_Janneke_, vorigen.
_Jann._ Meneer--
_Goedsm._ Nu, Janneke, wat was er?
_Jann._ Meneer, daar is een andere heer om u te spreken. Hij zeît dat 'ie
meneer Magneet hiet.
_Goedsm._ Magneet?
_Clara._ _(tot Jann.)_ Och mensch, kun-je weêr geen naam onthouden!
_Jann._ Nou ja--Magneet of Magus?--weet ik 't!
_Goedsm._ Magneet of Magus?--mij onbekend.--Maar dat treft nu al heel
onaangenaam; 't is een ramp, dat we zoo klein gehuisd zijn: wáár moet ik
nu dien man te woord staan!
_Judoc._ Met uw verlof, meneer Goedsmoeds--ik ga--misschien----_(staat
op)_
_Goedsm._ Toch niet, doktor, blijf--ben-je dwaas geworden! Zal ik mijn
eigen huisgenooten voor een vreemde verjagen!
_Judoc._ Maar toch--misschien----
_Math._ Neen, blijf zitten, meneer Judocus. Vader zal 't wel kort maken
met dien heer.
_Clara._ Zeker, blijf zitten.
Maar zeg, Mathilde--misschien heeft meneer Judocus haast: zijn werk over
Erasmus, de zorg voor zijn pupillen, of andere geleerde bezigheden!
_Goedsm._ Och Janneke, laat die meneer Magneet of Magus maar boven komen.
't Doet er ook niet toe--we zijn burgermenschen--en hij moet 't nemen
zooals 't is.
_(Janneke af.)_