't Was op een Zondag in Juni. De Plaza de los Toros[22] had de geheele
week staan blakeren in de zon, ledig, met gesloten poorten, op een
afstand de begoocheling gevend van een reusachtigen oven, met het
onheilspellende voorkomen van een gerechtsplaats. En dichterbij, met
haar recht rijzenden ringmuur van rooden steen, met haar nagemaakte
Moorsche raam- en poortomlijstingen, deed zij denken aan een dakloos
bouwwerk, dat onvoltooid was gelaten te midden van een braakliggend
veld. Nieuwe aanplakbiljetten blonken eraan boven het uitgebleekte
overschot van vroegere, en om de terreinen heerschte de drukte van een
beginnend feest.
[22] Plaats voor stierengevechten.
Langs den weg, die met een half uur gaans terug voert naar Madrid, was
alles in feesttooi. Voor de withouten, hier en daar met sparregroen
versierde barakken van water- en brandewijn-verkoopers, boven de deuren
van voorstadachtige kroegjes, hingen de kleurige vlaggen en wimpels,
loom en onbewogen in de heete lucht. Tegenover de ingangen der Plaza,
aan weêrszijden van den straatweg in het midden doorploegd met een
ijzeren spoor, hadden wijven en kerels zich klaar gezet bij manden en
handkarren belast met stapels oranje-appelen; en jongens drentelden rond
met bundels programma's over den arm, dwars over den weg, dwalend door
het zand, wachtend, in de nabijheid blijvend der Plaza, met opkoopers
van plaatskaartjes, en leêgloopers uit de buurt. Aan de tafeltjes voor
de kroegjes, onder de schaduw van dunne boompjes die stonden te sterven
in het mulle zand, zat soms een enkele boer in zijn deftig zwart
zondagspak, die zijn gesuikerd agua con aguardiente[23] bedaard slurpte
met spaarzame teugjes, of zich het gezicht afwischte en bewaaide met een
grooten zakdoek.
[23] Water met brandewijn.
Tot ongeveer drie uur bleef de vlakte zoo alleen, blank in het heete
licht, beheerscht door het bleekroode zonnige silhouet der nieuwgebouwde
Plaza de los Toros. Tot dien tijd was er het rauwe van een stuk grond
dat ontgonnen wordt, het onhuiselijke van een wijk in aanbouw, het
afmattende van een heete zandvlakte zonder water; terwijl daarentegen
de schelle kleurstippen, het klinkende oranje der vruchten in de laagte,
het vroolijke vlaggenrood in de hoogte, de popeling voortduren deed, het
verlangen naar een op handen zijnd feest.
Maar daarna, als op een gegeven sein, zag men groepen van volk aankomen;
mannen en vrouwen en kinderen, allen in Zondagsdos, met warme en
glimmende gezichten. Vele der mannen droegen breede hoeden en hadden
kleine lederen dikbuikige wijnzakken medegebracht, en onder de vrouwen,
die zich onafgebroken bewuifden met hun rooden waaier, waren er velen
met mandjes of dichtgeknoopte zakdoeken vol uitpuilenden mondkost; en
immer kwamen er meer mannen en meer vrouwen, wier bont opgepronkte
kinderen huilden van hitte en vermoeidheid; maar ook ruiters kwamen,
soldaten der burgerwacht, met deftige zwarte steken en hoogroode
borsten aan hun uniformen, en rijtuigen zag men aanrollen, voertuigen
van allerlei soort, groote, lomp-hotsende tentwagens versierd met
vlaggetjes, bespannen met zes muildieren in een druk-bont tuig, tusschen
karren en gele omnibussen ingericht voor de gelegenheid, opgepropt met
pleziermakend volk; en het was een jagen en rossen om het hardst, een
kleurig gewriemel boven bonte, vluchtige doorkijkjes tusschen wolken
van blinkend stof, een voor elkaâr schuiven met grillig geharrewar van
kleuren in de zon. En uit den stofdamp dien men proefde op de tong, kwam
een heir van rauwe geluiden aanjagen, korte, plotselinge zweepslagen
van links naar rechts, schorre heete schreeuwen van voerlieden, die met
voorovergebogen lichaam hun beesten voortranselden, onder vlagen van
gejuich en gejool uit de overvolle wagens. En boven alles uit kwam dan
het oorverdoovende fluiten der nieuwe drommen aanbrengende tram, met een
snel naderend en aanzwellend geluid, dat de van warmte blazende
voetgangers joeg op de voetpaden, achter de bestoven boompjes.
En wat later weêr kwamen de nuffige fijne uitrustingen der edelen
en rijke burgers, met kroontjes en wapens op de portieren, met den
pronkerigen koetsier op den bok van zijn glimmend voertuig, den kop
rechtop in zijn stijven halsboord, de voeten geklemd tegen de voorplank.
Maar toen reeds waren de deuren der Plaza opengezet en duwde de massa
zich zelve naar binnen, om uit elkander te gaan in de koelte der gangen
met het losgelaten «_oef_" van een verhitten en bezweeten hoop menschen,
die elkaâr verdrongen hebben om wat frischheid.
Buiten dreunde nog lang het machinegeruisch der aanrollende rijtuigen,
en in de hooge gangen der Plaza klonk het en kwam het indringen met een
dreigend ondergrondsch gerommel, als het geluid van een verren donder,
dat sidderingen en echo's opriep langs bogen en gewelven.
* * * * *
--«Sombra Tendido[24] 20 No....." riep een stevige boer tot een
der knechten die binnen de ingangen tot het binnenste der Plaza
bewaakten.--«Tendido 20 No....." klonk het onmiddellijk achter hem.
De boer keek even om zag een zwierig gekleed jongmensch achter zich
aankomen en zei toen onder het opklimmen:--«dan zijn we buren,
Caballero."
[24] Schaduwzijde, besproken plaats.
Boven gekomen, uit het helle halfdonker der trap die als een groot
keldergat achter hen terug daalde naar de gang, bleven beiden een
oogenblik staan, versuft, met een onwillekeurig dichtknijpen der oogen,
verblind, overrompeld weêr door het licht, dat met de gloeiing van een
heet vuur hing boven de Plaza.
Voor hen uit kromde zich om de schijf van het bleekgele zandperk de
zonzijde der arena. En het was of zij op hen aandringen kwam in de
schaduw, met de opeenstapeling van haar naar achteren uitwijkende
rijen van zitbanken. Als ringen getrokken op het ronde vlak van een
omgekeerden afgeknotten kegel, ontwikkelden zij zich naar boven, met
lange steeds wijder wordende ringen. Boven den uitersten ring, het
gezicht beperkend, zagen zij den buitenmuur opschieten overhuifd met een
door zuiltjes gedragen dak, die een galerij vormde met nieuwe rijen van
zitplaatsen; en de onderste rij, binnengehouden door gespannen touwen,
kwam meer dan een manshoogte te voorschijn, van achter een opstaand uit
den grond rijzend cilindervlak, een met rauwe kleuren geverfde omheining
die als een stevige dijk het strijdperk afsloot, een helgele schutting,
bestreept met breede roode lijnen, lintvormige vierkanten van gemeen
rood, die in hun midden nummers hadden en het strijdperk verdeelden
in een gelijk aantal vakken; terwijl iets meer naar binnen een andere
schutting was met kleiner cirkel getrokken, een smalle gang achter zich
latend, een van schoren en drempels voorziene planken heining die alleen
in 't zand stond met een kleur van vale bloedvlekken.
Zóó lag als het bekken van een grooten krater met het vlak van den
verren blauwen hemel boven zich, de bijna nog ledige Plaza te schroeien
in de zon; en een groote schaduw vulde voor een vierde de ruimte, een
zware, architectonische schaduw, diep blauw, die neêrdalen kwam over de
steenen ringen van zitplaatsen, een halve maan trok over het lichte
zand, en weêr naar boven versprong over banken en galerijen.
--«Dat is de Toril[25], caballero," zei de jonge man en hij wees op een
groote, gesloten poort die diep tegenover hen kwam uit de achterste
rijen in de zonzijde, «en uit die komt de cuadrilla," vertelde hij
verder, op een andere wijzend die links stond.
[25] Poort, waar de stier uitkomt.
De boer bleef voor zich uitkijken, breed op zijn plaats gezeten, met
ontbloot hoofd, de handen op de knieën met buitenwaarts gekeerde
ellebogen. Hij haalde bedaard rookwolken uit zijn sigaret en keek naar
beneden, naar eenige mannen die bezig waren het zandperk nat te spuiten.
In de schaduw waar ze zaten begon de circus druk te worden. Uit de
keldergaten kwamen ze op, de vroolijke luidruchtige menschen, die
hersteld en opgefrischt in de gang, hun feestvierende gezichten hadden
teruggekregen. Bij tweeën en drieën kwamen zij, klauterend over de
banken, druk zoekend naar de hun aangewezen plaats, en langzaam
verdwenen de steenen ringen onder de drommen menschen, immer kwamen
er meer, en dikker stapelden zij zich op tot rijen van hoofden en
bovenlijven, op elkaâr gepakt tot één groote rumoerige massa die met het
heerschende zwart der kleêren blauw werd in de schaduw en als bezaaid
lag met de gedempte kleuren van waaiers, doeken en buikbanden. En in de
overdekte balkons met de gesloten koningsloge in het midden begon het te
wemelen van een deftig publiek, onberispelijk gehandschoende heeren en
dames prijkend in de nieuwste mode.
Alleen de zonzijde bleef nog altijd leêg liggen, blank gestoofd in de
zon, hier en daar gevlekt door een alleenzittende vrouw die zich het
gelaat beschutte met haar zacht wiegenden waaier, of een klein groepje
van mannen en vrouwen die bevreesd voor het verliezen van een goede
plaats, de hitte trotseerden. Pittig kwamen zij voor den hellen
achtergrond en daar klom er een figuurtje naar boven, de banken
ombeenend en ginder ging er éen lui zitten, en wat verder weêr een,
wiens roode gordel een vurige klak kleur werpen kwam van uit de verte.
En van onder de overdekte balkons begonnen zonneschermen te glanzen en
te schitteren, en weêr hooger uit de schaduw der galerijen staken de
roode beenen van soldaten, donker in de zon.
Maar in de halvemaanvormige schaduw, in het natgespoten strijdperk,
krielde het van mannenvolk, een groote, bewogen menigte met blondblauwe
plekken weêrschijn op bollen van hoeden en op bovenvlakken van
schouders; golvingen van gedempt licht en bleeke glimglansen gleden
er heen en weêr, om saâm te loopen met de vleeschtonen der koppen;
en dan trad er een van uit het donker in het licht, met een plotseling
opvlammen van zijn kleuren en een ander volgde of deinsde weêr weg in de
schaduw, tien, twintig tegelijk, zich ontwarrend en weêr terugwarrend in
den hoop, gaande en komende van dezelfde richting, van de poort die
links stond.
--«Wat gaan er deze maal veel menschen de stieren kijken, caballero!"
zei de jonge man tot zijn onbewegelijk rookenden buurman.
Deze knikte leuk met het hoofd. Hij begon het warm te krijgen in de
oppakking van menschen, in de benauwde hitte die opsteeg uit de van zon
volgezogen banken. Zijn dik bloedrijk hoofd glom met witte waterige
lichten en van tijd tot tijd bewoog hij het forsche lijf, als wilde hij
zich vrij maken van den druk der knieën in zijn rug, of keek even op
zijn horloge.
--«Me dunkt, caballero," zei hij in eens, «het zal wel gauw beginnen."
--«Si Senor, dat dunkt mij ook," zei de andere, «maar de president is er
nog niet."
De boer zonk weêr in zijn gesoes, ging opnieuw zitten staren naar
het gewoel beneden. In het perk zag hij nu de speellui tusschen de
menschen komen, infanteriemuzikanten met roode broeken aan, de koperen
instrumenten onder den arm. In de gang tusschen de schuttingen lette
hij de mannen op, die daar rondliepen met manden vol gele vruchten,
luidkeels schreeuwend, «naranjas, naranjas," met naar boven gekeerde
gezichten en rondloerende oogen; en dan zag hij er een de bestelling
naar boven smijten, behendig mikkend, en hij volgde instinktmatig den
roodgelen bal die heenzeilde over de hoofden door de lucht, keek dan
weêr naar beneden, den man in 't gezicht die stond te schacheren met
zijn luidschreeuwenden besteller, en zag hem vervolgens het geld in
een papiertje gewikkeld opvangen. En achter en voor hem klonk het
eentonig roepen der waterverkoopers: «agua fresca què quiere agua para
bebere"[26]; hij zag ze naar zich toekomen, heenschuivend tusschen het
gedrang met hun glimmend watertoestel aan den arm, en hij dronk een glas
water, keek nog weêr even op zijn horloge, ongedurig op zijn zitplaats.
En overal om hem begonnen ongeduldige geluiden op te stijgen uit de
lange rijen van menschen, met duizend monden riep men, schreeuwde men.
Enkelen hadden hondenfluitjes medegebracht en bliezen daarop met bolle
wangen, terwijl anderen ratelden met houten ratels of den grond sloegen
met hun stokken; en vlak voor den boer zat een groote, lange man met een
kleinen jongen naast zich, die uit een trompetje twee tonen joeg, een
lange en een korte, en dan juichten de lieden als dollen en de man deed
het opnieuw om de menschen te bevallen, zoodat men opnieuw begon te
schreeuwen, opstaande van de zitplaatsen, onder herhaald opzien naar de
loge waar de president komen moest.
[26] Frisch water, wie wil water om te drinken.
Dan eensklaps klonk van uit de arena het vroolijke geschetter van een
marschmelodie, en toen steeg er een ontzettend geroep op dat de muziek
overstemde en in zich opnam; men was opgestaan en wuifde met doeken naar
de presidentsloge waar een gladgeschoren gezicht telkens overheen kwam,
een bleek gelaat met een gelegenheidslachje om de lippen, buigend en
lachend met een schitterend vertoon der witte tanden.
--«Daar is de President, God zal hem zegenen," riep de boer.
--«'t Is vier uur precies," antwoordde zijn buurman.
Hij had nog niet uitgezegd of van den overkant uit de zonzijde kwam
een signaal aan, een korte en een lange trompettoon, zooals de lange
man ze uit zijn speelgoed gehaald had. En als met één ruggestoot
had de menschenhoop in de schaduw zich toen in beweging gezet, zich
uitwaaierend, snipperig geworden in de zon, dravend door het perk met
uitschoppende beenen. Door de opening in de heining of daarover wippend,
begonnen zij de banken te bestormen met wilde haast en in een ommezien
gingen de strakke lijnen weg, werden vernietigd onder het gewoel van hun
lichamen. En toen ze eindelijk gezeten waren, geleek de zonzijde met
de hoofdenreeksen boven elkaâr, met de bonte wisseling en warreling in
het licht, op een woest weefsel van kleuren, vaag, door den afstand als
versleten in het licht. Doch van het plat boven de Toril kwam nu en dan
een vonk bliksemend schieten van uit de verte, wanneer een koper
blaasinstrument zich spiegelend bewoog in de zon.
--«Daar komen de alguacils", zei de jonge man.
Uit de stal-deuren kwamen twee ruiters, in een rechte lijn gaande naar
de loge van den president. Ze droegen een kort schoudermanteltje over
een middeleeuwsche dracht van donker fluweel en een hoed met veêren
op het hoofd. Ernstig, gewichtig, reden zij voort, als belast met een
hooge zending, hun vurige glanzende paardjes dwingend in den stap,
andalusische raspaarden die de pooten krachtig knikkend voor zich
uitwierpen. Onder de loge gekomen ontblootten ze het hoofd, bleven een
oogenblik als smeekelingen stilstaan en toen zag men den president even
overbuigen uit zijn loge, een der twee de hand uitsteken met den hoed
naar voren, en weg draafden zij onder een galm van goedkeuringen.
--«Ze hebben den sleutel, ze hebben den sleutel van de hokken," zei de
boer.
--«En knap gevangen ook," zeide zijn buurman.
Een stilte was plotseling komen heerschen in alle rangen, een angstige
spanning van menschen die wachten op opwinding en beroering. Het groote
strijdperk lag nu glazig en leêg onder de oogen der duizenden die allen
tuurden naar dezelfde richting. Soms stond er een òp van zijne plaats en
dan klonken er onmiddellijk achter hem eenige schreeuwen: «Asientarse,
asientarse"[27] en weêr een oogenblik zag men een man dwars oversteken
door het perk in een klein drafje, en toen begonnen eenige jongelieden
«bravo" te roepen en de man keek in den loop lachend naar boven, wenkte
spotziek dankend met de hand, om vervolgens te verdwijnen achter de
schutting met een vluggen sprong. Maar even daarna schetterde opnieuw
de muziek, de deuren in de schutting links werden wijd geopend, en een
glinsterende stoet mooi aangekleede mannen kwam binnen met gelijkmatigen
militairen pas, als automaten schommelend op de maat der marschmelodie.
[27] Zitten gaan, zitten gaan.
--«Olé Mazzantini! olé Frascuelo! Cara Ancha!"[28] jubelde de jonge man
met zijn zakdoek wuivend. «Bravo," daverde het overal òm hem uit een
woest koor van kelen, onder het stampend geluid van stokken en klappen
in de handen. Met de golvingen van een echo steeg het en liep het van
hen weg naar de zonzijde, waar het druischend overging in een gewriemel
van schermende armen en wuivende doeken.
[28] Breedgezicht.
--«Asientarse, asientarse," galmde men overal.
Beneden stapten de toreros rechtdoor naar de presidentsloge, wiegelend
op een theaterachtigen pas, glimmend van gouden borduursels, klein
geworden als mooi opgepronkte poppen tusschen de muren en ringen der
Plaza. En in een oogenblik had de jonge man den stoet met kennersoogen
geschat, de kostumen ontleed en hij deed uitroepen van herkenning en
bewondering.
--«Es bonita, muy bonita,"[29] herhaalde hij telkens.
[29] 't Is goed, 't is zeer goed.
Aan het hoofd van den troep, wijd uit elkaâr, stapten de drie espadas.
Zij waren in groene, blauwe en paarse zijden mantels gewikkeld, die om
de lenden en over den rechterschouder heêngeslagen, in de linkerzijde
werden vastgehouden door de daar rustende hand. Een laag uitgesneden
vest kwam nog te zien van onder het van glinsterende tressen en
schouderbedekkingen rinkelend wambuisje, wijnrood bij Frascuelo, groen
bij Mazzantini, lila bij Cara Ancha. En de korte, strak gespannen broek
van dezelfde kleur als buis en vest, verdween bijna geheel onder het
breede galon, was vastgemaakt beneden de knie en liet de kuiten vrij
puilen uit fijne witte kousen, met lage als voor dansen gevormde
schoentjes aan de voeten. In het midden der uitsnede van het vest, over
het heldere witte hemd daalde uit den boord een lang rood dasje, smal
als een veterband en op het hoofd droegen ze een afgeplatten hoed van
zwart fluweel, met dotvormige ballen belegd op de zijstukken; terwijl
eindelijk achter uit de kruin van het hoofd het torerostaartje hun hing
te bungelen in den nek, met een dikke, zwarte knoedel boven aan de
inplanting.
Achter de _espadas_ volgde meer aaneengesloten de bij elk hunner
behoorende cuadrilla van vier _banderilleros_, wier uitmonstering geleek
aan die der eersten met een herhaalde wisseling van kleuren. Bij een
enkelen waren de metaalachtige oplegsels vervangen door borduursels
van dof zwart, die zich verdrongen op den roodbruinen ondergrond der
kleêren, terwijl bij een ander weêr de kleur der zijde was als blank
parelmoer of van een bleek rose, waarop de zilverdraden der belegsels
zich verloren in de verte, of licht pakten met de ijlheid van trillend
spinrag. Dan volgden de _picadores_ op witte paarden, straf in den
hoogleunigen zadel gezeten, mannen met ruwe, grofroode gezichten, een
breeden vilten hoed met pluimen op het gestaarde hoofd, den stormband
tegen de kin, den voet vast geplaatst in den houten bakvormigen
stijgbeugel. En hun stevige romp scheen het eng te hebben in het nauwe
torerobuis, terwijl de beenen van onder in ijzeren scheenbekleedingen
gestoken, er vormeloos uitzagen in de gele rijbroek, als opgestopte
pijpen. Daarachter kwamen de _chulos_, helpers der picadores in een
vuurrood baadje met blauwe broek, dan de knechten der Plaza, harkers en
spuiters in hard blauw met geel gestreept, eindelijk twee driespannen
van muilezels, kwistig met roodbepluimd tuig overladen, met wapperende
vlaggetjes, half geel, half rood, die uitwaaiden boven hun ruggen. En
aan de zijden reden de twee _alguacils_.
--«Magnifico, divinamente bonito"[30], zei nu ook de boer, wien het
genot in de oogen lag.
[30] Prachtig, goddelijk mooi.
De cuadrilla was nu in het midden van het perk genaderd, zijn kleuren
en volheid van goud uitstallend voor het staroogend publiek. Scherp en
kantig in de zon schreden ze voort, ordelijk, met deftigen ernst, met
pralende gezochtheid, met een rammelend vertoon van flonkernieuwe
theaterkostumen. De links wandelende der drie _matadors_[31] was
Frascuelo, een stevige gestalte waar men de krachtige spiervorming van
zag in de kuiten, met een norschen als in hout gehakten kop, wreed van
trekken, met iets lomps in zijne bewegingen. Nijdig plantte hij de
hielen telkens in het zand, onverschillig als een boer die het niet
prettig vindt te worden aangegaapt in een mooi pak en verlangt naar zijn
werk.
[31] Dooder.
De middelste was Mazzantini, een slanke jonge man met een glad rond
gezicht; zwierig droeg hij zijn mantel als iemand die zich graag goed
voordoet en er op rekent door vrouwen te worden bewonderd om zijn mooi
lichaam. Luchtig hield hij den pas, den lossen arm schommelend langs het
lijf en met een behaagziek, ijdel lachje om de lippen. De derde, Cara
Ancha, was een pafferige man met bol, breed gelaat, bleek, iemand die
aanleg heeft dik te worden van ledigzijn, een zinnelijke verschijning,
slim, onbeduidend en brutaal.
Toen de stoet gekomen was onder de presidentsloge in de langzaam
opkruipende schaduw, ontblootten allen het hoofd en verspreidden zich
haastig. De muildieren en alguacils holden weg, picadores zag men
draven langs de schutting, de lans in de lucht, gelijkend op groteske
soldaatjes, hun oude, voor den vilder bestemde paarden voortporrend met
de groote sporen; achter hen aan draafde de roode chulo, die zijn loop
vergezeld deed gaan van stokslagen op het achterdeel van het oude ros.
De espadas wierpen hun mantels voor zich uit tusschen het volk, wapenden
zich met oude capas, paarse en gele lappen, eenige banderilleros deden
eveneens, terwijl andere over de schutting wipten in de gang, met de
knechten der Plaza, bij agenten van politie en oude toreros, die met de
armen stonden te hangen over de schutting.
En opnieuw was er een stilte komen vallen boven de Plaza, een warme
stilte vol klemming en benauwdheid. Men zag de waaiers bloedrood,
angstig wiegelen in de zon, en programma's beven en blinken in de
ongeduldige, zenuwachtige handen. De venters van oranjes en water hadden
het roepen gestaakt, alles wachtte en staarde naar de deuren der Toril.
Plots, de lucht scheurend, schetterde het sein, de lange en de korte
toon die uitgalmden als een moordkreet. De deur der Toril sloeg open,
men zag een man zich verschansen achter de deur, hem die snel weêr
sluiten en een roodbruin beest, een harig gehoornd monster kwam
binnendonderen door de schutting, een machtige, hooggeschofte stier,
die al aanstormend den kop heen en weêr sloeg, met een links en rechts
bliksemen van het wit der oogen.
Onder de wilde vlagen van bravokreten, als versuft door het gloeiende
licht der Plaza, was het beest in het midden blijven staan, rillend
in al zijn spieren, met toornig stampen en schoppen der achterpooten,
stukken nat zand smijtend langs zijn flanken. Toen rekte hij den
rimpeligen nek, en zijn neusgaten zwollen onder den uitstroomenden adem,
en men zag den bek opengaan met een krachtig vooruitstooten van den
platten, vierkanten snoet.
--«Hoor, hij loeit! Wat een beestje, wat een mooi beestje!" riep de
boer, verrukt luisterend naar het gesmoorde bulken dat, als van heel
ver, zwak werd in de ruimte en verloren ging tusschen het uitstervend
geloei der bravo's.
Den nek gekromd, met de voorpooten koppig woelend in de vochtige
zandlaag, stond de stier nog altijd stil in de zon, in het brandige goud
van zijn roode harige huid. Tusschen het span uitvleugelende hoornen,
spitse, kromme dolken gelijk, kroesde wild een ruig haar, tot over het
als een moker vaste voorhoofd. Boven het linker schouderblad waren
twee kleurige linten in de huid geprikt, die bij elke beweging even
opwuifden boven den langen zwaai van den rug uit, één lange getrokken
ruglijn, zwellend over de schoft, dan weêr dalend, om te verloopen over
het bijna tengere achterlijf in den rondgeeselenden staart.
Maar het publiek begon ongeduldig te worden en te schreeuwen.
--«Al caballo! toro, al caballo!"[32].
[32] Naar het paard toe, stier.
Een parelgrijze banderillero holde met de saâmgenomen capa in de hand
voorbij den stier, uit wiens mondhoeken een vlok wit schuim dringen
kwam. De doek sloeg het beest in de oogen, de man holde voort met de
wapperende capa achter zich aan, langs het witte paard van een met
gevelden lans wachtenden picador. Het paard, aan het linkeroog rood
geblinddoekt, wierp den kop angstig om en trappelde onrustig onder de
dwingende hand van zijn berijder, onder de stokslagen der knechten. Maar
de stier schoof voorbij, achter den bonten lap aan, en plofte toen in
een loggen sprong met den kop tegen de schutting, waar het blinkende
mannetje snel was overgewipt. Toen viel hij terug, zwaar door zijn
gewicht, en bleef bot staan kijken naar de slip der capa die over de
schutting hing, met de lachende tronie van den banderillero er boven.
--«Naar het paard toe, stier, naar het paard toe!" brulde het opnieuw
uit de menschenringen.
Met een gewapper van voorzichtig op een afstand toegeworpen capas, met
angstige bewegingen hun vrees verradend voor het nog frissche dier,
begonnen de torero's nu den stier te kwellen aan alle zijden; en het
beest smeet naar het geflipflap der kleuren in het wilde zijn machtige
hoornstooten, links en rechts, schutterig aangetrokken van den een
naar den ander, met de hoornen hakend in de waaiende doeken. En in
eens stormde hij dan los op een van zijn plagers, en deze daar niet op
bedacht, liep zoo hard hij loopen kon weg, met achterlating van zijn
capa, en buitelde over de schutting met het hoofd omlaag en de beenen
in de lucht, onder neêrvallende buien van boven, van jouwend fluiten en
spottend gelach.
--«Ezel, wat heb je een goeie beenen," had de jonge man geschreeuwd.
De stier rende dwars door het perk. Men zag de picadores draven langs de
schutting, hen telkens post vatten, den stier achteraan en weêr voorbij,
om opnieuw hun paarden met toegekeerde borst bloot te stellen aan de
hoornen.
En het volk huilde en gilde als bezetenen, met opgewonden gebaren.
--«Es un toro malo,[33] caballero," zei de jonge man, maar nauw had hij
dit gezegd of hij stond op en begon te schreeuwen uit volle longen:
«Bravo, toro, bravo!"
[33] Is een slechte stier.
Het roode beest stond, in de zon, met den kop te beuken naar de witte
borst van een mager picadorenpaard, onder den forschen weêrstand van een
picador, die hem de lans in de nek had geplant; met al de kracht van
zijn stevig gebogen arm, met het volle gewicht van zijn lichaam duwde
hij den stier af, uit de zijde van zijn angstig bewegende merrie; maar
trappelende wendde het paard zich om onder den dwang van zijn ruiter, en
de eene hoorn gleed als een naald in zijn witte borst, en men zag het
den kop met den rooden blinddoek erbarmelijk opsteken in de lucht.
--«Bravo, bravo, toro!" galmde het rondom, waar men den stier prees en
zijn bevechter, hem noemend bij zijn naam.
De stier had zijn hoorn teruggetrokken met een woesten ruk, weêr naar
een zwaaiende capa gestooten, en voort stormde hij door het perk met de
kleurige mannetjes achter zich aan, met een glanzende, donkerroode
bloedvlek op de schoft. En in de schaduw langs de schutting joeg hij de
toreros achter de verschansing, al doorrennend met wilde wendingen van
den kop van links naar rechts, onder de opruiende kreten der
toeschouwers, die waren opgestaan van hun zitplaatsen.
--«Al caballo, toro! al otro caballo!"[34] schreeuwde men als hij
voorbijging, «asientarse, zitten gaan," wanneer hij voorbij was.
[34] Naar het andere paard toe.
Schuins beneden, bijna onder de oogen van den boer, dwong een andere
picador zijn paard naar den aanstormenden stier. Met een plof kwamen
zij tegen elkaâr aan, en uit de hoogte klonk onwillekeurig en wreed, het
«hè" uit de borst der ademlooze menschen. Maar de stier was opgesprongen
naar den ruiter, schampend waren de hoornen gegaan langs het ijzeren
beenstuk, en de lans, afgegleden, vloog dwarrelend uit zijn handen in
het zand. Het paard steigerde, draaide onwillig zich af, en met een
dwarse beweging van den kop sneed de stier het toen den buik open,
snel als met de snede van een operatie. Een kronkelende stroom van
bleekroode ingewanden viel in eens onder uit het dier; een levende,
vochtig lauwe zak, vol teêre, geheimzinnige, voor het donker bestemde
kleuren, schommelde rond tusschen zijn pooten; de stier stampte door,
priemstootend in het achterdeel van het witte ros, het schokkend zoo op
zijn hoornen, dat de picador, met afgekeerd gelaat, zat op te springen
in den zadel. Maar het paard begon te wankelen onder de opheffingen van
achteren, zocht den grond met zijn pooten, trapte, warde in zijn eigen
ingewanden, en smakte eindelijk tegen het zand, in den zwaren val zijn
ruiter medesleurend.
Al de toreros waren toegesneld met hun zwaaiende lappen, vermetel
zwenkte Frascuelo voorbij de hoornen, en de dol geworden stier gleed
onder den wuivenden lap langs den torero heen, hem bijna rakend aan de
ingetrokken lende.
--«Dat was mooi, bravo, Frascuelo!" schreeuwde de jonge man; hij maakte
een aanteekening op een stuk papier.
--«Es un maestro, es un gran maestro,"[35] antwoordde de boer,
opgetogen.
[35] Is een meester, is een groot meester.
Het paard lag te trappen in het zand; men zag den picador ophelpen door
zijn knecht, onder den arm genomen, hem met gestrekte beenen overeind
zetten als een ledepop. Stijf, zonder gewrichtsbuigingen in de knieën,
scharrelde hij naar zijn paard dat overeind was geranseld door een
anderen rooden helper; en even daarna kwam het weêr draven langs de
schutting, beschimmeld door bloedvlekken, de darmenzak klotsend tusschen
zijn pooten, met een jammerlijk vertoon van afgeleefdheid en stomheid;
en zijn ruiter zag op naar boven met een dommen, brutalen lach, onder
een vurigen storm van uitjouwingen en oorverdoovend fluiten, dat hem in
de ooren dringen kwam uit de rijen waar hij langs reed.
--«Moordenaar, dronkaard van brandewijn, slachter!" schreeuwde de jonge
man.
--«Weg met dat paard, 't beest is op, er meê naar buiten, 't is
schande!" riep de boer, purper van kwaadaardigheid, toen het paard onder
voorbij ging, voortgeslagen door de chulos.
Vèr buiten de schaduw speelden nu de toreros met den stier, en
de zonzijde der arena bewoog en woelde als een kleurenzee vol
onnaspeurlijke bewegingen. Rechts op de eigen plaats, lag het eerste
paard te zieltogen, met stuiptrekkende en rillende pooten, terwijl uit
de wonde in de magere borst een straal donkerrood bloed gulpte en spoot,
dat snel wegzoog in het opdrogende zand. Eenige knechten morrelden om
hem heen, ontdeden het van den zadel, maar de stier stormde aan, de
mannen wipten over de schutting of bleven staan, gereed tot springen,
kijkend naar het woedende beest dat het paard stompte en verminkte,
het omkantelde als een stuk speelgoed, en toen weêr voortrende naar een
anderen, versch aangekomen ruiter. Toen kwam een der mannen terug, hij
boog zich over het stervend ros, drukte het een priem in de hersens en
met een paar hikjes en schokjes strekte de blanke merrie zich dood,
dadelijk geworden tot een blinkend vormloos hoopje vuil in de groote
zonnige arena.
En eer men het zag, lag links weêr een andere ruiter neêrgeslagen in
het zand achter zijn vermoord en opengereten ros, en onder den drang
der opwinding, hakend naar lof, kwam dan uit de poort weêr een andere
aanzetten, en nog weêr een, die zich waagde met gevelde lans tot in het
midden van het strijdperk. En de stier kwam en hakte de zijde open bij
het eene paard, en boorde in de borst van het andere, maar week voor den
druk der lans in zijn nek, onder een stijgenden vloed van bravo's.
Voort holde het weêr met het schuim langs den bek, en waar hij weggegaan
was, zag men de roode knechten het lillende ingewand terugduwen in den
buik van het paard, en bij het andere een kurk in de gapende borstwonde
steken; herhaalde malen, omdat de stop met een flap telkens terug sprong
onder den krachtigen drang van den bloedstraal.
En toen de gele ruiters weêr stegen op hun bemorste paarden, was het als
rilde er een huivering rond voor bloed en zonnekleuren door de dammen
van menschen, waar de kreten saâmgepakt uit opstegen als één groote
schreeuw uit eene groote borst. En verpletterend als zware stemmen van
reuzenbazuinen, heerschte het rondom, boven het kleurige en geluidlooze
gewriemel beneden in het perk; maar de stier waarde rond als een
brandende vlam die wordt uitgebluscht, tredend van het licht in de
schaduw met de glanzende, klaterende mannetjes en lappen om zich heen,
beukend naar alles, er hier een jagend over de schutting waar deze nauw
zich redden kon, met gillen van angst in de drommen van geluiden overal
boven en rond hem.
--«Wat een beestje, wat een heerlijk beestje," herhaalde de boer, in
delirium.
--«Vooruit, roodneus, wees maar niet bang!" jouwde de jonge man naar een
lansdragenden ruiter die onder voorbij reed.
Deze lachte met een groven lach, smeet zijn hoed in het zand, wees met
een theatraal gebaar naar den stier, en weg draafde hij, met het
bungelende staartje in den hals.
En de stier viel opnieuw aan met gekromden nek, met roodsmerige hoornen,
met zwellende flanken die glommen van een nat zweet. Diep donker glansde
het boven op de schoft, waar het bloed vloeide en kleefde uit de wonden
der lansprikken. En de ruiter leunde met alle kracht op zijn speer,
perste het beest af met geklemde tanden, en men zag zijn muskels
zwellen, dik worden onder zijn gebogen arm. Maar het beest woedde en
bonkte met den harigen kop, en de weêrstand van den arm viel voor den
moker van zijn voorhoofd.
Toen sprong het paard op, sloeg met de achterpooten in de lucht, rekte
met den langen schraal gespierden hals, geschud door het monster dat
rondwoelde en werkte in zijn weeken buik. In een oogenblik tilde het ros
en ruiter van den grond, op de draagkracht van zijn hoornen, en met een
voorwaartschen zwaai van den kop, met een dronken blikkeren van zijn
oogen, bliksemde hij ze neêr, vóór zich, in het zand.
Bewegingloos, met de armen voor zich uit, bleef de man liggen achter
zijn paard, dat scharrelend zich overeind trachtte te zetten op de
voorpooten, doch weêr omkeilde door een fellen stoot in de borst;
maar opnieuw beproefde het ros zich te heffen, bekneld door den zadel
schermend met den hals en de pooten in de lucht, gelijk een paard dat
ligt te rollen in de weide; doch in eens was het dan op, en rende blind
weg, met één natten rooden voorpoot, in de radelooze kracht van zijn
stommen doodsangst wild galoppeerend, om weêr te rijzen en weêr te
warren, telkens en telkens gestruikeld in den sleep van zijn eigen
darmen, totdat het eindelijk bleef liggen in het zand, met lange streken
der pooten klappend in de lucht. Stil werden toen zijn bewegingen, al
langzamer en langzamer, overgegaan in een reeks kleine, sidderende
schokjes; al zachter en zachter trokken de pooten, als de slinger van
een klok die gaat stil staan.
--«'Sta muerte[36] dat is de vijfde!" zei de boer, «wat een beestje, wat
een wonder beestje!" herhaalde hij voor zich.
[36] Hij is dood.
--«'t Zijn er zes, Caballero!" riep zijn buurman die weder een
aanteekening maakte.
Te... tè schetterde het signaal; men zag twee paarden bebloed en
ontredderd voortslaan door de schutting en den bezwijmden picador
wegdragen, hangend tusschen de armen van twee mannen.
--«Die gaat naar de infirmerie, non es verdad, padre?"[37] vroeg de
kleine jongen naast den langen man met het trompetje.
[37] 't Is niet waar, vader.
Met zwoegende flanken stond de stier nu stil in het midden van het perk,
zwaar en naar adem hijgend tusschen de lijken der doode witte paarden.
Vormloos lagen zij gestrooid over den grond, klein en nietig in den
dood, met ingevallen buikwanden en slappe, lamme spieren. En waar zij
lagen in de zon, gaf de roode blinddoek een vurigen tik tegen den
blanken vloer en tusschen hun pooten grommelde de vage rommel der
ingewanden, vochtig in het zand dat er droog begon uit te zien onder de
heete stralen der zon. Toreros stonden achteloos te praten met anderen
in de gang, den voet op den springdrempel, schuins blikkend naar het
stilstaande beest, en harkers liepen langs den kant, de bloedplassen en
losgescheurde darmen dekkend met een laagje zand. Terwijl, naar boven
en rondom een gegons gromde, een opgewonden zwerm van geluidjes, zacht
komend in de ooren na wilde stormen van klanken, een dof herkauwend
gemompel van een uitblazende massa; en de venters schreeuwden opnieuw,
water vergietend voor de dorstigen, en oranjeappelen klommen in de
lucht, met parabolen rijzend en dalend.
--«Twaalf minuten over vieren," zei de boer die op zijn horloge gekeken
had.
Beneden was het spelen weêr hervat met al het kleine vertoon van
theaterspel. De stier rende opnieuw rond met het wuivende lint op zijn
van bloed druipende bast. In het midden van het perk stond een zilver
mannetje te springen; in elke hand had hij een met weêrhaken gepunten
stok die versierd was met gekleurde knipsels van papier, en de man hief
de armen omhoog, met strakke aaneengesloten beenen opspringend van den
grond, in de verte gelijkend aan een marionet die met een touwtje aan
den kop naar boven wordt getrokken. Eindelijk sloeg de stier het glanzen
in de oogen, hij liep aan, de banderillero tripte achteruit, bevallig
wijkend, beschreef, luchtig en snel, een halven cirkel voor den kop
van het beest, dat log wendde in den omdraai; op de teenen hief de
banderillero zich toen op, tikte even met de stokjes op elkaâr en met
gestrekte armen reikende over de gebukte hoornen van den kwaden bul,
drukte hij het de stokken gekruist in den nek, één aan elken kant van de
streng der rug, en sprong ter zijde met een vlugge, gracelijke beweging.
Ten andermaal kwamen de bravo's stormend loeien uit den trechter van
menschen, boven den stier en de spelers. Doldriftig sprong het beest
rond, in de buitensporige sprongen zijn jeugd verradende, die denken
deden aan de koddige, onnoozele buitelingen van een kalf. Telkens
stootte hij met de hoornen naar de bonte stokken in zijn nek, en weêr
hoorde men het toornig gesmoorde loeien. Eindelijk rende hij voort als
dol van pijn, met de zeilende stokken potsierlijk bengelend langs zijn
schoft, en in een dood paard begroef hij den rooden kop, geweldig
stootend in den ontzielden hoop en in het zand, dat als een lichte nevel
steeg om zijn hoornen en om het doode ros.
--«Muy bien, muy bien, Guerrita,"[38] schreeuwde de jonge man.
[38] Zeer goed, zeer goed.
--«Bravo, mijn jongen," jubelde de boer, «over twee jaren zult ge staan
tegenover een anderen stier, en gij zult hem dooden."
Beneden zijn oogen ging de banderillero voorbij op een sukkeldrafje, met
wuivend handgebaar dankend voor de toejuichingen. Nu en dan bukte hij
naar den grond, wanneer een sigaar van boven gesmeten, voor zijn voeten
viel in den loop.
En als hij dan opzag, zag hij weêr een anderen banderillero staan
springen in het perk, vervolgens snel wegloopen onder het neêrhagelende
jouwen en fluiten. Maar de stier had de vervolging in het midden
gestaakt, aangetrokken door de capa van Frascuelo.
Stevig op de voeten, met de oogen in de oogen van het oranjeharige
monster, stond de wijnroode torero achter den gelen lap, dien hij met
gestrekte armen hield voor de hoornen. En de stier bukte, viel aan,
de torero zwenkte half om op den hiel, klapte met den mantel, en het
monster stoof voorbij langs hem henen, voortgestuwd door zijn eigen
vaart; toen zwaaide het vervolgens weêr om, met een snelle, dribbelende
verplaatsing van het lenige achterlijf, en stond een andermaal gebukt
voor de hem voorgehouden capa.
In een bloeddorstige stilte, met ingehouden adem, volgde men boven het
vermetele spel van den torero, die zeker en snel werkte met iets of
wat van de plompe driestheid van een boer in al zijne bewegingen; maar
weêr schoot de stier onder het klappende doek door, het rakend met de
hoornen, en woest gloeide zijn geelroode huid, wanneer hij gleed langs
de sombere bloedkleur van zijn terger.
Uit de zonzijde kwam een handgeklap, toen nog een, toen meer, een
hakkelende galop van slaande geluiden kwam aandringen naar de schaduw;
en als bezield speelde de kleurige man met den stier op den rand van de
groote, donkere halve maan in het perk, vuurvlammende als ze traden in
het licht. Met de hand in de zijde zagen de andere toreros toe naar
hun makker, die zijn laatste kunststukken vertoonde, wendde en sprong
voorbij de hoornen, terwijl de stier rakelings stormde langs zijn
ingetrokken lichaam, stooten gaf in het in de lucht waaiende doek.
Eindelijk stapte de torero bedaard weg van den stier, hem over den
schouder aanziend met een breeden hoogmoedigen lach, met kleine pasjes,
de punt van den mantel die lang achter hem aansleepte in het zand, over
den schouder getrokken. En als gebiologeerd bleef het beest staan kijken
naar zijn roodglinsterenden plager, die nu met de hand wuivend, aftrok
langs de schutting.
De tweede banderillero was teruggekomen, nogmaals gevlucht, was den
stier nageloopen, om opnieuw te vlieden over de heining met den hoed
in den nek. Maar teruggesprongen in het perk, een eindje verder, had
hij zijn stokken eindelijk geprikt in de schouders van het beest, die
er dadelijk weêr uitvlogen onder diens plompe, schuddende bewegingen.
En rood in het gezicht, maar lachend, was de nog zeer jonge banderillero
nogmaals gekomen met een paar nieuwe banderillas, zenuwachtig geworden
onder het brutale jouwen, fluiten en schelden der menigte. Toen was
hij vervolgens aangeloopen op het beest, en had hem de stokken in
den nek gestoken, allebeî aan éene zijde, onachtzaam de klassieke
regels verwaarloozend of vergetend in de opwinding der vrees; toen
oogenblikkelijk zijn onverschilligheid hernemend, had hij zich
aangesloten bij een troepje, onder het verontwaardigd gebrul der
toeschouwers.
En weêr een andere banderillero draafde aan, en na hem nog een andere;
tien minuten nog ging het spel zoo zijn gang, in de zon of in de schaduw
die langzaam voortkroop over de rijen van hoofden en over het gele zand.
Toen schetterde ten derde male het sein. Men zag Frascuelo staan onder
de presidentsloge, den hoed in de hand, met naar boven gekeerd gelaat,
woorden werpend naar de hoogte, die hij vergezeld deed gaan door kleine
duwtjes met den hoed.
En rondom de loge waar men hooren kon wat hij zeide, klonk het
handengeklap, terwijl de torero zich omdraaide op de hakken, met een
van buiten geleerde beweging den hoed achter zijn rug om, tuimelen deed
tusschen de menschen, en met een vuurrooden lap en degen met gevest van
dezelfde kleur, stapte hij naar het midden, waar de stier loom stond te
kijken.
--«Heeft uwe edelheid gehoord wat hij zeide?" vroeg de jonge man aan
zijn buurman.
--«Neen, Caballero."
--«'t Zal er wel naar geweest zijn," hernam de andere, «Frascuelo es un
torero muy bruto[39], hij maakt niet veel werk van zijn frases. Daarvoor
is Mazzantini beter, dat is een zeer fijn man."
[39] Is een zeer onbeschaafde of ruwe stierenvechter.
--«Zoo," zei de boer, die naar beneden keek hoe de mannen met de capas
den stier uit de zon trachtten te lokken.
--«Dat was mooi, goed gedaan, Cara-Ancha! en waarom laat jij nog altijd
je capa liggen, lomperd?" schreeuwde hij vervolgens tot een ander, die
zijn lijf geborgen had voor den aanstormenden stier.
--«Si, Caballero, Mazzantini es un torero muy decente, muy decente,"
herhaalde hij, zich opwindend tegen zichzelven, «es un hombre muy fino,
civilizado, es revolucianario in el arte de Toros, es poeta y sabe tocar
la guitarra. Waarom lacht u?" vervolgde hij. «Yo digo ustéd, es un gran
artista".[40]
[40] Ja, mijnheer, Mazzantini is een zeer net torero, een zeer net
stierenvechter.... hij is een zeer fijn en beschaafd mensch, is
tegenstander der oude school in de stierenvechtkunst, is dichter en kan
de guitare bespelen.... Ik zeg het uwe Edelheid, 't is een zeer groot
kunstenaar.
--«Maar, Frascuelo is dapper," viel de andere in, «hij heeft het meeste
hart van allen, meer dan alle stierenvechters van Spanje," draafde hij
op zijn beurt door.
--«No, Senor," riep de man weêr, «niet meer dan Lagartijo, en die kent
zijn stieren beter, ziet ze beter aan, is veel intelligenter."
--«Meer dan Frascuelo?" riep de boer weêr kwaad en rood wordend.
--«Si Senor."
--«No Senor, non es verdad."[41]
[41] Neen mijnheer, 't is niet waar.
--«Si Senor," herhaalde de andere nijdig.
De omstanders begonnen zich in den twist te mengen, maar plotseling
riep men; «Mire, mire!"[42] En het kibbelend paar zat weêr te kijken
met lange halzen naar wat onder hen gebeurde.
[42] Kijk, kijk.
Links stond de stier met het blanke cadaver der merrie op zijn hoog
geheven kop. Dik zwol zijn hals onder de inspanning, onder den last
die met dichtgevouwen pooten doorgebogen neêrhing over zijn bezweete,
hijgende schoft; en daar waar rug op rug lag, zijpelden en glansden
de bloedvlekken en hingen de kleurige banderillas neêr, popperig en
klein als de stelen van versierde bruigomspijpen; achter den kop van
het paard staken zij uit, meêbungelende bij elke beweging, gelijk met
de slingeringen van den kop, waarin groote opgesperde oogen dof blonken
boven den open bek, waar de rijen der lange maaltanden grijnsden en de
tong krullend uit neêrhing. Toen stapte de stier vooruit en plofte neêr
als een leêge zak de blanke merrie; plat viel zij neêr en langzaam zag
men de pooten zich weêr voegen naar den zandigen grond.
--«Mio Dios! wat een beestje!" mompelde de boer, teruggevallen in zijn
bewondering.
--«Kom, Frascuelo, anda a El,"[43] blèrde de jonge man.
[43] Ga naar zijn Edele toe.
Maar alsof de stier zijn kracht verspild had, zoo werden zijn
hoornstooten zwaar en loom naar de capas. Onwillig draafde hij van hen
weg, nu en dan even stootend naar de stokken in zijn nek, en uit den
gerekten snoet klonk weêr het doffe bulken.
Bedaard zag men Frascuelo hem tegemoet stappen met de roode muleta en
degen in de hand, en dadelijk woedend, stormde het beest weêr op den
vurigen lap af, die heenscheerde over zijn hoornen. En hetzelfde spel
begon opnieuw als toen hij werkte met de capa; als vastgehouden, volgde
en stootte het beest naar de roode vaan, glijdend langs den man die met
koele bedaardheid staan bleef op zijn plaats, de lende inkromp als de
stier aandonderde, of even omsprong, wanneer het beest keerde in zijn
woedende vaart. Soms bleef de bul staan, loerend naar den vooruit
gestoken lap dien de torero hem voorhield op het plat van zijn degen, en
als hij weêr aanviel, klapte de torero den lap om met den degen over den
stierkop, zooals men het blad van een boek omslaat.
Gierende vlagen van bewondering hadden toen gejoeld door de lucht,
gevolgd door een lange bange stilte. In de schaduw was ieder opgestaan
van zijn plaats, vastgeklonken met zenuwen en blikken aan het
gevaarlijke, huiveringgevende spel van den torero; op de eerste rij
bogen de touwen door onder het gewicht der voorovergeleunde toeschouwers
en de zonzijde lag stil en stralend onder de onbewegelijk turende
menschenringen.
Met de oogen op de oogen van zijn offer, stond de espada stil voor
den stilstaanden stier. Langzaam liet hij de muleta zakken langs zijn
aaneengesloten beenen en daarmee daalde de kop van het beest, langzaam
met den zakkenden lap. En de espada hief den degen omhoog, zijlings,
kaarsrecht staande voor de gebukte hoornen, die zacht rezen en even
daalden met de roode vaan, zich richtend naar den wil van den torero.
--«Ahora, ahora,"[44] galmde het boven om den boer heen.
[44] Nu, nu.
Maar toen de espada den degen ophief langs zijn oogen, horizontaal
vooruit naar de schoft, schoot de stier toe op den lap, stormde langs
den ter zijde gesprongen torero en voort holde hij weêr naar den kant
der zon.
Teleurgesteld gemompel trok rond en een wrevelige trek kwam even op
het ruwe gezicht van den matador; toen streek hij met de hand langs
zijn haar tot aan het staartje, schudde lachend met het hoofd naar de
menschen in de schaduw, en met wijde stappen ging hij achter den stier
aan naar de zon, waar de banderilleros weêr speelden met de capas of
wipten over de schutting. En in de verte begon het spel opnieuw met
de muleta, die als een bloedroode flap telkens heensloeg boven den
roodgelen stier, en men zag den espada opnieuw een stelling aannemen,
het eene been nu licht doorgebogen geplaatst voor het andere, den degen
met bijna gestrekten arm voor zich uit gericht op den nek.
--«Va matar El en su suerte favorita"[45], jubelde de boer.
[45] Hij gaat hem dooden op zijn geliefde wijze.
Maar het wilde beest stormde onder den lap door, gevolgd door den
wijdstappenden espada en de bende glinsterende toreros naar den kant der
schaduw.
Weêr draaide en wendde de stier om en langs den torero onder de oogen
van den boer. Onstuimig drongen de kreten naar den speler beneden, die
kwaad werd, blikken wierp naar boven.
--«Anda a El," riep de jonge man, «hij zal je niet opeten, Frascuelo."
De torero schreeuwde iets terug, terwijl hij oplettend voortging den
stier met zijn muleta te vermoeien, telkens zich plaatsend in de
stelling, telkens gedwongen uit te wijken voor het aanvallende beest.
Maar op één oogenblik stond het stil, met snuivende neusgaten, de oogen
starend naar de roode vaan die langzaam daalde en rees.
--«Ahora, ahora," gilde het nogmaals.
--«Zit stil, Muchacho!"[46], zei de lange man tot den kleinen jongen.
[46] Jongen.
--«Zou het nu gaan, vader?"
--«Kijk, kijk, jongen."
De degen rees, de stier stootte vooruit, men zag den torero
voorovervallen naar de hoornen, toen plotseling ter zijde springen met
ledige hand, en het beest stokstijf staan met het roode gevest tusschen
de schouders.
De kleine jongen had, toegevend aan een onwillekeurigen drang, even de
oogen gesloten, en 't was hem alsof er boven en rondom hem muren oprezen
van geluid, die ineen kwamen storten boven zijn hoofd. Naast hem gilde
zijn vader als een dronken man, terwijl achter hem de boer stond
te schreeuwen met de uitingen van een krankzinnige, ijlende woorden
loslatend als een zieke in koortshitte; hij had zijn hoed neêrgekeild
voor de voeten van den espada en noemde hem bij zijn naam met een
liefkoozende stem. En rondom en boven de arena renden de drommen van
bezeten geluiden, aaneengesloten, in dichte gelederen. Ze kwamen
aanstormen uit de zijde der zon, die woelde als beroerd, als geschud
door een windvlaag en botsten te zamen met de aanrukkende scharen uit
de ringen der schaduw, waar de menschen opgerezen waren in een zelfden
drang, met een zelfde beweging de ruimte streepten met hun armen die in
extase grepen en sloegen in de lucht. Hier en daar alleen trilde met een
hooge noot een snerpende fluittoon, een rauwe gil gelijk, die
doodgesmoord werd in den woedenden chaos.
Beneden liep de stier, met kleine pasjes, waggelend achteruit, den degen
in den nek, en den dooder voor zich. Soms rekte hij den kop naar voren,
de strot ging op en neêr in een slikkende beweging, als verzwolg hij
iets dat hem van binnen kwam dringen in de keel. Benauwd rekte hij nog
een paar malen met den nek en viel toen plotseling om, dood in het zand.
Een andermaal begon de krijg der verrukte geluiden. Hoeden en sigaren
warrelden van boven neêr om de voeten van den espada, die op een
sukkeldrafje, met den afgewischten degen weêr in de hand, wuivend met
dankend handgebaar ging langs de schutting. De glimmende toreros liepen
allen mede, achter hem aan de sigaren zamelend in hun hoed; bukkend naar
den grond, smeten zij de hoeden weêr één voor één naar boven.
Toen schalmeide de muziek boven den Toril; zijn marschtonen kwamen als
een overwinningslied achter de aftrekkende en zwakker wordende geluiden;
de bontgesmukte muildieren draafden binnen, den stier werd een strik
om den hals geslagen, zoo aan den spoorstok gebonden en toen werden de
muildieren rondgejaagd door het perk, eenmaal, tweemaal, driemaal, en
het doode beest ging in klaterend triomfvertoon over het zand, van de
schaduw in de zon, onder de oogen en het schreeuwen der alles
toejuichende menigte.
En voor de laatste maal vlamden de kleuren van den stier op, telkens
als hij in de rondsleuring zwierde van de schaduw in de zon. Met een
breede platte gleuf achter zich aan, een platgeschuurd spoor en smalle
strepen der wippende pooten, slingerde het doode lichaam rond achter de
voortgeslagen en gezweepte muilezels; en bij de laatste maal in wilden
rit binnengesleept door de poort van den Toril, bonkte zijn lichaam in
den dwarrelenden omzwaai tegen de stijlen der schutting onder een warrel
van stof; en de menschen die hem daar nakeken, trokken instinctmatig
zich terug bij den dreun.
Strak lag nu weêr de groote arena in het namiddaglicht dat zich begon
te kleuren als met een tintje van bloed. In de schaduw hing een zwoele
warmte, de benauwde stinkende lucht van een opgepakten hoop menschen die
in de opwinding hunne verhitte lichamen hebben bewogen. En daar tusschen
door kwam eensklaps soms de prikkelende lucht van een oranjeappel die
geschild werd, scherp en verfrisschend trillen in de neusgaten, fijn als
de geuren van een geparfumeerde vrouw, gedachtebeelden oproepend van
blauw water en suizelende stille warmte; maar rondom alom gromde een
genotrijk gegons, het tevreden gemompel van een voldane verzameling,
en men begon elkaâr na te vertellen en men trad in bijzonderheden;
wijnzakken gingen van hand tot hand en zakdoeken en mandjes werden
geopend.
--«Dat was een stier, waard door zoo'n man gedood te worden, Caballero!"
zei de boer, terwijl hij zich den mond afwischte met den rug der hand.
--«Ja, ja, als alle zes zoo zijn, zal het een prachtige corrida worden,"
antwoordde zijn buurman.
Beneden werden de witte paarden nu voortgesleurd met den langen hals
armzalig vastgestrikt aan den spoorstok; één voor één verdwenen zij door
het duistere gat van den Toril, waar boven-van-uit de muziek voortging
de harde tonen van haar immer herhaald marschmotief rond te strooien in
de lucht; in het perk gingen de knechten bloedplassen en afgescheurde
darmen wegmoffelen met zand, terwijl andere haastig de sporen wegharkten
en het gele strijdperk effenden.
Toen kwamen de picadores weêr postvatten langs de schutting; een van
hen zat op een paard met een roodbeloopen voorpoot, dat trilde onder de
slagen der chulos. Het sein schetterde, de deur van den Toril sloeg open
en een vaalgrijze stier kwam op een drafje binnen, draaide zich om naar
de deur die achter hem dichtsloeg, en bleef vervolgens stil staan als
een rund dat staat te wachten voor zijn stal.
--«Mio Dios, mio Dios," riep de boer klagend, «es un toro cobarde."[47]
[47] 't Is een laffe stier.
't Was tien minuten over half vijf en de groote schaduw lag bijna tot in
het midden van het strijdperk.
Het Einde van een Stierengevecht.