TO ALETTA.

A year ago to-day, dear friend,

We started on a cruise

Around the world, we said we’d go

And would ourselves amuse.

Our friends and foes alike agreed,

We’d never come around,

We’d fight and quarrel sure as smoke

Our friendship run aground.

One ship, they said, would carry you,

And one would carry me

And should we meet another day

We’d never speak, you see!

But here we are together still

And better friends I’ll say

Than when we on the Saxon sailed

A year ago to-day.

But then my dear, I’d have you know

It is a Taliput

That palm they call the Royal one

On that I’ll stake my mut.

And if you will admit it is

With you the summer seas,

I’ll sail, till death shall part us two,

If not, I’ll say adieu.

July 18, 1911

July 18, 1912

Door het aanhalen van dit eenvoudige, maar gevoelige versje, maak ik

het mijzelf moeilijk om nog te vertellen van ons leven in dit

interessante deel van de wereld, van land en volk, zeden en gewoonten

en van alles wat wij beleefden, of van de persoonlijkheden welke wij

ontmoetten. Hen die daarin belangstellen meen ik te mogen verwijzen

naar mijne „Reisbrieven uit Afrika en Azië”, welke in druk zijn

verschenen en waarin over dat alles uitvoerig is geschreven. Laat mij

daarom, zij het overbodig, verzekeren dat wij overal het nuttige met

het aangename hebben vereenigd en dat wij het hoofddoel van de reis

nooit uit het oog hebben verloren: het bestudeeren van de wettelijke en

sociale positie van de vrouw in ieder land, en waar dat mogelijk was,

de vrouwen te helpen om een organisatie te vormen ter verbetering van

haar toestand.

Dikwijls hebben wij toevallige ontmoetingen gehad met personen, die ons

groote diensten hebben bewezen. Dit gebeurde ook op onzen tocht van

Buitenzorg naar Sindanglaja. Wel hadden wij een, trouwens zeer

primitief, rijtuigje tot onze beschikking, maar in die prachtige streek

gaven wij er de voorkeur aan om groote afstanden te voet af te leggen.

Iets voor ons uit reed een soortgelijk wagentje waarin een heer, die

ons voorbeeld volgde toen wij den eersten keer uitstapten. Hij kwam

naar ons toe en stelde zich voor. Zijn naam was eenvoudig en

gemakkelijk te onthouden. Hij heette Del Pan. Spoedig bemerkten wij met

een beschaafd en ontwikkeld man te doen te hebben, iemand die de halve

wereld had bereisd en die Amerika even goed kende als Mrs. Catt,

terwijl hij met mij over Nederland kon spreken met een kennis van zaken

die menig Nederlander hem had mogen benijden. Hij was een Spanjaard,

uit Spaansche ouders op de Philippijnen geboren, en had aan de

Universiteit te Madrid in de rechten gestudeerd. Hij was gevestigd te

Manilla en bekleedde daar een hooge staatsbetrekking. Nu was hij

evenals wij op weg naar Sindanglaja, waar hij eenige dagen wilde

blijven. Toen wij na Java, Sumatra en andere gedeelten van Nederlandsch

Indië hadden bezocht en enkele maanden later te Manilla kwamen om de

Philippijnen te leeren kennen, is deze ontmoeting ons van groot nut

geweest. De Amerikaansche autoriteiten en zelfs de Gouverneur

verleenden ons wel allen steun, maar de heer Del Pan is ons een

uitnemende en een aangename gids geweest om in aanraking te komen met

de bevolking, haar zeden en gewoonten te leeren kennen. Veelbereisd als

hij was en omdat hij evenals wij, reisde met een doel voor oogen,

begreep hij geheel wat ons het meest zou interesseeren en deed hij

alles om ons daarmede in kennis te brengen.

In mijn bezit is nog een gouvernementeel stuk, zooals Mrs. Catt er ook

een ontving, waarbij ik was aangesteld tot schoolinspectrice. Dat

document heeft ons in staat gesteld om overal op de eilanden de scholen

van iederen aard binnen te gaan en ons op de hoogte te stellen van het

onderwijs dat er gegeven werd. Nog altijd ontvang ik elk jaar alle

rapporten over de verschillende scholen van het gouvernement.

Toen ik de Philippijnen verliet, was mijn indruk dat daar veel van Java

valt te leeren omtrent de ontwikkeling van de bronnen des lands, maar

dat omgekeerd Java oneindig meer van de Philippijnen zou kunnen leeren

ten aanzien van onderwijs, hygiënische toestanden en verheffing van het

volk.

Toen wij Manilla zouden verlaten, kregen wij den heelen dag bezoeken

van de vrienden die wij daar gedurende ons verblijf van zes weken

gemaakt hadden en die ons vaarwel kwamen zeggen, velen ook om ons

souvenirs aan te bieden. Waar anders dan in Amerika of een

Amerikaansche kolonie echter zou het gebeuren dat de

Gouverneur-Generaal en zijne echtgenoote van twee niet-officieele

personen afscheid kwamen nemen? Te meer waren wij verrast door dit

blijk van hartelijkheid omdat het vergezeld ging van een vriendelijke

attentie voor ieder van ons, bestaande in een doos met versche rozen

welke wij in onze hutten op de boot vonden, om ons de reis over een

lastig traject te veraangenamen.

Na de Philippijnen zijn wij nog naar China en Japan gegaan. Men had ons

wel ontraden om in China verder te gaan dan de kustplaatsen,—de tweede

revolutie was afgeloopen, maar de derde stond voor de deur,—maar op

onze reis hadden wij nu reeds zooveel gevreesde gevaren doorstaan, dat

wij ons daaraan nu maar niet stoorden. In China hebben wij niet alleen

vele merkwaardige personen en toestanden leeren kennen, maar juist daar

kregen wij het besef dat onze komst voor de vrouwenbeweging zeer

gewenscht, hoog noodig en nuttig was. De vrouwenbeweging in China, voor

zoover men daarvan mocht spreken omdat er geen eenheid van optreden en

geen organisatie bestond, vertoonde een navolging van de militante

strijdwijze, die van de suffragettes in Engeland. Toen wij de

Chineesche dames daarvan de reden vroegen, luidde het onverwachte

antwoord dat de Chineesche bladen over de vrouwenbeweging in de wereld

nooit iets anders mededeelden dan hetgeen de Engelsche suffragettes

deden om rechten voor de vrouw te verkrijgen. Zoo was het te verklaren,

dat toen een groote groep vrouwen in China hare rechten wilde

opeischen, zij begonnen waren om in een parlementsgebouw de ruiten in

te gooien.

Hoezeer wij persoonlijk tegen het optreden van de suffragettes waren

gekant, op deze reis hebben wij ervaren dat waarschijnlijk alleen door

haar optreden, de oogen van alle vrouwen ter wereld waren geopend voor

de achterstelling bij den man en dat zij verbetering konden vinden door

eendrachtig verzet. In de verst afgelegen hoeken van Azië en Afrika

vertelde men ons van de suffragette-beweging, blijkbaar omdat de

couranten overal wel de sensatieberichten verspreidden, maar een

compleet stilzwijgen bewaarden over een geordend optreden voor nuttige

en noodige hervorming. Dikwijls hebben wij beiden tot elkander gezegd:

een sensationeel optreden blijkt noodzakelijk om voor een wereldbelang

de wereld op stelten te zetten. Dat de vrouwen in China thans goed

georganiseerd, op kalme wijze voor haar belangen strijd voeren, daaraan

is ons bezoek aan China niet vreemd.

Toen wij in Yokohama aankwamen vonden wij beiden daar zoovele dringende

brieven om terug te komen, dat wij besloten slechts kort in Japan te

blijven en dan niet verder te gaan. Het oorspronkelijke plan was dat

Mrs. Catt met mij door Rusland naar Nederland en vandaar naar New-York

zou gaan; of wel, dat wij samen over Honolulu naar San Francisco en dan

langzaam dwars door Amerika zouden reizen, waarna ik van New-York naar

Amsterdam zou terugkeeren. Na de brieven kon van het een noch het ander

komen. Wij besloten dat ik alleen door Rusland naar Amsterdam zou

terugkeeren, terwijl Mrs. Catt over Honolulu huiswaarts zou reizen. Wij

spraken af dat ieder van ons onmiddellijk na de scheiding een geregeld

reisverhaal zou opmaken en dat we dat elkander zouden toezenden.

In Japan troffen wij een geheel ander soort van vrouwen aan dan in

China. Onder de Japansche vonden wij nog geen evenbeelden van de

Chineesche, bereid om te strijden voor hetgeen zij goed en noodig

achtten. Toch hebben wij ook hier bijeenkomsten gehouden met

verschillende vrouwengroepen die wij aanspoorden tot organisatie. In

1923 heb ik het genoegen gehad vier Japansche vrouwen bij mij in Den

Haag te ontvangen, aan wie ik alle gegevens moest verschaffen omtrent

de wijze waarop men in een land als Japan een vrouwenorganisatie tot

stand kan brengen en hoe die behoort te werken. Inzonderheid wenschten

zij op de hoogte te komen van de propagandamiddelen om het kiesrecht te

veroveren en wat daarna moet worden gedaan.

Op onze groote reis hebben wij veel merkwaardigs gezien, wij waren met

vele menschen van beteekenis in aanraking gekomen en hadden

wereldwijsheid opgedaan. Dat alles waardeerden wij ten zeerste, maar

aan het einde van de reis overheerschte toch het gevoel van

dankbaarheid dat wij overal in Afrika en Azië in de gelegenheid waren

geweest om onder de vrouwen nuttig werk te verrichten.

Toen ik in Yokohama afscheid had genomen van Mrs. Catt, die met de boot

naar Honolulu vertrok, had ik nog enkele dagen over vóór de trein mij

van Wladiwostock naar Berlijn zou voeren. De treinen van den

Trans-Siberischen spoorweg liepen slechts eenmaal in de week en in den

eerstvertrekkenden was geen goede plaats meer vrij. Men gaf de

verzekering dat ik in den volgenden trein een plaats zou vinden die aan

mijn wenschen voldeed. Dit is ook bewaarheid, want nadat ik nog eenige

dagen alleen in Japan had rondgezworven en daarna op een Russische boot

in twee dagen van Tsuruga te Wladiwostock was aangekomen, vond ik daar

in het midden van den trein een prachtige coupé voor mij gereserveerd.

Op die Russische boot was ik wel de eenige vrouwelijke passagier

geweest, maar ik had niet gedacht dat ik ook verder de geheele

spoorreis door Siberië zonder vrouwelijke reisgenooten zou blijven. Aan

deze omstandigheden schrijf ik het toe, dat ik de beschikking kreeg

over zulk een mooie coupé voor mij alleen. Er waren trouwens zeer

weinig passagiers.

Toen wij in den middag van den volgenden dag te Charbin waren

aangekomen, moesten wij daar bijna een uur wachten op een trein uit

Peking. Daarmede arriveerde Prins Heinrich van Pruisen, de broeder van

den Duitschen keizer, die met zijn groot gevolg in onzen trein

overstapte. Nu maakten twee vertegenwoordigers van den

Trans-Siberischen spoorweg, eenige Russische generaals en andere

autoriteiten de reis mede, hetgeen een groote geruststelling gaf voor

het langdurige traject door deze onherbergzame streken.

Buiten mij waren er slechts enkele andere passagiers eerste klasse in

den trein. Daardoor gebruikte ik tweemaal per dag de maaltijden in den

grooten eetsalon met het gevolg van Prins Heinrich, terwijl hijzelf met

twee Duitsche en twee Russische generaals in de kleine eetzaal aanzat.

Met verschillende dezer heeren voerde ik dikwijls lange gesprekken over

oorlog en vrede of over de rechten der vrouw. Nu en dan werd er ook wel

eens op mijn coupé-deur geklopt en kwam een hooge officier een

buurpraatje houden over het pacifisme. Indien ik toen—het was in het

laatst van November 1912—had kunnen voorzien, dat reeds spoedig de

wereldoorlog zou ontbranden, dan zou ik mij zeker wel eens op een voor

mij zelf gevaarlijke wijze hebben uitgelaten. In gesprek met een

Duitschen generaal hield ik stokstijf staande dat in de beschaafde

landen een oorlog ondenkbaar was, omdat het volk daartoe te ontwikkeld

was geworden. Hoezeer heb ik mij toen in de mentaliteit van het volk in

de verschillende landen vergist!

Met weemoed besluit ik dit hoofdstuk omdat de omvang van mijn boek niet

gedoogt te gewagen van vele belangrijke ondervindingen, welke ik heb

opgedaan op deze reis met een reisgenoote van zoo groote intelligentie,

ervaring en opmerkingsgave. Weliswaar heb ik onderweg iedere week twee

couranten-artikelen geschreven, welke later in boekvorm zijn

verschenen, maar in dien vorm kan men niet altijd schrijven over

hetgeen men zelf merkwaardig vindt. Het moet mij alleen nog van het

hart dat ik, voor het eerst weder na den dood van mijn man, een

gelukkig jaar heb doorleefd. Het was een jaar waarin ik weder dagelijks

verkeerde in een sfeer van liefde en intelligentie, door den omgang met

een persoonlijkheid met wie ik volmaakt sympathiseerde en die ik tevens

hoogelijk vereerde. Gedurende die reis van 16 maanden heb ik Mrs.

Chapman Catt leeren kennen als een van die zeldzame, hoogstaande

vrouwen, die in vroeger eeuwen heilig werden verklaard.

Herinneringen van Dr. Aletta H. Jacobs · 第 29 / 47 题