ZESDE TOONEEL.

_Mathilde_, _Clara_, _vorigen_.

_Janneke brengt pijpen enz. Daarna af. Judocus staat achter zijn stoel,

en buigt._

_Goedsm._ En nu, komt hier, kinderen! Kom hier, Mathilde! Mijn wensch van

zoo even kan vervuld worden.

Zeg, Mathilde, kind--dáár is doktor Judocus v. d. Vlugt. Je kent

'em--zoowel persoonlijk, als van naam en karakter. Hoe denk-je over 'em?

Wat zou-je zeggen als 'ie je vroeg tot zijn vrouw? Neen--wees niet

verlegen tegenover je naaste betrekkingen! Zeg fermweg ja, of neen!

Kom, doktor, help me een handje, doe je woord, vriend!

_Judoc._ _(steeds buigend)_ Mejuffrouw----

_Math._ _(zeer bedremmeld)_ Maar vader----

_Clara._ _(tot Math.)_ Wat heb ik je gezeid! Maar wees verstandig--: bij

al wat je lief is, weiger 'em--maak jezelf en vader en mij niet

ongelukkig!

_Judoc._ Mejuffrouw, reeds lang----

_Math._ Zoo geheel onverwacht----

_Judoc._----reeds zeer lang----

_Clara._ _(tot Math.)_ Weiger 'em, weiger 'em, vóór 't te laat is!

_Goedsm._ La la, wat getalm! Wat is je antwoord, Mathilde?

_Judoc._ Mejuffrouw, reeds zeer lang heeft mijn hart, ehem----

_Goedsm._ Komaan, doktor, geen speeches--rondweg, op zijn oud-Hollandsch!

Zóó doen ze 't bij Langendijk ook!

_Clara._ _(tot Math.)_ Weiger 'em! Geef 'em den bezem achterna!

_Goedsm._ Wat mopper-jij er toch tusschen, Clara?

_Math._ Niets, vader, niets.

_(tot Judoc.)_ Och meneer, neem me niet kwalijk--ik ben zoo verrast----

_Clara._ Verrast ook nog!--Zeg verschrikt!

_Judoc._ _(vat moed en roept luide)_ Ja, Mejuffrouw, ik bemin u!--Mijn

woorden zijn zwak, maar mijn hart is sterk, en mijn daden zullen goed

maken wat mijn ongeoefende tong te kort schiet!

_Goedsm._ Zóó, goed gezegd! Er zijn er genoeg die 't omkeeren.

_Judoc._ _(tot Math.)_ Ik wil u de eereplaats inruimen in mijn nederig

huis. Ik wil u verzorgen als de pupillen mijner kostschool!

_Math._ Als vader 't goedvindt----

_Clara._ _(tot Math.)_ Je neemt 't aan!--Wee, wee, mijn arme vriendin!

_Judoc._ _(tot Math.)_ Ja, Mejuffrouw--ik zal u trouw zijn als de doffer

zijn duifken! Mejuffrouw, wees gij mijn »Roos van Saron, mijn Lelie der

dalen"--en laat _ik_ u zijn, »als een appelboom onder de boomen des

wouds--als een tros van Cyprus in de wijngaarden van En-Gedi"!

_Clara._ Hemel, hij wordt hartstogtelijk--vuur en vlam!

_Judoc._ _(tot Math.)_ Want, gelijk de oude Copten, Mejuffrouw, de oude

Copten en Assyriërs----

_Math._ Wel, meneer, als vader 't goedvindt----

_Goedsm._ Ja, ja--vader vindt 't goed. En vader zou 't niet goed vinden,

als Mathilde 't ook niet deed.

Komaan, kinderen--'t is nu lang genoeg geschermd met vergezochte

woorden. Laat 't hart spreken. Kust elkaâr--zóó, zóó--'t is de

eerste--welnu, dat er nog duizend en duizend na dezen volgen!

_Judocus heeft Mathilde omhelsd, en Goedsmoeds drukt zegenend hun

hoofden tegen elkaâr; Clara zit op haar stoel, neemt een boek op, smijt

't weg, en kijkt 't jonge paar spottend en wrevelig aan._

En nu--we willen dezen avond vieren onder ons. Ik ben in lang zóó

gelukkig niet geweest! Kom hier, Judocus, schoonzoon--een glas

wijn?--Dat zal je goeddoen: je ziet waarlijk bleek, alsof je alle geluk

verspeeld hadt. Wel, in mijn tijd was dat anders--toen waren de jongeluî

soms al te warm.--Maar, ik zie wel, de schrik zit jeluî nog in 't lijf.

_(tot Clara.)_ Kom, Clara, meid--wat pruil-je daar alleen! Toch niet

jaloersch?

_Clara._ De hemel bewaar me--ik zoek mijn naaiwerk.

_Goedsm._ In je boek?--Komaan, ook jou vrijer staat voor de deur. Je Adolf

kan niet lang meer van de reis uitblijven.

_Clara._ _(ter zijde)_ _Mijn_ vrijer--ja, maar als de mijne zóó was!

_Goedsm._ Neemt plaats, kinderen! Judocus, Mathilde--laat 't soezen tot

volle maan! Hier, de glazen geledigd--ik wil heden avond vreugde zien!

_Judocus heeft al dien tijd stokstijf naast Mathilde gestaan; op

Goedsmoeds' uitnoodiging stopt hij een pijp._

Kinderen, op ons aller lang en gelukkig zamenzijn! _(tot Judoc.)_ Zeg,

doktor--ad fundum, hoop ik?

_Judoc._ _(drinkt)_ Van harte--op ons zamenzijn!

_(tot Clara)_. En ook met u, Mejuffvrouw, zal 't me een groote eer zijn,

ehem--de kennismaking, ehem----

_Clara._ _(kortaf)_ Wel verpligt, meneer--maar 'k houd niet van

komplimenten.

_Judoc._ _(verschrikt)_ Verschoon me--'t was mijn bedoeling niet----

_Goedsm._ Wel foei, Clara--je zijt niet heel beleefd.

_Clara._ Beleefd of niet beleefd. Laat meneer zich met zijn eigen bruid

bemoeijen.

_Goedsm._ Maar kind--hoe heb ik 't met je? Moet jij me nu de vreugd

vergallen!

_Judoc._ _(tot Math.)_ Ik begrijp niet in hoever----

_(tot Goedsm.)_ Meneer Goedsmoeds, indien 't niet tot algemeen genoegen

is--indien mijn persoon soms aanstoot mogt geven----_(hij staat op.)_

_Goedsm._ Sakkerloot, doktor, wat denk-je wel! Stoor je niet aan hare

nukken--ik weet niet wat de meid scheelt.

_Math._ En u heeft immers alleen met mij te doen, meneer Judocus.

_Judoc._ _(tot Math.)_ Zeker, Mejuffrouw--doch hoe gelukkig me uw

gezelschap maakt--ik zou niet gaarne aanleiding geven, ehem--dat de

vrede in uws vaders huis, ehem----

_Goedsm._ _(drukt hem op zijn stoel)_ Wat praat-je van vrede! Ze weet niet

wat ze zegt, de meid--ze meent 't niet.

_Math._ Neen, mijn beste Clara meent 't zoo niet. Ze is van harte blij om

ons geluk. _(naar Clara toegaand)_ Nietwaar, zus?

_Clara._ _(knorrig)_ Je beste Clara meent 't _wel_, en is _niet_ blij!

_(gaat naar de deur)_.

_Goedsm._ Zoo zoo--als ze 't dan wel meent, en niet blij is, laat ze dan

zoo goed zijn, dat wat minder te toonen aan menschen, die geen schuld

hebben aan haar kwaad humeur.

_(gaat naar Clara toe.)_ Wees toch verstandig, kind--st, daar is iemand.

Houd toch je fatsoen--wat moeten de luî van je denken!

Ontboezemingen · 第 74 / 83 题