ZEVENDE TOONEEL.

_Janneke_, vorigen.

_Jann._ Meneer--

_Goedsm._ Nu, Janneke, wat was er?

_Jann._ Meneer, daar is een andere heer om u te spreken. Hij zeît dat 'ie

meneer Magneet hiet.

_Goedsm._ Magneet?

_Clara._ _(tot Jann.)_ Och mensch, kun-je weêr geen naam onthouden!

_Jann._ Nou ja--Magneet of Magus?--weet ik 't!

_Goedsm._ Magneet of Magus?--mij onbekend.--Maar dat treft nu al heel

onaangenaam; 't is een ramp, dat we zoo klein gehuisd zijn: wáár moet ik

nu dien man te woord staan!

_Judoc._ Met uw verlof, meneer Goedsmoeds--ik ga--misschien----_(staat

op)_

_Goedsm._ Toch niet, doktor, blijf--ben-je dwaas geworden! Zal ik mijn

eigen huisgenooten voor een vreemde verjagen!

_Judoc._ Maar toch--misschien----

_Math._ Neen, blijf zitten, meneer Judocus. Vader zal 't wel kort maken

met dien heer.

_Clara._ Zeker, blijf zitten.

Maar zeg, Mathilde--misschien heeft meneer Judocus haast: zijn werk over

Erasmus, de zorg voor zijn pupillen, of andere geleerde bezigheden!

_Goedsm._ Och Janneke, laat die meneer Magneet of Magus maar boven komen.

't Doet er ook niet toe--we zijn burgermenschen--en hij moet 't nemen

zooals 't is.

_(Janneke af.)_

Ontboezemingen · 第 75 / 83 题