_Math._, _Clara_ _en vorigen_.
_Math. en Clara komen haastig binnen, zij vatten Judoc. bij de armen,
terwijl Goedsm. Alex. vasthoudt._
_Clara._ } Mijn hemel, oom--wat gebeurt er, wat is er
} te doen?
_Math._ } Meneer Judocus--ik bid u, houd-je bedaard--doe
} 't ten minste om mijnentwil!
_Alex._ } _(wil zich losrukken)_ Wat er gebeurt, Mejuffrouw--!
_Judoc._ } _(houdt zijn hoed gereed)_ Ik ben bedaard--maar
} die ellendeling--!
_Goedsm._ Stilte heeren!
_(tot Math. en Clara)_. 't Is niets, kinderen, 't is niets.
_(tot Alex.)_ Meneer Magnus, voor de laatste maal verzoek ik u, mijn
huis te verlaten, en ergens anders je geleerdheid te gaan verkoopen. Na
't voorgevallene wil ik u geen oogenblik langer zien.
_Alex._ Ja, ik ga----
_Judoc._ Neen, hij zal niet gaan--de lasteraar!
_Clara._ Lasteraar?
_Math._ Lieve hemel--wat wil die man toch!
_Goedsm._ (houdt Judoc. terug) Doktor--op je plaats--ik zal hier
beslissen.
_(tot Alex.)_ Meneer Magnus, nogeens, verlaat mijn huis of de
policie----
_Alex._ De policie! ik lach met de policie!--Ja, ik ga, meneer
Goedsmoeds--maar je zult nader van me hooren--dat beloof ik je. _(hij
blijft aan de deur staan)_.
_Clara._ Maar oom, wat is toch de reden--?
_Alex._ De reden, Mejuffrouw----
_Goedsm._ _(tot Clara)_ Niets, kind--ga naar achter.
_(tot Alex.)_ Verwijder u, meneer!
_Alex._ _(komt driftig terug)_ De reden, Mejuffrouw, is----
_Goedsm._ Stil meneer! Ik verbied u tot mijn nicht te spreken!
_(houdt Judoc. terug)_. Bedaar, doktor--laat mij begaan!
_Alex._ En ik _wil_ tot uw nicht spreken. Ik tart u allen, als zij me maar
regt doet wedervaren.
_(tot Clara)_ De reden, Mejuffrouw, is, dat ik u bemin, dat ik om uw
hand vroeg, en dat meneer uw oom----
_Clara._ Geregte hemel--is 't waar, oom?
_(tot Alex.)_ Foei, meneer--'t is schandelijk!
_Alex._ _(kruist de armen en zet zich in postuur)_ Schandelijk--ook u
vindt 't schandelijk! Eilieve, en waarom? Dat u me weigert, laat ik
daar--maar welke reden kan u hebben, mijn aanzoek schandelijk te vinden?
_Clara._ Ik zeg u, meneer--_'t is_ schandelijk _(keert hem den rug toe)_.
_(tot Math.)_ Kom, Mathilde, wij zullen ons in de keuken retireren, tot
meneer hier ons 't genoegen zal gedaan hebben, zijn vereerende aanzoeken
tot meer waardige partijen te gaan rigten. _(zij willen gaan)_.
_Goedsm_. _(houdt hen terug)_ Wacht 'reis--jelui blijft hier. Wou-je mij
alleen laten met die twee dolle honden!
_(tot Alex.)_ U vergeet te zeggen, meneer Magnus, dat ge, misschien om
hem den voet te ligten--uw gelukkigen medeminnaar hebt belasterd. U
heeft ons nog geen rekenschap gegeven van de scheldnamen waarmeê u Adolf
Smit genoemd heeft.
_Clara._ Wat--scheldnamen? Adolf Smit belasterd? Kent hij Adolf Smit?
_Judoc._ _(terwijl Math. hem voortdurend vasthoudt)_ Ja--de ellendeling,
de hond, de valsche boekenschrijver, de pseudo-zoon van Minerva!
_Goedsm._ _(tot Judoc.)_ Bedaar, dokter--houd toch al die liefelijke
bijnamen t' huis!
_Judoc._ Ik ben bedaard!
_(tot Alex.)_ De indringer, de schelmsche vagabundus!
_Clara._ Meneer v. d. Vlugt--denk toch om je gezondheid!
_Judoc._ Ik _ben_ gezond!
_(tot Alex.)_ De uil in arendsveêren, de ezel in een paardehuid!
_Math._ Meneer Judocus--in 's hemelsnaam, heb een oogenblik geduld! Laat
vader vertellen wat er gebeurd is.
_Judoc._ Ik _ben_ bedaard, ik _ben_ geduldig. Maar hier zou Abou-Zaber
zelfs zijn geduld verloren hebben!--Mijn besten, éénigen vriend zóó te
belasteren?
_Alex._ _(spottend, met de armen over elkaâr)_ Bravo, meneer de
zachtmoedige!
_Judoc._ Hem achter den rug met vuile aantijgingen te besmeren!
_Alex._ Allerliefst, mijn wandelend toonbeeld van geduld!
_Judoc._ Bij zijn dierste vrienden en betrekkingen op clandestine wijs
zijn goeden naam te komen bekladden----
_Alex._ Voortreffelijk, o non plus ultra van bedaardheid!
_Judoc._----en dan zelf niets meer te zijn dan een onbekende gelukzoeker,
die zich titels en bekwaamheden aanmatigt, waarop hij evenveel regt
heeft als mijn schoenpoetser!
_(terwijl Judoc. zich dermate opwindt, kijken Goedsm. c. s. hem verbaasd
aan)_.
_Alex._ Juist, mijn schoone held--dáár woû ik je hebben! Je vraagt _mij_
rekenschap van de namen die ik Adolf Smit gaf--ikzelf vraag _u_
rekenschap van de titels, waarmeê ge mij vereert.
_Judoc._ Die zal ik geven--maar trek eerst uw woorden in!
_Alex._ Nooit!
_Judoc._ Zuiver mijn vriend van alle blaam!
_Alex._ Integendeel!
_Goedsm._ _(tusschen beide komend)_ Een oogenblik!--Mij, als huisvader,
zal 't wel passen hier een woordje meê te spreken.
_(tot Alex.)_ Heeft u Adolf Smit gekend?
_Alex._ Zoo goed als iemand. Wel een jaar lang heb ik te Brussel met 'em
saâmgewoond.
_Goedsm._ Te Brussel? Maar op welken grond--enfin, waarvan beschuldigt ge
hem?
_Alex._ Adolf Smit is een speler.
_Judoc._ _(steeds heviger)_ Hij liegt, de gewetenlooze eerroover!
_Alex._ Adolf Smit is een losbol--
_Judoc._ Hij liegt, de Mephistopheles!
_Alex._--Een doorbrenger.
_Clara._ Groote God--zou 't waar zijn!
_Judoc._ Hij liegt, de naneef van Astaroth, de kleinzoon van Beëlzebub!
_Alex._ Adolf Smit geeft voor, uw nicht hier _(op Clara wijzend)_ te
beminnen, om van haar vertrouwen misbruik te maken----
_Clara._ Meneer Magnus--uw woorden gaan me als pijlen door 't hart. Maar
als ge denkt, op deze wijs uw doel te bereiken, en _mij_ te winnen door
_hem_ te belasteren----
_Judoc._ O, slangetong--
_Goedsm._ _(tot Judoc.)_ Stil, doktor!
_(tot Alex.)_ Weet wat ge zegt, meneer! We hebben hier getuigen en een
regtbank.
_Alex._----maar op reis, in den vreemde, weten andere meisjes genoeg, dat
hij zich een scheiding van zijn beminde niet hard aantrekt. Daarenboven
weet _ik_, dat hij te Brussel in 't geheim met een andere schoone
verloofd is.
_Judoc._ O, addergebroedsel!
_Clara._ _(tot Math.)_ Mijn god, Mathilde, wat moet ik er van denken!
_(tot Alex.)_ Bij al wat u heilig is, meneer--bedrieg me niet, spot niet
met me!
_Judoc._ Clara, juffrouw Clara--geloof 'em niet!
_Goedsm._ Stil, doktor!
_Clara._ _(tot Alex.)_ Ik ben u vreemd, ik ken u niet. Maar zoo ge nog een
greintje eergevoel bezit, zeg me dan--is 't waar, dat ge Adolf kent? Is
't waar, dat hij--dat hij slecht is--dat hij ontrouw is?--Want als ge
liegt, als ge liegt----
_Alex._ 't Is zóó waar als Alexanders liefde voor u--zóó waar, als dat
Alexander u trouw zou wezen.
_Judoc._ O, waarom bezit mijn arm niet de kracht van Hercules, Rappo en
Crosso!
_(tot Clara)_. Geloof 'em niet, juffrouw Clara! Hij liegt--en ik zal 't
u bewijzen.
_Goedsm._ Doktor, laat mij spreken!
_Math._ Meneer Judocus, houd u in!
_Judoc._ Ik houd me in--maar de vent liegt--hij liegt als een Cretenser,
de domme Beotiër!
_Alex._ _(plotseling zich tot Judoc. wendend)_ Cretenser, domme
Beotiër!--Meneer, de maat van uw beleedigingen is vol. Ik vraag u
rekenschap!
_Judoc._ Die zult ge hebben. Zeg hoe en wanneer!
_Alex._ Rekenschap vorder ik. Maar geen scheldwoorden zullen onze wapens
zijn!
_Judoc._ Rekenschap zal ik u geven van mijn woorden; rekenschap u vragen
van Adolfs geschonden eer.
_Math._ _(tot Goedsm)_. Vader, kom toch tusschenbeide!
_Alex._ En we zullen zien, of ge de wapens van een man even goed hanteert,
als die van een vischwijf.
_Goedsm._ _(smeekend)_ Meneer Magnus--meneer v. d. Vlugt!
_Judoc._ Geen bemiddeling, heer Goedsmoeds. De goede naam van mijn vriend,
't geluk van uw nicht staan op 't spel.
_(tot Alex.)_ Wat spreekt ge van mannewapens?
_Alex._ Dat zul-je morgen zien.
_Judoc._ Morgen?
_Alex._ Morgenochtend ten zeven uur.
_Judoc._ Ten zeven uur?--Ik begrijp u, meneer. Ik ben vreemd aan den
wapenhandel----
_Math._ Hemelsche vader--een duel!
_Goedsm._ Zeg eens, heeren--'t is toch gekheid, hoop ik?
_Alex._ Ernst, meneer, bloedige ernst.
_Math._ Lieve God!--Vader--meneer Judocus--'t zal niet gebeuren--hoor me
toch!
_(zij houdt Goedsm. vast, beide staren in angstige spanning Judoc. en
Alex. aan)_.
_Judoc._ Wees bedaard, Mathilde.
_(tot Alex.)_ Ik ben vreemd aan den wapenhandel. Maar, gelijk
Cincinnatus de spade liet rusten voor 't zwaard--zóó zal de gemoedelijke
schoolmeester zijn vreedzamen scepter verwisselen tegen----
_Alex._ _(spottend)_ Nu, waartegen?
_Judoc._ Tegen een wapen, dat geducht zal worden in de vuist van hem,
wiens goed regt hem sterken zal in den strijd.
_Alex._ _(spottend)_ En kan mijn ridderlijke held een pistool laden?
_Judoc._ Ik zal, ook zonder dat te kunnen, u toonen, hoe 't mogelijk was,
dat David Goliath verwon.
_Alex._ _(spottend)_ En zal mijn schuwe David den moed hebben, met andere
projektielen in 't veld te treden, dan keisteentjes uit de beek? Is 't u
bekend, o edele gladiator, dat _ik_ een poos lang in 't bestuur zat van
de vereeniging »Mik wis, schiet niet mis;" en dat ik tweemaal bekroond
ben als prijsschutter--?
_Judoc._ Al waart ge de fabelachtige Soranus in eigen persoon--ik zal den
moed hebben, voor mijn vriend te _staan_.
_Alex._ _(lagchend)_ Zult ge, meneer Judocus?
_Judoc._ Dat zal ik.
_Alex._ Wezenlijk, op je woord, meneer v. d. Vlugt?
_Judoc._ Op mijn woord.
_Alex._ Dan, beste doktor, geef ik je den vriendschappelijken raad, morgen
ten zeven uur----
_Judoc._ Nu, ten zeven uur?
_Alex._ Je nog eens om te keeren in je bed.
_Judoc._ Wat?
_(Goedsm. Math. en Clara zien Alex. verwonderd aan)_.
Hoe moet ik dat opnemen, heer statisticus?
_Alex._ Ma foi, prenez-le comme vous voudrez!--Maar zeg, noem me niet meer
statisticus--wil je?
_(Judoc. kijkt verbaasd)_.
_Goedsm._ Hemel--wat nu!
_Alex._ Niet meer: hond, of uil in arendsveêren, of ezel in een
paardehuid.
_Goedsm._ Goddank--dat lijkt naar een verzoening!
_Math._ De hemel geve 't!
_Alex._ Spaar me ook voortaan de hoogst dichterlijke doch in 't gewone
spraakgebruik min zoetvloeijend klinkende benamingen van: slangetong,
addergebroedsel, domme Beotiër, kleinzoon van Astaroth, naneef van
Beëlzebub--en wat dies meer zij.
_Judoc._ Die uitdrukkingen zijn me in drift ontvallen. Maar zoolang----
_Alex._--Zoolang ik Adolf Smit niet den hoogsten lof toezwaai, kan ik
nooit op uw gunst rekenen.--Welnu, beste doktor, prijs dan, in uw hart,
uw vriend zooveel ge wilt. _Ik_ mag 't niet doen, zelfs fluisterend:
want hij zou me hooren.
_Judoc._ U hooren?
_Math._ } Meneer Magnus!
_Clara._ } Zou 't mogelijk zijn!
_Goedsm._ _(Alex. in de oogen kijkend)_ Ik geloof dat ik hem _zie_! Ei,
ei--ik geloof dat ik hem _zie_.
_Alex._ Juist geraden, heer Goedsmoeds--want hier staat hij.
_(Hij neemt pruik en baard af, waarmeê hij zich onkenbaar had gemaakt,
en spreekt op geheel veranderden, natuurlijken toon)_.