DE DOOD VAN MIJN POES.

't Vroor dat het kraakte. Van buiten uit de laagte van het pad kwam het

voorbijgaand gepraat van een paar late mannen opstijgen langs het gladde

vlak van mijn atelierraam, met hun schoenzolenslag kwam het ijlpunten

door de lucht, bevroren tot fijn gespitste geluidjes, geslepen door de

kou, rein geworden als hoog jongensgestem. En ik zag hoe op mijn raam

de barre winternachtvorst haar bedriegelijk naaldwerk van ijsbloemen

aan 't spinnen begon, van onderen uit de hoeken der ruiten op. Naast me

ronfelde en laaide de kachel met heerlijken gloed, ik had er mijn ouden

leunstoel zoo dichtbij gerold als maar mogelijk was en zóó de warmte

indrinkend met mijn heele lichaam, zat ik te kijken vooruit, naar dat

broze gefantaseer op mijn groot glas.

Waar zou mijn poes zijn; al drie dagen was ze nu weg. Uren had ik haar

loopen zoeken, wat kon zoo'n beest er in godsnaam aan hebben nu, in zulk

een getij aan 't vagebondeeren te gaan, te blijven slenteren in zulk

een metaalharde nachtkou, die alles wat teêr was en onverzorgd, wel

vermoorden zou. In het land voor de deur was nu toch niets te halen,

het oude gras stond er bevroren, wit als oude haren, dood met het doode

land, en in den tuin hiernaast was 't niet veel beter; was zij bij de

buren, bij den zwarten kater? Misschien was ze wel vermoord, de jongens

van het pad schieten met katapulten, tusschen de rasters door, op de

katten, die in 't land snuffelen, ze verkoopen de huiden dan, en zij

hád zulk een mooie huid;--God, als die snotneuzen haar eens vermoord

hadden. Waar zat zoo'n beest anders zoo lang, en nu juist, nu ik haar

bij me hebben wou, nu 'k me zoo alleen voelde, zij zoo vroolijk met haar

gespeel; nu ik haar eigenwijs wel zou willen zien rondloopen over mijn

zolder, of onhoorbaar van haar nest op den luien stoel naar me komen

zien aanzetten, den geringden staart hoog dragend, als een pluim

ijdelheid die ze genoegelijk boven zich zelve opstak. Ik wou haar achter

de kachel zien gaan liggen nu, al knipoogend tegen den rooden gloed, ik

wou haar de leedjes zien gaan rekken in lui welbehagen, en dan lekken

haar lang lijf glimmend met de roode gespouwen tong. Kijk, dan begonnen

de zwarte ringen in haar vel te glimharen dat het een lust was, onder

den onverpoosden arbeid der elastieke tong, die met lange vegen, in

rugveeringen, het vlugge lijf rein streek. Soms hield ze dan in eens op,

lang liggend nog, maar de kop was geheven en spits geoord; de oogen wijd

gespalkt sloegen als barnsteen aan 't starlichten, en de staart klopte

dik en boos-zwart den grond. Hoorde ze het leven van een muis, of een

vogel rommelen in zijn gootnest? Maar 't zwarte rondtetje der pupil was

al weêr als een gordijntje tot een donker strookje saâmgeschoven, ze lag

al weêr languit op den grond, en het snorren kwam zelf-tevreden tusschen

de witte snoetsnorren uitbrommen; kijk, zoo zou ik haar weêr willen zien

liggen nu, op den rossen vloer van oud plankenhout, in weelderig

uitgerek, net doende zóo als een miniatuur van een koningstijger op een

roode rots, die zich heet stooft, geslagen liggend door 't zat vreten,

vuurkijkend nog uit de zwarte ringen van zijn geweldigen kauwkop en die

gaapt en rekt en knipoogt naar de zon.

Op mijn groot tralievenster was het een gewirwar, een heen en weêr

gesnel en gespoel van ijle ijsdraden, vooruit en terug, zigzaggend,

pijlrecht en hoepelkrom, krimpend en brekend en doorschietend als

flinten in geborsten glas. Op den matten grond van den waterdampaanslag

was het als etsgespeel, aan alle kanten schoten de ijsbloemen uit, ruit

na ruit bebloeiend.

Hoorde ik daar niet het miauwen van mijn poes uit den vriesnacht

komen; blauw staalglansde het buiten achter het gekristalliseer op

mijn raam; verstijven voelde ik rondom mijn huis den nacht tot een

hooge kou, een droog pegeldek van ijs en witte ruigte strekken gaan

rondom mijn pannendak, wijl hoog uit den hemel almaar meer blauwe koude

neêrduisterde, almaar méér witte kou opijsnaalde uit den klinkenden

grond, tot al de levenslucht ervan krimpen en saâmschrompelen zou, en

het laatste klein leven vermoord, meedoogenloos onder het hooge gepraal,

onder het ver-affe gekilklink der streng starende sterren. Hoorde ik

daar niet het miauwen van mijn poes, kreungeklaag komend van een kind in

koorts....

Toen naar beneden en rond gaan zien in den nacht op het pad; maar van

mijn poes geen spoor, er was niemand, er was niets, er was alleen koud

duister en klare kou; er was een ijsblauwe lucht, een wijdweg strekkend

glazuur, bekrast en bepriegeld met sterren, veredelsteende vonken, als

bevroren lichtdroppels zoo koud, tinkelend om den fosfoorstroom van den

melkweg, die als een veel bereden ijsbaan, beroofd van harden glans,

dwars door het luchtveld ging. Gelijk de koepel van een geweldige ijshal

stond de hemel boven het lang-uit-geschuif van het land, boven de rij

grenshuizen der laatste nieuwe-wijkstraten, massale schimmen van staand

donker voor de uitgebluschte aureool van het licht der stad, een dof

steenduister, waarin twee of drie venstervierkantjes eenzaam waren van

warm rood leven. En boven duistere loodsenhokken boog de hemel klaarder

en killer om en op, die waren weggeschaduwd in het warrig geblok van een

fabriek, waar middenin, als een reusachtige ijskegel het hooge gestijg

van den schoorsteen klom; boven het zwartverkleumde padzand met de

dorpershuisjes laag staande in de kou, met krampachtig gesloten

venstertjes, aan elkaâr geleund, stomp, nietig en zwaar duister,

Samojedenwoningen in een geruischloozen noordernacht, zóó verloren in de

ontzettende verstijving.

En in dat groote buiten-dood-zijn waren de pad-lantarens vreemde dingen,

schril kindergespeel in een sterfhuis, stille, rood afschijnende

kaarsen, door vreezende handen gezet bij het lijk van een dooden

machthebber.

Maar de meêgenomen warmte van boven was allang verloren en de kleêren

uitgedampt, met naaldprikken begon de kou in mijn huid te steken tot

diep in het vleesch; den vriesdood voelde ik opkruipen door mijn

schoenzolen heen, naar boven, naar mijn hart, waar ik stond; huiverend

en vanzelf begeerend naar warmte en licht leven, keerde ik om op het

pad, maar riep nog eenmaal, zag onder het geschijn van een lantaren een

rood wolkje van rook, mijn adem om mij, hoorde het geluid van mijn stem

klanken weêr en bauwen als teruggestooten op metalen wanden, toen was ik

binnen in 't donker der trap en ging ontevreden naar boven.

Mijn groote lamp hing als een zon midden in de zoldering, sloeg haar

licht tegen de achterzijde van een doek, dat afgewend op een ezel stond,

en smeet een vlaag donker de zoldering in. Ik wierp de kachel met kolen

vol, want gloeiend moest zij blijven, en toen schurkte ik weêr in mijn

stoel, met al het genot van de warmte tusschen de knieën te hebben. Waar

zou dat beest zijn, als ze nog leefde vroor ze bepaald dood, dat kon

niets weêrstaan, niets dat zoo klein was als mijn kleine kat.

Maar stil blijven, onmogelijk; onrustig was ik aan 't heen en weêr

loopen begonnen en telkenmale in den op-en-neêr-tred, zag ik hoe op

mijn raam het gebloemte der kou groeide, almaar dóor ging het geheimvol

gevirtuoos zijn gespeel. De ruitbladen waren nu dik bevroren, elk blad

was een veldje met wit onkruid bewoekerd. De nacht buiten was weg, het

lamplicht stuurde glansspritsen henen, deed gele gouddraden fonkelen in

het zilveren ijsgespin.

Dat was een vreemde flora: daar waren bloemen, geheele tuilen bloemen

van kristallen en rijk gerank van naaldijs; daar waren wintertulpen met

lippende bladen, gestreept als zomeranjelieren, gekarteld en gesplitst;

daar waren bekerbloemen als vischbekken open, windekelken uit ertsen

opkomend, droog geneeskruid, wit ijsloof; daar was een wild opgeschiet

van niets-waard-zijnd onkruid, en het rijke gebluf en gewring van

kas-orchideeën; daar waren gestekelde distels, gansche bossen harige

brandnetels, en daar wilde kervel. 't Was allemaal wild gewas, verwaaid

klein goed, door elkaâr gewoekerd; 't zag er uit als ruig veld er uit

kan zien waar wieders door gingen, mannen met zware klompenvoeten;

gestroopt en verfomfaaid was de bohemenvegetatie, verpletterd, als wilde

planten worden door een wilden wind.

Kijk, daar in de hoogte was een ruit bevaagd met schimmen van bloeisel,

zooals ik dat buiten dikwijls zag, diep schemeren onder water, op den

grond van een vijver; ik kon ze hier zien groeien, en worden tot de

ragteêre karkassen van boomloof bewaard tusschen de bladen van een oud

boek; en naar lager, daar was het een forsch gestengel, een geslier

en gescheut dwars over het glas, in neêrhangend bladgewapper, gelijk

pluimriet, als flakkerend lies, als lang gladiolussengroen. Klein

gevlok, sneeuwklokjes, groeiden er verborgen tusschen. Daar was een

ontbloeien van kristal-metriek en plantenlenigheid, metrieke bloemen,

prisma's en octaëdertjes aan varens gewonnen, mineraal-rijkdom gegroeid

aan duizendnaaldige dennen of aan het fijne getak van rendiermos; daar

waren pluimen pronkende pauweveêren en daar een bezemig gehaar en

gestekel als borsteltjes kattesnorren. O, 't was een mooie flora, het

witte ijsgebloei in den wintertuin op mijn ruiten, dat tot ruigten

worden ging in gester en gestengel, in geblader en gekristalliseer.

Zou het toch niet kunnen, dat mijn poes was in den tuin hier naast, ze

hield van boomen en verzot op vrijheid als ze was, hield ze er van te

zitten in het hoog takkengearm om daar te loeren naar vogels; ze hield

van dat hoog zitten in den wind, stevig gezeten in den haak van stam en

tak; ze was wel eens zóo hoog geklommen, dat ze niet meer omlaag durfde

komen, stijf bleef onder de hagelbui van steenen die haar opjagen wilde

en er toen uitgehaald worden moest. Toen had ik haar geslagen, en als

zij nu weêrkwam zou ik haar weêr slaan en haar die kuren wel afleeren

van altijd weg te loopen en mij te laten alleen.

Bah! zoo'n beest, waarom niet; 't was als de rest, 't zocht zijn

pleizier en haar eigen goed leven. Bah, zoo'n beest, waarom niet?

Maar met dat al had ik toch maar niets geen macht iets te doen.

Rondloopen bleef ik, op en neêr, van het wit koude raam naar de

roodheete kachel en dan weêr naar het wit bebloemde raam, op en neêr,

als een beer in zijn hok. Ik had wel willen lezen, maar jawel, op iedere

bladzij kwam een kattekop, en.... werken.... maar werk eens, werk eens

als ge wat liefs verloren hebt! Bah! werken, was alles hier óm me geen

werken? Scheen 't lamplicht niet in een werkzolder, arbeid belichtend,

geploeter overal. Bah, werken. God, god wat was het koud hier. 't Begon

hier al even hard te vriezen als buiten; kom, nog wat kolen in het vuur

en dan....

Hoor! daar komt de schorre schreeuw van een nachtboot in den Amstel, nu

is het al laat. Hoe laat? ik hoor het galopje van den klokketik niet, de

klok staat stil; maar die boot zal het ijs wel scheuren, denk ik, hij

zal den boel om zich heen stuk slaan, 't moet wel. Hoort, daar gilt ie

weêr, wat een neusgalm, 't rochelt de pijp uit, 't lijkt wel of zijn

gelawaai door een mist komt. Zou 't zijn gaan misten? Vorst en mist dat

is schelvischweêr, en schelvischkoppen dat is al eten voor mijn poes,

en dat is de trek waarom ze 't huis uitloopt.

Drie dagen was ze nu al weg, de Bohémienne.

Waar zou ze zijn, waar, waar?

Wat was het hier goed, wat was de kachel goed, de warmte goed. Ze gaat

lustigjes langs 't hard ijzer der pijpen op, teêr aan te zien trillert

ze op, snel ijlend kringelt ze fantasieën om de pijparmen; ze stijgt in

het laag gebalk, ze wemelt tot een rookje in het goud geschijn om de

lamp. Zoo vult ze den zolder, mijn domein, met loom gedroom, zóó wekt ze

begeerten naar voortbestaan in zoel gemak, waarbij men zich de handen

wrijft; wat zou mij de groote dood buiten maken kunnen, wat de winter

met zijn tirannie van ijs, weefde hij daar niet in een gril van zijn

opperste bekoring mijn huis met bloemen vol?...

Waar zou ze zijn, waar?...

Zou ze liggen tusschen de stammen der boomen, tusschen de stammenmasten

in den tuin hiernaast; of zou ze liggen in het droog-knappend gekreupel,

dood gevallen uit een hoogen boom; zou ze daar liggen, krom op de aarde

of weggezakt in het vaalrotte loof? Dood, dood, gevoelloos voor kou en

naar weder, en voor mijn roepen doof....

Of zou ze liggen, lang uit, plat in het leêge land, in het witte gras;

zóó klein, zóó niets, dat niemand haar meer zal vinden; dood gestrekt in

de al-koude winden, in een kuil, dien een paardenhoef sloeg toen 't nog

zomer was.

Vermoord....

O, mijn kleine, mijn koningskat, als ge zóó dood zijt, als ge zoo moet

verdwijnen, dan zal ik u bouwen uit mijn harteschat een ruim rein graf,

een mausoleum van ijslijnen.

Daarvóor is heel de hemel mijn, zoo hoog en koud hij mag schijnen, ik

zal er van nemen ijslijnen en weven een wade om uw kleinheid fijn. Met

gebloemt van de kou, met sneeuwgeontblader, met dons van rijp en met

briljanten van ijs, kom ik u dekken, zal ik u strekken in mijn

doodenpaleis.

Daar is 't gewulf van blauw kristallijn, en dáar zullen sterren en

doodsvlammen zijn....

Wat was dat? Neen, deze maal bedroog ik mij niet.

Dat was miauwen en dat kwam van dichtbij, van achter de deur.

Opgesprongen, de deur opengerukt. Br... wat een ijskou, de wanden

zijn wit, de straatdeur staat aan. Opengelaten. Maar daar zat ze op 't

vloermatje. O, klein, wat klein. Brr... wat een ijskou. Ze staat niet

op. Ze knipoogt tegen het helle licht uit den zolder. Wrevelig en een

beetje haastig stap ik over haar heen en geef haar een stootje met de

punt van mijn schoenvoet. A là. Zacht, ze gaat al, naar binnen, mager,

enkel vel.... Ze gaat onhoorbaar, met kleine schokjes in 't gebeentetje

der schouders, net als een arme slokkerd doet die een zwaar geladen

handkar voor zich opduwt. Brr.... Holderdebolder de trappen af, de deur

met een smijt toe, dat de glazen rinkinken in den vriesnacht.

Boven. Daar zat ze, midden op den vloer, de door de kou geslagene,

ijselijk in het licht, de twee voorpootjes naast elkaâr geblokt op den

grond. Rechtop zat ze op den zoom der schaduw van het doek op den ezel.

Was dat mijn poes, mijn kleine poes? Neen, neen, dat was een vreemd

beest, een oud beest, een verloopen beest. Waar waren haar jonge oogen,

haar klein kinderronde oogen? waar haar mooi vel met de glimmende runen?

waar haar ijdele staart, en waar, waar het heerlijke fluweel van haar

oortjes? Neen, verdoemd, dat was een vreemd beest. Dat keek niet

meer, dat schuwoogde, dat waren de vage oogen van een zielig mensch,

overgeplant in een vreemde omgeving. Dat was ziek gekijk, niet dat van

mijn beestje,.... verdoemd.

Miauw!.... wat een vèr geluid.... Dat kwam nog uit het land, dat kwam

nog van de straat, en 'k had het wel gezien, het bekje van binnen was

niet rood meer, maar blauwwit, nachtwit, winterwit, doodwit....

.... Miauw!.... «Schei uit, beest. Schei uit, of 'k jaag je weg"....

In mijn stoel en aan 't redeneeren: «waar kom je van daan? waar heb je

zoolang gezeten hé?"....

--«Heb je geen honger? Al drie dagen staat daar vleesch en brood en

melk, waar ben je geweest in al die kou, naar beest."

--«Kom dan maar hier. Ben je koud, daar is de kachel. Kom je niet?"

Toen heb ik haar opgenomen, getild naar mij op en op mijn knieën heb

ik haar gezet. Ze woog bijna niet meer. Ze was enkel koud vel, met een

armzalig levenden kop er aan, het haar voelde stug en koud.... het

zachte gedons onder den buik was aan elkaâr gekleefd en tot piekjes

bevroren.

Wat was ze stil, wat was het stil, wat was de nacht groot en de kou

overal....

Zacht voelde ik mijn hand gaan over het vel van mijn beestje en toen is

stil een groot leed komen opzwellen naar mijn oogen.

Proza · 第 17 / 30 题