Vier dagen voor de opening der zomervoorstellingen in de «Plaza de los
Toros" was men begonnen biljetten verkrijgbaar te stellen. Voor den
ingang van het houten kantoortje, neêrgezet op de grens van een terrein
dat braak lag, had zich reeds vroeg in den morgen een lange rij van
menschen verzameld, ordelijk achter elkander, borst aan rug geschaard
onder het toeziend oog der politie. En de staart was gegroeid, immer
gegroeid, uitgaande van het bureau, krullend achter om het gebouwtje,
het terrein omvattend, om met een wijde kromming naar zijn oorsprong
terug te keeren. Zoo had men uren gewacht, kalm en ernstig; aan het
einde was de rij luchtiger geworden, had gaten gekregen, daar had zich
de geduldige wachter neêrgevlijd op zijn plaats, gerold in zijn mantel,
platliggend of gesteund op den elleboog, lodderoogend in de zon. En
waterverkoopsters gingen er heen en weêr, van den een naar den ander.
Toen was het bureau geopend, en langzaam voetje voor voetje, was de
stoet opgeschoven.
Tegen den avond waren de tien duizend plaatsen verkocht.
* * * * *
't Was midden in de stille week, de publieke vermakelijkheden waren
geschorst, en de herinnering aan het groote lijdensdrama hing om
Madrid als een doffe rouw. In de kerken knielden de geloovigen in het
geheimzinnige halflicht, gebeden prevelend onder de zware klagende
stemmen der priesters, waarvan de klank als kwam opstijgen uit den
rossen gloed van het altaar, naar boven wijd uitruischend over de
gebogen hoofden, om neêr te zijgen gelijk een damp, bezwangerd met
sombere en drukkende gedachten. Men had de voeten van den dooden
Jezus gekust, gebeeld in was, uitgestald onder een glazen stolp, zich
kruisend, zich slaande op de borst. Men had gebiecht en kaarsen geofferd
en vele aalmoezen waren uitgereikt.
Op de straten krielden 's namiddags de duizende wandelaars. Op de
voetpaden der Calle de Alcalà,[1] voerend naar het Prado,[2] was het
als een groote zwarte stroom die langzaam opvlotte onder de stuwende
kracht van een zachten wind. Men slenterde als onder den indruk van
een zelfde gedachte, kalm, met de bewegingen van menschen die niets
om handen hebben, genietend van den dubbelen rustdag in het warme
voorjaarsweêr, badend in de zwoelte die van de natgeregende straten
opzweefde. En tusschen de golvende rijen der gaanden en komenden
schreed hier en daar een vrouw, het hoofd omhuifd met de donkere
mantilla of den blanken hoofddoek, gebogen, de vingers nog in elkander
gevouwen, die binnensmonds haar gebeden voortzette, met een trillende
beweging der lippen als iemand die snel telt, onder het geraas der naar
het Prado rollende rijtuigen, onder de schelle kreten der jongens die
couranten en programma's verkochten, onder de zeurige stemmen der
bedelaars, onder dat groote leven van geluiden, het donkere leven der
kerken overbrengend op de luchtige en zonnige straat.
[1] Naam van een der hoofdstraten.
[2] Een buitenboulevard en de grootste wandelplaats in Madrid.
Zoo waren Witte Donderdag en Goede Vrijdag voorbijgegaan, Stille
Zaterdag gekomen met zijn zorgen voor de ophanden zijnde nieuwe
feestdagen, en Zondag eersten Paaschdag luidden reeds vroeg in den
morgen de klokken, de lucht verscheurend, juichend met kort getingel,
met breede, statige galmen komend van uit de hooge verte.
Christus was dood, begraven en weêr opgestaan.
Het was laat in den nacht opnieuw gaan regenen; een aanhoudende,
hardnekkige regen met dunne, dicht ineengeschoven stralen, gespannen van
de lucht tot den grond als een groot doorschijnend vlies dat om alles
hing, klammig en kil. Voor de winkelramen en café's op de Puerta del
Sol[3], daar waar afbeeldingen der Corridas[4] hingen, bont gekleurd,
sprekend op een afstand met hun klinkende verven, schoolden de uit de
kerk komende mannen saâm, half in de schaduw der regenschermen, met
lange, spookachtige inschijnsels in de natte straat. En zij vormden
donkere groepen met vlakke ineengeloopen tinten, waardoor nu en dan een
vluchtig kleurtje kwam snellen, rood of blauw, wanneer in de beweging
een mantel omkrulde en de binnenzijde buiten kwam. Van onderen maakten
talrijke beenen zich los, als uitgeknipt tegen den blinkenden vloer,
terwijl van boven de schermen glommen in den regen gelijk mat glanzende
zijde, met blikkerige lichten tegen de baleinen, merkend het karkas.
Zoo stonden zij in een lichten kring van fijn stuivend vocht, wegwazend
achter het gordijn van vallend water. Sommigen gingen verder en bleven
weêr staan midden op het voetpad, elkander met de hand wijzend, dáar
waar hoog boven den horizon door een gat in de wolken, een vlek van het
hemelblauw viel, een flets nat blauw, maar dieper van gehalte en als
komend van ver, door de schelle omlijsting der blinkende wolkenranden.
Dan ging men weêr voort, zich klein makend onder de regenschermen,
hopend nog, maar toch vol vrees reeds voor de teleurstelling die men
voorzag.
[3] Hoofdplein in Madrid.
[4] Stierengevechten.
Maar de regen hield aan, gelijkmatig dalend, met lichte en donkere
tikjes op het plaveisel. Soms was er een oogenblik van droogte en
dan herleefden de tinten van koppen en kleêren, verdubbeld in kracht
en innigheid, frisscher, als rijzend uit een bad; of een verdwaalde
zonnestraal viel uit de dikke lucht, straat en menschen overgietend met
een gulp bleekgoud licht, snellend over de hoofden en regenschermen in
een warrel van kleur en schittering, voortvliegend met de schaduw achter
zich, om geheimzinnig en vreemd te verdwijnen als klom hij weder naar
boven. Doch het duurde dan niet lang of de regen gudste opnieuw, boozer
en heftiger dan te voren, met snel rechtzakkende stralen, als een groot
traliewerk van glas, brekend op de straat, met blazen en kringelingen in
de plassen. Dan was het een loopen en vluchten naar overdekte plaatsen,
een gefladder van mantels en jassen, een gescharrel van japonnen,
opgehouden in de vaart, toonend de witte kousen, heel het onhandig en
wanhopig geharrewar van een verraste en overvallen menigte; en kleine
gilletjes van angst rezen op, en gegiegel van pret kwam van onder de
huisingangen, waar de menschen op elkaâr gepakt stonden als schapen in
een hok, lachend, zich vermakend met de nog vluchtenden. En de regen
veegde de straat, opstuivend met wolkjes in de verte, hangend om de
voeten der enkelen die nog gingen en om de stilstaande rijtuigen, als
wandelden, als stonden zij in een laag hangenden dauw. Kringelende
stroompjes water van een geelachtige kleur snelden tusschen de steenen
naar omlaag, glisten achter de wielbanden en om de hoeven der paarden,
die de pooten optrokken voor het koude water, maar staan bleven glimmend
en druipend, met hangenden kop en nedergeklapte ooren, armzalig en
verlaten.
Boven het centrum der stad hingen de regenwolken ontzagwekkend en
grootsch, monsterachtig-gespierd van vormen, met levende en bewegelijke
rondingen als levende gedrochten. En ze schoven over elkaâr, zich
opstapelend en weêr saâmvallend, ineengevloeid tot één dikke hangende
vacht zwaar van water, van een violet-grijze kleur, met aderen en
schrampsels van licht, met kuilen en accenten van donker. Het licht werd
er door onderschept, en de geheele stad stond in het blauw van haar
schaduw. De huizen die de Puerta begrenzen, geworden tot klompen kleur
van een wonderlijke intensiteit, staken hun spitsen en schoorsteenen op
in de lucht, donker en dreigend, terwijl de daarop uitloopende straten,
verlaten en bijna ledig, voortvlogen in hun rechtheid, of omkromden,
zich verloren in hun eigen duisternis. Alleen aan het einde der
Calle.... schitterde een breede streep licht boven de uiterste huizen,
onder den kruivenden rand der regenwolk, glanzend en fosforesceerend,
blinkend als gesmolten metaal, als een stroom van vloeibaar zilver, de
geheele Puerta del Sol, met haar huizen en straten, vooruitbonzend als
één log en donker gevaarte.
Toen beheerschte het geluid van water alles. Het suisde door de lucht
met fijne etherische fluittonen, het klik-klakte op de straat in een
opspringend en huppelend gamma van harde nootjes, het kletterde en
plaste uit de dakgoten, losbandig en woest, met het geraas van een rauw
instrument, terwijl het voortvlood in de groeven langs de voetpaden,
rommelend en borrelend, met het afdrijvend geluid der trommen van een
voorbijgeganen soldatentroep. En al die geluiden smolten ineen tot éen
dronkenmakende muziek, in de weelderige klankenontwikkeling van veel
water dat kookt.
Regen, regen....
De rechte lijnen der waterstralen verruischten weêr, ze vergingen tot
een zilverachtig spinsel, dat zweefde tegen den donkeren achtergrond der
huizen in een trillende harceering.
Op het midden van den middag waren overal plakkaten aangeplakt, dat de
Corrida was uitgesteld om het slechte weder tot den volgenden Zondag.
Langzaam, langzaam hield de regen aan, van toen af langzamerhand
zachter en eentoniger, aanhoudend en geruischloos vallend, overgegaan
in een dreinigen motregen die als een natte damp hing op straten en
pleinen. En met dat kille stuifsel van vocht daalde een eindelooze
afmatting neder, door de kleêren heendringend tot diep in de ziel, de
leegte daarbinnen vullend met een droevige verveling. In die nattigheid
bleven de menschen ronddwalen als uitgeknipte marionetten, plassend
in de modder, huiverend onder de glimmende schermen, herhaaldelijk
terugkeerend op dezelfde plaats, niet wetend waar te gaan, met het
koppige vasthouden van lieden die uitgegaan zijn om vermaak te hebben en
niet naar huis toe willen.
In een der café's op de Puerta del Sol traden twee jonge mannen. Een
dikke walmende geur van koffie, cognac en uitwasemende kleêren stroomde
uit de groote, vierkante zaal naar de openstaande deur en sloeg hen in
't gezicht. Beiden bleven een oogenblik staan. Toen zochten zij onder de
volte naar een plaats.
--«Oef!" zei een van hen, neêrvallend met een plomp op een stoel, «ik
ben blij dat ik zit, wat een dagje".
--«Een dag als een andere," antwoordde de tweede.
--«Nu ja, dat weet ik wel," zei de eerste weêr, «een dag als een andere,
maar die eeuwige regen."
--«Men zou met evenveel recht kunnen zeggen," hernam de tweede, «die
eeuwige zon, 't eene staat tegen het andere. Ik voor mij mag regen wel,
ik vind het opwekkend dat vallende water, het leeft en beweegt. Ik houd
van dat gekletter boven mijn hoofd, dat gesuis door de lucht, dat
springen om mijn voeten; het windt mij op, en...."
--«Alles goed en wel," viel de andere in, «alles goed en wel, maar 't
wordt op den duur toch vervelend."
--«Wie en wat wordt op den duur niet vervelend?"
Beiden zwegen.
In het late uur, in het halve licht van een regenachtigen dag, was
alles rondom hen in de zaal weggeslonken in een vaal grauw. Boven
de hoofden der menschen hing de grijze rook der sigaren, in lange
wolkachtige strooken, met de opstijgende rookkringelingen er onder. En
daar door heen trokken de ijzeren pijlers die de zoldering van afstand
tot afstand regelmatig ondersteunden, breede donkere strepen. In de
vierkante vakken tusschen de kapiteeltjes waren spiegels gevat in
vergulde, bruin geworden omlijsting, die de zaal beneden met haar
menschen, tafels, stoelen en drinkgerij weêrspiegelden, zonderling en
buitensporig als op het hoofd gezette levende schilderijen. Van achter
den wasem en den verouderden aanslag der opstijgende dampen, gluurden
al die onderste-boven gekeerde menschen naar beneden, met onherkenbare
vage gelaatstrekken, in de dolle mengeling allerlei vormen aannemend,
fantastisch en vreemd als een geëtste gril van Goya. En de spiegels
die de wanden versierden, weêrkaatsten de recht opschietende
stokachtige zuilen, het spiegelbeeld van den een overgenomen door
het tegenovergestelde glas, herhaaldelijk en herhaaldelijk, totdat de
geheele zaal er in uitzag als het magere beeld van een oude ridderhal,
met zijn lange zuilenrijen, ongezellig in hun eentonige perspektief.
--«'t Is hier al net zoo zeurig als buiten," begon de eerste der twee
weêr.
--«Zoo!" sprak zijn metgezel.
--«'k Woú dat 'k een vat bier had," vervolgde de vorige, het oor van
zijn glas met de volle hand omvattend. «Heere mijn tijd, een vat bier."
--«Zoo!" antwoordde de tweede, een wolk rook in de ruimte sturend.
--«Hoe krijgen wij den dag om," vroeg de eerste verder.
--«Die is bijna om," zeide de andere.
Weêr zwegen beiden.
Door de zaal, de geheele ruimte vullend, gromde een dof gegons van veel
zacht sprekende stemmen, nu en dan gestoord door het harde geluid van
op elkaâr klappende handen. Om de tafeltjes zaten de vrouwen recht op
hun stoelen, als opgeprikt, behoedzaam in hun Zondagsdos, terwijl de
mannen, leunend met de armen op de tafel, loom spraken of zwijgend hun
sigaretten rookten. En daartusschen-door gleden de bedienden met hun
onbewegelijke gezichten, met op het voorhoofd gekamde haren, komend op
het geklap der handen; hier om een bestelling te brengen, daar om glazen
weg te ruimen, telkens zonder spreken het geld strijkend in het witte
voorschoot.
't Was zachtjes aan duister geworden en de geheele zaal vervallen tot
een gebroken donker, waaruit de dofrose vlekken der koppen naar voren
traden met het gedempte wit van boorden en overhemden. Het zwakke licht
van den stervenden dag drong door de ramen, die zich afteekenden in den
donkeren muur als getraliede vierkanten van een effen grijs, waarop de
spitsen der huizen buiten, van onder uit, afstaken als donker grijze
borduursels. En in de marmeren tafelbladen glansde nog even het laatste
schijnsel mede. Het eentonig tikken van den regen drong door tot in de
zaal, die langzaam wegzonk tot een onherkenbaar gestommel. Nu en dan
gleed de spits van een regenscherm voorbij de ramen, of klonk het
gedempte geratel van een voorbijrollend rijtuig.
--«Heere, Heere, wat een Zondag," begon de jonge man die 't eerst
gesproken had weêr. Toen opstaande vroeg hij:
--«Vamos?"
Om de tafeltjes die het dichtst bij hen waren, schertste men: «hebt ge
de Toros gezien? en wat zegt ge wel van Frascuelo?"
--«Ze moffelen hun eigen teleurstelling weg achter een lachje en
schertsend woord, maar 't lukt niet," zei de tweede die ook opgestaan
was. Toen vertrokken beiden.
Achter hen in de zaal ontvlamden één voor één de gaslichten, en een
rumoer rees op, als van een troep slapers die wakker worden.
Een Zonnige Ochtend.