_Goedsmoeds_, _vorigen_.
_Goedsm._ Ta ta ta, kinderen, wat nu! Alweêr aan 't kijven en keffen! Wat
heb-jelui toch aan de hand? Je kunt geen half uur zamen zijn, zonder
elkaâr in 't haar te vatten.
En Mathilde--wat kijkt ze opgewonden! Zeg, kind, wat is er toch gaande?
_Clara._ Och niets, oom: ze trekt partij voor dien langen lummel, dien
schoolmeester, die hier altoos met de jongens voorbijsleept; u kent 'em
wel, dien heer----
_Math._ Stil, Clara!--Vader, 't was niets--ik verzeker 't u. Een
meisjespraatje. U weet wel, vader: wij, dochters van Eva, hebben 't
altijd over de mannen, als de mannen er niet bij zijn, en--dan zijn we
't ongelukkig zelden eens.
_Goedsm._ Ei zoo,--ha ha ha--ja, dat wist ik. Even goed als ik weet, dat
't er in de wereld heel wat beter zou uitzien, als alle vrouwen zoo gul
en rondweg spraken als jij, Matje.
A propos, ehem--jelui spraakt dus over mannen--: mannen, niet in
kwaliteit van »heeren der schepping", maar als knechten van je fantasie.
Natuurlijk!
_Clara._ Precies zooals u zegt, oom--met 't kleine onderscheid alleen, dat
die lange schoolmeester, op Matje's fantasie----
_Math._ _(driftig)_ Clara, Clara!
_Goedsm._ Ei ja, die schoolmeester--doktor, wil-je zeggen--: die heer
Judocus.--Nu, Matje, waarom wil-je zijn naam niet hooren? Zou-je denken,
dat 'ie om _niet_ hier dagelijks voorbij wandelt, naar 't raam kijkt, en
zoo beleefd salueert als zijn stijve rug 't toelaat!
_Math._ Och--gekheid, vader!
_Goedsm._ Nu nu, er steekt geen kwaad in. De man is wat menschenschuw, en
wat pedant in zijn spreken; maar toch ken ik hem als een degelijk,
verstandig en hartelijk mensch. Dat zeî Adolf ook altijd; die sprak niet
dan goed van hem.--Nietwaar, Clara?
_Clara._ Ja, oom, ik weet niet wat Adolf van hem belieft te vertellen.
Maar _ik_ ken 'em als den stijfsten boonestaak en de vervelendste tronie
van heel de stad.
_Goedsm._ Poeh poeh--stijve boonestaak, vervelende tronie! 't Is goed dat
niemand je hoort. Denk er eens aan: we kunnen niet alle zulke nette
kereltjes zijn als jou Adolf; alle meisjes treffen 't zóó gelukkig niet
als jij, kind--en, de meeste kijken ook zoo naauw niet.--Ik voor mij zou
den hemel danken, als ik 't nog 'reis beleven mogt, hoe mijn dochter me
een kleinkind op de knie liet wiegen, waarvan zóó'n braaf man de vader
was!
_Clara._ Nu oom, dat kon nog wel 'reis gebeuren--ten minste, naar
Mathilde's spreken te oordeelen----
_Math._ Clara, nog eens--je zegt meer dan je betaamt, en ik moet je
verzoeken----
_Goedsm._ Ta ta ta, in 's hemelsnaam, laat de mannen de mannen, maar vrede
bovenal! Gelooft me, kinderen--geen huwelijk ter wereld is waard dat men
er om vecht, en, vriendschap gaat nog duizendmaal boven liefde!
Dáár, handjes geven! Zóó--dat staat jelui beter, dan booze rimpels in de
gladde koontjes. Vrede bovenal!--Stil, daar is Janneke.