_Alex. Magnus_, _vorigen_.
_Alex._ _(komt met veel geraas binnen)_ Meneer, mijn naam is Alexander
Magnus.--Uw dienaar, dames. Alexander Magnus is mijn naam. _(tot
Judoc.)_ Bonsoir, meneer, uw dienaar, zeer uw dienaar! _(smijt hoed en
stok in een hoek, neemt een stoel en gaat zitten)_.
_Goedsm._ Alexander Magnus?--Ik heb niet de eer U te kennen--'t zou me
aangenaam zijn----
_Alex._ Alexander Magnus is mijn naam, en, meneer, ik ben er trotsch op 't
te kunnen zeggen. Ik ben kortelings benoemd tot Leeraar in de
Staathuishoudkunde, de statistische- en handelswetenschappen aan de
hoogere burgerschool te Bellingwolde. Eerst sints weinig weken heb ik
mijn residium aldaar gevestigd, en ik ben expresselijk hierheen gekomen
om met U, meneer Goedsmoeds, en uw achtenswaardige familie, ehem----
_Goedsm._ Ah zoo!--Zeer veel eer, zeer veel eer, meneer Magnus! Leeraar in
de Staathuishoudkunde te Bellingwolde?--Mag ik u een glas wijn
aanbieden? Ik was waarlijk niet voorbereid op de eer van uw bezoek.
_Alex._ Ik weet 't, meneer. Ik kom als ik kom, en ik ga als ik ga. Nog
slechts zeer weinig connectiën heb ik in deze nabuurschap aangeknoopt:
omdat de meeste familiën mij niet aanstaan, en ik mij wel wacht, mijn
vriendschap te prostitueren aan individuen, die niet eenigzins met mij
op gelijke hoogte staan.
_Goedsm._ Dan, meneer, zult ge u ook hier in uw verwachtingen misschien
bedrogen vinden. Maar des te grooter onderscheiding voor ons.
_Alex._ Integendeel--ik moet mij verontschuldigen wegens de vrijheid die
ik neem.
Maar zeg me--heb ik 't genoegen in deze dames uw dochter en uw nicht te
ontmoeten?--En deze meneer? Stel me aan hem voor. Zeker een dorpsdominee
uit de environs?
_Goedsm._ Ik vraag verschooning. Deze heer zal u waarschijnlijk bekend
zijn, daar ook hij zich in 't vak van onderwijs beweegt. Judocus van der
Vlugt----
_Alex._ _(reikt Judoc. de hand)_ Meneer van der Vlugt--zeer veel genoegen
uw kennis te maken. Welzoo, ook in 't onderwijs? Waarschijnlijk
hulpkweekeling, of catechiseermeester?
_Judoc._ Noch 't een noch 't ander--ik ben, ehem----
_Goedsm._ Doktor in de Letteren, en direkteur van de kostschool alhier.
_Alex._ Doktor in de Letteren? Ah, vergeef me, doktor van der Vlugt--ik
heb u niet gekend aan een der Hoogescholen, die ik successievelijk
bezocht--en uw uiterlijk, ehem----
_Judoc._----Doktor in de Letteren, summa cum laude--'t zij met gepaste
zelfwaardering bekend.
_Alex._ Ah, ik ben verrukt in u een collega te treffen.
_Judoc._ Ik had slechts weinig vrienden aan de Leidsche Hoogeschool; en
door mijn bekrompen omstandigheden, ehem----
_Alex._ Natuurlijk--zoo zijn er veel jongeluî.
_Judoc._----moest ik 't mij ten hoofddoel stellen--dikwijls met opoffering
van alle genoegens, en eer minder achtend dan voordeel, ehem----
_Alex._ Juist, juist--ik kan me die positie voorstellen.
_Judoc._----zoo spoedig mogelijk de vruchten mijner studiën te plukken,
door 't aanvaarden van een min of meer winstgevende betrekking, die me
in staat stelde, in mijn eerste behoeften te voorzien.
_Alex._ Zeer te bejammeren! Zóó gaan dikwijls, door gebrek aan middelen,
groote talenten voor de maatschappij verloren.
_Goedsm._ Maar mij dunkt, de heeren moeten elkaâr in hun wederzijdsche
betrekkingen wel kennen.
_Judoc._ Pardon--dat is 't wat ik----
_Alex._ Onbegrijpelijk, niet waar! Maar ik kwam expresselijk te dezer
stede, om kennis te maken.--Intusschen, ik ben er zeker van, meneer van
der Vlugt moet mijn naam kennen uit 't werk dat ik geschreven heb.
_Math._ U heeft een boek geschreven, meneer?
_Clara._ Hé, zeg me, als 't niet al te geleerd klinkt--hoe is de titel en
waarover handelt 't?
_Alex._ Een boek, dames! Zeg, een werk--een werk, zeg! Drie deelen in
octavo. Ik zal u een exemplaar toezenden, zoodra de zevende herziene
druk van de pers zal zijn gekomen.
_Judoc._ _(steeds peinzend)_ Zonderling----
_Goedsm._ Groote geregtigheid--waar moet ik, arme van geest, blijven, als
mijn nederig huis de verzamelplaats wordt van schrijvers en geleerden!
_Alex._ _(tot Goedsmoeds)_ O, weest gerust, meneer Goedsmoeds! Ik ben niet
als zooveel anderen, die zich op zoo iets laten voorstaan.
_Judoc._ Hoogst zonderling komt 't mij voor----
_Clara._ Nu, meneer, we weten den titel nog niet. Waarover handelt uw
boek?
_Alex._ Mijn werk handelt, schoone dame, 't handelt over: 1º. »'t
Wenschelijke eener verhooging van de tarieven van in- uit- en doorvoer
op handelsartikelen, die door elkeen verbruikt worden."--2º. »Een
naauwkeurige statistische opgave van 't aantal echte kinderen die zouden
kunnen geboren worden, als alle menschen trouwden."--3º. »Een
verhandeling over 't meer voordeelige der zîjwormenteelt, als deze op
kool- in plaats van op moerbezieblaren kon geschieden."--Al 't welk
besloten wordt door, 4º. »Een uitgewerkte en met grondige argumenten
doorspekte lofrede op dwangarbeid en batig slot."
_Terwijl Alex. spreekt, houdt Goedsm. zich 't hoofd vast; Clara slaat de
handen ineen; Math. zucht; en Judoc. zit als verwilderd en overbluft hem
aan te staren._
_Goedsm._ Geleerd, zeer geleerd! Ik mag u natuurlijk niet
tegenspreken--maar toch zou ik gelooven----
_Alex._ Tegenspreken, meneer--waarom niet! Ik weet, mijn stellingen zijn
den grooten hoop niet duidelijk. Ook wil ik mezelf niet vernederen, door
mijn overtuiging aan elken oningewijde op te dringen. Maar zijn _wij_
niet vrienden, meneer Goedsmoeds--en zal 't me niet altijd een genoegen
zijn, met u te redetwisten, en ook uw naam te schrijven op de groote
lijst van hen, die ik voor mijn betoog 't hoofd heb doen buigen! _(ziet
triomfantelijk rond.)_
_Goedsm._ Zeker, meneer, zeker--maar ik meende, ehem----
_Clara._ _(tot Math.)_ Niet onaardig--we hebben lief gezelschap te gast!
_Goedsm._ Ik meende--ziet u--ik woû maar zeggen----
_Alex._ Ja ja--daar valt weinig tegen in te brengen.
_(tot Judoc.)_ Ook met u, doktor, vrees ik niet mij in 't strijdperk te
wagen.
_Judoc._ (hem verwonderd aanziend) Ehem, hum----
_Alex._ _(tot Clara)_ En u, Mejuffrouw, wat zegt u er van?
_Clara._ Wel, meneer, 't loopt mij wat te hoog. Om u de waarheid te
zeggen--ik dacht, dat u een nieuwen roman of een bundel gedichten had
uitgegeven.
_Alex._ Een nieuwen roman?
_Math._ Wezenlijk, meneer, ik wil niets afdingen op de waarde van uw
boek----
_Alex._ Afdingen?
_Math._----maar u begrijpt--zoo iets valt minder binnen ons bereik, dan
romantische lektuur.
_Alex._ Romantische lektuur! Is 't mogelijk, Mejuffrouw! Was niet 't
romanciëren en rijmelen door alle eeuwen heen een werk voor
kladschrijvers, pruldichters, weggeloopen ondermeesters, ziekelijke
kostschooljuffrouwen--kortom, van half krankzinnige schwärmers,
onbruikbare, hun evenmensch opetende bastaard wezens, kankers aan den
gezonden boom eener practische maatschappij!--Mejuffrouw----
_Clara._ Wel, meneer, 't is toch geen schande, een roman of een gedicht
geschreven te hebben. Daar hebt ge van Lennep, de Genestet----
_Alex._ _(driftig)_ Wat van Lennep! Wat de Genestet!--Ik zeg u,
Mejuffrouw, 't _is_ schande!
_Goedsm._ _(angstig)_ Meneer Magnus, u begrijpt ons verkeerd.
_Alex._ Neen, meneer--gij alle schijnt niet 't flaauwst idee te hebben van
de hooge waarde der wetenschap, boven de zich in 't hof der ijdelheid
wentelende romantiek en bellétrie!
_Goedsm._ Hemelsche geregtigheid--hoe red ik me hieruit! _(tot Judoc.)_
Doktor, kom, spreek 'reis meê, en breng meneer Magnus aan 't verstand,
dat 't onze bedoeling niet was, hem eenigzins te krenken.
_Alex._ Zeker, laat de doktor oordeelen! _(tot Judoc.)_ Heer Judocus v. d.
Vlugt, tot u rigt ik 't woord. U _moet_ mijn werk gelezen en herlezen
hebben; 't _moet_ u als de nieuwste autoriteit gegolden hebben, wilt ge
eenigzins op de hoogte van zaken gebleven zijn.
_Judoc._ _(kucht en zet zich in postuur)_ Ik heb, ehem----
_Alex._ Ge moet, meneer, ik zeg u, ge _moet_! Gij, doktor in de Letteren!
_Judoc._ Ik moet bekennen, ehem----
_Alex._ Gij, opvoeder van een aankomend geslacht, ge _kunt_ uw pupillen
niet verstoken hebben van een werk, dat opgang gemaakt heeft tot aan de
hoogere burgerscholen van Rottum en Borkum.
_Judoc._ Rottum en Borkum!--Ik moet bekennen, ehem--als meneer me een
oogenblik aan 't woord wil laten----_(hij spreekt voortdurend harder en
windt zich op tot rood-wordens toe)_.
_Alex._ Welnu?
_Judoc._ Tot mijn spijt en leedwezen moet ik bekennen, ehem--dat ik nooit
een werk van dien aard op eenigen catalogus heb gevonden----
_Alex._ _(zich driftig makend)_ Dat pleit niet voor uw boekenkennis?
meneer!
_Judoc._----en ook U, meneer, onder den naam dien ge voert, als schrijver
nooit heb hooren noemen, ehem----
_Alex._ Doktor Judocus!
_Judoc._----noch als leeraar aan een fictieve hoogere burgerschool te
Bellingwolde.--
_Alex._ } Doktor v. d. Vlugt!
_Goedsm._ } Is 't mogelijk? Doktor, bezin-je wel!
_Judoc._--Ik heb zelfs gegronde reden te twijfelen----
_Alex._ Twijfelen?
_Judoc._----aan 't bestaan van 't werk, dat ge 't uwe noemt.--
_Alex._ Meneer!
_Judoc._--De onderwerpen, die ge opgeeft daarin te behandelen, komen mij,
zelfs in uw mond, veel te ongeremd voor----
_Goedsm._ Judocus, weet toch wat je zegt! _(Alex. staat op)_.
_Judoc._ _(staat op)_----dan dat ik zou kunnen gelooven dat u in ernst
spreekt;--
_Alex._ Meneer v. d. Vlugt--die woorden!
_Goedsm._ } _(staat op)_ Houd u in, doktor!
_Math._ } In 's hemelsnaam, meneer Judocus!
_Clara._ } _(ter zijde)_ Bravo!
_Judoc._--en ik moet U gelijk stellen met hen, die van de argeloosheid der
onwetenden misbruik maken----
_Goedsm._ } Doktor, ben-je razend!
_Clara._ } _(ter zijde)_ Bravissimo!
_Judoc._ _(met hooge verontwaardiging)_----om hen te bedriegen!
_Alex._ _(springt woedend vooruit)_ Meneer--was 't niet om de dames--ik
zou je die woorden doen terugslikken----
_Goedsm._ _(smeekend)_ Meneer Magnus!
_Alex._ _(schreeuwt)_----ik zou je doen voelen, hoe menschen als ik gewoon
zijn, de onbeschoftheid van hun minderen te straffen! Dát zou ik!
_Judoc._ _(plegtig en bedaard)_ Is niet uw naam Alexander Magnus?
_Alex._ Mijn naam is Alexander Magnus Junior, gelijk die mijns vaders
Alexander Magnus Senior was. Ik ben leeraar in de Staathuishoudkunde, de
statistische- en handelswetenschappen aan de hoogere burgerschool te
Bellingwolde. Dat heb ik u zoo even gezegd--hoe dikwijls zal ik 't nog
moeten herhalen!
_Judoc._ De persoon van Alexander Magnus is mij bekend----
_Alex._ Als schrijver van 't bovengenoemd geleerd werk.
_Judoc._----in de geschiedenis----
_Alex._ Van de nieuwere letterkunde.
_Judoc._----van 't oude Macedonië----
_Alex._ Macedonië?
_Judoc._----als vorst en wereldveroveraar!
_Alex._ Wereldveroveraar?
_Judoc._--U echter ken ik niet, noch uw geleerd werk, en--ik wensch met
geen van beide in nader kennis te geraken. _(buigt, gaat zitten, drinkt
en rookt zijn pijp.)_
_Alex._ _(woedend)_ _(Goedsm. tracht hem te sussen.)_ Meneer v. d. Vlugt,
doktor Judocus v. d. Vlugt--U is óf een ongehoorde ezel, óf niet regt
bij zinnen. Ik wil u niet beschamen voor de dames hier, en voor onzen
waardigen gastheer. Maar ik raad u, neem je beleediging terug, als ge
niet wilt, dat ik je prijs geef, u en je doktorsgraad summa cum laude,
aan de woede en verachting van een beschaafd publiek, dat mij kent en
hoogschat. Bedenk, meneer----