1913–1924
Overzicht van de laatste tien jaren.—De dood van Mevrouw Haver.—De
eerste openbare betoogingen voor vrouwenkiesrecht in 1913 en het
Volkspetitionnement.—De onderbreking door den oorlog en het
pacifistische werk.—De hervatting van den kiesrechtstrijd in 1915
en daarna.—Het passieve kiesrecht verkregen, daarna in 1919 het
algemeen vrouwenkiesrecht.—Mijn verhuizing naar Den
Haag.—Huldebetoon in 1921, vijftig jaar na mijn gang naar de
Universiteit.—Mijn eerste stembiljet.—Herstel van een ernstige
ziekte.—De viering van mijn 70-sten verjaardag.—Besluit.
Toen ik na middernacht van mijn meer dan veertien dagen lange spoorreis
eindelijk was thuis gekomen, stond den volgenden morgen de secretaresse
van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht voor mijn bed, om mij de
droevige tijding te brengen, dat Mevrouw Th. P. B. Haver, een onzer
beste en bekwaamste medewerksters, een paar dagen te voren was
overleden. Reeds den volgenden dag zou haar stoffelijk overschot worden
verbrand. Het bestuur hoopte dat ik bij die gelegenheid het woord zou
voeren.
Dit doodsbericht trof mij diep. Wel had ik geweten dat Mevrouw Haver
reeds lang onherstelbaar ziek was geweest, maar ik had altijd de hoop
gekoesterd dat ik de goede, lieve vrouw nog had kunnen opzoeken om haar
hartelijk te danken voor haar onschatbare medewerking in het belang der
vrouwen, en haar tegelijk de geruststellende verzekering te geven dat
er zoo lang ik leefde geen sprake zou zijn van het verflauwen in den
strijd voor het verheffen van de vrouw. Niet lang voor mijn vertrek was
zij een avond bij mij geweest. Toen had zij mistroostig gesproken over
de resultaten van de vrouwenbeweging. Wat moest er van terecht komen
indien de voornaamste strijdsters door ziekte of dood genoodzaakt
werden het werk neer te leggen? Waarschijnlijk had zij toen reeds een
voorgevoel van de ziekte die hare krachten langzaam sloopte en dat haar
einde naderde.
Aan het verzoek heb ik gaarne gevolg gegeven, omdat hoofd en hart mij
de bij de droevige plechtigheid gepaste woorden van zelf op de lippen
brachten.
Door dit niet onverwachte, maar voor de vrouwenbeweging ernstige
verlies, moest de feestelijke ontvangst welke het bestuur en de leden
mij bij mijn terugkeer hadden toegedacht, voorloopig achterwege
blijven. Tot feestvieren waren wij vooreerst niet gestemd. Later is dit
toch geschied en de hartelijke wijze waarop men mij toen welkom heette,
heeft mij het bewijs gegeven dat ik ondanks een lange afwezigheid mij
nog in de onverminderde waardeering van mijne medeleden mocht
verheugen.
Nog altijd was het Ministerie-Heemskerk aan het roer. In het
vooruitzicht van de naderende verkiezingen, in Juni 1913, hadden de
drie linksche partijen, de Vrijzinnig-Democraten, de Liberale Unie en
de Vrije Liberalen, zich tegen de Regeeringsmeerderheid verbonden.
Evenals in 1905 was er weder een Grondwetsherziening aan de orde. De
drie vereenigde partijen hadden voorgesteld om artikel 80 en de
daarmede samenhangende artikelen, zoodanig te wijzigen dat het algemeen
mannenkiesrecht in de Grondwet werd vastgelegd, en dat de belemmeringen
in de Grondwet om het vrouwenkiesrecht in te voeren, zouden worden
weggenomen. In mijn eigen partij heb ik daartegen geprotesteerd, omdat
ik op grond van ons program, het onmiddellijk opnemen van algemeen
mannen- en vrouwenkiesrecht in de Grondwet, onze partij gebonden
achtte. Met dien wensch stond ik echter alleen en kon dus geen succes
verwachten. Uit het wetsontwerp van de clericale, anti-feminististische
regeeringspartij ten aanzien van de kiesrechtartikelen, werd het mij
spoedig duidelijk dat wij vrouwen in ieder geval krachtig moesten
medewerken om het Ministerie ten val te brengen, omdat daarvan voor ons
niets goeds was te wachten. Had niet Minister Heemskerk in de Kamer
durven beweren: „de vrouwen in Nederland begeeren geen kiesrecht!”
Daardoor reeds was er aanleiding genoeg om onze duizenden leden en
buiten hen alle medestanders ter inleiding van de verkiezingsactie op
te wekken tot een luid protest tegen deze Regeering.
Gedurende mijne reis met een zoo ervaren reisgenoote, had ik de diepe
overtuiging opgedaan dat het voor een groote maatschappelijke
hervorming van weinig belang is of men de regeeringspersonen van het
nut daarvan weet te overtuigen, zoolang men niet het volk, de kiezers,
gewonnen heeft. In dezen gedachtengang stelde ik het bestuur onzer
vereeniging voor, om op een bepaalden dag in Den Haag een betooging te
houden en daarmede het bewijs te geven dat vele vrouwen in Nederland
het kiesrecht verlangden. Die betooging zou dan moeten eindigen in een
groote vergadering, waar niet alleen vrouwen maar ook
vertegenwoordigers van verschillende politieke richting het woord
zouden voeren. Toen ik hiermede aankwam, bleek het dat het bestuur in
zijn geheel voor zulk een optreden in het openbaar nog niet rijp was.
Het leek te veel op de manier der suffragettes! Wij kwamen echter tot
een compromis en een bemiddelingsvoorstel werd aangenomen. Wel zou er
in Den Haag een protest-meeting worden gehouden, maar zij die uit het
heele land daarvoor kwamen, zouden niet verplicht zijn om in optocht
van het station naar de vergaderzaal te trekken. Men zou ook op eigen
gelegenheid daarheen kunnen gaan.
Dit is het eerste openbare optreden van onze vereeniging geweest. Op
Zondag 4 Mei 1913 hebben eenige honderden leden der vereeniging aan de
betooging deelgenomen. Wel werd ons niet toegestaan om langs de woning
van Minister Heemskerk te trekken, maar door een politieagent werden
wij door achterbuurten geleid naar den Dierentuin, waar de
protest-meeting zou worden gehouden. Voor mij was dit geen tegenvaller,
want het was den moriaan geschuurd om Minister Heemskerk te overtuigen
van het onware zijner bewering, dat kende hij reeds lang. Wij moesten
het volk winnen en belang doen stellen in onzen strijd. Op dezen
grooten dag hebben toch velen onzer leden haar grooten tegenzin
overwonnen om ook op straat onze beginselen duidelijk te maken.
De protestvergadering is mede een groot succes geweest. De groote
vergaderzaal in den Dierentuin was overvol en de partijen van Links
hadden elk een harer beste sprekers gezonden. Wij ontvingen betuigingen
van sympathie van tallooze groote vereenigingen in het land en van vele
hoogstaande mannen en vrouwen.
Het is een goed begin geweest. Wel konden de vrouwen nog geen stem
uitbrengen, maar onze bedrijvigheid bij de verkiezingen is toch even
groot geweest als van de ijverigste en best georganiseerde politieke
partijen.
Op den dag der verkiezing in Juni 1913, was ik evenals vele andere
strijdsters voor het kiesrecht te Boeda-Pest, op het Congres van den
Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht. Daar bereikte ons de heuglijke
tijding dat het Ministerie Heemskerk was afgetreden. De vreugde
daarover werd echter spoedig getemperd toen wij vernamen dat de
socialisten hadden geweigerd om aan de samenstelling van een Linksch
ministerie deel te nemen. Daarop kwam het Zakenkabinet-Cort van der
Linden tot stand. Dit was ons in het geheel niet naar den zin. Wij
hadden immers dezen Premier als Minister in een vroeger Kabinet leeren
kennen als een anti-feminist, een man bij wien elke poging om de
vrouwen uit haar onmondigen staat op te heffen, op tegenstand zou
stuiten. Toch waren wij er van overtuigd dat dit Ministerie de
Grondwetsherziening tot stand zou brengen en dat men daarbij minstens
zoo ver zou avanceeren als het voorstel van de drie partijen die bij de
verkiezingen hadden samengewerkt. Wij wilden echter méér bereiken.
Aangezien nu in Den Haag was gebleken dat er ook in ons land openbare
betoogingen van vrouwen konden worden gehouden, kwam die manier van
propaganda van nu af in verschillende onzer afdeelingen aan de orde van
den dag.
In September werden wij door den inhoud van de Troonrede niet
teleurgesteld. Voor de eerste maal in ons land werd in dit staatsstuk
van vrouwenkiesrecht gerept. De Koningin kondigde aan, dat de Regeering
met spoed een Grondwetsherziening aanhangig zou maken, waarin zou
worden bepaald dat alle mannen van een bepaalden leeftijd het kiesrecht
verkregen, en dat de grondwettelijke beletselen tot invoering van het
kiesrecht aan vrouwen, zouden worden weggenomen.
Dit was wel een goed voorteeken, maar het kon ons alleen aansporen tot
nog krachtiger optreden. Minister Cort van der Linden had in een zijner
jongste redevoeringen gezegd, dat hij wilde regeeren naar den wil des
volks, en bij een vroegere gelegenheid had hij zich uitgelaten, dat
invoering van vrouwenkiesrecht gelijk stond met een sprong in het
duister. Beide beweringen moesten wij ontzenuwen. Voor de eerste zetten
wij een volkspetitionnement op touw, waarbij grondwettelijke
gelijkstelling van man en vrouw werd gevraagd. Binnen een paar maanden
hadden wij reeds ruim 165.000 handteekeningen verkregen, toen de oorlog
ons dwong de beweging te staken. De tweede bewering werd weerlegd door
een schriftelijk verzoek aan alle regeeringen van landen waar het
vrouwenkiesrecht reeds bestond om mededeeling hoe het daar werkte. Deze
gelijkluidende brief werd gericht aan het federatieve Parlement in
Australië en aan alle afzonderlijke staten van dat Gemeenebest, aan de
Gouverneurs van alle staten in Noord-Amerika waar de vrouwen reeds in
het volle bezit waren van hare rechten, en aan de regeeringen van
Noorwegen en van Finland. Het heeft niet lang geduurd of van al de
bedoelde regeeringen hadden wij zeer bevredigende antwoorden ontvangen,
welke wij bijeen lieten drukken en daarna toezonden aan alle
regeeringspersonen en aan de pers.
Bij de opening van het Vredespaleis en het daarmee gepaard gaande
internationaal Vredescongres in Den Haag, in Augustus 1913, belegden
wij in Amsterdam en in Den Haag openbare vergaderingen, waarbij
verscheidene buitenlandsche leden zich bereid toonden het woord te
komen voeren. Dit was te meer te waardeeren omdat het Congres drukke
werkzaamheid vorderde en enkelen dezer bekende persoonlijkheden door
een slechte gezondheidstoestand werden belemmerd. Met de meesten die
zoo welwillend aan onze uitnoodiging gehoor gaven was ik persoonlijk
bevriend. Het waren Gravin Bertha von Suttner, uit Oostenrijk, Mons.
Dr. Alexander Giesswein, prelaat van den Paus uit Hongarije, Dr. Carl
Lindhagen, burgemeester van Stockholm, Mrs. Sewall, de presidente van
den Internationalen Vrouwenraad uit Amerika en Mad. Jeanne Mélin uit
Frankrijk.
Naast deze, om het zoo te noemen voorname propaganda, werd een andere,
vooral niet minder doeltreffende manier om onze wenschen te verbreiden,
niet versmaad. Op middagen trokken groote troepen vrouwen, met
kiesrechtlinten en vlaggen door de volksbuurten, om vlugschriften te
verspreiden en kleine groepjes vrouwen toe te spreken. Een andere
methode was deze, dat eenige dames op de weekmarkten een tentje huurden
om kleinigheden goedkoop te verkoopen en na dit lokmiddel toespraken te
houden over het kiesrecht, voor een steeds aangroeienden drom van
marktbezoekers. Door deze en andere middelen steeg het ledental der
vereeniging elke week met honderden, dank zij het ijverige werk van
onze propagandisten.
Aan al dien arbeid is in den zomer van 1914 plotseling een einde
gekomen door het uitbreken van den oorlog. Als pacifiste in merg en
been, voelde ik toch in het eerst louter medelijden voor de
achterblijvende vrouwen en kinderen, evenals voor al die jonge mannen
in den militairen dienst. Ik beschouwde het als mijn duursten plicht
dit lijden te verzachten voor zooveel het mij mogelijk was en daaraan
besteedde ik al mijn tijd. Moest dit echter de voornaamste taak der
vrouwen zijn te midden van deze plotseling opgekomen ellende en
behoorde ook ik daarin aandeel te nemen? Het lag inderdaad het meest
voor de hand, en had de kracht eener eeuwenheugende traditie. Tot de
plichten der vrouw behoorden immers van oudsher het verzachten van
ellende en het heelen van wonden in oorlogstijd. Langen tijd heb ik
atavistisch gehoorzaamd en zelfs hier en daar een leidende positie
ingenomen. Bij de gruwelen waarvan wij iederen dag hoorden en lazen,
werden wij aangespoord tot nieuwen arbeid. Na eenigen tijd kreeg ik
echter andere inzichten. De verschrikkingen van den oorlog pijnigden
mij dag en nacht. In ons land was gelukkig een vredelievende regeering,
maar ware het anders geweest dan zou zij in haar voornemen om aan den
oorlog deel te nemen gesterkt zijn, omdat zij op de hulp der vrouwen
kon rekenen. Nu was ik verzeild geraakt in philanthropischen arbeid,
welke in stede van den oorlog te verkorten, tot het verlengen zou
kunnen bijdragen omdat wij toch niet anders deden dan de gevolgen
verzachten.
Aldus kwam ik meer en meer tot de overtuiging dat de vrouwen een
hoogere roeping hadden te vervullen. Het was onze plicht te
protesteeren tegen het roekeloos verwoesten van kunstschatten, het
uiteenscheuren van gezinnen, het wreedaardig opofferen van jonge
menschenlevens, en in het algemeen alles te doen om het voortzetten van
dezen waanzinnigen oorlog tegen te gaan. Toen ik eenmaal tot dit
inzicht was gekomen, heb ik alles gedaan wat in mijn macht stond om de
stem der protesteerende vrouwen kenbaar te maken. Het Congres dat in
April 1915 in Den Haag werd gehouden, is daarvan de sprekende uiting
geweest. Over dat Congres en over de daarop gevolgde reis welke ik
samen met Miss Jane Addams uit Chicago naar de verschillende
regeeringen heb gemaakt, is in hoofdstuk VIII reeds geschreven, evenals
over mijn volgende reis naar Noord-Amerika en mijn bezoek aan President
Wilson.
Intusschen ben ik de taak welke ik bij het uitbreken van den oorlog had
aanvaard, nog eenigen tijd en zoo lang het noodig was, blijven
vervullen. Ik had toen niet het gevoel dat ik daarmede in strijd
handelde met mijn pacifistische opvatting. Die taak bestond hierin,—aan
het slot van Hoofdstuk VIII heb ik er reeds op gewezen,—om aan vrouwen
en meisjes die op haar doorreis door verschillende omstandigheden in
ons land waren gestrand, hulp en steun te verleenen. Hierop kom ik nu
alleen terug omdat zich daarbij somtijds zonderlinge gevallen
voordeden. Op zekeren dag melde zich een pikzwart meisje bij mij aan
met een aan mij geadresseerden brief in de hand. Zij sprak een beetje
Fransch maar door de manier van uitspraak was en bleef zij
onverstaanbaar. De brief was van een dame te Londen die mij uit de
vrouwenbeweging kende en die bevriend was met vele mijner Londensche
vrienden. Deze negerin kwam ook uit Londen en zij was op weg naar
Keulen, waar bekenden of familieleden van haar moesten wonen. Zij kwam
van Madagascar en het verzoek luidde of ik haar naar Duitschland wilde
helpen. Het was een moeilijke taak, maar na een paar weken heb ik haar
over de grenzen gekregen, waar zij door iemand die haar kende zou
worden afgehaald. Ofschoon die persoon mij zulks had beloofd, heb ik
nooit bericht ontvangen dat zij goed was aangekomen. Vier jaar na dato
echter werd ik verrast door een brief uit Keulen, waarin het bedoelde
meisje, met den mooien naam Razanamanga van Madagascar, mij in kreupel,
maar toch verstaanbaar Duitsch herinnerde dat ik haar indertijd in
staat had gesteld om Duitschland te bereiken. Nu deelde zij mij mede,
dat zij weder enkele weken in ons land zou komen en gaarne weder door
mij zou worden opgenomen om van hier naar Engeland of naar Frankrijk te
worden geëxpedieerd, alvorens naar haar bakermat te kunnen terugkeeren.
Behalve zulke stumperds kwamen ook vrouwen uit de hooge aristocratie
uit Engeland of Duitschland, zonder pas en zonder geld, in ons land en
moesten tijdelijk geholpen worden.
Het jaar 1915 werd nagenoeg geheel besteed aan pacifistische
doeleinden, maar daarbij werd de strijd voor het vrouwenkiesrecht niet
verwaarloosd. De Grondwetsherziening werd voorbereid en de behandeling
in de Kamer kon reeds worden tegemoet gezien. In den aanvang van 1916
werd in onze vereeniging een plan de campagne opgemaakt en daarbij
behoorden groote openbare demonstraties in Amsterdam en in Den Haag om
de kiezers voor onze rechtmatige eischen te interesseeren. Een groot
bezwaar hierbij was, dat de autoriteiten gedurende den oorlog weinig
genegen waren om betoogingen op straat toe te laten. Als vrouwen echter
iets ernstig wenschen weten zij haar doel toch wel te bereiken. In
Amsterdam hadden wij weinig moeite, want het geluk wilde dat de
hoofdcommissaris van politie alle bezwaren voor ons wilde opruimen. Die
eerste demonstratie, op 16 Juni gehouden, slaagde geheel naar wensch.
Buiten onze eigen leden namen tal van andere vereenigingen, en niet
alleen van vrouwen, aan den optocht deel. Gedurende 2½ uur trokken wij
door de dichtst bevolkte wijken en uit de menigte werden ons overal
woorden van aanmoediging toegeroepen. Het succes is volkomen geweest.
Anders ging het in Den Haag. De Burgemeester had zich stellig
voorgenomen gedurende den oorlogstijd geen enkele demonstratie toe te
staan en daarom was hij ook van zins onze vreedzame betooging te
verbieden. Zoodra ik dit vernam vertrok ik uit Amsterdam naar Den Haag,
waar ik met de presidente van de Haagsche afdeeling, Mevr.
Kehrer-Stuart, eerst een bezoek bracht aan den hoofdcommissaris van
politie. Deze ontweek het verzoek door ons te verwijzen naar den
Burgemeester als hoofd der politie. Een half uur later zaten wij bij
den Burgemeester op audiëntie. Hij trachtte ons uit te leggen waarom
hij gedurende den oorlog geen demonstratie in de stad kon toestaan. Wij
toonden hem aan dat zijne redenen voor ons verzoek niet konden gelden,
maar hij bleef weigeren. Toen zeide ik dat vele vrouwen in het land
besloten waren om deze betooging te houden in het belang van onzen
strijd, nu in de Tweede Kamer een beslissing zou worden genomen over de
hoogste belangen van de Nederlandsche vrouwen. Het plan was om op een
vergadering in den Dierentuin een motie voor te stellen en nadat zij
was aangenomen, haar gezamenlijk te gaan aanbieden aan den voorzitter
van de Kamer. Indien de Burgemeester als hoofd der politie er voor
wilde zorgen dat men ons op die wandeling niet lastig viel, dan
verklaarde ik mij bereid de gevolgen van ons optreden op mij te nemen.
Hierna werd de hoofdcommissaris van politie ontboden. Wij sloten daarop
het accoord, dat ik borg zou blijven voor het ordelijke van de
betooging, mits de politie er voor zorgde dat ons niets kwaads
geschiedde. Zoo is deze tweede demonstratie op 18 October 1916 in
volmaakte orde gehouden. Te voren hadden wij den Voorzitter der Tweede
Kamer gevraagd wanneer hij ons zou kunnen ontvangen om het adres in
ontvangst te nemen. Wij waren zeer verwonderd toen wij op den
aangegeven tijd, waarop anders de Kamerleden nog in discussie zijn,
verschenen en slechts enkele Kamerleden aantroffen. De anderen waren
door een achterdeur ontsnapt! Moed vindt men toch maar alleen bij
mannen.
Van dien dag tot aan het einde der debatten over de kiesrechtartikelen
in de nieuwe Grondwet, hebben heele groepen van vrouwen iederen dag een
wacht gevormd voor het Parlementsgebouw, zoodat de mannen in de Kamer
geen oogenblik konden vergeten dat de vrouwen het kiesrecht eischten.
Toch is ons toen het directe kiesrecht niet verleend, wel het recht van
verkiesbaarheid tot afgevaardigde. Door dit besluit was ons land een
unicum onder de constitutioneele landen geworden.
In 1918 zijn de verkiezingen gehouden krachtens de gewijzigde Grondwet,
onder toepassing van algemeen mannenkiesrecht en verkiesbaarheid van de
vrouw voor de volksvertegenwoordiging. Vele politieke partijen hadden
ook een vrouw candidaat gesteld. De Vrijzinnig-Democratische partij,
waartoe ik behoor, had dit met mij gedaan. Bij alle partijen werd er
echter wel voor gezorgd dat de vrouwelijke candidaat niet gekozen werd.
Toch kon men niet verhinderen dat de vrouwen nu in de gelegenheid waren
om voor volle zalen de kiezers toe te spreken en op de domme bepaling
in de nieuwe Grondwet ter dege aandacht te vestigen.
Alleen de sociaal-democraten waren er in geslaagd hun candidate in de
Kamer te brengen. Een bekend verschijnsel, want hetzelfde doet zich
voor in alle landen waar vrouwenkiesrecht of verkiesbaarheid voor de
eerste maal worden toegepast.
Door den afloop waren wij volstrekt niet ontmoedigd, in de overtuiging
dat wij op de sympathie van de meerderheid des volks konden rekenen en
dat de overwinning in zicht was. Nog in hetzelfde jaar, in November
1918, openbaarde zich in nagenoeg alle landen een revolutionnaire geest
en zoo was het ook ten onzent. Toen nu de regeering, bevreesd voor de
gevolgen, naar de wenschen van de revolutionnisten vroeg, werden
slechts twee wenschen duidelijk uitgesproken: de 8-urige werkdag en het
vrouwenkiesrecht. De reactionnaire, clericale Regeering die nu weder
aan het bewind was gekomen, zegde inwilliging van die beide wenschen
toe. De leider der vrijzinnig-democraten, Mr. Marchant, had reeds bij
den aanvang van het zittingsjaar, in September, een wetsvoorstel
ingediend om aan de vrouwen dezelfde politieke rechten te geven als aan
de mannen. Dit voorstel werd in beide Kamers met groote meerderheid
aangenomen en op 18 September 1919 door de Koningin bekrachtigd.
Uit het heele land werden mij bloemen en gelukwenschen toegezonden en
het groote feest waarmede de overwinning werd gevierd, in het
Concertgebouw te Amsterdam, was in hoofdzaak een huldebetoon aan mij.
Onder de vele geschenken welke ik mocht ontvangen, is het
vrouwenkiesrecht-embleem, door een kunstenaar in goud uitgevoerd, mij
bij uitstek lief gebleven, zoodat ik het bijna iederen dag draag.
Spoedig daarna begon ook de stroom te vloeien van brieven en
telegrammen uit het buitenland. Bij de groote overwinning werd ik
overladen met gelukwenschen en dankbetuigingen. Ik voeg hier
onmiddellijk bij, dat die zege nooit zou zijn behaald zonder zoo
talrijke en zoo degelijke medewerksters. Ik durf hier geen namen noemen
uit vrees velen te vergeten. Slechts ééne uitzondering wensch ik te
maken en niemand zal mij dat euvel duiden, omdat die eene
medestrijdster zulk een gewichtig aandeel heeft vervuld. Ik bedoel
Mevrouw Clara Mulder van de Graaf-de Bruijn, die als orthodox Roomsch
Katholieke vrouw met ons aan het hoofd der beweging heeft gestaan, soms
avond op avond in de Zuidelijke provincies het vrouwenkiesrecht van
Katholiek standpunt verdedigende, en dat ondanks alle tegenwerking
welke zij daarbij van priesters en drijvers ondervond.
Hoe het mij te moede was toen het vurig verlangde kiesrecht eindelijk
was verkregen?
Laat mij de vraag beantwoorden met een herinnering aan de dagen die ik
met Mrs. Chapman Catt te Manilla doorbracht. Uit de kamers van ons
hotel keken wij uit op een huisje dat voor het een of ander bureau
dienst deed. Het stond midden in een tuin en in een boom huisde een
groote aap wiens levenstaak scheen te zijn om de ambtenaren te
amuseeren. Af en toe klauterde het dier omlaag, maar wanneer het dan op
den grond was aangeland kon het zich slechts een klein eindje van den
stam verwijderen, omdat het met een ketting aan den boom was
gekluisterd. Dat hinderde mij telkens als ik het zag en graag zou ik
getracht hebben om het arme beest los te maken. Eens op een morgen
maakte ik Mrs. Catt op het dier opmerkzaam. Met haar mooie blauwe oogen
keek zij mij ondeugend aan en zeide: „That monkey is just as we, aren’t
we just as fast tied on the suffrage-tree? When will we be freed?”
Het eerste, blijde gevoel dat mij doortrilde toen in ons land het
kiesrecht voor de vrouw was verkregen, is te omschrijven als een
heerlijke opluchting. Vrij, los van den kiesrechtboom waaraan ik zoo
vele jaren gebonden was geweest!
Spoedig deed zich voor mij de vraag voor: wat nu te doen? In de eerste
plaats vertrok ik onmiddellijk uit Amsterdam naar den Haag. Ik hoopte
mij nu geheel los te maken van het vereenigingsleven en mij te kunnen
wijden aan allerlei arbeid naar welke ik dikwijls had verlangd, maar
waarvoor ik nooit tijd had kunnen vinden. Ook wilde ik Amsterdam
verlaten, omdat vele vrienden met wie ik lief en leed had gedeeld, daar
gestorven waren en anderen vandaar waren vertrokken. In Den Haag
daarentegen zou ik vele nieuwe vrienden vinden. In die verwachting ben
ik ook niet bedrogen, maar vooreerst zou ik nog geen rust vinden. Nog
was de verhuisboedel niet ontpakt, toen ik reeds werd medegetroond naar
Zürich om er een Vredescongres te helpen voorbereiden. Over onze reis
van vijf dagen van Den Haag naar Zürich en het daar gehouden Congres,
heb ik reeds in Hoofdstuk VIII geschreven, evenals over de direct
daarop volgende reis door Duitschland en over al het andere
pacifistische werk, dat mij even hard bezig hield als het vroegere
kiesrechtwerk.
Rust heb ik ook in Den Haag niet gevonden, maar ik voelde het maar al
te goed, rust zou mij ook niet bevredigd hebben. In de groote familie
Broese van Groenou met de vele kinderen en kleinkinderen, heb ik lieve
en oprechte vrienden gevonden, aan wie ik mij meer gehecht gevoelde dan
aan menig eigen familielid. Een der lieve kleinkinderen werd mijn
petekind en zoo kon ik mij een echte grootmoeder gevoelen. Toen kort na
mijn verhuizing naar Den Haag, ook Clara Mulder van de Graaf daar in
mijn buurt kwam wonen, toen voelde ik mij rustig, in de zekerheid dat
ik geen eenzamen ouden dag tegemoet ging.
In 1919 en nog later heb ik mij in de eerste plaats gewijd aan alles
wat met het vredeswerk in verband stond en, voor zoo ver ik daarvoor
nog tijd kon vinden, aan onderdeelen van de veelomvattende
vrouwenbeweging. Daarbij vermeld ik in het bijzonder het vraagstuk van
de nationaliteit der gehuwde vrouw, dat terwijl ik dit schrijf weder op
den voorgrond is getreden en waarin ik, nationaal en internationaal,
zeer betrokken ben. Een ander probleem, al staat dit buiten de
eigenlijke vrouwenbeweging, is het willekeurig moederschap. In de
laatste jaren is het in Amerika, Engeland en Scandinavië van groote
beteekenis geworden. Het wordt in die landen door economen en medici
ernstig overwogen, terwijl het daar ook de belangstelling heeft van het
volk. Dit onderwerp geeft mij dikwijls handen vol werk bij het
beantwoorden van tallooze brieven, en ook doordat ik veel bezoek
ontvang van geleerden uit de genoemde landen die mij over dat vraagstuk
wenschen te raadplegen. Terwijl ik nu—in het voorjaar van 1924—mij
reisvaardig maak voor mijn vertrek naar Amerika, heb ik weder
verscheidene brieven ontvangen van personen die ginds een onderhoud
verzoeken of voor hetzelfde doel mijn aanstaand adres in Amerika
wenschen te kennen.
In 1921 heb ik in Weenen deelgenomen aan het Vredescongres. Daarvan heb
ik reeds melding gemaakt. Dat jaar is voor mijzelf nog van bijzondere
beteekenis geweest, omdat ik toen mocht herdenken dat ik een halve eeuw
geleden voor de eerste maal naar de Universiteit ging. Mijn Haagsche
vrienden hebben dien herinneringsdag tot een feestdag gemaakt. Ik blijf
hen daar innig dankbaar voor. Nu wil ik het zeggen, dat het hoogtepunt
op dien dag vol bloemen en hartelijkheid, ook in mijn herinnering, werd
bereikt, toen een stoet van jonge, frissche meisjes-studenten, als
afgevaardigden van de zes Universiteiten in ons land, mij met
vriendelijke en waardeerende woorden dank kwamen brengen. Zij getuigden
daarbij te beseffen welke beteekenis het heeft voor de Nederlandsche
vrouwen dat alle inrichtingen van onderwijs thans voor haar open staan.
Dit was niet vanzelf gekomen, één meisje had daaraan lang geleden den
stoot moeten geven en nu stelden zij er prijs op daarvan dankbare
getuigenis af te leggen. Het geschenk dat zij mij aanboden, een mooie
horloge-armband, is mij bijzonder dierbaar en verlaat mij nooit. Het
geeft mij niet alleen dagelijks trouw den tijd aan, maar het is ook een
tastbaar en verheugend bewijs, dat onze jonge meisjes tot een hooger
peil van ontwikkeling zijn gestegen, zich vrijer kunnen bewegen en
oneindig meer kunnen bereiken dan in mijne jeugd in de verste verte
denkbaar was.
De laatste jaren zijn voor mij ware feestjaren geweest. Al de
vriendelijkheid, de welgemeende hartelijkheid en hulde welke ik heb
mogen vinden, laat het mij nog eens oprecht verzekeren, zij hebben mij
honderdvoudig de verguizing vergoed welke ik jaren lang van velen
mijner landgenooten heb moeten ondergaan.
Ook in 1922 heeft men wéér aanleiding gevonden om mij een bijzondere
attentie te bewijzen. Toen immers werden de verkiezingen voor de Tweede
Kamer gehouden, aan welke voor de eerste maal ook de vrouwen zouden
deelnemen. Geruimen tijd was het zeer de vraag geweest of ik wel in
staat zou zijn naar de stembus te gaan, want ik had een ernstige ziekte
doorgemaakt en was slechts kort vóór den verkiezingsdag weder
opgestaan. Mijn Haagsche vrienden zorgden er echter voor, dat de lang
gewenschte taak mij zoo licht mogelijk werd gemaakt. Beladen met
bloemen die dankbare vrouwen mij aan den ingang van het stembureau
hadden aangeboden, kon ik mijn eerste stembiljet in de bus werpen,
waarbij de voorzitter van het bureau mij met een handdruk geluk
wenschte. Dien heelen dag ontving ik uit alle streken van het land
brieven en telegrammen van dankbaar gestemde vrouwen. Den meesten prijs
stelde ik op een brief, onderteekend door vele Christelijke vrouwen,
die bekenden dat zij vroeger altijd tegenstandsters waren geweest van
vrouwenkiesrecht. Thans waren zij echter overtuigd dat zij door middel
van het stembiljet hare christelijke plichten tegenover de maatschappij
veel beter konden vervullen.
In 1923 heb ik te Rome het Congres van den Wereldbond voor
Vrouwenkiesrecht bijgewoond, daarop ben ik in Parijs geweest en
nauwelijks vandaar teruggekeerd, weder op reis gegaan naar
internationale bijeenkomsten te Dresden en te Berlijn, waar ik diep
werd ontroerd door de treurige omstandigheden waarin een groot deel der
bevolking van geheel Duitschland verkeerde. Vermoedelijk heb ik door
dat alles te veel hooi op mijn vork genomen en mijn krachten overschat.
Hoe dit ook zij, toen ik kort na mijn terugkomst te Amsterdam bij de
familie Manus vertoefde, werd ik plotseling overvallen door een
ernstige ziekte, waarvan ik de symptomen eigenlijk reeds lang gevoeld
had. Weken lang was ik gedwongen tot nietsdoen. In den aanvang
wanhoopte ik aan de mogelijkheid van herstel, hoewel mijn geduldige
geneesheer, Dr. O. J. Wijnhausen, mij daarvan telkens de zekerheid gaf.
Aan het geduld dat hij met zijn halsstarrige patiënte heeft gehad, heb
ik mijn herstel en het groote geluk te danken dat ik mijn 70sten
geboortedag heb kunnen vieren.
Gedurende mijn ziekte en den tijd van mijn herstel, hebben mijne
vrienden met Mevr. Rosa Manus aan de spits, mij op mijn 70sten
geboortedag een feestdag bereid, zooals slechts enkelen te beurt valt.
Uit de groote commissie voor het huldebetoon was een uitvoerend comité
gevormd door de dames Rosa Manus, F. W. van Wulfften Palthe-Broese van
Groenou, H. van Biema-Hijmans, C. Mulder van de Graaf-de Bruijn, B. van
den Bergh-Willing en C. S. Groot. Door haar toedoen was het in
Nederland en daarbuiten overal bekend geworden dat ik op 9 Februari
1924 mijn 70sten verjaardag zou beleven. Op ondubbelzinnige wijze is
het mij dien dag duidelijk geworden dat ik hier te lande en op vele
plaatsen in de wereld vrienden mag tellen, die er prijs op stelden mij
waardeering te betuigen, en daaronder zelfs velen die vroeger tot mijn
bestrijders behoorden.
De groote dag begon reeds vroeg door vele brieven, telegrammen en
geschenken welke mij thuis werden gebracht. Daarbij veel bloemen,
prachtige, heerlijke bloemen. Ten elf uur kwam het uitvoerend comité
mij begroeten onder aanbieding van een geschenk van bijzondere waarde.
Het comité bracht mij op de hoogte van het geheele program van den dag,
waarbij ook met vriendelijke oplettendheid was gezorgd voor eenige
rust, hetgeen in verband met mijn ziekte nog zeer wenschelijk was.
Hoe het verder is toegegaan op dien glorierijken, dien heerlijken
middag, ik meen niet beter te kunnen doen dan hier te laten volgen wat
Mej. Emmy J. Belinfante, de bekwame verslaggeefster van „de Nieuwe
Courant”, in twee opeenvolgende edities van dat orgaan, daarover heeft
medegedeeld.
DE 70e VERJAARDAG VAN Dr. JACOBS.