Elf gesmoorde metaalslagen waren aan komen waaien uit den verren
dorpstoren en nog altijd zat de gast van den hovenier in de
tuinmanswoning te soezen onder de lamp; alles in huis sliep den
stevigen slaap van den voornacht, na een dag tobben in de open lucht.
Hij zat te rooken, met het hoofd lui achterover tegen het tochtschot
geleund. Een tijdje had hij zitten lezen, nu lag het boek weêr voór
hem op den rand der tafel, en als na een lekker eten, vol rustig
genot, was hij aan het dommelen geraakt, vaag kijkend voor zich uit.
De nacht rondom was gedrukt, zwijgend van een zware stilte; er hing een
plechtigheid om de tuinmanswoning als was zij een altaar in een hooge en
stille kathedraal.
Als alle avonden, na den goedennachtwensch, en de vermaning die er
gewoonlijk bijkwam van goed op het licht te passen, was hij om tien uur
alleen achtergebleven met de zwarte huiskat, ineengerold naast zich op
den stoel. Het beest lag te slapen met den kop tusschen de pooten,
weggedoken in zijn zachte huid.
Vermoeid van het lange staren in de lampvlam, had hij al gauw zijn oogen
gesloten, en zoo bleef hij stil zitten, wippend met de voeten; en in
zijn hoofd droomden de gedachten, kalm en gelijkmatig kwamen ze op de
eentonige maat van den tiktak der klok.
Stoorloos, stoorloos was de nacht. Hij voelde de loomheid er van dringen
in zijn spieren, zijn leden van krachteloosheid bevangen; maar warm
wolkte de tabaksrook om zijn hoofd en in de narcotische prikkeling die
hij opsnoof door de neusgaten, leefde zijn verbeelden heviger.
Zoo bleef hij onbeweeglijk, in het heerlijke gevoel van alleen zijn, in
de lekkere verdooving van zijn lichaam, onder het genot van de machinale
werking zijner hersens, die de indrukken verteerden, natuurlijk, evenals
een maag de ingenomen spijs.
Want hij wist het eigenlijk zelf niet waaraan hij dacht. De geleefde dag
met zijn wonderlijk volzijn van indrukken spookte wel na in zijn hoofd,
maar nooit kwam een indruk bij hem terug die niet andere opriep; als
schimmen waren ze dan nu ook weêr komen dolen, sommige al zoo lang
geleden geleefd.
Daar waren donkere herinneringen uit zijn kindsheid, ze waren
uitgesleten en vaag, als spiegelbeelden op den achterwand van een
verweerd foelieglas. Wat een vreemde jeugd had hij gehad en wat lag zij
ver achter hem, die grootgrijze eentonigheid!
De kat was opgestaan. De stoel die op ongelijke pooten waggelde, klopte
op den grond. Dat deed hem opzien. Met een hoogen rug stond de zwarte
kater te rekken, hij schudde rillend met den kop en zag hem toen aan met
de groene phosphorische oogen die klein werden tegen het licht.
--«Kom maar hier, poes," zei de jonge man zacht op zijn knie kloppend.
Voorzichtig naderde het beest zijn knieën, stapte over, ging sluipend
en kopjes gevend onder de hand door, draaide een paar maal rond om zich
zelve in eene matte flikkering van zijn glanzend haar en plooide zich
toen neêr op zijn nieuwe ligplaats, met den staart voorzichtig om zich
gekruld.
De gast was weêr in zijn luiheid teruggezonken, werktuigelijk streelde
zijn hand het gladde vel van den kater wiens tevreden spinnen
weekweelderig naar hem opsteeg.
Van zijn vierde jaar af had hij zijn jeugd gesleten tusschen de muren
van een weeshuis; en in eens was hem nu een dag in het hoofd gekomen,
een dag als het heden geweest was, zwaar en gedrukt, vol met beloften
van regen; 't was op de groote binnenplaats van het huis, een vierkante
ruimte ingesloten tusschen hooge gebouwen. Hij zag ze weêr. Twee
er van waren nieuw en de andere twee waren ouderwetsche huizen van
mooi metselwerk, met witte blokjes om de bogen der hooge ramen....
Ja, juist: 1608 stond er in den hoogsten gevel, in een krullig
geornementeerden steen gebeiteld; daar was ook een torentje boven op, en
een klok was er die sloeg. De andere gevel was in het midden doorbroken
door een groote poort, 't was net een tunnel die poort, het verwulfsel
was bekruist met bogen die vroeger veelkleurig waren beschilderd
geweest; aan het einde was een eikenhouten deur die de poort afsloot
van de straat, een dikke poortdeur was het, hoog en breed als voor een
middeneeuwsch kasteel, met zware dwarse sluitboomen verzekerd; ijzeren
bouten en groote spijkerkoppen, die er schurftig en verroest uitzagen
onder de verflaag, waren er als overheen gezaaid, en er was ook een
kijkvenstertje met tralies en een ijzer klepluikje. 's Morgens van half
tot heel negen uur ging er een kleine deur open in die groote poortdeur,
dat was voor de schoolkinderen die geen weezen waren. En in eens kreeg
hij het gevoel terug wat die open deur geweest was in zijn gekerkerde
en gebonden jeugd. Dan zag hij een poosje in het daaglijksch leven
daarbuiten. Hij zag menschen druk voorbijgaan, een oogenblik loopen in
het vierkante raam der deur, haastig en met doellooze oogen kijkend,
achter den zwarten rug van den ondermeester om, die met zijn magere
beenen op de stoep de wacht stond te houden. Dan zag hij de
groentevrouwen en de mannen die naar het werk toe gingen, hij hoorde ze
niet alleen, hij kon ze zien ook. Dat waren altijd oogenblikken geweest
van bizonder genot. Maar die namiddagen op de wijde binnenplaats met
haar vier tuinen in de hoeken en de vier besteenvloerde paden met den
zonnewijzer juist in het middenpunt.... een groote wereldbol was het,
okergeel geschilderd en de jongens klauterden bij zonnig weêr op het
voetstuk, om te zien hoe laat het was. De vier paden hadden namen, hoe
was het ook weêr? .... «Kinderpad, ziekenpad, schoolpad, regentenpad,"
.... zoo was het, en dan dat welvende hemelveld boven de plaats, het
eenig uitzicht. Soms was het heet blauw, en dan weêr van een luchtig
vochtig grijs of bestapeld met blanke wolken. Ja, 't was ook net zoo'n
dag geweest als vandaag, dikke grijze vachten dreven en joegen boven
de plaats; 't was warm, de kleine jongens hadden niet willen spelen,
ze droegen allen, evenals hij zelf, lange blauwe boezelaars die tot
op hun schoenen hingen, en die hen als ze overeind stonden op oude
mannetjes gelijken deden. Ze lagen nu allen lui in het warme zand
van den speeltuin.... en in eens was er een jongen hardop gaan zingen:
«ooievaar, lepelaar, stokkedief, die altijd over de huizen vliegt"...
en toen had hij zelf naar boven gekeken, en een blank-statigen ooievaar
gezien die met breede klepslagen de ruimte begon over te steken boven
zijn hoofd. In het midden gekomen, was de vogel onbeweeglijk met de
vlerken gebleven, drijvend op de lucht, en hij was toen doorgezeild,
prachtig hoog over de ruimte, met de roode pooten als een roer achter
zich aan. Hij had het dier nagekeken terwijl de jongens zongen, totdat
het heelemaal weg was achter den toren om. Toen, hij voelde het weêr
opnieuw, was hij voorover in het zand gaan liggen huilen, kwaad dat
hij niet uit mocht en geen ooievaar was die vliegen kon. Eerst hadden
de jongens gevraagd wat hem scheelde en vervolgens hadden ze hem
uitgejouwd, omdat hij niet had weten te zeggen waarom of hij gegriend
had. Een van hen was gaan klikken, en de moeder was gekomen en die had
ook niets uit hem kunnen krijgen. Toen had hij tot straf in den hoek
moeten staan omdat hij zoo koppig geweest was. O, hij herinnerde zich
dat alles alsof het gisteren gebeurd was, zijn geheele jeugd ontwaakte,
broksgewijs en door elkaâr, in zijn soezend hoofd. Dat waren de
donkerder jaren die op zijn schooltijd gevolgd waren, ze lagen weifelend
op den grond van zijn herinnering, vol zwarte gaten, vergeten en half
uitgewischte tijden, maar er waren ook kleurige vroolijkheden die
uitsprongen ruw en schril. Daar lag een heele tijd, zijn beste jeugd,
van zijn elfde jaar tot zijn manworden, van de eene werkplaats naar de
andere, elf lange jaren van verspilde frischheid, gesleten in een rauwe
omgeving, tusschen ruw werkvolk. 's Maandags waren ze meestal dronken
en dan kreeg hij slaag, als hij om ze te sarren, de jenever niet gauw
genoeg halen wou, of de haringen voor het opfrisschen. God, god, wat een
tijd! Geheele rijen van gezichten gingen voorbij, aangezichten van eens
gekende menschen. Daar gingen de rijen weesjongens en meisjes, waar
waren ze gebleven zijn lotgenooten in de groote weezenfamilie? Daar
gingen moeders-suppoosten met kornetten op en droge secure gezichten;
daar gingen zalvend-bebakkebaarde weesvaders; deftige regenten en hooge
regentessen; een er van leefde altijd in zijn herinnering, dit was een
mooie dame, die had hem prenten gegeven toen hij ziek was en heel andere
versjes geleerd dan de schoolliedjes waren. Maar daar kwamen andere
rijen, ruwe, groflachsche werkmanskoppen, met lippen die vloekten en
tabakpruimden, met oogen die 's Maandags ontstoken waren en onrein;
daar gingen de brommende bazen voorbij met hun nog knorriger zoons,
en de heerschappen die op het werk kijken kwamen. Soms kwam er ook een
vriendelijk gezicht tusschen al die onverschillige menschentronies.
Hij kende ze nog wel; dat was de ondermeester, die altijd zooveel te
vertellen wist; dat was Rudolf, die naar zee was gegaan, een lange
slungel, de jongens noemden hem Stoop; bij het weezenvolkje stond
hij hoog in aanzien, en hij had de beroemdheid van mooi te kunnen
teekenen; nooit was hij weêr teruggekomen, want op een goeien dag
was hij overboord gewaaid, werd verteld; en dat was Leentje met haar
lang korenblond haar, ze was aan de tering gestorven; en dat kleine
werkmannetje met zijn bult en zijn breeden lachmond; en dat was een oud
gerimpeld vrouwengezicht, dat hij altijd zag in de herinnering van dien
tweeden tijd, en hij kon het niet anders zien dan in de warme schaduw
van een zonnigen werkeloozen Zondag.
Er was op die tweede periode ook een betere gevolgd, hij had toen als
man moeten beginnen wat een ander begint als kind.... en....
--..Miauw! klaagde de kat, de streelende hand was ruw geworden en het
beest kreunde tegen.
Met het even opkijken zag hij het witte schort van den hovenier
achteloos achtergelaten in den rieten leunstoel; 't lag ineengerold, de
wrong van de sterke lenden zat er nog in, vol knoeiende krinkels, en de
banden hingen er slap en leêg bij.
Toen was in eens de Narcerus met haar twee wonderlijke bloemen bezit
gaan nemen van zijn verbeelden. Hij moest zich haar voorstellen, zooals
zij nu stond in dien ruwen hoek van de donkere kas, onzichtbaar in
al haar blank mooi-zijn, stil openbloeiend in den nacht, om even
onzichtbaar te sterven in de wolk van haar eigen hartegeuren. Was het
niet zeldzaam zoo mooi te zijn alleen om zich zelve? En het verlangen
bekroop hem die bloem weêr te gaan zien, haar op te roepen opnieuw uit
het duister, maar de deur was toch gesloten en zijn lichaam was zoo lui,
dus bleef hij maar doorsoezen in de stilte met de warme kat op zijn
knieën. De wind suiselde om het tuinhuis heen, 't was een geluidje
als van zijden slepen die langs ons voorbijgaan. Hij schurkte met de
schouders van genot. En hij dacht aan het verhaal van den tuinbaas. Ja,
ja, in dat gebrekkige vertelsel, in dat kinderlijke verhaal van wilde
buffels, stilstaand en tegengehouden door bloemengeur, en het geloof
waarmeê het verteld werd, was daar niet veel in van de bekoring der
bloem zelve, en die bloem was ze niet als hoorde ze thuis in den tuin
van Scheherazade, de arabische sprookjes-sultane? Want ze kwam uit het
oosten, had de baas verteld, uit dat wonderland het oosten, waarvan de
verhalen rondspoken in de hoofden van alle kinderen, groote en kleine;
uit het oosten, uit een vaag land, dat in de kleine verbeelding van
het volk leeft als een vèr vermoed oord van melk en honig, van hitte en
zwarte menschen; van het werkelijke oosten, dat zijn weeke weelde brengt
met zijn dadels en rijpe vijgen; uit dat oosten dat de menschen tusschen
de nevelen bezoekt met zijn droomerijen en dat hun, godgewijd, zijn
bedwelming zendt uit de bladen van hun Heilige Schriften; uit dat
wereldstuk door droomers bedroomd; uit het oosten waar het licht begint;
uit het oosten, dat is uit alles wat ver af is en daarom schoon, als
alles wat onbereikbaar is en daarom doet sterven van verlangen.
Zacht snorde de kater, als een die een bidsnoer afprevelt, en de rook
kringelde warm op.
En ook in zijn leven was dat oosten getreden als een schoone bezoeking;
't was nog niet zoo lang geleden dat hij een grond beloopen had, waar de
mensch om zijn god te vreezen met verdwaasde oogen bidt naar de dalende
zon. 't Was aan het einde geweest van een lange reis, als een steelsche
blik in een schoon maar verboden oord, dat hem die het gezien heeft des
daags vervolgen blijft met zijn gezichten, en zijn nachten onrustig met
droomen bezoekt. Nu was hij er weêr, nu zag hij weêr dat lange zandige
strand waar hij aangeland was, met zijn heuvelrijen van esmerald en rood
purper om de baai der zee. Hij hoorde het schuimende klotsen weêr, het
breken en tuimelen der waterbanen in den avondvloed, het lange deinen
der opschuivende golven, meeuwwit bekuifd, met sappig smaragd in de
diepten, vol donkere blauw-waterkleuren in de omkrommende valling. En
hij zag de wandelende Arabieren weêr in hun blanke tunieken, met de
mantelkap in den bruinen nek, of warmtegevend over de geschoren kruin
getrokken.
Daar gingen ze, de deftige zwartbaardige Oosterlingen die zonder gebaren
spreken, koelte zoeken in de avondbries. Hij hoorde ze gaan, het kleppen
van hun baboesjes, van de roode en gele muiltjes met neêrgetrapt
hielstuk, op het natte strandzand. En hij steeg met hen naar de poorten
op, tusschen de opkronkelende poorten in, waar de schildwacht zwijgend
zat op zijn steenen bank; hij had de wijde broek gemakkelijk opgesjord
in het kruis en joeg den rook uit zijn kiffpijpje, uit een kleinen
rooden kop en dikken rieten steel met gouddraad omwonden, door zijn
wijde neusgaten heen, onder zijn zwartkijkende en star peinzende oogen
door. Zijn lang geweer met koperen loop en omgebogen pistoolkolf stond
onder de greep van zijn hand. En verder dwaalde hij in die wonderlijke
stad, tusschen het bedrijvig gewemel van veel menschen die bij den dag
leven... hij slenterde weêr tusschen het bonte gekleur van veel natiën,
saâmgestroomd aan de poorten van het weelde-belovende Oosten; van den
zwarten, kleinschedeligen Etiopiër, langs den rechtop wandelenden
berg-Arabier, die het roode foedraal van het hem onmisbaar geweer
als een tulband windt om de geschoren kruin van zijn lang-mageren,
fanatieken kop; langs den geelhuidigen en vuil gekaftanden Jood, die
zijn rijkzijn verbergen moet en met neêrgeslagen oogen loopt; langs
den ijdelen en donker uitzienden Spanjaard, die deftig doet als een
Oosterling; langs den kortharigen Brit met zijn blond vleesch en koude
oogen; langs den stevig gerugden Noorman, wiens kaken log uitgegroeid
zijn en wiens kauwspieren dik, van het vele eten. En hij klom hooger
de heuvels op van de stad, naar het marktplein dat leêg liep en waar
de ezels en honden los doolden in het achtergebleven vuil; hooger op
zag hij de kolossen der kameelen staan, zwaar en losgepakt tegen den
nachtwordenden hemel; ze kwamen uit het binnenland, diep uit het hart
van het Oosten en hadden de weeke weelde meêgebracht op hun monsterige
ruggen. En nog hooger klom hij, waar de graven zijn, hij zag de vrouwen
zitten, vormloos, weggesluierd in hun dikplooiïg wit opperkleed,
neêrgeknikt onder het takkengestekel en gewaaier van aloës, biddend bij
hun dooden, droef gebogen, klagelijk saâmgeplooid, onderworpen nog voor
hun doode meesters... murmelend hun: «Allah Akbar, God is groot."
En als hij dan opkeek, zag hij, tusschen de plantenarmen door, plassen
van het blauwe, lage watervlak en de heuvels met hun kleinoodiënkleuren,
en de golvend gekartelde slanglijn van den ringmuur om de stad, en de
witte blokken, stapels van bordessen op elkaâr, met het geheele Kasbah,
het optronende paleis van den grooten heer: het blanke visioen van een
afrikaansche stad vliedend onder een komenden nachthemel zonder licht.
O, wat was dat alles nu vèr, weg waren de ruwe kanten, de harde
indrukken, ze bestonden niet meer, ze waren uitgesleten in het weeke
liefhebben der droomende herinnering, alles was zoo vèr en zoo mooi en
hij zou het wel nooit weêr terug zien.
Zoo gingen soezend de minuten voort, en rondom de tuinmanswoning zuchtte
de nacht haar smartelijke stilte uit, en het tikken der klok was als
hamerslaagjes, als het koortsige kloppen van een menschenhart.
Slaperig opende hij de oogen. Hij zag de couranten netjes opgevouwen en
tot een dik stapeltje gemaakt, liggen op de tafel. Toen vielen zwaar
zijn oogen weêr toe.
Daar kwam de torenslag, 't was twaalf uur; de slagen rekten zich lui uit
en galmden slaapdronken na in zijn hersens. 't Geluid kwam weerbarstig,
als verbrijzeld tegen een dampkring zwaar van water, verstrooid geraakt
en moeielijk voortgestompt door den dikken nacht. Werktuigelijk was
hij begonnen te tellen: «ééne, tweeë, drieë," 't was of het onderste
gedeelte van zijn lichaam weggenomen werd, en een gevoel van waaiende
spinraggen ging over zijn voorhoofd, over zijn oogleden en over zijn
wangen; «acht, negen," herhaalde hij, «acht, negen, acht, negen," ging
het al stiller en verder van hem weg... toen sliep hij met het hoofd
tegen het tochtschot en met den zwarten kater ineengerold op zijn
knieën.
* * * * *
En hij droomde dat hij lag hoog op de helling van een heuvel; de
glooiing was bewoeld met klein, bleekblauw groen, fijne varens met
gespleten en gekorven blaadjes en glinsterig, rondbladerig, kruipend
kruid. Hij lag lui uit en zag boven zich in een stillen hemel die
sterreloos was, een effen lichtveld, staalblank blauw. Over hem daalde
het maanlicht en overal over den heuvel, hij zag de donkere schaduw
uitgaan van zijn liggend lichaam, scherp gebeeld op den kriewelenden
plantengrond; want laag achter hem rees de klare maan, zuiver in den
nacht stijgend.
En toen zijn kijken weêr opklom langs de glooiing, die uitschoof wit
van 't maanlicht besneeuwd, zag hij donkere, veelarmige gewassen staan,
ineengekronkeld en tot een heg vergroeid; ze stonden op den uitersten
rand, daar waar de glooiing verliep en de vlakte begon; en groote
sterrebloemen zag hij blinken tusschen het takkengewar, witte
nachtbloemen, opengefonkeld in het stralen der volle maan; en een
reukdamp kwam dalen van boven, de zware geuren van de bloemen der
Narcerus.
Toen werd het zijn willen die bloemen weêr te zien en dichtbij. Hij
kroop langs de helling op, tot waar de planten groeiden uit den grond.
Zóó bleef hij stil liggen, met het hoofd gesteund in de beide handen;
boven zijn oogen zag hij de twee bloemen der cactus. De grootste was
licht gebogen naar den grond. Hij kon diep inzien in het gouden hart,
dat, bloedend gekleurd, tusschen uit het stralengepraal der schutbladen
de lange meeldraden snellen liet, zwaar van het bevruchtende stuifmeel.
En de kleinste was meer afgekeerd en puntte zijn witte bladen weg in het
geduister der takkenschaduw.
Stil bleef hij in zijn bewondering. Hij voelde zijne leden zwaar liggen
en wegzakken in den fijn begroeiden grond en de kracht van zijn spieren
en knoken drukken als een logge macht.
In het smettelooze maanlicht was alles zóó ijl en omstoffelijk; het
kleine gegroei op den grond beefde in het witte licht en daarboven
fonkelden de bloemen, lichtend als licht zelve. Een gevoel van onrust
begon hem te bekruipen, een wrevelig, maar week gevoel over zijn eigen
grofheid. Toen, ja, hij had het zeker gezien, de blaadjes klepten....
de bloemen bewogen, ze gingen los van den stam en kwamen langzaam
aanwandelen, als hoogpootige spinnen. Tot voor hem kwamen ze, daar
keerden ze om en groeiden in eens vast aan den grond.
En nu ze onbewegelijk als marmeren bloemen waren, onder den blik van
zijn neêrgeslagen oogen, hoorde hij dat ze spraken en het verbaasde hem
niet.
--«De nacht is eeuwig," kwam uit den afgekeerden mond der kleinste
bloem, brommende als een orakel.
En uit de grootste ging óp het geluid van een menschenstem:
--«Wij zijn kinderen van één nacht en wij pralen om niet; onder de
bloemen die bloeien is geen ons gelijk, ons schoon-zijn is de bloei der
begeerte."
--«En de begeerte is eeuwig," prevelde de afgekeerde bloem.
Maar de andere hernam weêr:
--«Onze hoogste schoonheid is de schoonheid van één nacht en onze eenige
bloei de rijkdom van dien nacht; waar wij bloeiend in de stilte staan,
daar is het duister niet dof en het donker niet dood, wij kunnen
rondzien waar onze geuren gaan, blauw is de nacht waar wij bloeien."
--«Bloeien is behoefte en behoefte is eeuwig," viel de kleine in.
Maar de andere sprak weêr:
--«Tusschen de wimpers van onze ontwakende oogen, toen wij geboren
werden uit het licht, ging de zon weg, westwaarts, in een droom van
roodrookig goud; en toen het licht henen gloeide en de avondhemel als
een gewelf van luister was, zagen we ze staan, mannengestalten hoog,
met prevelende lippen en verlangenden blik. Opwaarts bewogen ze de
handen uit de lange, wijduithangende mantelmouw en ze strekten ze in de
lichte lucht, ze bewogen ze op een breed rythme. Op de duistere aarde
vielen ze neêr, de hooge gestalten der bidders, lang lagen hun hoofden
tot den grond, fluisterend dronken zij het stof der aarde in, die ze zóó
heilig kusten in hun dronken vervoering."
--«Allah akbar, het licht komt van Hem," murmelde de afgekeerde bloem.
Maar de andere sprak:
--«Toen de maan nog donker was en de aarde duister onder een hemel
befeest met geschitter van sterren, zijn ze langs ons heen gegaan, de
zonen en dochteren der menschen die elkander zochten. Ze hadden hunne
lange kleederen opgenomen tot aan de knieën voor den loop van hun
verliefde voeten. En ze hebben geleefd bij ons, in onze geuren leden ze
de smarten die vreugden brengen en de vreugden die in smarten vergaan.
Wij hebben hun leven verstaan in het gejuich en geklaag dat om ons ging
op de woorden van den waanzin der liefde. En als het geklepper van hun
baboesjes weêr stil was geworden in den nacht, hebben wij de geuren uit
onze kelken nagezwaaid aan hun liefde, als wierook uit witte vaten van
albast."--
--«Het leven groeit in de macht van den nacht, het duister is bevolkt
met de kiemen der geboorte, groot is de macht van den nacht."
Zoo sprak de eene bloem, maar de andere hernam weêr:
--«Als het groot gouden oog van den dag was tot de rust gegaan, en weêr
een dag dood aan den tijd die nooit geboren is en nooit sterven zal, als
het oog van den nacht begint te ontluiken en pinkt aan de lucht als een
sikkel met scherpe hoornen, als de aarde zwelt in het donker onder de
wassende maan na een dag van grooten groei en de lucht zwaar is van
bevruchting, zijn er wilde schaduwen langs ons heen gestormd, stoeten
van wilde buffels die elkander zochten; en aan onze takken zijn de
vale vlosvlokken blijven hangen uit hun ruig lijf, dat langs ons henen
schuurde in den razenden gang, en zij hebben ons verpletterd in de wilde
beweging, als de grond dreunde onder het gestamp hunner driften."
--«Wij werden geboren uit het licht en wij gaan met het licht," klonk
het uit de afgekeerde bloem.
Maar de andere sprak weêr:
--«Als de hemel nog nachtblauw is, maar uit het oosten het licht al
opschemeren komt achter den donkeren bol der aarde om, als het groot
wordt en groeit en het duister bekampt met vlagen van glinsterend
zilveren pijltjes..."
Maar plotseling kwam met een zwaai de schaduw van een hand die de
vingers groot-uit gestrekt houdt, voor de oogen des slapers; het breede
goedronde gelaat van den hovenier kwam opdringen uit de diepte van het
droomveld, en hij hoorde zijn stem, zeggend met het hooge geluid:
--«We hebben van avond de kas licht gemaakt."
En in eens waren de bloemen verdwenen. Helle stroomen gekleurd licht
kwamen neêrregenen voor zijn oogen om te storten tegen den grond en
uiteen te slaan als stuk stuivend en plots poederend water. Maar de
regen hield op en 't bleef tot een lichtenden mist, tot een glanzenden
nevel in zijn droomende oogen. Geroezemoes groeide er uit en door heen,
geluiden van wild water, gerommel en gereutel en gesieper zong uit den
bangmakenden dampkring van stuivend licht. En de geluiden groeiden aan
met lange streken, ze wrongen zich saâm tot een aandeinende golf, die
weêr terugslaat. En op de stroomingen begonnen klanken te komen die
stemmen geleken, ze zetten uit en drongen óp gelijk aan den zanggalm die
uit de openstaande kerkdeur van een protestantsch bedehuis bollen komt,
waar de gemeente zingt.
Duidelijker groeiden de geluiden aan, ze werden ontzettend. Angst
overviel den slaper, een beklemming zakte op zijn borst, 't was of twee
knoestige handen zijn ribben samenkraken wilden aan de ribbenzijden.
Daar kwam een lollende deun opzetten, hij zwaaide en draaide boven den
grommenden geluidenchaos, zweeg, viel als vermoeid neêr, maar sprong
dan vervaarlijk weêr op, en spiraalde naar achteren met een woesten en
buitelenden dwarrel. Almaar groeiden de geluiden in kracht, het bange
concert werd al voller en voller;.... daar kwamen reeksen van rauwe
kreten, luchtstooten wild uit de longen gestuwd, harde ademtochten,
heete hijgingen tot geluid geperst, en met hen kwamen galoppeerende en
hortende horden van daverend stampgeluid, klanken van hout op hout en
van ijzer op steen. En daar stegen geluiden omhoog, saâmgeschroefd tot
zuilen van geluid, en verder op ging een andere jubelende kolom de
hoogte in, en daar éen en ginder éen, boven een poel van rumoerige
kleuren waar alles gloeide in een hel van licht en gedruisch.
Hoort, daar begon de deun weêr, harder, komend van dichterbij. Dat klonk
niet vroolijk, dat was een logge, dikke deun door dronken-menschen-kelen
bezield geraakt, en opgezwollen van pret in de ruimte uitgeschreeuwd;
dat was een lijzige plezierdeun, een uitbundig feestlied met een klacht
tot ondergrond, een feestwijs gezongen met een naar neusgeluid of
uitgeklaagd door een houten hobo, een lachen met zoute tranen achter in
de keel.
Maar langzaam klaarde de nevel op en door het dunner wordende gordijn
kwamen lichten pinken, lange rijen van lichten, dubbele reeksen begon
hij te tellen: gele, onbewegelijke gasvlammen, sidderende roode en witte
vlammen, blauwe vlammen en maanstralig elektrisch vuur; een stankwalm
van gesmolten vet, van brandende talk prikkelde zijn neusgaten en hij
voelde de ademwolk van veel menschen. Helderder en scherper begrensde
zich de droom; hij begon lange stoeten te zien die donker slingerden,
bewegingen van zwart, gestalten die voortschoven onder het geroezemoes
van licht.
En in eens herkende hij waar de droom hem gebracht had. Hij was in de
hoofdstad en de hoofdstad vierde feest. Hij herkende de straat waar
hij was, hij voelde het asfalt ervan gladgeslepen onder zijne voeten.
Tusschen de elkaâr opstootende menschendrommen waarin hij zich meê
voelde gaan, zag hij stukken van den vloer, geelrose vlekken onder het
net van lichtjes, die een stralend dak vlochten boven zijn hoofd. Want
overal zag hij lichtjes, kleine, weinig glans gevende lichtjes, maar
die in hun duizendtallig zijn gloeiden tot een gewelf van vuur; over de
straat vlogen ze in kruislijnen, guirlandes ervan hingen zwaar gebogen
over de geul der smalle straat, van den donkeren muur tot den donkeren
muur. Opwaarts en over elkaâr heen, torsten ze in hun samentreffing,
kronen van dubbele rijen gloeiende pitten, rood en wit en blauw
geschilderde glazen; het dikke vet lag er troebel op den bodem in, en
één voor één hingen ze in een ringetje van gevlochten draad, zwart
streepje op den lichtenden wand van elk glas. De winkels waren weg, de
deuren en uitstallingen gesloten, gebarrikadeerd en dichtgespijkerd
met planken als bij een oproer. De ondergevels en winkelpuien geleken
stomme, strakke dijken, die versterkt en opnieuw gelapt, den woedenden
stroom moeten binnen houden.
Maar naar boven, boven de lichten en geluiden uit, daar gloeiden de
vlaggen en trofeeën, ópbrandend. Donker kwamen ze dalen, neêrgelaten
uit den donkeren nachthemel; de roode banen zakten bloedrood aan en
verschroeiden boven de guirlandes tot een rauw oranje, de wimpelstrooken
verbrandden tot licht rood, het blauw vergroezelde tot groen en het
schemerend wit purperde, met bleek rose op de plooien. Op den
luchtstroom van beneden bewogen al die kleuren zich als op een licht
geblaas.
En overal over de in lichtheid wegwolkende lengte der straat,
tusschen de festoenen en lichten door, boven en tusschen de banen der
vlaggelappen, die een schijn kregen als waren het de hoog opgetrokken
decoraties van een tooverballet, boven en tusschen de donkere lijnen van
lijsten en kozijnen, waar het licht brandig langs vloog en die oppijlden
en wegschoten naar den nacht toe, in de gevels die soms als brokken
waren van een verbrande buurt, met hun door den nacht opgeslokte kappen
en daken, zag hij de donkere gaten der opgeschoven vensterramen bebloemd
en befeest met tuilen rooskleurige menschengezichten; ze tuurden alle
naar beneden; met levende oogen staarden ze door de guirlandes en
festoenen van lichten heen omlaag in de geul der straat.
Als door een zwaar loopende, drabbige rivier opgestooten en meegevoerd,
voelde hij zich gaan. Hij zag voor zich niets dan ruggen, zwarte,
benauwde, stomme ruggen. Soms was het of de zwarte rivier rondwentelde
in de smalle bedding der straat; dan smeet de stroom hem rechts tegen de
huizen aan en hij voelde zich opgaan in het gedonder van lawaai-makende
menschen, en dan weêr links, waar hij tegen een anderen menschenstroom
aankwam die teruggolfde. Dan zag hij een oogenblik zoo'n stoet
voorbijgaan; 't waren krachtige mannen en opgeschoten jongens, allen
met oranjestrikjes op de borst, of tusschen het lint van den in den nek
gezakten hoed; er waren veel vrouwen bij, opgedrild met omslagdoeken of
burgerlijke mantels. Ze hiha-den met de mannen meê. Een oogenblik zag
hij ze in de dronken en bevlamde gezichten, ze waren vertrokken en
misvormd door de opwinding, vuile zweetstralen daalden onder de hoeden
vandaan, de haren plekten en kleefden en waren in de war, de oogen
glommen wellustig, de monden waren opengeschreeuwd tot donkere gaten.
Met geluiden van verschrikking gingen ze voorbij. Hi! ha! dreunden de
zweetende mannen, ze hielden de vrouwen aan de gebogen armen en stieten
elkaâr in de ruggen op. Hi! ha! hijgden ze als moesten hun longen te
bersten, voort donderden ze, stampend daverden hun voeten op het asfalt
en ze sloegen een bres in het gedrang, op den hamerenden rythmus van hun
wild gezang.
Maar oogenblikkelijk rolde de bedding weêr vol en sloot de stroom zich
toe.
Kalmer ging het nu voorbij, de opwandelende beweging kabbelde rustig
vooruit. 't Waren rustige wandelstoeten, tevreden menschen elkaâr
verdringend, huisgezinnen opgepropt achter elkaâr. Ze schoven vooruit op
een luchtig danspasje... vroolijk zagen hun oogen en alles bewonderend,
in de rooskleurige gezichten. En ze waren allen met oranje versierd, met
geplooide rosetjes of met geverfde immortellenboeketjes. Sommigen hadden
van tin gegoten medaljes aan een geel sigarenlintje op de borst gespeld
of aan strikjes met de nationale kleuren. Velen hadden kinderen bij
zich, ze droegen ze op den arm of sleurden ze aan de hand mede door de
volte. Als een wolk van stof steeg de opgewondenheid uit hen, een vol
geroezem van blijde stemmen en luchtig slijpende voeten; één gerol van
uitgelaten mannenlachen ginder, hier het giegelen en gillen van een
vrouw die in het gedrang gekitteld werd, daar het benauwde huilen van
een verdrongen kind, dat zich den hoed voor de oogen voelt gekneld en
bang wordt van het donkere leven.
Maar hi, ha! hi, ha! daar kwam weêr een andere stoet de stikvolte
doorslaan en, dadelijk woest geworden en verschrikkelijk, smeet de
stroom hem opnieuw tegen de huizen aan.
Weêr was hij tusschen de ruggen in benauwdheid, weêr zag hij niets dan
de stomme vlekken der ruggen, de dansende en opgolvende schouders, de
hoederanden boven botte achterhoofden, met de roode, uitwijkende
oorzoomen er onder. Daar keek een kop even om, een rood-gloeiend hoofd
met lichtglimpen in de oogen, die gediept en donkerder glommen door
den hartstocht der pret, achter zich voelde hij den heeten adem van
eene vrouw wademen in zijn halskuil. Daar begon een man te zingen, dat
was de deun, de lijzige deun, en als aangestoken begon ieder mede te
zingen: de mannen in de gekleede jassen, de vrouwen en meisjes als
dames gekleed. «We gaan niet dood, we gaan niet dood!" zong het om hem,
fatsoenlijk-lollig en heesch-krijschend en opgeblèrd en uitgebruld ging
het van hem weg. «We gaan niet dood, we gaan niet dood!"... gerekt en
onafgebroken herhaalde zich de deun over de hoofden heen, onder de
festoenen van lichten door. Er liep een groote, stevige man voor hem,
zijn sterke schouderbladen puilden door zijn nauwe gekleede jas, en die
rug zong meê, de uitzetting der longen zwol door het laken heen. «We
gaan niet dood!" zong hij met een vette stem, zijn rug wrong zich in de
plooien, hij trok gezichten; dan geleek hij op een doodskop en dan weêr,
als de schouderbladen bewogen, op een grooten vlinder. Maar moê zweeg
het gezang, en het lange gesijfel van slijpende voeten bleef breed
sluipen langs den vloer.
En eensklaps voelde hij toen zijn armen vrij worden en ruimte komen voor
en achter. Een frissche gulp lucht kwam van boven neêr in de benauwing;
hij zag naar de vlaggen; hij zag de lichtspatten op de vergulde knoppen
en de lange snelle strepen der vlaggestokken; 't geleken groote vaste
spelden die de decoraties vastprikten; toen wierp de stroom hem uit. Hij
was op een plein.
Daar kon hij ruim ademhalen. De vurige monding der straat met zijn
brand- en feestkleuren in de hoogte lag achter hem, en van onder braakte
de zwarte vloed donkere gestaltetjes, als stukken modder, als verbrande
sintels uit. Ze stoven weg over het plein of vielen weêr terug in de
wielende woeling.
't Was dadelijk donker geworden. Voor zich zag hij het gevaarte van
een toren opspalken, zwaar staan uit den grond en zich uitleden en
wegschuiven met den kop in den nacht. «Waar ben ik?" vroeg hij zich af;
hij wist het niet, al zijn plaatselijke kennis was in de war.--Want
verder op zag hij andere straatmonden gapen en laaien, en vreemde
poorten zag hij er pralend aan den ingang staan, donker tegen den
brand der stad.--En overal, hoe hij zich keerde, daar straalden
wijduit-stralende sterren; ze hingen los en laag in de lucht;.... en
daar flikkerde het lichtende karkas van een gebouw omhoog;.... en dáár
waren gloeiende letters geschreven of lekte vlammend cijferschrift.
En hij dwaalde maar door, doelloos door, met een bang en vreemd gevoel
bij zich. Dan was hij in een verlaten buurt waar het leêg rook en
waar magere lichtjes arm en half uitgewaaid sidderden.... En dan
was er in eens weêr een stralende pagode voor zijn oogen, als een
Jaggernautsdiensthuis, opgetrokken van lijnen licht; 't zag er zwart
van menschen, saâmgepakt en geschoold tot een gemeente, vereerend, stom,
in geslagen aanbidding stonden ze, tot een veld vol stille houdingen
geschaard om den voet des tempels; want tot achter het licht door zetten
de kringen zich uit, onafzienbaar waren de rijen daar van rood-begloeide
hoofden.
Toen liep hij weg, verbijsterd, uit den kleuren-brand van het tinkelende
licht. Maar de ernstige grachten, ze spiegelden het vuurleven terug,
het water vloeide er van, het lag tot in zijn diepste diepte er meê
bedruppeld. En hij liep voort, almaar voort, als iemand die angstig in
een vreemde stad holt, op goed geluk af. Drukke menschen gingen met
zwaaiende armen aan hem voorbij, door straten waarin de nacht koolde.
Ze zochten den kortsten weg naar het licht toe. Daar waren de huizen
duister-zwijgend en onversierd, een enkele vlag gloeide er hoog boven
een stille straatlantaren; en hier en daar kwam de feestkleur van het
licht vierkant slaan uit een venster in het donker der straat. Dan
zag hij in 't voorbijgaan door de ruiten heen, tusschen de pronkerige
letters door op de glazen geschilderd, rond-opgezwollen tonnen schijnen,
of dik gebuikte flesschen, of lange glimmende tinnen maten; en
daarbinnen, naar buiten dringend, daar hoorde hij het feest weêr leven,
kleiner; daar loeide de pret bij brokken na, daar vergloeiden de stukken
plezier, gestoven, verdwaald uit het brandende hart der stad. Verder
ging hij, verder, dóór en langs nauwe stegen, waar de geur van groen
naaldhout vocht met den vetwalm van schoon-uitbrandende lichtjes en den
gotenstank. Soms moest hij stil staan; dan zag hij mannen in overhemden
en vrouwen in witte gestijfselde jakken, rauwe bleekblauwe jakken in
het oranje-licht; ze zaten suf op van binnenshuis gezeulde stoelen,
zat, achter hun walmende vetpotten en prieelen van bonten smuk; de
leêge flesch stond in de vensterbank en nu zongen ze zalig aandoenlijke
liedjes, sentimenteel geworden door den drank. Maar de stegen schenen
stil, ze hadden hun bevolking geloosd naar het hart der stad. Doelloos
liep hij. Hoort, hoe het er gromde, hoe vol de lucht was van de
bezetenheid en de verrukking der stad. 't Was als een wagengerol,
uitrollend hoog naar de wolken. Hoort, daar was de deun weêr met zijn
grafgalm; vèr voor zijn oogen, daar trok een joelende troep over een
brug, hij hoorde het harde trappelen der voeten op het hout; hij zag
groote roode lichten, ballons aan stokken gedragen, schommelend heen
en weêr als gekleurde manen; ze riepen bloedige vuurschijven op in het
duister-spoelende grachtwater, onder de donkere holen der brugbogen. De
troep joelde voorbij, de vuurschijven in het water sloegen tot krinkels
tegen een zwarten, loggen schuitromp.
Hoort! de deun rommelde nu in een steeg. «We gaan niet dood, we gaan
niet dood!" tegen de vuile muren op, tegen de blinde vensters aan. Wèg
galmde de bende, maar als de naslepende rookpluim van een trein op het
weiland, zoo bleef de deun er nadeunen in zijn ooren.
Rusteloos moest hij voort met de groote behoefte in zich om de volheid
der vroolijkheid te zien. Hij kwam in buurten die menschenloos waren,
waar alles sliep of uit was. Hij ging over de welvingen van bruggen,
onder de grootstaande kleppen der ophaalbruggen door... de kettings
rammelden in de stilte. Hij liep langs rasters en langs verlaten werven,
waar vastgemeerde schuiten dommelden; de gereedschappen lagen verstrooid
tegen den grond, als neêrgesmeten door gejaagde handen; in de donkere
stilte sloop een zwarte kat sluik over lange stapels van houten planken;
of een magere hond, een bleek uitziend beest, kwam uit het duister in
het licht van een straatvlam, hongerig snuffelend met den neus langs den
grond. Het schoof geluidloos voort op den druk van zijn zachte pooten.
En hij kwam in nieuwe of in aanbouw staande wijken waar het kelderstil
was. Als brokken van een fabriek stonden de zwarte huizenklompen;
als een stad in puin, met dreigende silhouetten, verstrooid op de
braakliggende terreinen; het rook er onhuiselijk naar kalk en naar
stuivend zand; de wind maakte er leven, een stuk voddig krantenpapier,
de vetgeworden omwikkeling van een werkmansboterham, rolde ritselend en
kreukend over den ruwen puinvloer.
Maar waar dat hij dwaalde en hoe dat hij liep, overal werd hij vervolgd
door den galm van den deun, die zich in zijn hersens had vastgeklemd om
hem niet meer te verlaten. Het vervloekte refrein zong in hem, het ding
kriewelde in zijn keel en drong plagend tegen de lippen op. Bezeten
ervan liep hij voort door de nachtelijke buurten, met de borreling in
zich, in zijn ooren hoorend hoe dat zelfde gelol opborrelde uit het
hart der stad, hoe het heerschte en van de ruimte bezit nam, als een
bol gewaai, met een open gedreun, dat in de verte als het diepe en
onderdrukte geeuwen was van een moe stuk leven.
En langzaam aan, in de ontzettende en van verre gonzingen levende
stilte, voelde hij zich een gedeelte worden, een klein uitgespuwd
gedeelte van dat in vlammen en kleurenvuur feestvierende gedrocht, de
stad. Een leêg gevoel van verlatenzijn, een doove loomheid begon te
zakken van zijn hoofd in zijn beenen. Doodmoê werd hij, maar willoos
bleef hij doorslenteren, voortgestuwd door den machinalen drang van zijn
in beweging gezet lichaam; met looden voeten liep hij de straten uit,
de lantarenreeksen langs en langs de stomme gevels; recht weg vloden
de rijen kijk- en luchtgaten. Soms ging hij voorbij oude, dorpachtige
huisjes, ze kropen laag en benauwd weg in de schaduwvlagen der groote
steenen blokken. De stad had ze verdrongen, doodgekneld, verstikt.
En dan weêr zag hij een onttakelden molen staan, een duisterstompen
kegelromp, met een geharrewar van planken en houten als oorlogstuig in
de laagte, met de verganen kapsteller in de hoogte; log en wiekenloos
wankelde hij op het leêge erf, maar daar scheen hij koppig in den grond
gegroeid, en stond weerbarstig met het stompe voorhoofd, donker en
verwoed tegen de gladde steenen gevels der vooruitdringende stad, die
hem den toestroom van wind in de hoogte afsneed en zóo gevangen hield.
Nu lag het molenaarshuis verzonken, weggezakt in het zand.
Al moeier werd hij, de wandelaar, en al vager voelde hij de dingen komen
tot zijn bewustzijn. Ja, ja, het feest was uit; daar ginder glom nog
maar een enkel vetpotje aan een armelui's-verlichting. Hij hoorde de
geluiden in de lucht vergaan, hij hoorde niets meer dan het gesoes in
zich zelven, het zeuren en neuriën van den deun: «we gaan niet dood!"
Hij was bij een water, waar de nieuwe stad spoelen komt in de oude,
en daar, als door een nooddruft gedwongen, schudde hij de loomheid van
zich af, hij wilde terug naar binnen, hij moest er bij zijn, bij het
doodbloeden der pret, hij zou de laatste lichtjes zien sterven, en dan
het ronken hooren van de zatte stad.
Dus ging hij weêr op weg, om de zieltogende pret te zoeken. Ja, het
feest stierf. In de eerste groote straten zag hij het vuurleven
gebluscht; als naglimmende vonken knapten en sisten nog enkele
lampions, met opflikkeringen van smeerkaarsvlammen. Smeulend-rood
rookten ze op de vette bodems der glaasjes. Hier was het er één, en wat
verder twee of drie bij elkaâr geschoold, maar soms waren lange einden
al uitgebrand en daar waren de rijen glaasjes vreemde risten, als
hangende flarden, en de staketsels en wimpelmasten het vervallen
overschot na een grooten brand. 't Was een langzame vernietiging.
Gesmoord was het laaien der vlaggen en trofeeën; alleen boven de
straatvlammen lekte en vloog het brandlicht nog op, langs de oranje en
roode banen.
En hij ging tusschen geknakte heggen en door gehavende eerepoorten. Ze
brokten en klontten samen, laag in het duister; dofzwart waren ze nu,
met raadselachtigheden en verlepte boomengroen-kleuren, met verschroeide
hoogsels op de takken van het naaldhout. Soms waren er gaten, bressen
in de heggen getrapt, als waren er stoeten doorgestormd van opgejaagde
wilde beesten; bij de poorten dreef de grond van de afgeschuurde
naalden, ze glisten onder zijn voeten waar hij ging, hij kreeg het
gevoel als liep hij op een boschgrond. En overal lagen afgerukte takken,
ze lagen plat en vertreden, doodgestrekt in hun rechtvingerigen groei op
het pad vol naalden; een harsgeur walmde sterk rond, overal, uit de open
wonden van het opengescheurde, afgereten en gekneusde dennenhout. Daar
lag een bord met een klinkend opschrift als een neêrgehaald blazoen,
tusschen de scherven van met stokken afgeslagen lampions, en daar
groezelde de vuile strook van een oranjewimpel, tot een touw gedraaid
onder het lange gemurw van de slijpende voeten.
Ja, 't feest was dood, heelemaal dood, dacht hij. Zie, hoe de nachthemel
begon te klaren al, hoe het donker dun werd en hoog boven de huizen
klom. Maar ginder, van uit het midden uit, daar gromde het toch nog;
't was als een broeiende wolk die geluid uitmistte boven de straten.
Langzaam wandelde hij tusschen den dooden tooi in de stille straat. En
hij zag ver van zich menschen komen, zacht zingend sloegen ze zijstraten
in; maar achter hen volgden anderen, en toen was hij opnieuw tusschen
menschen. Groepen van naar huis keerende feestvierders gingen aan hem
voorbij, mannen en vrouwen. Moê en òp sjokten ze voort; aan elkaârs
armen hingen ze, saâmgeregen, steun zoekend voor de slappe knieën en
zwaaiende bovenlijven. Verfomfaaid waren de gekleede jassen, de hoeden
ruig en gedeukt; de vrouwen hadden hun doeken omgeslagen naar achteren
over den schouder, luchtgevend waren hoedelinten losgestrikt en de
mantels open voor de borsten. Als een straatvlam een rij in het gezicht
sloeg, kon hij zien hoe verlept zij waren, uitgebrand ook zij; in de
lijnen en gelaatsgroeven, zieltoogden de dronkenschap en de pret-passie,
de oogleden waren dik gezwollen, als doppen om de puilende oogen;
onophoudelijk knipten zij ze toe. Daar liep een vrouw te slapen, met
gesloten oogen liet ze zich voortslepen tusschen twee mannen, haar hoofd
rolde op zij en dan in den nek, de wrong van haar hair was los, en ze
had een witten zakdoek, met een tuit naar achteren, voor de ochtendkou
om het hoofd geknoopt. Werktuigelijk bewoog haar mond op een klein
lachje, want naast haar, aan haar oor, daar zongen de mannen nog, maar
hun mond wilde niet meer wijd open en de feestdeun kwam heesch tusschen
de benauwde spleet der lippen vandaan.
Neen, 't feest was nog niet dood. Want zie, hoe langer hoe meer,
van alle kanten, begonnen de roodgloeiende deurgaten van kroegen en
koffiehuizen raaskallend de pret naar buiten te smijten, bij horden van
volgedronken feestelingen, op gulpen van smook en drankwalm, tusschen
het stervend leven in de slapende straat. En dan schuimde dadelijk het
geweld weêr op, dan geeselde de bezetenheid het arme en weêrspannige
lijf, dan won de drank het van de afmatting, en in overspanning strekten
de spieren zich stijf, de armen zwaaiden, en de slag der voeten klonk
forsch als in den voornacht. En zóo danste bij brokken de drukte weg en
de straten uit; zij holde door het licht en de schaduwen der schuchter
wordende lantarens, tusschen den dooden tooi, onder de uitgebrande
flarden van het feest, met den langen galm van den deun achter zich aan,
die hol nabauwde tegen de huizen.
Dan kwamen er weêr anderen, rijen en rijen, maar de straat bleef stil.
Alleen groeide er de geluidschuiving der moede voeten, van menschen die
stemmeloos gaan.
Maar dichter bij het hart der stad daar gloeiden de kleuren nog fel,
daar sloeg en zwatelde het gele gaslicht nog in sterren en cijfers en
letters van vuur, dáár was het feest nog in zijn hoogste opbranding.
Al wat de stegen geloosd hadden, het was hier, verbrandde hier in den
laten nacht; al wat in het donker leeft en het licht schuwt, leefde hier
onbeschroomd als in den vollen dag; al wat in krotten broedt en soest,
lange dagen lang en den nacht wacht met doffe oogen; al wat daar woekert
en dommelt of droomen bouwt van woeste begeerte, zich vergetelheid
voorspiegelt in razernij, en het niet-bestaan-meer verlangt in een wolk
van verrukking, was hier, ziedde hier, leefde zich hier uit in de
hartaderen van de stad.
Want alle kelen zongen, iedere deur was een keel, uit alle kroegen
en danshuizen zwollen de deunen zwaar en breed op dikke adems aan.
Hij voelde zich loopen in een gelen lichtwalm, vol en bevolkt met
metaalklanken en geschetter van koper; en de houten hobo's ze klaagden
er hun neusgeluiden in uit, en de afgebeulde violen snerpten smartelijk
zaagtonen uit versleten longen, en een rinkelen en tinkelen, soms tot
een luien groeiend, snelde dwars door het geweld, van de eene deur in de
andere, het wilde barbarengetingel van ijzeren triangelen.
Ja, alle kelen zongen, alles joelde er om het laatste en hoogste lied.
In het bleeke van den ochtendlijk-wordenden hemel juichschaterde en
schreeuwde het oranje, wild lachte en blerde het rood, piepte en gilde
het wit en bomde het donkere blauw samen met het geduister van het
dennegroen en met het gepurper der schaduwen; en uit en in den gelen
smook, uit en in elk dampend feesthol, door de dreunende vreugde, onder
het kleurenboffen der vlaggen, en van achter de als borsten bolstaande
tochtgordijnen, opgeblazen door de pret daar binnen, kwamen de snelle
flaplichten vliegen van glazen en flesschen, groeiend tot een gelui van
lichtjes, schielijke en korte glasflitsen op de rinkelende kristallen
luchters.
En in de zingende volte der straat daar zwaaiden en ijlden losgelaten
en bezeten schepsels, wilde wezens in de kleuren voort; geslachtloos
schenen ze; mannen in vrouwenrokken en vrouwen als mannen vermomd, in
witgestijfselde jakjassen en in onderbroeken, oranje geverfd met
afkooksels van fernambuk en provinciehout. In een rammelende armelui's
vermomming staken zij; met den dollen en bonten smuk van hun grove
vinding was hun lijf getooid; de uitingen van hun beschaafden
barbarensmaak hadden ze met het plezier van kinderen en klein gebleven
geesten over hun arme lichamen uitgestrooid. Want overal hadden ze
strikken en kokardes en linten en bandelieren. Tot aan de randen der
broekspijpen pronkten ze met sieradiën, gekocht voor weinige centen,
met oud verknipt goed, sprekend en opzichtig gemaakt in potten kokend
kleursel, en toen dagen vooruit zelf geplooid en geschikt in noesten
en opgetogen vlijt. Vermaakte nachtmutsen van wonderlijk fatsoen, of
papieren steken als de mutsen van boetelingen met kleuren bevlamd,
zwierden op hun hoofden, hingen over de tronies, schuin op de losse
haren.
Zóo hadden zij den geheelen nacht gedanst en genoten en gezwermd,
de straten vullend met het plezier van hun vrijheid, en in de
tuchteloosheid der feestwoede hadden ze zich vertoond tot in de rijke
wijken. En nu vol van drank en pret klotsten en dansten ze hier, den
nacht uit. Met afgezakte kousen op de grove schoenen stampten hun
voeten onvermoeid de straat. «We gaan niet dood, we gaan niet dood!"
gilden ze in het georgel der deunen. En onbeschaamd, als thuis, wierpen
de vrouwen het hoofd in den nek, en toonden de naakte stukken van hun
keel en borsten, en lagen in de armen der mannen, vol en zalig, die,
dronken als zij, bot lachten met den breeden mond, en haar bewuifden met
takken van dennegroen.
Maar woest opbonkend met de hoofden vooruit, schreeuwden en brulden zij
dan hun hi, ha! hi, ha! en weg donderden ze weêr. Een steeg zwolg ze in;
de deun echode in de steenen gang; en boven den warrelenden klomp van
oranje en wit en donkere haren, slierden en vlogen de ballons aan de
stokken en trokken vurige strepen, kringels en bollen van licht tegen
den uitgang der steeg die blauwde in den kil komenden morgen.
En aan het einde, uit een anderen steegmond, daar kwam weêr een
andere bende zoeken het geroezem van het gele gas. Zij kwamen naar hem
toedraaien, hun armen sloegen de lucht, ze wuifden met de vingers naar
het licht en wrongen de lijven-lijnen in de dierlijke drift van hun
onverzadelijkheid. Achter hen aan liep een man met een groote vlag, een
geverfd beddelaken was het, en op de punt van den stok was een groote
aardappel tot een knop geprikt, de flarden van het verscheurde omwoelsel
van goudpapier hingen er als vellen bij.
Voor de dwarse baan der oranjevlag, dwars gehouden door sjorrende
handen, kwamen de bezetelingen aantuimelen in hun bont carnavalspak.
Als beestenmanen zwiepten de haarbossen op en vielen over de oogen en
rafelden en sloegen uit elkaâr op het schudden en kantelen der hoofden,
die rood en gezwollen van drank en pret alle waren doorboord met het
zwarte gat van den zingenden mond. Zoo daverden en rolden ze voorbij,
langs hem, en walgend rook hij den drankwalm die uit hun kelen rookte.
Maar verder op daar voelde hij zich in eens in een heerlijke ruimte
en lucht; de straat was weg en de dronkenschap en de roes en de
begoocheling van het klaterende licht. Begeerig stond hij stil en zoog
zich de longen vol aan den klaren en kouden morgen. Want dáár in het
oosten, daar klom de dag, daar blonk een breede baan licht, in de lengte
glorend, mat zilver en bleek watergroen in het parelblauw van den hemel.
Innig kwam de dag opschemeren, een handbreedte boven den horizon, boven
de laaghangende en rosse bank van mist waarin de stad rillend wegkromp
als in een rooden rook. Daar kwamen de feesthuizen te voorschijn in den
nuchteren morgen, met kleine en bangelijke silhouetten stonden ze, met
de rafellijnen van hun schoorsteenen en van de telefoonhekken op de
daken; 't was een lange, vèr verloopende grauwe rij, de kleuren der
vlaggen waren er in te raden en soms lichtte er flauw een vensterglas
met het bleeke geglimmer van den dageraad.
En verder op, daar spleet de dag scheuren in den nevel; de
lantarenlichten begonnen te verarmen en te vervuilen in de roetkleur
omlaag, en nog wat verder daar sparkelde de morgen al, door het donkere
spinneraggewar van masten en touwen en sprieten van rustig vastgemeerde
schepen.
Rondom was het stil en algeheel eenzaam. Een man kwam loopen langs den
wallekant, hij had een langen stok over den schouder. Telkens stond het
donkere figuurtje stil; één voor één verdwenen de roode gaatjes der
lichten uit de blauwende schemering.
Huiverend in de kilte verliet hij zijn plaats; onder zijn voeten voelde
hij de steenen glibberen, 't was of de grond zweette na de lange
slijping en betrapping der eindelooze reeksen van brandende voeten;
overal begonnen de huizen weêr los te staan, op te blokken uit den
grond. Zie, nog gingen er menschen. Enkele paren schoven voorbij, ze
keken schuw en beschaamd om hun verwaarloosde kleêren, hun boorden waren
geel en het nuchtere morgenlicht druilde blauw op hun bleeke, uitgeputte
gezichten, op hun slap vleesch met de kleuren van cadavers; aan den hoek
van een steeg zag hij een vrouw in een oranjebroek en een wit gekreukt
jak; zij stond voorover, leunend tegen een lantarenpaal; met gestrekten
arm, hoog met den vollen greep der hand hield zij de ijzeren pijp
omklemd. Hevig schokte en hikte haar lijf, en de vrije hand ging woelend
en wroetend over de maagstreek in de plooien van het witte jak. Telkens
boog haar hoofd met den zwarten haarbos, en toen hij voorbijging plaste
als de gulp van een klaterenden pompstraal, klinkklaar als zuiver water,
de inhoud van haar maag tegen de steenen.
Met slappe banen en zonder golving van plooien, zwaar en nattig, hingen
de vlaggen lang langs de huizen neêr, de kleuren sliepen in de blauwing,
en overal brokkelde er het overschot van het feest. De sterren en
letters waren van rood gemeen hout. Ze hingen storend-vies beprikt met
de bleeke kluiten van vetglazen.
Hooger vloog de dag tot den hemel op. Nu lichtte de heele lucht al.
Kleine frischpaarse wolkjes dreven en dobberden er in rond; en beneden
daar spiegelde het in ijzeren tramlijnen, lange glimslingers snel ijlend
voor zijn oogen uit.
En toen was hij weêr op een plein, en in eens thuis, herkende hij den
Dam.
Daar lag nu het hart der stad open en bloot, de zielzetel van het feest
met zijn verflensten tooi. Wat een rommel! De weekheid des uchtends
vloeide over de bonte prullen en vergoot haar vochtig tranenlicht over
den verstoorden ernst van den Dam, tusschen de onorde der kleuren. De
dag schreide zijn weening uit over de huizen, die omhangen met hun bonte
opschik, suf dommelden en krachteloos, gelijk menschen in slaap gevallen
in hun mooi pak; en midden op het plein daar rees een gevaarte van
bontheid, daar begonnen in de hoogte de kleuren te schreeuwen en te
vloeken tegen de teêrheid van den morgen; dof en onsamenhangend bromden
de kleuren, als het razen van een troep bedronkenen, die in hun roes
hardop droomen.
Daar stond nu de verrukking van al die menschen te verkillen in het
vroege licht, de oogenlust van dat nu zoo uitgeputte volk, met zijn
groote liefde voor kleinen en bonten smuk. Hier had het den geheelen
nacht gezied en gekookt en geborreld.
De wind huiverde in de flarden. De wijde vlakte van den Dam was geheel
verlaten. En met zijn oogen dwaalde hij de huizen langs, de monden der
straten in, tot in de hartaderen der stad; ook daar was het stil,
doodstil; het rood der vlaggen blauwde in den hangenden schemer, donker
als stilstaand bloed.
Toen, het plein in zijn slapende bontheid, in zijn wanorde van
dronkenschap latend, zochten zijn oogen het oude stadhuis. Nog nooit had
hij het zoo mooi gezien. Het stond in 't gezicht van al die kleinheid
en versnippering; barsch, èenkleurig en somber, als een reus van ernst,
als een stuk steen-geworden zelfbewustheid en trots van rijzende kracht.
Machtig stond het in het hart der stad nu, in den ijlen morgen, gesloten
in zijn lange blokkenorde, met een geweld van wil neêrgeploft op den
grond. Lang zag hij het aan en ontzag daalde uit die hooge donkere
steenheid diep in hem neêr. Hij moest de poorten zich zien rekken langs
het grondstuk, hij zag den gevel breed en in zijn lijsten zich verfijnen
en stijgen blijven zonder verlies van kracht; hij zag de gevelspits
kroonen en het kroonstuk als neêrgeklapte vlerken schutten en bergen een
schat van vinding; hij zag den toren opgaan en boren naar de lucht; maar
neen, daar zwenkten de lijnen van den koepel terug, van onder tot boven
stond de reus massaal, gesloten in zich zelven, gedrongen in zijn eigen
kolossaal zijn. Ja, dat was groot, dat was groot, dat stond vast in den
dag en in den nacht.
En met een opkomend gevoel van kracht boog hij toen de armen vooruit,
haalde de longen vol, zijn mond ging open, en toen in eens drong de
deun die hem bezeten had, dien ganschen langen en bangen nacht, als een
galm van onvernietigbaar leven over zijn lippen en midden op den Dam
zong hij: «Wij gaan niet dood."
* * * * *
Daar schrok hij op, wakker geroepen door het geluid van zijn eigen stem.
De stoel wipte voorover, sloeg den grond. Met de oogen nog vol slaap zag
hij den zwarten kater wegspringen van zijn knieën en met den staart in
de lucht hollen tot onder het fornuis. Daar bleef het beest hem aan
zitten kijken met zijn groene en wijdrond geopende oogen.
Schurkend van kou stond hij voor zijn stoel. De lamp, die hem den
geheelen slaap door op de oogen geschenen had, brandde rood en duister,
dreigde uit te gaan. Even nog keek hij op de klok, mompelde, «kwart voor
tweeën." Daarna blies hij het licht uit en ging op den tast af naar zijn
kamertje.
Door de deur van den zolder kwam de doordringende geur van rijpende
meloenen hem tegen. 't Was bepaald benauwd.
Hij ging zijn kamertje in, stak de nachtkaars die op het beddetafeltje
stond aan, en ging terug naar het venster.
Het huis sliep; het zware gesnork van den tuinbaas zuchtte door den
zolder, gesmoord als een geluid onder een deken vandaan; en boven zijn
hoofd daar ratelde op de pannen een klein gerikketik, een zacht nat
geklikklak van vallende droppels.
Toen hij het venster open deed, kwam een vlaag vochtige warme lucht
zwellen door het zwarte gat naar binnen; want buiten over den stillen
tuin, kalm en overvloedig als een zoete zegen, viel de regen, in den
nacht die 't geluid verdubbelt.
La Mancha.
uit een brief.