«Un errito, cinco centimos, Senorito. Un perro chico senorito."[5]
[5] _Perrito_ en _perro chico_ is hetzelfde: een brons geldstukje van
vijf centimos.
Dit werd gezegd tot een jongen man, die met schilder-gereedschap aan de
hand, langzaam de steenige hoogte naar Sacromonte[6] opklom.
[6] _Sacromonte_ is een der heuvels die het voorgebergte uitmaken der
Sierra Nevada; boven op den top staat een Seminarie tot opleiding van
geestelijken en tegen de hellingen ligt het Albaycin, de wijk der
Gitanos in Granada.
--«Cinco centimos, Dios se lo pague à Usted, Senorito,"[7] herhaalde
ietwat klagend de stem, met een snellen slag in de uitspraak der
woorden.
[7] God zal het u vergelden.
De schilder zag om. Naast hem sukkelde op een drafje een lange slanke
meid met donker uitzicht. Om den bronzigen kop zwierden de zwarte haren,
vallend op het voorhoofd en over de oogen met vlossige slierten, naar
beneden op de schouders als de rafelige uiteinden van een dikke vacht.
--«Hoe oud zijt ge?" vroeg de schilder, terwijl hij een koperstukje uit
den zak haalde.
--«Twaalf jaar, heertje!" antwoordde de deerne.
Ze nam het geldstukje aan en bleef toen naast den schilder voortstappen
met luchtigen pas en een wiegende beweging in de heupen.
--«Gaat u naar boven," vroeg ze verder, «en wilt u mijn huisje
schilderen?"
--«Misschien wel," was het antwoord.
Ze gingen zwijgend voort. Van tijd tot tijd keek de jonge man zijwaarts
en begluurde het naast hem voortstappende meisje. Ze hield den kop
rechtop. Van onder den haarbos kwam het donkere, sterk door de pokken
geschonden gelaat, stevig in het gebeente, met breed uitgegroeide kaken
en flink vooruitspringende kin, die met een bijna horizontale lijn
eindigde aan een dunnen, nog kinderlijken hals. Tusschen de spleet
der wimpers staarden de oogen sluw uit het gelaat, dat met den breed
gevleugelden neus en vast gevormde lippen in zijn geheel het lichaam ver
in leeftijd vooruit scheen. De afzakkende schouders waren bedekt door
een onder de oksels omgeslagen doek, verschoten groen van kleur, waaruit
de spichtige armen en handen heen en weêr bengelden; om de heupen en
beenen droeg ze een ouden damesrok, verlept en flodderig, met strooken
belegd, die haar achter op het pad nasleepte en bij iederen pas het
hoekige en nog onvolwassen naakt door de sluike plooien heen raden liet.
De weg was sinds eenige oogenblikken vlak geworden. Links van hen rees
de helling van Sacromonte, van plaats tot plaats aangestreken met witte
kalk om de ingangen der in den berg uitgegraven woningen. Rechts aan
de andere zijde van het lage muurtje dat den weg begrensde, daalde het
dal van de Darro, gevuld met fijn, welig groen, met stompe, knoestige
cactussen om de op de helling onregelmatig staande witte huisjes; aan de
tegenovergestelde zijde rees de oever dan weêr op tot een rij van hooge
heuvels, begroeid met slanke, magere popels, en voor hen uit lag de
Sierra Nevada in het heldere morgenlicht, zich uitknippend als een
tooneeldecoratie tegen het blauw van den hemel.
--«Hier heen," zei het meisje, «hier heen, heertje!" een zijpad
inslaande dat snel opliep.
Zij ging vooruit, de bloote voeten bij iederen stap aan den grond
geklemd.
Het in zigzaglijn stijgende wegje, als bezaaid met kleine steentjes,
werd aan weêrszijden ingesloten door een dikke haag van cactusplanten,
ineengeward tot een onnaspeurlijk aantal. Soms maakte zich uit den hoop
een enkele tak los die zijn ellipsvormige bladen opstak in de lucht,
aan en uit elkander gegroeid tot wonderlijke gedaanten, grillige
overblijfsels gelijkend uit een vergane tijdorde. En om den stompen
bovenrand van menig blad zaten de bleekroode vruchten naast elkaâr, als
roode aan een snoer geregen kralen.
--«Hier heen, heertje!" klapte uit de hoogte de stem der deerne. Ze
wipte vlug voort, telkens de voeten plantend op de minst steenige
plaatsen.
In het rijzende zonlicht verloren de opslingerende cactusrijen iedere
wijking en scheen het als waren zij hoog de een op de ander gestapeld.
Uit de eentonige, in de zon groengele massa, kwam nu en dan het
bleekblauwe groen van een aloë, die zijn architectonische bladeren,
uitwaaierend over het wegwalletje heen, naar den grond gekromd hield.
En boven dat tintelend spel van groengeel licht met de roode tikjes der
vruchten, verbrokkeld en rommelig gehouden door de kantige schaduwtjes
van blad op blad en op den grond waar elk steentje lag met zijn eigen
schaduw, van achter den rug van den heuvel uit, kwam het krachtige
blauwe hemelveld aanwelven met de glanzende strakheid van geslagen
metaal.
--«Gaan we nog hooger, nina?[8]" vroeg de jonge man.
[8] Meisje.
--«Neen, heertje, hier heen!" herhaalde zij, opnieuw een zijpad nemend,
dat nu een weinig daalde. Vervolgens bleef het langs de helling loopen,
evenwijdig in de hoogte aan den weg beneden.
--«Hier!" zei ze eensklaps, met de hand naar eenige donkere vlekken op
den zonnigen bergwand wijzend.
Uit het laatste der aangeduide vierkante gaten kwam een kleine oude
vrouw naar buiten; tusschen een arm en de borst hield zij een bosje
biezen geklemd, terwijl de handen snel bezig waren andere tot een
strookachtig matwerk saâm te vlechten. Ze droeg lichte, helder
gewasschen, maar oude en versleten kleêren.
--«Moeder Innocenta!" riep het meisje, «hier is een schilder die ons
huisje schilderen wil."
--«Kom binnen, heertje," zei de oude, voortvlechtend.
Maar de schilder was al reeds door den ingang verdwenen en stond rond
te zien in het laaggezolderde vertrek. Het was een langwerpig vierkante
ruimte met afgestompte hoeken. Door den ingang, heenvallend over den
drempel, schoot de zon naar binnen als een afgesneden stuk licht en
vulde de geheele ruimte met levende weêrschijnen; overigens was de
uitholling bijna geheel ledig. Tegen den achterwand lag een oude
saâmgevouwen matras, ineengerold als een slapend beest, en daarboven
brandde een klein oliepitje, rossig en onzeker, onder de geelgeworden
afbeelding eener Madonna, die vlak van voren voorgesteld, rechtop
troonde in haar gothiek gewaad met stijve, gekrookte plooien. Door den
wand heen drong het gesmoorde geschrei van een kind, en voor den ingang
gonsde in de zon een heir van door elkander warrelende vliegen.
't Werd donker in de ruimte; de vrouw was in den ingang gaan staan en
teekende zich met scherpe omtrekken af in het harde lichtraam.
--«Beneden zijn de huisjes ruimer," zei de schilder naar buiten tredend,
«'t is erg warm."
--«Mujer!"[9] schreeuwde de oude, de laatste lettergreep met een scherp
keelgeluid lang in den mond naslepend. «Mujer, geef het heertje een
stoel."
[9] Vrouw.
Uit het aangrenzende huisje kwam een jonge, krachtige vrouw snel
aanloopen, toen een slungelige meid, toen een kind en toen nog een.
--«Wat is er?" vroeg de eerste, ineens stilstaand en den vreemdeling met
groote oogen aankijkend. «Wat is er?"
Ze moest nog zeer jong zijn en had regelmatige gelaatstrekken. Om
het zuiver ovaal van den kop waren de haren, zwart als ravenwieken,
zorgvuldig gekapt en met platte vlechten vastgeplekt op het voorhoofd.
Om den hals droeg ze een hagelwitten gehaakten doek, met ijdelen opschik
over de borsten geplooid, terwijl door het dunne katoen van keurs en rok
zich de volle vormen van het gezonde krachtige lichaam doorteekenden.
Op de plaats waar zij stonden had zich de weg uitgelegd tot een plat
en de rij cactussen was daar vervangen door een laag, van steenen
opgetrokken muurtje. Daar was de oude gaan zitten op een laag stoeltje
in bedrijvigen arbeid; iets verder verliep het plat weêr in twee wegjes,
opnieuw gescheiden door een cactushaag.
--«Hier is het goed. Kom hier zitten, heertje!" zei de oude. Deze vouwde
zijn stoeltje open en zette zich naast haar. Om hem hadden de kinderen
zich neêrgelegd, onbeschroomd in hun naaktheid en voor hem stond de
jonge vrouw, de handen slap ineengevouwen, het bovenlijf in de zon.
--«Usted Castiliano?"[10] begon ze.
[10] U Spanjaard?
--«Neen," zei de schilder, «ik kom uit...."
--«Frances, Frances," klonk het zacht uit den mond der achter haar
staande meisjes.
--«Usted pintor?"[11] vroeg ze verder, en liet er op volgen: «ik ben
heel dikwijls geschilderd, met de machine en met kleuren. Mire Usted,
asi."[12]
[11] U schilder?
[12] Kijkt u, zoo.
Ze had, sterk overdrijvend de houding aangenomen van een klassiek beeld,
den rechtervoet vooruit geplant, het bovenlijf snel teruggetrokken,
rustend op de linker doorgezakte heup. De eene hand hield ze daar met
den pols in de zijde en de andere was met de buitenvlakte tegen het
voorhoofd gelegd, boven de oogen, in eene hooge opheffing van den
elleboog, en het hoofd helde behagelijk op zijde. Zoo bleef ze een
oogenblik den schilder aanzien, met half dichtgeknepen oogen. Een breede
schaduw daalde van onder de hand over de oogen op den neus, en de mond
geopend tot een kleinen scherpen lach, vertoonde een rij van ivoorwitte,
als beiteltjes gevormde tanden.
--«Brava, brava," zei de schilder.
--«Ook ben ik dansende geschilderd," snapte ze voort, «in costuum. Kijk
zóó."
Maar het kindergeschrei begon weder.
--«Vrouw, je kind schreeuwt," riep de pokdalige meid. Ze keerde zich
loom om en ging naar de schaduw der cactushaag.
De jonge vrouw was weggeloopen met een klein vloekje, gevolgd door de
slungelige meid.
De zon was al hooger en hooger gestegen en de geheele dampkring
geworden tot een geweldige zee van licht. In klaterende stroomen
kwam het neêrvallen uit den hemel op steengrond en bergwand, de
kleine hoekige vormen langzaam wegvretend in de overstelping van
zijn golven, in schitterende tintelende kleurloosheid. En naar boven
schoot het schuimend heen, over planten die blaakten van groen licht,
neêrstortend over den rug des heuvels, om uit te spatten in de lucht met
phosphorische lichtstofjes. De geheele lucht was er vol van. Ze hingen
zwevend in de schaduw van het muurtje, de vormen der daar soezende vrouw
en kinderen overspuitend met hun ijl getuimel, de degelijkheid van
lichamen en rondingen meêvoerend in de trillingen hunner atomen. Alleen
in de diepste diepte der openstaande woning en onder de krachtige
beschutting der dikke, leêrachtige cactusbladen scheen het licht niet te
kunnen dringen; als dofzwarte floersen hingen de ingangen in den hellen
bergwand; en op den grond aan den voet der cactus die de rij begon,
lagen plekken schaduw met de krachtige kleuren van donker glanzend
fluweel.
In de koelte dier plant was de deerne gaan zitten met het geschonden
gelaat; de breede schaduw die uitging van de dicht ineengewarde blâren
viel haar over hoofd en romp tot op de knieën, waar zij uiteenbrokkelde
op den grond tot een grillig gewemel van ronde schaduwschijven. Zóó zat
ze met de voeten in het licht. In het zwarte haar weêrlichte het blauw
van den hemel, de bruine kop van onderen beschenen door de zon op den
grond, glom als rood brons, de verslonsde halsdoek herleefde in een
gamma van geelachtig groen met doffe kracht in de plooien, en over de
knieën lag de oude verfrommelde damesrok in een rust van bleekblauwe
schaduwkleuren.
--«Blijf zoo zitten, nina," riep de schilder die de koelte verliet en
haastig zijn verfdoos opende.
Van uit de bergholte kwam een zacht, schril gekreun, toen zweeg het,
bijna onmiddellijk gevolgd door het zeurige gezang der jonge moeder die
haar kind in slaap zong.
De schilder was al reeds verdiept in zijn arbeid. Voor hem stond de
opengeslagen verfdoos, tegelijk dienend tot schildersezel; telkenmale
boog hij zich naar den grond om dan op te zien, naar het in de schaduw
zittend meisje.
Zoo verliep een tijd in groote stilte. De oude vrouw vlocht half soezend
voort, en de twee kinderen lagen languit op den grond te dommelen. Toen
begon het klagend geluid weder.
--«Ga uit den weg," klonk het uit de holte; de jonge vrouw kwam naar
buiten, op den arm een klein ingebakerd kind dragend en aan de vrije
hand een gescheurd waterkruikje. Ze bleef een oogenblik achter den
werker staan, ging toen naast de oude zitten en begon zacht neuriënd
haar kleine los te pakken.
En de zon klom al hooger en al korter werden de schaduwen. De
lichtstralen op den grond waren langzamerhand tegen de beenen van het
stokstijf zittende meisje opgekropen, lagen op de knieën en onder de
borst.
--«Zit stil, nina," zei de schilder, zenuwachtig haastig arbeidend.
--«Mujer, zit stil!" schreeuwde de oude die opschrok.
De jonge moeder was bezig haar kind te wasschen. Van tijd tot tijd nam
zij een teug water en spoot dat uit den mond over het mollige vleezige
lijfje dat druk met de kleine beentjes rondwoelde.
--«Wilt u mijn kleine schilderen?" vroeg ze, «zijn huid is rood als
goud!"
--«Later, later," was het antwoord.
Op den bruinen kop van zijn voorbeeld begon de eerste lichtvlek te
vallen. Langzaam kroop zij over het gelaat als een bleeke vlam die
brandende lichtpitjes in de diepe oogen tintelen deed; vervolgens
verdween zij even langzaam aan de andere zijde. Op het voorhoofd der
deerne begonnen kleine zweetdroppels te parelen.
--«Wat is dat?" riep de schilder plotseling met een instinktmatig gebaar
van afkeer. Hij had opgehouden te werken.
Voor zijn voeten in de zon schoof een gedrochtelijk, wanstaltig
schepsel. Op het onmenschelijk groote hoofd warden een bos vuile haren
van een onbestemde kleur, met piekachtige stekels. Een smerig hemdje
dekte halverwege den romp, die mager als een geraamte door de scheuren
kwam; de stokachtige beenen, verlamd en kruiselings over elkander
gegroeid, waren door het schuiven bedekt met een laag wit stof.
--«Es tonto,"[13] zei de jonge vrouw met een lage stem, «es tonto!"
[13] Tonto = gek, idioot, ook gebruikt in den zin van domkop.
De schilder bleef het wezen nazien, dat slingerend voortschoof onder het
uitstooten van een kort, schril gekreun. Toen draaide het rond om zich
zelve, en begon al kreunend met hoofd en bovenlijf heen en weêr te
wippen.
Om het skelet van den kop was de huid heengespannen met de kleuren
en rimpels van oud geworden schrompelig leder. Van onder het hooge,
uitpuilende voorhoofd staarden de iets of wat aan den buitenhoek
opgetrokken oogen dwalend en verstandloos tusschen-uit de onreine
oogleden, en onder den in het gelaat gedrukten neus was de scheeve mond
met smalle, ingezogen lippen, openstaande als een donker gat, leeg en
tandeloos.
De jonge man was opgestaan van zijn stoeltje en liep met korte passen
het plat op en neder. De mattenvlechtster soesde nog altijd voort,
terwijl de jonge moeder zich bezig hield met de beschouwing van haar
kind, dat gretig zoog aan haar borst. Ze hield het hoofd een weinig op
zijde met een uitdrukking van stil tevreden genot. De schaduw van het
muurtje was ingekrompen tot een smalle strook, en over haar hoofd begon
het eerste zonlicht te glimmeren.
--«Is 't afgeloopen, heertje?" vroeg de meid, die van haar plaats was
opgestaan en zich uitrekte.
--«O neen," zei deze, een oogenblik zijn wandeling stakend, «'t is erg
warm."
De oude had uit haar zak een stuk brood gehaald en dit aan het gekke
kind toegeworpen. Toen waren de drie vrouwen bij elkaâr gehurkt, een
luid ratelend gesprek begonnen, dat van tijd tot tijd uitschoot in
uitbarstingen van stuipachtig lachen.
Zonder een oogenblik het wippen van zijn lichaam te staken, had het
schepsel het stuk brood voor zich opgenomen en was begonnen daaraan te
knauwen. Onder zijn onhandige bewegingen brokkelde het droge oude baksel
uiteen en viel naast en voor hem neder tot stukken en kruimels, en van
uit den vollen mond kwam nu het altijd doorgezette gekreun als een
leegluidig gemurmel.
De schilder was opnieuw op zijn stoeltje gaan zitten en riep: «Ga weêr
zitten, meisje, en schuif wat dichter in de schaduw."
Het werken begon nogmaals en daarmede de stilte. Achter den rug des
jongen mans kwam nog een poosje het fluisteren der beide vrouwen, toen
verstierf het. Het bijna onhoorbaar geworden geklaag van het gekke kind
verloor zich in de ruimte, als meêgonzend met het groote gegons der
overal onzichtbaar ronddwarrelende vliegen, wier geluid de lucht vulde
als waarde er een dwalende echo rond van veel vèr sprekende stemmen.
--«Schuif, als het kan, nog een weinig in de schaduw, nina," zei de
schilder, «'t gaat niet."
Maar het gekreun van het mismaaksel begon weder. Om zijn hoofd zwermde
nu een heir van vliegen in bedrijvig gewarrel, schutterig opvliegend,
zich verplaatsend, om zich vervolgens opnieuw vast te hechten aan
mond en ooghoeken, op elkander gekropen tot zwarte vlekken. En in
de zon was dan het kwijlende gat van den openstaanden mond grooter en
afzichtelijker en de lijnen der oogen rekten zich, wrongen zich in een
afschuwelijk spel.
Het meisje zat nu bijna geheel in het licht, over haar schouder begon de
slagschaduw van den kop een scherpe lijn te trekken.
Immer bleef het wezen zitten wiegelen in de zon. Het groote hoofd
lichtte en vlamde, nu deinzend, dan weêr wederkeerend, als een helsch
visioen dat elk spoor van orde en regelmaat scheen verloren te hebben.
Vreesaanjagend met de beklemming van een nachtmerrie zat het daar,
schommelend op de gekruiste beenen, zijn arme geslachtlooze naaktheid
uitplooiend in het rauwe, tergende licht.
En telkenmale gleden de blikken des jongen schilders over dat stralende
gedrocht of bleven daar wijlen als vastgekluisterd aan zooveel glanzende
ellende. Dan met eene groote poging hervatte hij zijn arbeid.
--«'t Gaat niet, 't gaat niet," zei hij na eenigen tijd, opnieuw
opstaande.
De deerne had haar plaats verlaten, hurkte achter de schilderdoos neder,
en wierp toen met een beweging snel als een ingeving, haar halsdoek over
het steeds luider en luider jammerende kind.
--«Bij de vrouwelijkheid van mijn moeder, wees stil," schreeuwde de
oude. «Ga, ga naar binnen, tonto, ga."
Gehoorzaam aan het harde geluid der stem had het kind zijn wippen
gestaakt, en zich slingerend in beweging gezet naar den ingang der
bergwoning, onder een hoorbaar gegons der opgejaagde vliegen. De groene
halsdoek sleepte hem na over den grond, de beweging volgend van het
rechts en links wendende lichaam, heen en weêr wuivend als de sleep van
een dansende dame, in armzalige potsierlijkheid.
--«Olé!"[14] lachte de mottige meid, die met de handen plat tusschen de
knieën gedrukt, voorovergebogen als een kat die springen gaat, het
waggelende schepsel naoogde. «Madre," schreeuwde ze, «mire madre!"[15]
[14] Olé is een schreeuw van goedkeuring bij de Spaansche dansen en
zangen in gebruik.
[15] Kijk, moeder, kijk.
Maar het kind was reeds verdwenen door het donkere gat, zijn geluid met
zich meênemend, dat uit de verte begon te gelijken op het huilen van een
zieken aap.
--«Wilt ge den doek halen en zitten gaan, meisje?" vroeg de jonge man.
Hij boog zich naar zijn palet en kwasten en vervolgde, zich tot de oude
wendend: «Was dat een kind van u?"
--«Bij mijn ziel, ja, heertje," antwoordde ze huilerig; «'t is mijn
derde en Maria is de oudste."
Ze wees op de jonge moeder die met het hoofd tegen den muur in slaap was
gevallen. Op haar knieën rustend in de open hand, sliep haar zuigeling.
--«En waar is de vader?" vroeg de eerste verder.
--«Dood, heertje," zei ze, «verleden jaar gestorven aan de cholera."
De deerne was een ander maal gaan zitten, nu bijna geheel weggekropen
onder de breede bladeren van de cactus.
Altijd steeg de zon naar het zenith. De warmte werd van oogenblik
tot oogenblik sterker, hangend in de onbeschutte ruimte met zwaar en
drukkend gewicht. Dompige, doordringende geuren stegen overal op, zonder
dat men wist waar zij vandaan kwamen. De kinderen sliepen reeds lang
een gerusten slaap en de oude begon boven haar werk te knikkebollen.
Ook de deerne die als voorbeeld diende, sloot nu en dan de oogen,
meêgesleurd door de warme, slaperige stilte. Loodzwaar knikte haar hoofd
op de borst, rolde op zijde en dan ontwaakte ze haastig en zat opnieuw
stokstijf met bovenmatig wijd geopende oogen, om ze eindelijk voor goed
te sluiten tot slapen, met een plotselinge ontspanning der spieren.
--«Niet slapen, nina," zei de schilder korzelig.
Zij zat weêr recht op, doch om haar mond bleef ontevredenheid, en nu en
dan gleden haar oogen naar het slapend gezelschap.
--«Maria," riep ze opeens, «je kind valt."
--«Hé!" schrok deze op, met een onwillekeurige beweging de handen om den
kleinen slaper slaande.
--«Je kind ging vallen, Mujer!" herhaalde de meid loos lachend.
--«Animala," schoot de jonge vrouw uit, «wat een leelijke meid is dat."
Ze suste den kleine, die zacht schreiende ontwaakt was.
--«'t Is waar, 't ging vallen", volhardde de deerne, «vraag het maar aan
't heertje!"
Een ratelende woordenwisseling volgde.
Met gebogen rug bleef de schilder zitten, als vastgeplakt aan
zijn plaats, badend in den grooten klaterenden gloed. Hij arbeidde
ingespannen, met zijn gansche lichaam, in de onafgebroken wijzigingen
zijn bedoeling uit het oog verliezend, opgegaan en verloren in het
levende zonlicht overal om hem.
--«Nog een oogenblikje, nina," zei hij.
De jonge moeder zong opnieuw haar kind in slaap. Ze hield de eene hand
nog onder den tepel van haar ontbloote borst en met de andere steunde
zij haar zuigeling. Het hoofd voorover, een weinig ter zijde gebogen,
geleek zij aan een der Madonna's op de schilderijen van oude meesters,
in de eeuwige beschouwing verzonken van het Christuskind. De oude vrouw
snurkte hoorbaar, en van uit de woning kwam met tusschenvallen het
kreunen van het gekke schepsel, vergezeld van een dof bonzend geluid.
En de schilder arbeidde voort.
--«Je moeder is een kip, je vader is een haan!" zong de stem achter hem
op een zeurige melodie.
--«Olé!" kwam het van onder de cactus.
Het bonzen uit de holte kwam al luider en luider, en het was alsof
iemand met een houten hamer steenen klopte.
--«'t Is het niet, 't is het niet," mokte de jonge man.
--«O, Josefa, hij lacht!" riep de jonge vrouw; «kijk, heertje, hij
lacht!"
Deze zag om. Het moedertje had het kind naast zich op den grond gelegd
en hield de uitgespreide vingers der hand boven het kopje van den
kleine. Dan streek zij hem ruw liefkoozend over het gelaat, de oogleden
sluitend, herhaaldelijk en herhaaldelijk, in snelle opvolging. En in de
kitteling van het spel gleed er een vleugje van lachen over het bolle,
uitdrukkinglooze kindergezichtje.
--«O! 'k heb hem liever dan mijn oogen," riep ze uit, het kind wild
opvattend met een zenuwachtigen greep der handen, «liever dan zijn
vader, liever dan al het goud van Castilië!"
Ze had den kleine op haar schoot genomen.
--«Zit toch nog een oogenblikje stil, meisje," klonk het eentonige
waarschuwen des schilders weder.
--«O, wat leelijk ben ik," zei de meid, zich met de vlakke hand op de
wang slaande. Toen zat ze als vroeger stijf neêrgehurkt onder de cactus.
En van uit de holte kwam regelmatig als een klokketik, het bonzen,
saâmklinkend met de stooten van het gekreun.
Het moest nu bijna middag zijn. De plantenzoom om het wegje dat hoog
boven de ingangen kronkelde, begon lange, donkere schaduwen omlaag te
zenden. Men zou gezegd hebben, donkere zaksels vloeistof op blinkend
papier.
Van oogenblik tot oogenblik werd de werker onrustiger. Hij scheen zijn
voorbeeld vergeten te hebben en te arbeiden naar iets dat niet meer
bestond. Telkens rees hij op, zijn werk op een afstand beziende, om dan
weêr half op zijn stoeltje neder te vallen, hier iets veranderend, daar
wat wijzigend, om vervolgens opnieuw op te rijzen.
--«Dwaasheid!" mompelde hij tusschen de tanden.
--«Is 't afgeloopen, heertje?" vroeg de deerne, terwijl zij zich het
warme haar uit de oogen streek.
--«Ga," zei de schilder knorrig.
Toen met een krachtigen stoot van zijn voet schoof hij de doos
achteruit, zocht in den zak van zijn jasje een sigaar en begon snel te
rooken; achter hem waren de vrouwen gaan staan; ook de slungelige meid
was geeuwend uit het huisje gekomen.
--«Barbiaan,"[16] zei de jonge moeder.
[16] Mooi.
--«Se parece. Que féa,"[17] zei de slungel.
[17] Het lijkt, wat een leelijkert.
--«Bueno, féa, féa," zei de deerne die voorbeeld geweest was; ze bleef
met de lippen klappen.
De schilder had het drietal even aangezien, nam toen uit het duimgat van
zijn palet een dikke kwast en veegde met haastige hand de studie door
elkander.
--«Och, heertje," riep de mottige meid.
Maar deze had zijn gereedschap reeds bij elkander gezocht, ging toen op
den grond zitten, het hoofd in de schaduw van den muur, en zei: «'t is
warm."
De oude mattenmaakster was wakker geworden en begon instinktmatig haar
vlechtwerk voort te zetten. Onder haar handen daalde de gele strook
neder met de lange kronkels van een slang.
En om hem was het als een zondvloed van licht. De steengrond blonk
en klaterde, gezuiverd en vlekkeloos, de bijna rechtzakkende stralen
terugzendend als een klare spiegel, met blind makende helderheid; de
planten, cactussen en aloë's zwijmden in den trillenden ether, elkaâr
omarmend in het licht, saâmgeloopen met de blonde aarde van den heuvel
die haar geledingen uitschoof naar boven; en eenige dwergachtige
olijfboomen stonden daar rechtop, met weifelende rondingen, als klompjes
smeltende suiker in de zon.
De jonge man was opgestaan, zocht in zijn zak naar een geldstuk en gaf
het aan de deerne.
--«Es poco,"[18] zei ze.
[18] Is weinig.
--«Morgen kom ik weêrom," was het antwoord.
--«Morgen zal het regenen, heertje," sprak ze terug. «Maria heeft sinds
gisteren hoofdpijn en de vliegen steken van morgen. 't Heeft hier in
geen zes maanden geregend, weet u. Mire Usted," vervolgde ze, met de
hand over het muurtje heen naar de lucht wijzend, «mire Usted."
Boven de koppen der sierra zweefde een klein wit wolkje met de
schijnbare grootte van een mansvuist.
--«We zullen zien," zei de schilder. Hij boog zich naar zijn verfdoos,
maar zette die eensklaps weêr op den grond.
Boven den drempel der woning, als een groot stuk licht voorspringend
tegen het duister der holte, kwam het wanstaltige hoofd van het gekke
kind. Het had den eenen arm heengevouwen om een steen, terwijl de andere
languit naar voren lag over den drempel, die het ondergedeelte van het
lichaam bijna geheel weghield, en telkens kwam het hoofd op, en daalde
dan weêr neêr, met een doffen smak vallend op de harde rots. Soms bleef
het daar een wijle omlaag en schuurde zich het voorhoofd langs den
steen, en dan werd het steunen heftiger en ging over in een wild janken,
evenals of het kind toornig was geworden om de hardheid der stof, die
hem belette zich daarin te begraven. Maar dan kwam het weêr naar boven,
het gelaat vertrokken tot een carnavalsmasker, vreemd en huiverig van
verschijning als de ziekelijke uiting van een overspannen brein en dan
zonk het hoofd opnieuw omlaag, om neêr te vallen op den harden drempel.
--«Och," had de schilder gezegd.
--«Es tonto," zei de deerne, «het doet hem geen pijn, heertje, es
tonto."
Maar haastig had de jonge man zijn boeltje opgenomen en weggaande riep
hij: «tot morgen."
--«Als het morgen regent, kom ik op de Puerte Real," riep de jonge
vrouw.
--«Goed. Adios."
--«Vaya Usted con Dios,"[19] groette ze terug.
[19] Dat uwe Edelheid met God ga.
--«Zal ik u den weg wijzen?" vroeg de mottige.
--«Gracias," was het antwoord.
Snel daalde het pad omlaag, al sneller en sneller dwong hem de helling
tot gaan; de cactussen vuurden en vlamden in de zon en hielden hunne
stekelige armen naar voren; de grond wierp klare stroomen licht terug en
omhoog den hemel in 't gezicht, die hel glansde, strak en onbewegelijk
achter haar koperen huid; overal zon, overal licht, overal om den jongen
schilder, die voortholde met zijn verfdoosje aan de hand, armzalig
vluchtend voor het licht.
Maar op den grooten weg gekomen ging het langzamer. Aan zijn
linkerhand lag nu het dal van de Darro, als volgeloopen en bevolkt met
zonneschijn; aan den overkant schaarden de heuvels zich naast elkaâr,
hun lange boomen tot pluimen dragend in de zon; en op den top van den
laatsten der rij stond het oude Alhambra met zijn roode overblijfsels,
nog neêrziend op de nieuwe stad aan zijn voet, die zich uitplooide als
een granaat opengespleten in de hitte; en de rijen van huisjes waren
regelmatig als rijen pitten, van uit de hoogte gelijkend aan opgezet
kinderspeelgoed uit een Neurenberger doos, en daar weêr achter rekte
zich de vlakte der Vela in een damp van licht, eindeloos ver, vaag.
En van onder uit de stad kwamen donkere mannen opzetten, komend van
hun werk; vrouwen met roode lappen om het hoofd, zuigelingen dragend,
donker als zij zelve; vuile kinderen holden uit de woningen, bedelend
met uitgestrekte hand; ezels gingen voorbij onder het aanroepen der
drijvers. Overal geschreeuw, gejuich, geschater, stijgend in het hooge
jubelen van 't zonnestof, zooals het gure lachen van den waanzin zich
wringt tusschen de gloeiende stroomingen van een menschenziel, in het
gouden gemurmel van droomen en begeerten.
Een Reisindruk.