LA MANCHA.

.... Ik heb weêr een paar gezellige dagen doorleefd met het bladeren in

de geschiedenis der lotgevallen van dien vernuftigen Hidalgo Don Quijote

de la Mancha, zeker wel de kuischste en dapperste ridder die ooit ter

wereld bestaan heeft. Een paar dagen heeft dat heerlijke hersenwerk

van Cervantes weêr stil in me gewoond, ben ik op en neêr gegaan in den

frisschen adem van dat prachtige kind zijner intelligentie. Dan zat ik

stil te lezen onder de lamp en hoorde ik mijn zuster zeggen: «kijk nou

leest-i zeker wat grappigs, want nou lacht-i zoo." Maar ik heb nog een

ander apart pleziertje gehad; toen ik die twee bekende dikke boekdeelen

in hun stuk gelezen en met striemen en kleuren besmeurden omslag....

terug ontving, zag ik mij zelven oogenblikkelijk weêrom, zittend in

den holder-de-bolder van een Spaanschen derde-klas-wagen, de knieën

opgetrokken, daarop het boek en met de voeten tegen de voorbank. Maar

toen waren die verfomfaaide boeken, waar ik nu zooveel van houd, nog

net zoo frisch als een geestigheid van dien dikken Sancho Panza en

het kapitoor nog niet ontluisterd en gehavend als eens de betooverde

helm van Mambrin, die in de profane oogen van zoo een bloedrijken en

snuggeren schildknaap al zijn leven lang een scheerbekken gebleven is

en dat nog wel zijn zal; want de Sancho's sterven niet, alleen worden

ze van jaar tot jaar minder geestig. Neen, die vlekken zijn van later;

want ook mijn twee boeken hebben gedoold, zij zijn ongenadig geslagen

geworden en gestompt, precies als de dolende ridder wiens geschiedenis

ze vertellen: van dien dwaas die meer wijsheid spreekt dan tien wijzen

van den kouwen grond. Ze hebben geducht klappen gekregen, zei ik, neen

maar, van alle kanten, door den rollenden rommel in mijn alles behalve

huismoederlijk gepakten reiskoffer; ze hebben moeten vechten met mijn

viezen verfwinkel; ze hebben mijn verftuben geknauwd, maar op hun

beurt weêr smeer gekregen van kwalijk opgedroogde studies. Geen wonder

dat ze er zoo uitzien, ze zijn geschud onder de ruwe handen der

vrachtjes-mannen aan de spoor, als de gele graankorrels in de wan van

Dulcinea.

Maar die roode vlekken, die roode, dat is de kleur van La Mancha's

rauwen grond. Ik kan dat boek niet opslaan, of daar zijn de smetten van

mijn vingers, als ik doodmoe en laf voor de zon met ontstoken oogen

thuis kwam uit dat helle veld rondom Alcazar de San Juan, in de herberg,

o, die herberg, en dan neêrviel op mijn bed, o, dat bed, mopperend en me

zelven kwellend met mijn kwade luim; om dan gretig te grijpen naar dien

gelen bundel op mijn nachttafel, eindelijk, maar altijd te laat, vol

verlangen geworden naar den hoogen lach die daar optrillert en steigert

uit dat gezegende en eenige boek.

Maar toen ik in den spoorwagen het me zoo gemakkelijk maakte als een

arme reiziger dat doen kan, had ik La Mancha nog niet gezien. Ik kwam

van Aranjuez, waar ik me een paar dagen verveeld had, ik geloof uit

noodzakelijkheid. Ik weet nog wel dat ik maar niet begrijpen kon hoe Don

Carlos, zooals Schiller ons wijs maakt, daar zulke goeie dagen beleefd

had, zeker amourskens. Ik had ze er niet, geen van beide; 't was stoffig

heet; het stadje of dorp met zijn kippenloopachtige straten, zag er

uit alsof er zoo pas een vulkanische aschregen op gevallen was. De

koninklijke lusttuinen die zoo beroemd zijn, leken me tuin geworden

opticaprenten van twintig jaren hèr. Bovendien was ik terecht gekomen

in een groot hotel, een boeren-Escuriaal, waar de waard,.... maar

Carajo, zulke dingen vertelt men niet,--zelfs de geestigheden van Sancho

hadden geen vat op me, 't leek me of ik levend daar in Aranjuez was

ingemetseld. 'k Zat maar te luieren in een schommelstoel, recht door

mijn raam kijkend in den stijven kippenloop der straat, kalkwit in de

zon, en naar de menschjes die als puuletjes scharrelden in het licht,

weinige en dan nog maar even, want 't was heet. Aan het einde in de

verte der straat, zag ik een brok van de zware ronde muurmassa der

Plaza de los Toros, dat kon het kippenhok zijn, eng bepaald, alles eng,

benauwd, al was het er nog zoo wijd; een verstijfde boel als al die nare

ceremoniën, als de poppenvormen van het koninklijk bedrijf dat aan

Aranjuez zijn kille lusttuinen schonk.

Maar ter nauwernood had, om even eenvoudig te spreken als de voorbeelden

die onzen goeien Don het arme hoofd hadden op hol gejaagd, ter

nauwernood, zei ik, had de blonde Phoebus de gouden tressen van zijn

mooi haar gespreid over het hobbelige aangezicht der onmetelijke aarde,

ter nauwernood hadden de met duizend kleuren geschakeerde vogeltjes (die

in La Mancha niet zijn) met de harp-tonen van hun tongen, op een weeke

honingzoete melodie, de komst vermeld der rooskleurige Aurora, die,

latend de zachte sponde van haar jaloerschen echtgenoot, zich vertoonde

aan de stervelingen op de hooge balkons (dat zijn zeker de bergen) aan

den Castiliaanschen horizon of _ik_ verliet evenals de Don, de

loome veêren, steeg op mijn negentiende-eeuwsche Rossinante ('t was een

bommeltrein) en nam mijn weg dwars door de oude en beroemde vlakten van

Montiel.... neen, zoo ver was ik nog niet.

Maar een paar uur later ging 't er toch op los, sneed de trein, de oasen

verlatend, schokkend met een ondergrondsch geluid van slingerende

kettingen, dwars door een onmetelijke ruimte van rood zand, een

urenlange en wijde vlakte, waarop geen bekoring lag, waaruit geen

opwindende lijn steeg van een boom of een rots, waar geen waasje van

damp de naaktheid sluierde of de ruimte kromp. Als ik van mijn boek

opzag, draaide het roode veld door het spoorwegraampje aan mijn oogen

voorbij, mijn kijken vloog de rauwe ruimte over, en door de droge

zout-smakende lucht, tot aan den altijd rooden horizon die ijzerhard

sneed in het brutale blauw van den hemel. Mijn God, wat een land, wat

een jammerlijke ellende. Soms snelde een lange strook, vlakker en van

een bleeker rood, aan het raampje langs, ik zag haar wegslingeren,

kronkelen als een lang lint, en al wapperend met ijler wordende kronkels

wegpunten naar de lijn van den horizon en dan kwam maar even de

gewaarwording op: daar gaat een weg door dat treurige en doode veld.

En maar altijd sneed de trein langs haar ijzeren banen voort door het

menschenlooze land. Als ik mijn oogen sluit nu en die snel gevloden

gezichten weêr tracht op te roepen, dan komt me niets in de herinnering,

niets, geen kar, geen ezel, niets, heelemaal niets dat uitstak, wat

ik die groote leegte voor een poosje beheerschen zag, niets herinner

ik me dan een zwarte ekster die opvloog van haar aardkluit, maar weêr

neêrstreek dadelijk, om den voortsnorrenden trein na te gaan zitten

kijken met haar slimme oogjes. Een enkele maal schoof een kale

_venta_[52] hortend achter de telegraafpalen voorbij, of er kwam

in de verte de witte mierentroep aanstippelen van een begraven dorp

met de groenige vlokken en strepen er om heen van moeielijk ontgonnen

terreinen.

[52] Pleisterplaats.

Ik weet niet meer waar ik den eersten windmolen zag. Ik had het

opgegeven uit het raam te zien. Ik vond La Mancha in mijn boek heel wat

mooier. Dus las ik er weêr geducht op los. Ik zag voor me onzen ridder

zitten, stijf, rechtop in zijn verroeste rusting, tusschen de herders

in hun kleêren van schapevachten met grof naaisel; uit hun roode,

diepgelijnde koppen keken de oogen oplettend, want de Don orakelde. In

de holte van zijn vooruitgestoken hand bekeek hij eenige goudkleurige

eikels; geheel opgegaan was hij in een ridderlijke droomerij; op den

grond lagen de overblijfselen van een vleeschmaal; Sancho had het hoofd

in den nek geworpen en daarboven de leêren wijnzak en nu klokte hij naar

hartelust met gesloten oogen.

--«Gelukkige tijden," begon de Don, «en gelukkige eeuwen, die, aan welke

de Ouden den naam gaven van den gouden tijd, niet omdat dit metaal dat

in onze eeuw van ijzer zoo hoog gesteld wordt, zich toen zonder eenige

moeite verzamelen liet, maar omdat zij die toen leefden deze twee

woorden niet kenden: het mijn en het dijn."

En met de eikels in de hand, wier goudkleur dien gouden tijd

terugspiegelde in zijn verdwaald hoofd, orakelt hij voor de tuitende

ooren der herders zijn ridderlijk ideaal van den geluksstaat. Met dikke

woorden en bloemrijke zinnen, zooals het past in een mond van een doler

als hij, vertelt hij van dat verloren land waar alles goed was en alles

rechtvaardig, waar elke bloem groeide voor elken mensch en elke gouden

eikel voor ieder die hongerde; en als alle groote dwazen en ook als

allen die met het hoofd leven deze bange wereld uit, bevolkt hij zijn

wereld met zoete wezens, met nimfen, herders en herderinnen, naakt en

kuisch, zonder de wilde zweepingen van groot geworden driften, zonder

de bruisingen van het donkerroode bloed, zonder de warrige ondeugden

van een geslepen en kronkelig brein. Toen orakelde hij: «toonden de

verliefde bewegingen der ziel zich zooals zij waren, zooals zij werden

gevoeld, kinderlijk en onbewust, zochten zij zich geen waarde te geven

door een kunstmatige omwikkeling van woorden"....

Zoo gaat hij voort, telkenmale verloren in zijn verbijstering, maar

zacht wiegen er woorden van wijsheid tusschen den krulligen omhaal van

zijn verrukten geest.

Ik weet wel dat ik dit gedeelte altijd met graag genoegen herlees, ik

weet niet of ik gelijk heb, als ik daar de eerste sporen vind in dat

boek, hoe later uit dien volslagen gek, uit die schepping van grooten

lachlust, langzamerhand een ongelukkige groeien zal, een hoog opgevoede

geest, een zonderling die dikwijls een ziener wordt, onder de sublieme

bedoelingen van zijn schepper.

--«Caballero, un molino, un molino a vento, caballero," hoorde ik achter

me zeggen. Een poosje te voren was er een reiziger ingestapt. We zaten

nu met zijn tweeën in den wagen. Ik zag om. 't Was een stevige boer

die voor het raampje stond. Hij droeg de breedgerande sombrero van de

Spaansche gezeten boeren. Uit den inham van zijn laag uitgesneden vest

kwam het witte overhemd met een boord zonder das, en onder zijn vest

vandaan puilde om zijn buik een roode gordel, die hem nog dikker maakte.

Hij keek tevreden naar me om. Ik zag in zijn vollemaansgezicht twee

kleine guitige oogjes stralen die dicht bij elkaâr kropen. De trein

naderde, geloof ik, Tembléque. Ik boog me uit het andere raampje en

zag de roode woestijn hier en daar bestreept met gele rijen, strepen

afgesneden koren, als regels van stoppelige bossen stroo gestoken in

het zand. Als ik langs het hoofd van den boer heen keek, werd het

veld langzaam-aan geler, een dor gele volte werd het, bar geel in de

groeiende zon, en daar midden-in rees de stompe kolos van een molen met

een van stroo gevlochten dak, als een muts van vreemd fatsoen bovenop

den steenen en geringden cylinder, waaruit de gaten der vensters als

donkere oogen staarden.

Aan den tegenovergestelden kant van den windsteller sloegen de armen

der wieken in de lucht; van onderen rustten zij op het land en zooals

ze nu stil waren en elkaâr bedekten, en 't was alsof er maar twee wieken

waren, geleek de kolos op den romp van een reus die op zijn lans staat

te rusten tusschen het koren in; en de saâmgevlochten knoedel boven op

het stroodak was als de kam van een helm waaruit de panache is

weggerukt.

Toen stoof de trein voorbij tientallen van maaiertjes. Ze gingen

achteruit loopend langs het gele koren, dat als een dijk tegen hen

aanstond; met lange armzwaaien als op een commando bewogen zij zich,

sneden zij met de zeisen de volle garven af.

Tembléque kwam en ging voorbij, andere molens stegen op heuvelklingen

uit het veld; langzaam verdwenen ze uit het gezicht in hun houding van

peinzende reuzen, en langzaam aan begon het veld weêr te dorren tot zijn

roode eenzaamheid.

Ik was weêr teruggezakt in den heeten wagen. De dorre adem die uit

de vlakte zwoegde, hing in de houten kast. De felle zon sloeg van

het land op en brandde neêr op den wagen. Mijn keel was als gezouten.

Speekselloos brandde mijn tong tegen het verhemelte aan. Zonder lust

lag ik languit op de bank en probeerde te slapen; maar de dorst kwelde,

't was bijna middag, de hitte werd onuitstaanbaar. Daar hoorde ik

opeens achter me het natte klokken van vocht; ik sprong op en zag

achter me mijn dikken reisgenoot met het hoofd achterover geleund op het

wagenschot. Zijn dik gezicht verdween geheel achter een leêren wijnzak.

Tusschen de gebruinde spieren van zijn rooden gestrekten hals zag ik den

koelen stroom van den wijn dalen. Met volle teugen dronk hij.

Eindelijk, Goddank, hield hij met drinken op, veegde zijn lippen af met

den rug van zijn hand, keek op en zag me aan. Een goedige, dikke lach

kwam op zijn heele gezicht, in zijn geknepen oogjes, in het bollen van

zijn wangen, in het lang uitrekken van zijn mond. Met een snel gebaar

stak hij mij den wijnzak toe, en vroeg: «quiere Usted?" Ik zei niets,

maar bracht de tuit aan mijn lippen, deed net als die goedige Sancho

het zooeven gedaan had; ik legde mijn hoofd op het wagenschot en bleef

zeker zóó wel een kwartier lang met de oogen kijken naar de zoldering

van den spoorwagen.

Mijn boer viel toen op de bank in slaap en ik keek opnieuw door het

raampje in de draaiende vlakte. Er was geen wolkje aan de lucht, de zon

brandde neêr op de naakte huid van La Mancha.

De trein kwam en ging gillend weêr verder, Huerta, geloof ik, voorbij;

links moest Argamarilla de Alba liggen, waarvan Cervantes zich zoo

genereus den naam niet herinneren wilde bij den opzet van zijn boek.

Geen mensch was ingestapt. Even had ik den bruinen kop van een vrouw

gezien, een gelen doek om het hoofd gewonden en om het gore haar. Zij

had een witte, ronde, steenen kruik met een klein tuitje in het midden

bij zich; ze hield die gesteund in de zij. Van tijd tot tijd schreeuwde

ze: «agua fresca, agua bonita para bebere," met een heesche, moede stem.

Ik zie haar diep ingezonken oogen nog, die branderig gloeiden als werd

zij door koortsen verteerd, en dien breeden, zwaarmoedig hangenden mond

met droge barstjes in de paarse lippenhuid. Maar de trein rommelde voort

door het zand. De vlakte van Montiel blakerde en schroeide onder den

geesel der zon en ik viel weêr terug op mijn harde bank, bijna bang

geworden van dat verschroeide en doodsche land, waarin de dorpjes

verloren zijn als een schip op de groote zee.

En door zoo'n oord nu doolt in dat prachtige boek, die onsterfelijke

dwaas Don Quijote, de schrale ridder van de droevige figuur, de man die

niets gewoon kan zien, die avonturen vindt waar ze niet zijn, die niet

spreken kan als de barbier of de pastoor van zijn dorp, die eene bange

zorg is voor zijn nicht en gouvernante. Langs de stoffige wegen gaat

daar de zonderling met zijn boordevol hoofd in dat leêge land met zijn

nuchtere bevolking, overal in hutten en venta's komt hij, gaat hij in

de kinderlijke opgewondenheid van zijn missie, en waar hij met slagen

wordt beloond voor zijn opgedrongen bijstand, weet hij zich te troosten

door de gedachte aan den onsterfelijken roem van zijn daden.

En daarnaast, dat vind ik het tweede heerlijke in dat ruime werk, in

dat vast gegroeide geesteskind, gaat die andere onsterfelijke man, de

schildknaap Sancho Panza, de stevige boer met al de hebbelijkheden

van zijn soort en ras, met zijn boersche babbelzucht, naïveteit en

uitgeslapen slimheid, met de groote behoeften van zijn zwaar lichaam,

eten, drinken en slapen, een stuk menschensoort op en top.

Zoo gaan ze dwalend naast elkander voort, de verrukking en het gezonde

verstand, en hoe meer zij dwalen in zich zelven, dringen zij zich samen;

hoe langer ze dolen groeit er uit hun samenzijn een vuurwerk van vernuft

en de zegen van een goed hart, het gevleugelde mooi-zijn en de

fonkelende vinding.

De trein was nog altijd niet in Alcazar de San Juan, het centrum van

La Mancha, waar ik naar toe op weg was. Mijn boer slaapt met gesloten

vuisten en open mond, zooals Sancho slapen kon als zijn buik vol was; en

de vlakte gloeit.

Met reinen spot van een superieuren geest die een geheele periode

belachen wil en kàn, dacht me zoo, heeft Cervantes de groote kale

armoede van La Mancha, die nuchtere werkelijkheid, gezet tegenover

den pronkzuchtigen smuk en de onzinnige krullerijen, het gekozen tot

strijdperk voor zijn dolenden ridder, tegenover den leugenbombast der

ridderromannenschrijvers die hij belachen wou. Maar hij heeft niet

kunnen ontkomen aan de wet der natuur, die hij zelve leeraart in zijn

proloog, dat elke gelijke zijn gelijke voortbrengt, en zoo dolen nu die

twee uitingen van zijn hooge persoon, zijn twee gelijken, zijn twee

geesteskinderen die hij gevoed heeft met zijn roode hartebloed, door die

roode vlakte.

En Cervantes zal niet sterven ook zonder die wet boven zich te hebben

erkend, als hij, oud en op, zijn «pequena pluma" aan den wand hangt en

zijn belagers in de ooren schreeuwt zijn fier woord, en een oorlogswoord

voor elke oorspronkelijke daad:.... «Blijft daar staan, schelmen! dat

niemand er aanrake, want voor mij alleen werd Don Quijote geboren en ik

voor hem."....

De locomotief gilde en de vlakte werd weêr bestreept met geel koren; de

grond golfde tot heuvels en er kwamen weêr molens; aan den eenen kant

stippelde Campo de Criptano met de fameuse Sierra de los Molinos, aan

den anderen kant ligt Tobosa met haar aardwoningen in het zand, de

residentie van Dulcinea.

De trein stopte, de boer werd wakker en zocht naar zijn wijnzak. Bij

een hek, langs de lijn, zag ik een oud, mager paard staan droomen in

gezelschap van een grijzen ezel. Kameraadschappelijk druilden zij bij

elkaâr, het oude knollebeest met den langen hals op den hals van den

ezel, Rossinante en Sancho's grauwtje.

Ik was in Alcazar de San Juan....

De Dood van Mijn Poes.

Proza · 第 16 / 30 题