HET EINDE VAN EEN STIERENGEVECHT.

De _corrida_ liep snel naar haar einde. De schaduw had zich bijna

geheel meester gemaakt van de arena en lag nu blank over menschen en

muren, in het klare halfdonker van weggaand licht, van een laat uur;

alleen boven aan de galerijen in de zonzijde gloeide het nog tegen den

muur als een halve-maanvormige lap licht, met ingehouden kracht, een

somber rood licht dat de menschen overvloeide met vlammen van kleur en

de roode beenen der daar zittende soldaten stil glanzen deed, donker

als versch geronnen bloed. En een damp van stof die men ruiken kon,

hing drukkend en droog tusschen de heete rijen, waar een onwillig

geruisch uitgolfde van kwade geluiden. Want de voorstelling was niet

schitterend genoeg geweest. Mazzantini niet meer dan gewoon, had

woeste buien en scheldwoorden en vloeken veroordeelend hooren neêrdalen

boven zijn elegante misslagen; afval van eetwaar en oranje-schillen

waren neêrgesmeten door toornige handen voor de voeten van den fraaien

man. Een ander maal waren de stieren verwenscht, de impressario en de

onbewegelijk lachende president uitgescholden en gedreigd met vuur

en doodslag, terwijl wat verderop, menschen luidkeels riepen om

verondersteld bedrog of de toegangsgelden hadden teruggeëischt met

verbolgen gebaren. En dan weêr was de stemming der menigte omgeslagen

als het humeur van een stout kind en men had gelachen en gejubeld om

een gered of snel vermoord paard, bij een handig opgezette banderilla,

bij een sierlijken zwaai met de capas. Maar vluchtig en weinig waren

die vleugjes van opwinding geweest en dan was teleurstelling en

moedeloosheid neêr komen vallen in de heete Plaza zooals een aschregen

terugvalt in den smeulenden krater die hem uitwierp; maar toen

Cara-Ancha den vijfden stier tot driemaal toe had gemist, toen hadden

heele troepen, moe gegild en gefloten, onwillig zich afgewend van het

schouwspel, om vermaak en twist te zoeken onder elkander. Men zag niet

langer naar de pronkerige spelers beneden, men hield als beleedigd den

rug gekeerd naar het beest, dat zijn gemarteld en leêggebloed lijf

waggelend rondsleepte langs de roode schutting, en zóó hadden de minuten

zich aaneengeregen, en zóó had de laatste stier, een zwart beest, de

laatste paarden ontredderd of vermoord.

Weêr wendde en sprong Frascuelo voorbij de hoornen; hij had de taak, het

dooden van den zesden stier moeten overnemen van Cara-Ancha, die licht

gewond aan de rechterhand, gedwongen was geworden zich terug te trekken

onder de luide verwijten der menschen, waarvan enkele schreeuwden dat

hij vrees had.

--«Ahora! ahora!" gilde het opnieuw uit de monden der aficionados[48],

maar tot tweemaal toe gleed de degen tusschen de schouders van den

stier, tot tweemaal was Frascuelo genoodzaakt zijn wapen terug te halen

uit den bloedenden nek.

[48] Liefhebbers.

Toen was de opwinding voor goed geweken, met het licht, met den dag;

en terwijl de torero beneden den stier naliep, met een norsch, kwaad

gezicht, wijdbeens stappend als een boer die gewend is te trappen

tusschen voren en omgewoelde aarde, woelde het in de arena onder de

ringen van menschen, die zich klaar begonnen te maken tot vertrekken.

Een geritsel van rokken die glad gestreken worden, een geschuifel van

menschen die frutselen aan hunne kleeding, dassen, linten verstrikken,

of handschoenen aandoen, suisde rondom, terwijl hier en daar nog een

scheldwoord jouwend in de hoogte ging, of een oranjeschil smadelijk

geworpen, viel voor de voeten van den espada.

--«Yo digo Usted! 'sta muerto!"[49] schreeuwde de boer die tot het

laatste toe hoopte zijn geliefde espada te zien winnen; «'sta muerto!"

riep hij bij den derden stoot tot zijn buurman, die verdiept in het

vastmaken zijner handschoenen, peuterde aan de knoopjes.

[49] Ik zeg Uwe Edelheid, hij is dood.

--«Ho, ho!" lachte deze, even opziende.

--«'Sta muerto, 'sta muerto!" klonk heesch en gedempt nu ook de stem van

Frascuelo, uit de laagte opkomend, zijn gelaat, een aangezicht vol

toorn, gekeerd naar de menschenringen.

Voor hem uit langs de schutting ging de stier, zijn weg merkend met

de gulpen van bloed die hij al slokkend braakte uit de keel. Het

vermiljoen-roode gevest van den degen stak hem uit den nek, als een hard

en koud punt rood springend uit de zware tonen van bister, karmozijn en

blank blauw: uit den donkeren, bloederigen plas die glimmerde op zijn

glanzend zwarte huid en langs den bast hem droop met dikke trage

stralen. Aan zijn flanken hingen en bungelden de drie paren banderillas,

koddig met hun feestelijken smuk van geknipt, veelkleurig papier,

lachwekkend als de tooisels van een clown die zich doodgesprongen heeft,

bezoedeld en bemorst met bloed. Achter zijn wankelen loop kwamen de

toreros allen aansukkelen met opgeblazen gezichten, rood van warmte en

inspanning, verlegen wachtend tot het beest het laatste van zijn taaie

levenskracht zou hebben voelen wegvloeien met het leêgloopen van zijn

aderen. In de gang achter de verschansing verdrongen zich reeds de

toeschouwers overgesprongen uit de eerste rijen, en als de stier hun

voorbij ging in zijn loomen doodsstrijd, waggelend met het sterke lijf

als dronken van de sterke geuren van zijn eigen wegvloeiend leven,

strekten rijen van grijpende handen zich uit naar zijn ontzachtbre

hoornen, of sjorden en trokken hem aan den machteloos neêrhangenden

staart. Maar gevoelloos strompelde het beest voorbij, dof in den

bloednevel om hem, stervend in de violette tonen van den vallenden

avond. Hikkende, brakende, tuimelend over zijn pooten van achteren, zijn

evenwicht herstellend met de voorpooten, waggelde hij voort, nu en dan

nog even flauw stootend met den kop, wanneer een kwaadaardige hand rukte

aan de geweêrhaakte banderillas, of er een poogde los te trekken en te

stelen. Eindelijk hield hij stil voor de deur van den Toril, vleide zich

daar neêr tegen de schutting, behoedzaam de pooten plooiend, zooals een

koe zich neêrlaat in eene grazige wei tot rustig herkauwen.

Het ritselen en schuifelen werd almaar luider in de wijde arena, als

schoven er slangen tusschen de ringen van opgestane menschen; en terwijl

de toreros den stier nog hun kleurige lappen in de oogen zwaaiden,

kwamen er golvingen en slingeringen in de zwarte drommen en bleeke gaten

werden zichtbaar tusschen de gebroken en uit elkaâr vallende massa.

En langzaam, elkander opstuwend, begonnen de toeschouwers de Plaza te

verlaten; onder een dof gebrom zakten ze in de kelderachtige trappen,

zooals zwarte troebele stroomen zich ontlasten in donkere geulen.

Uit de zonzijde schetterde de muziek haar overwinningslied uit,

klaterend in korte noten, terwijl de stier, afgemaakt door een

_punterillero_, door een snellen prik in de hersens, plat lag in het

zand, klein geworden in den dood, glibberig en onaanzienlijk. Lijken

van doode witte paarden, rood besmoezeld, werden vastgesjord aan den

spoorstok, voortgesleept achter de muildieren, onder het klappen der

zweepen, om slingerend en rondzwaaiend te verdwijnen in den duisteren

Toril.

Toen was in een oogwenk het strijdperk, dat bleek lag en glanzig als

fosforesceerend door het uitstralende licht, opgezogen in den heeten

dag, beplekt en bevolkt met hoopen van neêrgesprongen menschen. Ze

krielden te zamen om den dooden bul, druk pratend boven zijn lijk,

hun woorden begeleidend met uitleggende gebaren; tientallen van

handen gleden gretig tastend over zijn schoft en flanken, begeerig,

gelukkig het doode monster te kunnen aanraken en benaderen in zijne

levenloosheid, terwijl enkelen trokken aan de hoornen, zóo den zwaren

kop tilden van den grond, als beproefden zij zijn geweldige kracht, of

voelden en knepen in zijn nek en vleezige deelen, als koopers doen bij

het betasten van slachtvee; weêr anderen hadden de banderillas losgerukt

en voerden die met zich naar buiten, de lange, pluimige stokken

wegmoffelend achter hun rug.

Gonzend ontlastte zich de Plaza, nu geheel in bezit genomen en gevuld

door de groote schaduw. De stier verdween in een stofwolk door de poort

van den Toril, de laatste menschen gingen de uitgangen te gemoet, en de

Plaza lag weêr groot en alleen, weidsch met haar muren en ringen van

banken, onbezield en stil als een uitgebrande krater. Alleen op den rand

der galerijen in de zonzijde vlamde nog een zoom licht, als een vurige

aureool daar stralend om de tinnen, zich uitzettend tot een lichtgordel

met een kleur van bloed, gespannen om haar muren.

* * * * *

De boer had den circus verlaten en zocht zijn weg tusschen de rijen van

rijtuigen, tusschen het gedrang der menschen. Hij ging op zij uit, de

volte ontwijkend, en volgde toen een paadje door het braakliggend veld

dat met een wijde kromming terugvoerde naar den bebouwden straatweg.

De geheele vlakte om de Plaza lag in een heet en stoffig waas onder het

roode licht der avondzon. Rakelings scheerden de stralen van het lage

licht langs den grond, steentjes en dorre magere grassprieten merkend

door vurigen schijn, kuilen en gaten gevuld latend met een guur en

paars duister. Dwalende voetgangers gingen hier en daar verspreid in de

ruimte, en de nieuwe of in aanbouw zijnde huizen begonnen rondom op te

rijzen, vergroot en vervreemd van voorkomen in het aarzelend licht, dat

lange spookachtige schaduwen voor hun rompen uitstuurde in de

onherbergzame vlakte.

En de boer slenterde door, ontevreden mokkend, de armen los bengelend

langs het lijf, den rug gekeerd naar de Plaza. Aan zijn linkerhand,

over den straatweg, schoof de falanks van naar huis keerende menschen,

vaag in den stofnevel, die bezwangerd met den heeten adem der aarde,

opgejaagd werd van den grond door de kloppende pooten der paarden, door

de schuivende voeten der menschen. Ze schoven voort in het sombere roode

licht, saâmgepakt tot kolonnes achter en tusschen de boompjes, gehuld

in het stuivende pulver, dat rond hen vloog en dwarrelde als een vurig

opstuivende asch uit een opgerakeld vuur. En uit de aaneengesloten

reeksen gromde het machinegeruisch der rollende wagens, knalden de

jagende slagen van zweepen; schreeuwen en bellen en fluiten van trams

joelde er boven uit en dooreen, heel een gesmoord geweld van wilde

geluiden steeg en hing boven de stoffige, bloederige kolonnes, rees en

viel weêr terug, rommelend als een aftrekkende donder, grommend van uit

de verte als het bange geraas van een geslagen leger in aftocht.

In de lange slingerende kromming volgde de boer het paadje, met de oogen

op den eindeloozen trein van gestalten; en de zon zonk al lager achter

den falanks, bezijden in de richting der stad. Op het hooge terrein

achter de straat zag hij de dienstdoende politie, karabiniers, rechtop

zitten op hun paarden, onbewegelijk als silhouetten van schildwachten

die op post staan. Pralend stonden ze tegen den hemel, die mat glansde

in een flauwen weêrschijn van smaragd, gestrookt door vale violette

windstrepen, verflenst in den stoffigen dampkring. Rustig, als gegoten

in brons zaten ze op hun paarden, de roode borst van hun uniform

vooruit, machtig in het oog slaand bij de nadering, zwaar rood, als de

bloedplassen op de schoften der stieren.

En de zon daalde achter den falanks, de windstrepen begonnen te vuren en

te schitteren, oranje, rood en karmijn.

Aan den weg gekomen, trad de boer in het eerste kroegje, zocht een leêge

tafel, zette zich loom, en bestelde een glas _aguardiente_. Toen wischte

hij zich het gelaat met een grooten zakdoek en mompelde halfluid, tot

zich zelven sprekend:

--«Es un barbaridad!"--[50]

[50] 't Is een schande.

Dicht aan hem ging nu de trein voorbij met zijn verbrokkelden nasleep.

Van tijd tot tijd ratelde nog een enkel rijtuig, haastig doorschietend

tusschen de boompjes onder het kloppend geklots der voortgejaagde

paarden. In een ervan zag hij de drie _espadas_ zitten, recht in hun

pronkerig theaterpak, voorbijvliegend tusschen de zwarte, dun wordende

drommen van wandelaars, vluchtig als een plotseling visioen uit een

vergane beschavingsperiode. Een oogenblik later weêr draafde een der

_picadores_ voorbij, groteske ruiter, half soldaat, half landedelman,

half een verschijning uit de dagen der roofridders, half een weggeloopen

knecht uit een maskerade of paardenspel, met een gelaat waar het

misbruik van sterken drank op te lezen was. En de boer volgde hem met

de oogen, zooals hij hoog uitstekend, op en neêr dansen bleef boven de

hoofden, met zijn breedgeranden en blauwbepluimden hoed, met den

_chulo_[51] achter zich op het paard, die de armen geklemd hield tegen

het afvallen, om het middel van zijn meester.

[51] _Chulo_ is een scheldnaam en beteekent eigenlijk geleerde aap.

Soezend zat de boer, de armen geleund op de tafel. Hij begon langzaam te

geraken onder de genotgevende koelte van den komenden nacht; van tijd

tot tijd slurpte hij even aan zijn glaasje, om dadelijk zijn

onbewegelijkheid te hernemen al starend naar den grooten weg.

Het laatste zonlicht verdween van de aarde. De toppen der hoogste huizen

glansden nog in den bloedigen schemer, terwijl het was alsof de vloer

langzaam aan lichter en klaarder werd in een smartelijk waas van

bleekblauw lila, met het sterven van het licht, met het verdwijnen van

de schaduw.

En de laatste menschen gingen voorbij, sommigen met ontbloot hoofd, den

hoed in de hand; venters rolden hun wagens met oranjeappelen terug naar

de stad; het geratel van hun karren verliep in het doffe gerommel dat

gromde in de verte; de vlakte begon stil achter te blijven, verlaten en

eenzaam.

Toen riep de boer om den waard, betaalde, wikkelde zijn beurs weêr in

zijn rooden gordel, en zag met de handen gedrukt op den rand der tafel,

gereed tot opstaan, voor zich uit in de vlakte.

Voor hem rees alleen heerschend, midden staande in het veld, de donkere

massa der Plaza. Groot en machtig in zijn eenvoudig stelsel van muren,

plat als zonder rondingen, scheen het gevaarte geschoten en gewoekerd

uit de aarde. Geweldig rezen de wanden omhoog in hunne lichteloosheid,

den rooden weêrschijn nog dragend om de tinnen, zich opdringend in een

woest en tergend violet dat duister vloekte tegen de lichtlooze lucht en

tegen den vloer der aarde, die mat glansde alsof hij gedrenkt was van

menschenzweet. Rechtop stond het met een machtig vertoon van opgesloten

kracht, den robusten arbeid gelijkend van een cyclopentroep, als

een barbaarsch bouwwerk opgetrokken door voortgezweepte slaven, een

afschijnsel van een ander colosseum, het nog rookende silhouet van een

antieke arena.

In de richting der stad gromde en stierf weg de zware adem der

aftrekkende kolonne en de zon ging onder als gesmoord in bloed.

De boer was opgestaan, ledigde zijn glaasje tot den laatsten droppel en

prevelde weggaande met den rug naar de vlakte, zijn mokkende frase van

teleurstelling:--«Es una barbaridad, es una barbaridad."

De Nachtcactus.

Proza · 第 13 / 30 题