TWEEDE TOONEEL.

_Goedsmoeds_, _vorigen_.

_Goedsm._ Ta ta ta, kinderen, wat nu! Alweêr aan 't kijven en keffen! Wat

heb-jelui toch aan de hand? Je kunt geen half uur zamen zijn, zonder

elkaâr in 't haar te vatten.

En Mathilde--wat kijkt ze opgewonden! Zeg, kind, wat is er toch gaande?

_Clara._ Och niets, oom: ze trekt partij voor dien langen lummel, dien

schoolmeester, die hier altoos met de jongens voorbijsleept; u kent 'em

wel, dien heer----

_Math._ Stil, Clara!--Vader, 't was niets--ik verzeker 't u. Een

meisjespraatje. U weet wel, vader: wij, dochters van Eva, hebben 't

altijd over de mannen, als de mannen er niet bij zijn, en--dan zijn we

't ongelukkig zelden eens.

_Goedsm._ Ei zoo,--ha ha ha--ja, dat wist ik. Even goed als ik weet, dat

't er in de wereld heel wat beter zou uitzien, als alle vrouwen zoo gul

en rondweg spraken als jij, Matje.

A propos, ehem--jelui spraakt dus over mannen--: mannen, niet in

kwaliteit van »heeren der schepping", maar als knechten van je fantasie.

Natuurlijk!

_Clara._ Precies zooals u zegt, oom--met 't kleine onderscheid alleen, dat

die lange schoolmeester, op Matje's fantasie----

_Math._ _(driftig)_ Clara, Clara!

_Goedsm._ Ei ja, die schoolmeester--doktor, wil-je zeggen--: die heer

Judocus.--Nu, Matje, waarom wil-je zijn naam niet hooren? Zou-je denken,

dat 'ie om _niet_ hier dagelijks voorbij wandelt, naar 't raam kijkt, en

zoo beleefd salueert als zijn stijve rug 't toelaat!

_Math._ Och--gekheid, vader!

_Goedsm._ Nu nu, er steekt geen kwaad in. De man is wat menschenschuw, en

wat pedant in zijn spreken; maar toch ken ik hem als een degelijk,

verstandig en hartelijk mensch. Dat zeî Adolf ook altijd; die sprak niet

dan goed van hem.--Nietwaar, Clara?

_Clara._ Ja, oom, ik weet niet wat Adolf van hem belieft te vertellen.

Maar _ik_ ken 'em als den stijfsten boonestaak en de vervelendste tronie

van heel de stad.

_Goedsm._ Poeh poeh--stijve boonestaak, vervelende tronie! 't Is goed dat

niemand je hoort. Denk er eens aan: we kunnen niet alle zulke nette

kereltjes zijn als jou Adolf; alle meisjes treffen 't zóó gelukkig niet

als jij, kind--en, de meeste kijken ook zoo naauw niet.--Ik voor mij zou

den hemel danken, als ik 't nog 'reis beleven mogt, hoe mijn dochter me

een kleinkind op de knie liet wiegen, waarvan zóó'n braaf man de vader

was!

_Clara._ Nu oom, dat kon nog wel 'reis gebeuren--ten minste, naar

Mathilde's spreken te oordeelen----

_Math._ Clara, nog eens--je zegt meer dan je betaamt, en ik moet je

verzoeken----

_Goedsm._ Ta ta ta, in 's hemelsnaam, laat de mannen de mannen, maar vrede

bovenal! Gelooft me, kinderen--geen huwelijk ter wereld is waard dat men

er om vecht, en, vriendschap gaat nog duizendmaal boven liefde!

Dáár, handjes geven! Zóó--dat staat jelui beter, dan booze rimpels in de

gladde koontjes. Vrede bovenal!--Stil, daar is Janneke.

Ontboezemingen · 第 70 / 83 题