EEN REISINDRUK.

Op de Plaza Santa Maria[20], over den besneeuwden grond, kwam langzaam

een donkere stoet opzetten, van beneden uit een lager gedeelte der

stad. Voorop liepen zes jongens gestoken in kerkgewaad; een rood

kleed van een goor rood, bezaaid met kaarsvetvlekken, meêgebracht uit

vroegere processies, viel hun tot op de knieën en liet de oude broek

met afgetrapte randen slordig flodderen boven grove, stevig gevormde

rijgschoenen of laag schoeisel met blauw omboordsel der afgezakte

kousen. Over het roode pak droegen ze een wit met veel blauwsel

gewasschen koorhemd, dat bijna zonder mouwen, met kneukelige plooien

neêrhing. Dan volgden vier andere kleine jongens in hun gewone kleeding,

die een lijkkistje droegen klein als een poppendoos, wit geverfd, met

roode en groene bloempjes geschilderd op het deksel; aan weêrszijden der

dragers liepen andere jongens eveneens in hun dagelijksche kleêren, die

een waskaars in de verkleumde hand hielden, dikke, gele stukken waskaars

met zwarte, uitgebluschte pitten. En enkele kaarsen waren in het midden

gebroken. Allen waren blootshoofds, hadden koude, paarse gezichten met

natte, druipende neuzen en roode vlekken op de dikke wangbeenderen.

De voorste der zes kerkknapen hield met de beide handen den stok van

een kruis tegen den buik geklemd, waaraan van boven een kleine zwarte

banier bengelde aan een dwarsstok. En van tijd tot tijd schreeuwden ze

alle zes een paar woorden latijn, met groote wijdopgesperde monden,

waaruit hun adem opsteeg als een kringelend wit wolkje van rook; achter

hen volgde een groep mannen, twee aan twee voortgaand achter het lijkje,

gebogen, met de petten in de oogen gedrukt; kin en mond waren weggestopt

in donkere mantels, die met een diepe, donkere plooi onder het ovaal van

den kop over den schouder was omgeslagen, hun vervolgens laag langs de

beenen neêrhing met overdwarse plooien, hun het voorkomen gevend van

roovers uit een operette.

[20] In Burgos.

Tegenover de kathedraal schoof de stoet tusschen twee donkere huizen een

weg in, die met een breede trap opging verder naar boven. Van beneden de

plaats kon men den stoet zien klimmen, zich donker afteekenend tegen

de sneeuw, met de roode jongens voorop en de zwarte banier schommelend

boven de hoofden der mannen, die bedaard opklommen, telkens een trede

der trap meer achter zich latend, als een donkere lijn getrokken in

de sneeuw. Om hen zag men brokken der stad, zware, donkere huizen met

breede witte vlakken beplekt of gesneden door schuine lijnen sneeuw op

de voor elkaâr schuivende daken.

Boven gekomen sloeg de stoet een hoek om, gaande naar het einde der

stad; hij schoof verder langs een eenzame huizenrij, grauwe donkere

huizen, dicht aaneengesloten, met verweerde, groene of roodgekleurde

deuren. Op het midden der rij, aan een der ingangen zag men twee

doodkistjes, die tegenover elkander aan de deurposten waren gespijkerd,

kistjes voor kinderen, geverfd met een grof blauw; en dwars boven de

deur liep een lang bord waarop eveneens een lijkkist was afgebeeld,

daarop geschilderd door een benauwde hand, als een vlek dood zwart

gedrongen in een onbeholpen, kinderlijken omtrek; en de met geel

aangeduide schroeven en handvatsels verrieden de inspanning des

zorgvuldigen werkmans, terwijl aan de vier punten van het bord overhoeks

zwarte woorden geschreven waren, die het bedrijf en den naam des

bewoners lezen lieten. Met een lichte kromming liep de weg vervolgens

langs de huizen over in een laan, die aan weêrszijden beplant was met

jonge boomen.

Toen was de begrafenis buiten, geheel in de sneeuw.

De lucht was fijn en grijs. Over den witten weg, langs een zwaar

wagenspoor met harde bevroren kanten, ging de trein voort,

aaneengesloten, stil en eenvoudig; van tijd tot tijd kwam het schreeuwen

der roode jongens, dan was alles weêr stil en hoorde men alleen het

geluid der stappen, zacht kloppend op de sneeuw.

Om hen lag de ruimte in een blanke rust. De boomen langs hen kwamen

spichtig uit den witten grond; hun dunne stammen waren in de lengte

bestreept met een laag sneeuw, die zich met dikke ringen heenboog om de

ronding der schors, daartegen aangezweept door den wind, aanwijzend de

richting der sneeuwvlaag. En de sneeuw had elk takje gemerkt met een

laagje witte vlokken, en de vorst had die daar vastgehouden, aan de

boomen het aanzien gevend van fijne witte fossielen, die in de koude

versteening hun spartelende vormen hadden bewaard. Aan de eene zijde

verlengde zich de weg onder de sneeuwdekken welvend naar omhoog, in

breede, blonde golvingen, waardoor hier en daar in de hoogte, rosachtige

muurtjes donkere zigzaglijnen trokken, die de richting aanwezen van

wegjes verloren geraakt onder de sneeuw. En in dat groote bleeke veld

dwaalden hèr en dèr voetstappen van menschen, die omhoog waren gegaan

dwars door het veld, de witheid borend en storend met een gat donker; of

er kwamen soms doode, dorre grassprieten naar boven als borstels, als

dikke haren rijzend uit de donzige, blanke vlakte.

Aan de andere zijde daalde het veld omlaag, langzaam in breede statige

helling, om uitzicht te geven in een witte oneindigheid. Boven den zoom

der glooiing kwamen de toppen van fijne boompjes, staande langs een laan

welke men nauw zag, die met het ijle gewriemel van hun geraamten het

kleurlooze veld omboorden als met een rag, zooals een fijne witte kant

dat doet aan het witte doodskleed van een rijk overledene. In een teêr

lila maakten zij zich los uit de sneeuw, blank en blond en bleek, rustig

en zacht, als kalme, pijnloos gestorven kinderen. Terwijl daarachter

in de wijde ruimte, verstrooid hier en daar, dichtbij of vèr, enkele

zomerwoningen uitstaken met besneeuwde daken, als verafschuwde

lijkenloodsen verlaten staande, die hun hardkleurige stijve murenmassa's

schril en rauw werpen kwamen tusschen de smettelooze tonen van den

winter.

Naar voren, in de richting van den steeds voorttrekkenden stoet, boven

de grens der wijdweg blauwende vlakte, glimmerde van onder de effen

grijze lucht een dofgele, waterige streep licht, die tusschen de boomen

doorspartelen kwam, de takken naar het einde saâm- en ineenloopen deed

in een krachtig gamma van grijs en blauw tot purper.

Maar toen de begrafenis gekomen was aan een groote met muren omheinde

ruimte, even bezijden den weg, verbrokkelde de orde. Een trap kwam in

het midden van den geel gepleisterden muur, leidend naar een kolonnade.

En de stoet klom op als een bende die haast heeft. Boven de hoofden

der dooreendringende mannen en jongens zag men door de zuilen heen een

andere trap, hooger dan de eerste, die op haar beurt leidde naar een

plat waar een kapel rees, een hard geel gebouw met namaak van romaansche

bogen onder een groot rond stralenraam en met versierselen van dezelfde

soort. Onder de bogen wandelde een in 't zwart gekleede priester, die

zonder opzien las in een gebedenboek, het boek voor zich uit, de armen

scherp in 't gewricht gebogen tegen het lichaam aangedrukt. Hij kwam en

ging, herhaaldelijk en herhaaldelijk.

Het zwarte vaandel was tegen den wand gezet. Vier der roode jongens

hadden het kistje tusschen zich genomen en een der mannen een krans van

gemaakte bloemen van een tafeltje bij den ingang, en dien betaald, het

geld uit zijn vestjeszak nemend. Toen waren allen een hoek omgedraaid,

langs een muur geschoven, gaande langs ondergesneeuwde perken die in hun

midden kruizen geprikt hielden, zwarte, van ijzer geslagen kruizen met

vergulde punten en stralen.

En eer men recht zag hoe, lag het kleine witte kistje in een even

kleine, donkere groeve, en een man met een houweel in de hand was

heengestapt over de holte, het overspannend met de beide beenen. Hij

gaf een hak in den grond, vervolgens den steel van het werktuig aan den

man die den krans betaald had. Het stuk aarde viel op het kistje met

een zacht week geluid, onder het geruisch dat de in hun mantels gehulde

mannen maakten, die al op en neêr drentelend, op den grond stampten met

hun schoenen. Toen zeiden velen van hen tegelijk: «Vaya, vaya!"[21] De

koorzangers waren al weggegaan, den krans medenemend; en in een oogwenk

was het kerkhof ledig, eenzaam in den pronk van zijn vele sierlijke

monumentjes met latijnsche opschriften, prijkend tusschen denneboompjes,

belast en bevlekt met dikke brokken sneeuw. Maar de graver hakte voort,

stukken molmige aarde, sneeuw en wortels werpend in het kuiltje. En

onder zijn hakken werd de grond zwart rondom hem, zwart als het kleed

van den in de hoogte prevelenden priester, en het grafje vol, donker

gemerkt in de sneeuw die overal lag, bleek hard, koud en dood.

[21] Ga meê, ga meê.

Een Stierengevecht.

Proza · 第 11 / 30 题