_Clara._ Adolf! _(ze omhelzen elkaâr)_. Adolf! En ik heb je niet herkend!
_Goedsm._ } Dacht ik 't niet!
_Math._ } Wel--dat 's een verrassing!
_Judoc._ } _(stamelend en met de hoogste verbazing)_ Wat--wat--wat
} zie ik!
_Adolf._ Ik ben 't, Clara--en blijtoe dat ge me niet herkend hebt, want
dan had ik mijn doel gemist.
_Goedsm._ _(boos)_ Maar Adolf, jongen--wat malle potsen! Waartoe al die
poppenkasterij! Is 't tegenwoordig mode, zijn vrienden te beliegen en te
bedriegen vóór men zich bekend maakt?
_Adolf._ _(schudt hem de hand)_ Nu, sprak Alexander Magnus geen waarheid,
toen 'ie Adolf Smit voor een bedrieger uitmaakte!--Maar vergeef me,
vader Goedsmoeds, al den schrik dien ik u aanjoeg: 't was met een goed
doel.
_Goedsm._ De duivel hale jou doel--de jongen praat als een Jesuït!--Neen
maar, hoor 'reis--ik vind 't lang niet aardig, zóó mijn huis in
opschudding te brengen: ik ben er drie jaar ouder meê geworden!
_Adolf._ _(tot Judoc., hem de hand drukkend)_ En jij, beste vriend, dien
ik heb getergd tot dolwordens toe--jij zult wel de eerste zijn me te
vergeven, als ik je verzeker: dat al mijn komediespelen slechts dienen
moest om u te regtvaardigen, en Clara te beteren.
_Judoc._ Om _mij_ te regtvaardigen?
_Clara._ En _mij_ te beteren?
_Adolf._ Ja Clara, om _u_ te beteren. Want ik wist, hoe mijn vriend
Judocus de lieve Mathilde beminde. En ik wist ook, hoe mijn fijn
bruidje--alleen op zijn uiterlijk ziende--hem niet lijden mogt, en zelfs
hem van lamheid en karakterloosheid plagt te beschuldigen----
_Goedsm._ Ja, ja, daarin had Clara groot ongelijk--maar ik zie nog niet
in----
_Math._ Luister toch, vader!
_Adolf._ Nu heb ik den doktor in de gelegenheid willen stellen, u allen te
toonen: dat zijn zachtmoedigheid geen lafheid is, en dat 'ie, onder zijn
doodgoed uiterlijk, een ferm, edel, mannelijk hart draagt. En ik geloof,
dat ik, in den persoon van Alexander Magnus, er vrij wel in geslaagd
ben, zijn schat van geduld ten einde te brengen.
_(tot Judoc.)_ Nietwaar, doktor?
_Clara._ Volkomen, volkomen!
_Judoc._ _(stamelend)_ Dus was alles--alles----
_Adolf._ Alles was maar spel, mijn waarde!
_Goedsm._ _(boos)_ Ja, ja, mooi spel, mooi spel--maar ik zie niet in--ik
begrijp volstrekt niet----
_Math._ Foei vader--wil-je wel niet boos zijn! Wees liever blîj dat alles
zoo heerlijk is afgeloopen.
_Clara._ Zeker, oom--je zult er later om lagchen.
Maar _ik_--ik mogt wel in zak en asch mijn schande verbergen! _(gaat
naar Judoc. en reikt hem de hand)_. Meneer v.d. Vlugt, u is een edel
mensch--meer kan ik niet zeggen: maar ik ben zeker, dat u mij vergeven
zal, waar mijn domme oogen zich miskeken, en mijn vinnig tongetje zich
versprak.
_Judoc._ _(buigend)_ Mejuffrouw--ik verwachtte niet anders, ehem--en als
vriendin mijner Mathilde, ehem----
_Math._ _(Clara omhelzend)_ Ja Clara, als vriendin uwer gelukkige
Mathilde----
_Adolf._ _(tot Judoc.)_--Kan ze niet anders, dan ook u lief wezen!
_Goedsm._ Komaan--we eindigen ten minste met een familietableau!--Weet-je
wat--als jelui 't nu allemaal zóó aardig vindt, dan zal _ik_ de gekheid
ook maar slikken. Ofschoon ik herhaal, niet te begrijpen, waartoe 't
noodig was----_(de meisjes trachten hem den mond te stoppen)_----dat
mijn heele huis op stelten werd gezet----en dat hier een gansche
rooverroman met duels en dolken en pistolen moest vertoond worden, enkel
en alleen----
_Math._ Stil, vadertje--vrolijk zijn!
_Clara._ Lagchen!--Kijk 'reis rond: wat gelukkige gezigten om je heen!
_Adolf._ _(tot Goedsm.)_ En heeft 't uw hart geen goed gedaan, 't getergde
lam tot leeuw te zien worden! _(op Judoc. wijzend)_ Zie hem--hoe zijn
oog glinstert van edel vuur; hoe de nederige Cincinnatus de spade
wegsmijt, en 't zwaard vat; hoe de schuwe David tegen Goliath, de
ongeoefende schutter tegen Soranus te velde trekt--alles, om de eer van
zijn afwezigen vriend op te houden! Zeg, heer Goedsmoeds--was dat geen
prachtig spel!
_Math._ _(vat Judoc. bij de hand)_. Ik wist 't, Judocus--ik had niet
anders verwacht.
_Judoc._ _(met vuur)_ En vondt ook gij 't spel prachtig Mathilde? O, dan
wil ik verschrikkelijk zijn voortaan! Ik wil een Bayard worden, een
Hotspur, een Cid Campeador!
_Adolf_ en _Clara._ Bravissimo!
_Goedsm._ La ta ta--daar heb-je 't al! Je zult me met je dwaasheden den
doktor nog tot een bloedvergieter maken: een Blaauwbaard, een Aballino!
Maar, 't doet er niet toe! Ik wil niet langer de spelbreker wezen. Hier,
schenkt de glazen in--en zij onze dronk gewijd aan de trouw en liefde
tusschen de beide huwelijksparen!
_Adolf._ Zoo zij 't: hart om hart----
_Clara._----Ziel om ziel!
_Judoc._ Als Philemon----
_Math._----en Baucis!
_Goedsm._ Maar neemt één raad van mij, jongelui--en jij vooral, Adolf! Als
jelui weêr mijn vreedzaam huis 't onderst boven keert om komedie te
spelen--zorgt dan, in den naam van Snoek en Watteer, dat je tot nut en
vermaak, ten minste met eenige strekking, met een redelijk doel werkt!
Want, wat jelui me van avond hebt vertoond----hoor eens--'t blijft onder
ons, maar--ik geef je mijn woord van eer--: »'t Sop was de kool niet
waard!"
(_De muziek speelt den marsch uit de derde acte van »Figaro's
Hochzeit."_
_Goedsm., gevolgd door de beide paren, stapt 't tooneel rond._
_De gordijn valt_).