven?"

De kat was opgekomen en probeerde voorzichtig te dalen van het kussen,

't lijf stijf voorover geheld, den staart slap achter haar aan; zei

haar instinkt haar dat ze er morgen niet meer zou kunnen afkomen? Ze

aarzelde, tastte met de pootjes onder zich en liet zich eindelijk zoo

gaan. De nagels haakten en krasten weêrstrevend langs 't afgezak van

't stoelkussen; maar ze viel zacht op den vloer, zonder geluid begon ze

dadelijk te stappen, maar niet wankelend, de pootjes nog klauwend aan

den grond.

En als een slaapwandelaar die niet ziet of hoort, maar recht voor zich

uit gaat in de zekerheid van zijn droomen-visioenen, ging ze, op den

grond bewegend, onder mijn hooge oogen voorbij, tusschen den jongen en

mij door, den ezel langs, recht naar de deur.

--«Ze wil er uit," zei hij.

--«Neen, ze zoekt de frischte."

Ze was al bij de deur. Daar stonden twee schilderijkisten als armelui's

doodkisten, wit houten plankenbakken, ruw en ongeschaafd. Ze stonden

schuin geheld tegen den wand daar, met de losse deksels, geleund voor

elkaâr. En zij schoof de donkere sleuf in, in de gaping er tusschen, de

staart stak er nog uit, doch ook die verdween. Maar even daarna kwam

haar kopje weêr schemeren, ze had zich omgedraaid, zooals een kat dat

doet in zijn nest.

--«Laat haar maar met rust," zei ik tot den jongen.

--«God ja, 't is wat een lief beest; 't is toch jammer."

Ik zette een schoteltje water voor de kisten-opening, zieken zijn

dorstig,--maar toen weêr aan 't werken, men kan zich toch niet altijd

bezig houden met een zieke kat.

Buiten voor het raam was de sneeuw aan 't dwarreldansen begonnen, in een

schuin-gekruis, in een opgezweef en neêrgewemel van witte vlokken, en

een bleek geschemer kwam schaduw sproeien in de ruimte van den zolder,

sluierend het raam, als een scherm van dun gaasdoek dat doet voor de

lichtschuwe oogen van een doodzieke.

Proza · 第 18 / 30 题