_Goedsm._, _Judoc._, _Alex_.
_Goedsm._ _(vult de glazen)_ Komaan, heeren, ledigt de glazen en drinkt
vriendschap! Laat niet een redeloos stuk papier oorzaak wezen, dat de
goede verstandhouding tusschen ons verstoord wordt.
_Alex._ Toch niet, meneer Goedsmoeds, toch niet. Ge neemt dat verkeerd
op--: wij geleerden twisten dikwijls en raken in vuur en vlam--maar 't
blijft een wetenschappelijk dispuut. Op 't gebied der kennis slaan we
elkaâr de beenen stuk--daarbuiten zijn we vrienden, als
vroeger.--Nietwaar, doktor?
_Judoc._ Ehem--wat meneer daar zegt, strookt niet geheel met mijn
gevoelens.
_Goedsm._ Komaan, doktor--de heer Magnus is 't eerst bereid zijn hand je
te reiken. Zul-je nu weigeren?
_Judoc._ Dát juist niet--mijn aard is niet wraakzuchtig--edoch----
_Alex._ Kom kom, meneer v. d. Vlugt--sans rancune! Laat ons dit glas
drinken op onze verdere vriendschap!
Meneer Goedsmoeds, met U in 't bijzonder zal ik 't genoegen van een
nadere kennismaking op hoogen prijs stellen.
_Goedsm._ Niet meer dan ik, meneer, niet meer dan ik.
_Alex._ Zeer verpligt, zeer verpligt.--En nu, heer Goedsmoeds, nu de vrede
hersteld en beklonken is, laat mij terugkomen op 't eigenlijk doel van
mijn bezoek alhier. De vervoering waarin ik geraak, telkens wanneer ik
van mijn werk gewaag, of op 't terrein van een wetenschappelijk gesprek
wordt gebragt, doet me steeds al 't overige vergeten.
_Goedsm._ Spreek, meneer Magnus--niets zal me aangenamer zijn.
_Alex._ 't Onderwerp dat ik heb aan te roeren is echter van dien aard,
dat--enfin, zonder onbeleefd te zijn----_(Judoc. aanziend.)_
_Goedsm._ Zóó waarachtig?--maar voor meneer v. d. Vlugt heb _ik_ volstrekt
geen geheimen. Ik hoop dus----
_Alex._ Dat wil zeggen--pardon, ik ken uw relatie tot meneer niet, maar de
zaak die ik behandelen wil, is van een zóó kiesch karakter----_(Judoc.
staat op)_.
_Goedsm._ _(tot Judoc.)_ Blijf zitten, doktor, blijf zitten!
_Judoc._ Ik zou niet gaarne onbescheiden zijn----
_Goedsm._ Volstrekt niet--blijf zitten!
_(tot Alex.)_ Wel meneer, om u de waarheid te zeggen--ik kan me geen
onderwerp van een zóó kiesch karakter voorstellen, dan dat mijn
aanstaande schoonzoon 't niet meê zou mogen aanhooren.
_Alex._ Uw aanstaande schoonzoon?
_Goedsm._ Als zoodanig moet ik u meneer v. d. Vlugt bekendmaken.
_Alex._ Ei ei?--Dát verandert de zaak.
_(tot Judoc.)_ A propos, ik wensch je geluk, collega!
_(tot Goedsm.)_ Dát verandert de zaak geheel, meneer Goedsmoeds; en dit
heugelijk feit bespaart mij een inleiding: ik kan mijn welsprekendheid
laten rusten.
_Goedsm._ Hoezoo, meneer, hoezoo?
_Judoc._ Ik doorgrond niet, ehem--hoe mijn verloving met meneer
Goedsmoeds' dochter, ehem----
_Alex._ Juist, juist!
_(Tot Goedsm.)_ Wat zou u er van zeggen, meneer Goedsmoeds, als _ik_ me
tot mededinger opwierp naar eenzelfde eer?
_Goedsm._ Tot mededinger?
_Judoc._ _(verontwaardigd)_ Tot mededinger, meneer!
_Goedsm._ Ik begrijp niet----
_Judoc._ Ook mij komt 't onverklaarbaar voor----
_Goedsm._----hoe ik uw voorstel, ehem--moet opvatten.
_Judoc._----hoe ge 't met uw begrippen van Europesche zedelijkheid kunt
rijmen, ehem----
_Goedsm._ Zeker--ik had toch de eer, u te doen weten, dat meneer v. d.
Vlugt reeds----
_Alex._ Met uw verlof--hier heeft een misverstand plaats, een schromelijk
misverstand. Stelt u gerust, meneeren--ik ben geen Turk, geen
antropophaag, geen onbesneden heiden!--Doch, _pauca verba_, _pauca
verba_!
Om ter zake te komen, meneer Goedsmoeds--leen mij, bid ik u, een
oogenblik gehoor; en laat een krachtig en welgemeend aanzoek bij u niet
minder gelden, dan de met kernachtige phrasen doorbloemde toespraak,
waarmeê ik u had verrast--indien niet de tegenwoordigheid van een derden
_(ziet op Judoc.)_ mijn plan eenigzins had gederangeerd.--Hier volgt
mijn aanzoek (staat op).
_Goedsm._ _(staat op)_ En dat is, meneer?
_Alex._ Dat _ik_, Alexander Magnus Junior, wettige zoon van Alexander
Magnus Senior, leeraar in de Staathuishoudkunde, de statistische- en
handelswetenschappen aan de hoogere burgerschool te Bellingwolde--bij
deze de eer heb te verzoeken om de hand uwer nicht, Mejuffrouw Clara,
ten einde, na 't jawoord voor magistraat en priester ontvangen te
hebben, haar als mijn echte vrouw te huwen, en ten mijnent te
onderhouden.--Ik heb gezegd.
_(buigt en gaat zitten)_
_Goedsm._ _(verwonderd en bedremmeld)_ Meneer Magnus--ik moet u zeggen,
ehem----
_Alex._ Spreek vrij uit, meneer Goedsmoeds!
_Goedsm._----ik moet u zeggen, dat uw voorstel, ehem--mij verbaast--en
dat, ehem--
_Alex._ Welnu, dat?
_Goedsm._----en dat, ehem--ik kan--ik moet--ik ben genoodzaakt----
_Alex._ Komaan, meneer Goedsmoeds, wees niet verlegen! Ik begrijp, mijn
aanzoek moet u vereeren.
_Goedsm._ Zeker, meneer--maar ik ben genoodzaakt--'t spijt me--ik zie me
als voogd verpligt----
_Alex._ Nu, wat?
_Goedsm._ _(ter zijde)_ Duivel, ben ik een kind geworden!
_(drinkt zijn glas leêg)._
't Spijt me, meneer Magnus, dat ik uw voorstel niet kan aannemen, en u
de hand van mijn nicht moet weigeren.
_Alex._ Weigeren?
_Goedsm._ 't Spijt me, maar----
_Alex._ Weigeren--en waarom?
_Goedsm._ Om de eenvoudige reden, dat Clara reeds met een ander verloofd
is.
_Alex._ Met een ander verloofd?
_Goedsm._ Met een ander verloofd.
_Alex._ _(in één adem)_ En wie is die ander, als ik vragen mag? Wie is
hij, wat is hij, waar is hij?--Bemint hij haar, bemint zij hem, beminnen
zij elkaâr?--Of is hun vereeniging slechts een van die koude,
conventionele koppelingen, die in onze verbasterde maatschappij zoo
dikwijls den heiligen, gloeijend gesmeeden huwelijksband
surrogeren?--Spreek, meneer,--ik brand--antwoord me!
_Goedsm._ _(bedaard)_ Meneer Magnus, u vraagt me meer, dan ik u kan of wil
antwoorden. Daar echter de verloving van mijn nicht niet geheim behoeft
te blijven, wil ik u gaarne zeggen wie haar aanstaande is. Hij is een
jongmensch, die haar van harte liefheeft. Hij is nu op een verre reis.
Zijn naam is Adolf Smit.
_Alex._ Adolf Smit?
_Goedsm._ Adolf Smit.
_Alex._ Adolf Smit van Hoogdorp?
_Goedsm._ Adolf Smit van Hoogdorp.--Voor 't overige verzeker ik u----
_Alex._ _(staat op, woedend)_ Voor 't overige verzeker _ik_ u, meneer, dat
uw gedrag jegens mij onbehoorlijk is.
_Goedsm._ _(staat op)_ Meneer Magnus!
_Alex._ Ge weigert botweg de eer, mij in uw familie te zien opgenomen,
_mij_, Alexander Magnus--en, om op uw lompheid de kroon te zetten, doet
ge mij die weigering in 't bijzijn van dien soesenden schoolmeester,
dien gemoedelijken kalfskop, die daar in domme deftigheid zijn pijpen
rookt!
_Goedsm._ Meneer Alexander Magnus--ik was nooit in mijn eigen huis
beleedigd!
_Judoc._ _(staat op)_ Mijnheer de statisticus----
_Alex._ Laat me uitspreken!--Dat is alles nog niets. Maar dat ge boven mij
een ellendeling voortrekt, een bedrieger, een losbol, als Adolf Smit
is--dát, meneer, dát is verschrikkelijk--dát schreit om wraak!
_Goedsm._ Hemelsche goedheid--een losbol--wat zegt ge daar!
_Judoc._ _(steeds heviger)_ Meneer de leeraar, durft ge die beschuldiging
herhalen?
_Alex._ Meneer de slaapkop, dat durf ik.
_Goedsm._ Stilte meneeren! Als ge voortgaat, op deze wijs den vrede in
mijn huis te verstoren, moet ik u verzoeken 't oogenblikkelijk te
verlaten!
_(tot Alex.)_ Zeg, meneer, hoe verdedigt ge uw laster tegen Adolf Smit?
_Alex._ Ik heb niets te verdedigen. Gij weigert me uw nicht--en daarmeê,
basta!--Maar vóór ik ga, wil ik nog een woordje spreken met dien
botterik, _(tot Judoc.)_ die zich voor onderwijzer uitgeeft, voor
wetenschappelijk man, en die niet eens mijn werk kent. Die bovendien----
_Judoc._ Laat uw werk rusten!
_Alex._----die bovendien, om zijn verregaande stomheid te verbergen, mij
in 't publiek tot leugenaar wil maken.
_Judoc._ Laat uw werk rusten, en herroep uw laster tegen Adolf Smit!
_Alex._ _(hevig)_ Ik _wil_ van mijn werk spreken, en ik wil, dat jij je
laster intrekt tegen mij. Hoor-je, meneer de roededrager!
_Judoc._ _(besloten)_ Nu dan--wat aangaat uw werk, meneer van
Bellingwolde----
_Alex._ Mijn heerlijk werk, ja!
_Judoc._----dat nooit geschreven is----
_Alex._ Door een kuiken als jij!
_Judoc._----en waarvan de onderwerpen----
_Alex._ Zoo rijk en verheven!
_Judoc._----zoo plat en onzinnig, niet anders konden opkomen----
_Alex._ Dan in mijn hoofd!
_Judoc._----dan in 't brein van een maniacus----
_Alex._ Van een genie!
_Judoc._----van een monomaan----
_Alex._ Van een wereldkenner!
_Judoc._----of een gewonen gek, _naturaliter idiota_----Wat aangaat, zeg
ik, dit uw werk, meneer de staathuishoudkundige----
_Alex._ _(hem nabaauwend)_ Dit mijn werk, meneer de jeugdbederver----
_Judoc._----dit uw werk----
_Alex._ _(hem nabaauwend)_----dit mijn werk----
_Judoc._----ik moet lagchen, inderdaad----
_Alex._ Lagchen, lagchen! Dat lagchen zal ik je verleeren! _(vat zijn
hoed, en slaat er Judoc. meê op 't hoofd)_.
Neem dit, en dat, en dit, en nog eens dat--tot mijn arm stijf, en jou
kop week is!
_(Intusschen heeft ook Judoc. zijn hoed gegrepen, en slaat Alex. terug;
Goedsm. tracht hen te scheiden, en roept niets dan: »in 's hemelsnaam,
meneeren!" »houdt op, meneeren!" »bedenkt wat ge doet!" »brengt geen
schande over mijn huis!" enz. enz.)_
_Judoc._ _(slaat)_ Gelijk Arminius----
_Alex._ (») Boekworm!
_Judoc._ (»)----de Romeinen versloeg----
_Alex._ (») Kinderkanibaal!
_Judoc._ (»)----en Karel Martel--
_Alex._ (») Hutspotverknoeijer!
_Judoc._ (»)----de woeste Sarracenen----
_Alex._ (») Mottige foliant!
_Judoc._ (»)----zoo wil ik ook----
_Alex._ (») Vogelverschrikker!
_Judoc._ (»)----waar 't op zelfverdediging aankomt----