VIJFDE TOONEEL.

_Judocus_, _Goedsmoeds_.

_Goedsm._ Ha--en hoe gaat 't, doktor? Waarom heb-je me al niet 'reis eêr

bezocht? _(Judoc. scharrelt met zijn hoed en parapluie)_.

Geef je hoed maar hier, en maak 't je gemakkelijk _(reikt hem een

stoel)_.

_Judoc._ Meneer Goedsmoeds--'t is me aangenaam--ik had in lang niet de

eer--uw huis te betreden. Maar ik was zoo--zoo vol beslommeringen--een

werk dat ik schrijf--: "Erasmus' laatste levensuren"--en, ehem----

_Goedsm._ Ja ja ja--ik neem 't je volstrekt niet kwalijk. Natuurlijk, je

hebt meer aan 't hoofd dan burenbezoeken. Werken schrijven! Wel--ik kan

me voorstellen, hoe dát iemand moet aftrekken van de nietigheden waarmeê

wij, gewone stervelingen, ons 't hoofd breken!--En dan zóó'n geleerd

werk als u daar noemt--! Lieve Hemel--ik geloof, ik werd eêr Erasmus

zelf, dan dat ik een boek schreef over zijn laatste levensuren!

_Judoc._ Toch niet, toch niet, meneer Goedsmoeds! Een weinig studie--een

doordringen in den geest van 't onderwerp;--en dan--'t is zoo schoon, de

geschiedenis van 't menschdom na te gaan in haar verhevenste

lichtpunten, ehem----

_Goedsm._ In haar verhevenste lichtpunten--dat moet zeker schoon zijn!

_Judoc._----Zichzelf als mensch te bewonderen in onze groote medemenschen!

_Goedsm._ Zichzelf als mensch te bewonderen!--Zeker, 'k vind 't wel wat

ijdel--maar toch--zeker, als u 't zegt, zal 't wel waar zijn.--A propos,

doktor, je zoudt me laatst 'reis een paar aardige boeken geleend hebben

van Langendijk of van Effen. Vergeef me dat ik er om vraag--maar je

kondt 't vergeten zijn.

_Judoc._ Justus van Effen--onze Hollandsche Addison--hij was altijd mijn

lieveling in dat genre--: zoo geestig, zoo natuurlijk en bevallig in

zijn teekeningen.--Geheel anders is 't met Langendijk, die--zonder

bepaaldelijk grof te zijn----

_Goedsm._ O ja, is 't niet--Langendijk is nog al 'reis kwetsend voor

preutsche ooren?

_Judoc._----Zonder bepaaldelijk grof te zijn, heeft hij in zijn

kluchtspelen dát met veel schrijvers onzer vorige eeuw gemeen, ehem--dat

zijn smaak dikwijls mank schijnt te gaan bij 't juiste kiezen zijner

uitdrukkingen, ehem--en dat zijn kwinkslagen, hoe vol geest en luim,

ehem----

_Goedsm._ Ja ja--ik heb zijn »Krelis Louwen" wel gelezen, en ik moet

zeggen, 'k zou 't ding mijn dochters liever niet in handen geven.

_Judoc._ _(schrikt alsof hij zich iets herinnert)_ Uw dochters--ja, uw

dochters------Meneer Goedsmoeds, ik kwam eigenlijk hier, ehem--ik kwam

hier, zeg ik, ehem----

_Goedsm._ Welnu, doktor?

_Judoc._ Mijn drokke bezigheden maken mijn tijd uiterst beperkt. 't Werk

over Erasmus, dat ik onder handen heb, ehem----

_Goedsm._ Je zult toch mijn hulp niet behoeven bij je arbeid?

_Judoc._ Dát niet, meneer Goedsmoeds--niet bij mijn arbeid.

_Goedsm._ Ik zweer je, dat ik even weinig afweet van Erasmus' dood als van

zijn geboorte.

_Judoc._ Ik kwam eigenlijk hier, meneer Goedsmoeds, om u te vragen,

ehem----

_Goedsm._ Vraag, doktor,--wees niet bedremmeld! Waarmeê kan ik je helpen?

Geld, goeden raad? Ik heb van beide niet veel, maar toch altijd nog

genoeg om een beetje meê te deelen.

_Judoc._ Ik meende, meneer Goedsmoeds--ik kwam--ik woû u vragen----

_Goedsm._ Duivel, spreek dan uit!

_Judoc._ _(moed vattend)_ De staat van ongehuwd man, ehem--is reeds door

velen--door Cats--en vóór hem door Hippócrates----

_Goedsm._ Cats--ja, een autoriteit. Hippocràtes ken ik minder.

_Judoc._----door Hippo-o-o-crates ten sterkste afgeraden. Ik kwam dus,

meneer Goedsmoeds--'s grooten dichters »houwelicken staat" gelezen en

herlezen hebbend--ik kwam, ehem----

_Goedsm._ _(aanmoedigend)_ Welzoo--met die gedachte kwam-je hier? Dus niet

om geld of goeden raad--niet met Langendijk of van Effen!

_Judoc._ Ik kwam, meneer, om een veel grooter schat--: een schat,

ehem--waarvan reeds Ovidius----

_Goedsm._ Doktor, wat moet ik denken!

_Judoc._ Meneer Goedsmoeds--de toon waarop u dat zegt--geeft mij moed. Ik

kwam hier, meneer Goedsmoeds--ik kwam hier, ehem _(staat op)_--om uw

dochter--Mejuffrouw uw dochter, ehem----

_Goedsm._ _(staat op en schudt hem hartelijk de hand)_ Doktor, meneer v.

d. Vlugt, ik houd van regt door zee gaan. Adolf Smit heeft me over u

gesproken, en ik antwoord u wat ik hem geantwoord heb. Uw aanzoek

verheugt me en vereert me--dat wil ik u niet ontveinzen. Wel ja--_ik_

geef je mijn dochter, mijn lieve Mathilde, van ganscher harte--en _zij_

zal je niet weigeren. _Ik_ ken je, en _zij_ zal je leeren kennen voor

wat je zijt!

_(hij roept aan de deur.)_ Meisjes, meisjes, komt 'reis beneden! 't

Beddegoed zal nu wel gerekt zijn.

Janneke, luije gans--brengt toch pijpen en tabak, en een flesch wijn--er

staan er nog twee oude in den kelder!

Ontboezemingen · 第 73 / 83 题