ELFDE TOONEEL.

_Math._, _Clara_ _en vorigen_.

_Math. en Clara komen haastig binnen, zij vatten Judoc. bij de armen,

terwijl Goedsm. Alex. vasthoudt._

_Clara._ } Mijn hemel, oom--wat gebeurt er, wat is er

} te doen?

_Math._ } Meneer Judocus--ik bid u, houd-je bedaard--doe

} 't ten minste om mijnentwil!

_Alex._ } _(wil zich losrukken)_ Wat er gebeurt, Mejuffrouw--!

_Judoc._ } _(houdt zijn hoed gereed)_ Ik ben bedaard--maar

} die ellendeling--!

_Goedsm._ Stilte heeren!

_(tot Math. en Clara)_. 't Is niets, kinderen, 't is niets.

_(tot Alex.)_ Meneer Magnus, voor de laatste maal verzoek ik u, mijn

huis te verlaten, en ergens anders je geleerdheid te gaan verkoopen. Na

't voorgevallene wil ik u geen oogenblik langer zien.

_Alex._ Ja, ik ga----

_Judoc._ Neen, hij zal niet gaan--de lasteraar!

_Clara._ Lasteraar?

_Math._ Lieve hemel--wat wil die man toch!

_Goedsm._ (houdt Judoc. terug) Doktor--op je plaats--ik zal hier

beslissen.

_(tot Alex.)_ Meneer Magnus, nogeens, verlaat mijn huis of de

policie----

_Alex._ De policie! ik lach met de policie!--Ja, ik ga, meneer

Goedsmoeds--maar je zult nader van me hooren--dat beloof ik je. _(hij

blijft aan de deur staan)_.

_Clara._ Maar oom, wat is toch de reden--?

_Alex._ De reden, Mejuffrouw----

_Goedsm._ _(tot Clara)_ Niets, kind--ga naar achter.

_(tot Alex.)_ Verwijder u, meneer!

_Alex._ _(komt driftig terug)_ De reden, Mejuffrouw, is----

_Goedsm._ Stil meneer! Ik verbied u tot mijn nicht te spreken!

_(houdt Judoc. terug)_. Bedaar, doktor--laat mij begaan!

_Alex._ En ik _wil_ tot uw nicht spreken. Ik tart u allen, als zij me maar

regt doet wedervaren.

_(tot Clara)_ De reden, Mejuffrouw, is, dat ik u bemin, dat ik om uw

hand vroeg, en dat meneer uw oom----

_Clara._ Geregte hemel--is 't waar, oom?

_(tot Alex.)_ Foei, meneer--'t is schandelijk!

_Alex._ _(kruist de armen en zet zich in postuur)_ Schandelijk--ook u

vindt 't schandelijk! Eilieve, en waarom? Dat u me weigert, laat ik

daar--maar welke reden kan u hebben, mijn aanzoek schandelijk te vinden?

_Clara._ Ik zeg u, meneer--_'t is_ schandelijk _(keert hem den rug toe)_.

_(tot Math.)_ Kom, Mathilde, wij zullen ons in de keuken retireren, tot

meneer hier ons 't genoegen zal gedaan hebben, zijn vereerende aanzoeken

tot meer waardige partijen te gaan rigten. _(zij willen gaan)_.

_Goedsm_. _(houdt hen terug)_ Wacht 'reis--jelui blijft hier. Wou-je mij

alleen laten met die twee dolle honden!

_(tot Alex.)_ U vergeet te zeggen, meneer Magnus, dat ge, misschien om

hem den voet te ligten--uw gelukkigen medeminnaar hebt belasterd. U

heeft ons nog geen rekenschap gegeven van de scheldnamen waarmeê u Adolf

Smit genoemd heeft.

_Clara._ Wat--scheldnamen? Adolf Smit belasterd? Kent hij Adolf Smit?

_Judoc._ _(terwijl Math. hem voortdurend vasthoudt)_ Ja--de ellendeling,

de hond, de valsche boekenschrijver, de pseudo-zoon van Minerva!

_Goedsm._ _(tot Judoc.)_ Bedaar, dokter--houd toch al die liefelijke

bijnamen t' huis!

_Judoc._ Ik ben bedaard!

_(tot Alex.)_ De indringer, de schelmsche vagabundus!

_Clara._ Meneer v. d. Vlugt--denk toch om je gezondheid!

_Judoc._ Ik _ben_ gezond!

_(tot Alex.)_ De uil in arendsveêren, de ezel in een paardehuid!

_Math._ Meneer Judocus--in 's hemelsnaam, heb een oogenblik geduld! Laat

vader vertellen wat er gebeurd is.

_Judoc._ Ik _ben_ bedaard, ik _ben_ geduldig. Maar hier zou Abou-Zaber

zelfs zijn geduld verloren hebben!--Mijn besten, éénigen vriend zóó te

belasteren?

_Alex._ _(spottend, met de armen over elkaâr)_ Bravo, meneer de

zachtmoedige!

_Judoc._ Hem achter den rug met vuile aantijgingen te besmeren!

_Alex._ Allerliefst, mijn wandelend toonbeeld van geduld!

_Judoc._ Bij zijn dierste vrienden en betrekkingen op clandestine wijs

zijn goeden naam te komen bekladden----

_Alex._ Voortreffelijk, o non plus ultra van bedaardheid!

_Judoc._----en dan zelf niets meer te zijn dan een onbekende gelukzoeker,

die zich titels en bekwaamheden aanmatigt, waarop hij evenveel regt

heeft als mijn schoenpoetser!

_(terwijl Judoc. zich dermate opwindt, kijken Goedsm. c. s. hem verbaasd

aan)_.

_Alex._ Juist, mijn schoone held--dáár woû ik je hebben! Je vraagt _mij_

rekenschap van de namen die ik Adolf Smit gaf--ikzelf vraag _u_

rekenschap van de titels, waarmeê ge mij vereert.

_Judoc._ Die zal ik geven--maar trek eerst uw woorden in!

_Alex._ Nooit!

_Judoc._ Zuiver mijn vriend van alle blaam!

_Alex._ Integendeel!

_Goedsm._ _(tusschen beide komend)_ Een oogenblik!--Mij, als huisvader,

zal 't wel passen hier een woordje meê te spreken.

_(tot Alex.)_ Heeft u Adolf Smit gekend?

_Alex._ Zoo goed als iemand. Wel een jaar lang heb ik te Brussel met 'em

saâmgewoond.

_Goedsm._ Te Brussel? Maar op welken grond--enfin, waarvan beschuldigt ge

hem?

_Alex._ Adolf Smit is een speler.

_Judoc._ _(steeds heviger)_ Hij liegt, de gewetenlooze eerroover!

_Alex._ Adolf Smit is een losbol--

_Judoc._ Hij liegt, de Mephistopheles!

_Alex._--Een doorbrenger.

_Clara._ Groote God--zou 't waar zijn!

_Judoc._ Hij liegt, de naneef van Astaroth, de kleinzoon van Beëlzebub!

_Alex._ Adolf Smit geeft voor, uw nicht hier _(op Clara wijzend)_ te

beminnen, om van haar vertrouwen misbruik te maken----

_Clara._ Meneer Magnus--uw woorden gaan me als pijlen door 't hart. Maar

als ge denkt, op deze wijs uw doel te bereiken, en _mij_ te winnen door

_hem_ te belasteren----

_Judoc._ O, slangetong--

_Goedsm._ _(tot Judoc.)_ Stil, doktor!

_(tot Alex.)_ Weet wat ge zegt, meneer! We hebben hier getuigen en een

regtbank.

_Alex._----maar op reis, in den vreemde, weten andere meisjes genoeg, dat

hij zich een scheiding van zijn beminde niet hard aantrekt. Daarenboven

weet _ik_, dat hij te Brussel in 't geheim met een andere schoone

verloofd is.

_Judoc._ O, addergebroedsel!

_Clara._ _(tot Math.)_ Mijn god, Mathilde, wat moet ik er van denken!

_(tot Alex.)_ Bij al wat u heilig is, meneer--bedrieg me niet, spot niet

met me!

_Judoc._ Clara, juffrouw Clara--geloof 'em niet!

_Goedsm._ Stil, doktor!

_Clara._ _(tot Alex.)_ Ik ben u vreemd, ik ken u niet. Maar zoo ge nog een

greintje eergevoel bezit, zeg me dan--is 't waar, dat ge Adolf kent? Is

't waar, dat hij--dat hij slecht is--dat hij ontrouw is?--Want als ge

liegt, als ge liegt----

_Alex._ 't Is zóó waar als Alexanders liefde voor u--zóó waar, als dat

Alexander u trouw zou wezen.

_Judoc._ O, waarom bezit mijn arm niet de kracht van Hercules, Rappo en

Crosso!

_(tot Clara)_. Geloof 'em niet, juffrouw Clara! Hij liegt--en ik zal 't

u bewijzen.

_Goedsm._ Doktor, laat mij spreken!

_Math._ Meneer Judocus, houd u in!

_Judoc._ Ik houd me in--maar de vent liegt--hij liegt als een Cretenser,

de domme Beotiër!

_Alex._ _(plotseling zich tot Judoc. wendend)_ Cretenser, domme

Beotiër!--Meneer, de maat van uw beleedigingen is vol. Ik vraag u

rekenschap!

_Judoc._ Die zult ge hebben. Zeg hoe en wanneer!

_Alex._ Rekenschap vorder ik. Maar geen scheldwoorden zullen onze wapens

zijn!

_Judoc._ Rekenschap zal ik u geven van mijn woorden; rekenschap u vragen

van Adolfs geschonden eer.

_Math._ _(tot Goedsm)_. Vader, kom toch tusschenbeide!

_Alex._ En we zullen zien, of ge de wapens van een man even goed hanteert,

als die van een vischwijf.

_Goedsm._ _(smeekend)_ Meneer Magnus--meneer v. d. Vlugt!

_Judoc._ Geen bemiddeling, heer Goedsmoeds. De goede naam van mijn vriend,

't geluk van uw nicht staan op 't spel.

_(tot Alex.)_ Wat spreekt ge van mannewapens?

_Alex._ Dat zul-je morgen zien.

_Judoc._ Morgen?

_Alex._ Morgenochtend ten zeven uur.

_Judoc._ Ten zeven uur?--Ik begrijp u, meneer. Ik ben vreemd aan den

wapenhandel----

_Math._ Hemelsche vader--een duel!

_Goedsm._ Zeg eens, heeren--'t is toch gekheid, hoop ik?

_Alex._ Ernst, meneer, bloedige ernst.

_Math._ Lieve God!--Vader--meneer Judocus--'t zal niet gebeuren--hoor me

toch!

_(zij houdt Goedsm. vast, beide staren in angstige spanning Judoc. en

Alex. aan)_.

_Judoc._ Wees bedaard, Mathilde.

_(tot Alex.)_ Ik ben vreemd aan den wapenhandel. Maar, gelijk

Cincinnatus de spade liet rusten voor 't zwaard--zóó zal de gemoedelijke

schoolmeester zijn vreedzamen scepter verwisselen tegen----

_Alex._ _(spottend)_ Nu, waartegen?

_Judoc._ Tegen een wapen, dat geducht zal worden in de vuist van hem,

wiens goed regt hem sterken zal in den strijd.

_Alex._ _(spottend)_ En kan mijn ridderlijke held een pistool laden?

_Judoc._ Ik zal, ook zonder dat te kunnen, u toonen, hoe 't mogelijk was,

dat David Goliath verwon.

_Alex._ _(spottend)_ En zal mijn schuwe David den moed hebben, met andere

projektielen in 't veld te treden, dan keisteentjes uit de beek? Is 't u

bekend, o edele gladiator, dat _ik_ een poos lang in 't bestuur zat van

de vereeniging »Mik wis, schiet niet mis;" en dat ik tweemaal bekroond

ben als prijsschutter--?

_Judoc._ Al waart ge de fabelachtige Soranus in eigen persoon--ik zal den

moed hebben, voor mijn vriend te _staan_.

_Alex._ _(lagchend)_ Zult ge, meneer Judocus?

_Judoc._ Dat zal ik.

_Alex._ Wezenlijk, op je woord, meneer v. d. Vlugt?

_Judoc._ Op mijn woord.

_Alex._ Dan, beste doktor, geef ik je den vriendschappelijken raad, morgen

ten zeven uur----

_Judoc._ Nu, ten zeven uur?

_Alex._ Je nog eens om te keeren in je bed.

_Judoc._ Wat?

_(Goedsm. Math. en Clara zien Alex. verwonderd aan)_.

Hoe moet ik dat opnemen, heer statisticus?

_Alex._ Ma foi, prenez-le comme vous voudrez!--Maar zeg, noem me niet meer

statisticus--wil je?

_(Judoc. kijkt verbaasd)_.

_Goedsm._ Hemel--wat nu!

_Alex._ Niet meer: hond, of uil in arendsveêren, of ezel in een

paardehuid.

_Goedsm._ Goddank--dat lijkt naar een verzoening!

_Math._ De hemel geve 't!

_Alex._ Spaar me ook voortaan de hoogst dichterlijke doch in 't gewone

spraakgebruik min zoetvloeijend klinkende benamingen van: slangetong,

addergebroedsel, domme Beotiër, kleinzoon van Astaroth, naneef van

Beëlzebub--en wat dies meer zij.

_Judoc._ Die uitdrukkingen zijn me in drift ontvallen. Maar zoolang----

_Alex._--Zoolang ik Adolf Smit niet den hoogsten lof toezwaai, kan ik

nooit op uw gunst rekenen.--Welnu, beste doktor, prijs dan, in uw hart,

uw vriend zooveel ge wilt. _Ik_ mag 't niet doen, zelfs fluisterend:

want hij zou me hooren.

_Judoc._ U hooren?

_Math._ } Meneer Magnus!

_Clara._ } Zou 't mogelijk zijn!

_Goedsm._ _(Alex. in de oogen kijkend)_ Ik geloof dat ik hem _zie_! Ei,

ei--ik geloof dat ik hem _zie_.

_Alex._ Juist geraden, heer Goedsmoeds--want hier staat hij.

_(Hij neemt pruik en baard af, waarmeê hij zich onkenbaar had gemaakt,

en spreekt op geheel veranderden, natuurlijken toon)_.

Ontboezemingen · 第 79 / 83 题