_Judocus_, _Goedsmoeds_.
_Goedsm._ Ha--en hoe gaat 't, doktor? Waarom heb-je me al niet 'reis eêr
bezocht? _(Judoc. scharrelt met zijn hoed en parapluie)_.
Geef je hoed maar hier, en maak 't je gemakkelijk _(reikt hem een
stoel)_.
_Judoc._ Meneer Goedsmoeds--'t is me aangenaam--ik had in lang niet de
eer--uw huis te betreden. Maar ik was zoo--zoo vol beslommeringen--een
werk dat ik schrijf--: "Erasmus' laatste levensuren"--en, ehem----
_Goedsm._ Ja ja ja--ik neem 't je volstrekt niet kwalijk. Natuurlijk, je
hebt meer aan 't hoofd dan burenbezoeken. Werken schrijven! Wel--ik kan
me voorstellen, hoe dát iemand moet aftrekken van de nietigheden waarmeê
wij, gewone stervelingen, ons 't hoofd breken!--En dan zóó'n geleerd
werk als u daar noemt--! Lieve Hemel--ik geloof, ik werd eêr Erasmus
zelf, dan dat ik een boek schreef over zijn laatste levensuren!
_Judoc._ Toch niet, toch niet, meneer Goedsmoeds! Een weinig studie--een
doordringen in den geest van 't onderwerp;--en dan--'t is zoo schoon, de
geschiedenis van 't menschdom na te gaan in haar verhevenste
lichtpunten, ehem----
_Goedsm._ In haar verhevenste lichtpunten--dat moet zeker schoon zijn!
_Judoc._----Zichzelf als mensch te bewonderen in onze groote medemenschen!
_Goedsm._ Zichzelf als mensch te bewonderen!--Zeker, 'k vind 't wel wat
ijdel--maar toch--zeker, als u 't zegt, zal 't wel waar zijn.--A propos,
doktor, je zoudt me laatst 'reis een paar aardige boeken geleend hebben
van Langendijk of van Effen. Vergeef me dat ik er om vraag--maar je
kondt 't vergeten zijn.
_Judoc._ Justus van Effen--onze Hollandsche Addison--hij was altijd mijn
lieveling in dat genre--: zoo geestig, zoo natuurlijk en bevallig in
zijn teekeningen.--Geheel anders is 't met Langendijk, die--zonder
bepaaldelijk grof te zijn----
_Goedsm._ O ja, is 't niet--Langendijk is nog al 'reis kwetsend voor
preutsche ooren?
_Judoc._----Zonder bepaaldelijk grof te zijn, heeft hij in zijn
kluchtspelen dát met veel schrijvers onzer vorige eeuw gemeen, ehem--dat
zijn smaak dikwijls mank schijnt te gaan bij 't juiste kiezen zijner
uitdrukkingen, ehem--en dat zijn kwinkslagen, hoe vol geest en luim,
ehem----
_Goedsm._ Ja ja--ik heb zijn »Krelis Louwen" wel gelezen, en ik moet
zeggen, 'k zou 't ding mijn dochters liever niet in handen geven.
_Judoc._ _(schrikt alsof hij zich iets herinnert)_ Uw dochters--ja, uw
dochters------Meneer Goedsmoeds, ik kwam eigenlijk hier, ehem--ik kwam
hier, zeg ik, ehem----
_Goedsm._ Welnu, doktor?
_Judoc._ Mijn drokke bezigheden maken mijn tijd uiterst beperkt. 't Werk
over Erasmus, dat ik onder handen heb, ehem----
_Goedsm._ Je zult toch mijn hulp niet behoeven bij je arbeid?
_Judoc._ Dát niet, meneer Goedsmoeds--niet bij mijn arbeid.
_Goedsm._ Ik zweer je, dat ik even weinig afweet van Erasmus' dood als van
zijn geboorte.
_Judoc._ Ik kwam eigenlijk hier, meneer Goedsmoeds, om u te vragen,
ehem----
_Goedsm._ Vraag, doktor,--wees niet bedremmeld! Waarmeê kan ik je helpen?
Geld, goeden raad? Ik heb van beide niet veel, maar toch altijd nog
genoeg om een beetje meê te deelen.
_Judoc._ Ik meende, meneer Goedsmoeds--ik kwam--ik woû u vragen----
_Goedsm._ Duivel, spreek dan uit!
_Judoc._ _(moed vattend)_ De staat van ongehuwd man, ehem--is reeds door
velen--door Cats--en vóór hem door Hippócrates----
_Goedsm._ Cats--ja, een autoriteit. Hippocràtes ken ik minder.
_Judoc._----door Hippo-o-o-crates ten sterkste afgeraden. Ik kwam dus,
meneer Goedsmoeds--'s grooten dichters »houwelicken staat" gelezen en
herlezen hebbend--ik kwam, ehem----
_Goedsm._ _(aanmoedigend)_ Welzoo--met die gedachte kwam-je hier? Dus niet
om geld of goeden raad--niet met Langendijk of van Effen!
_Judoc._ Ik kwam, meneer, om een veel grooter schat--: een schat,
ehem--waarvan reeds Ovidius----
_Goedsm._ Doktor, wat moet ik denken!
_Judoc._ Meneer Goedsmoeds--de toon waarop u dat zegt--geeft mij moed. Ik
kwam hier, meneer Goedsmoeds--ik kwam hier, ehem _(staat op)_--om uw
dochter--Mejuffrouw uw dochter, ehem----
_Goedsm._ _(staat op en schudt hem hartelijk de hand)_ Doktor, meneer v.
d. Vlugt, ik houd van regt door zee gaan. Adolf Smit heeft me over u
gesproken, en ik antwoord u wat ik hem geantwoord heb. Uw aanzoek
verheugt me en vereert me--dat wil ik u niet ontveinzen. Wel ja--_ik_
geef je mijn dochter, mijn lieve Mathilde, van ganscher harte--en _zij_
zal je niet weigeren. _Ik_ ken je, en _zij_ zal je leeren kennen voor
wat je zijt!
_(hij roept aan de deur.)_ Meisjes, meisjes, komt 'reis beneden! 't
Beddegoed zal nu wel gerekt zijn.
Janneke, luije gans--brengt toch pijpen en tabak, en een flesch wijn--er
staan er nog twee oude in den kelder!