_'t Tooneel stelt voor een eenvoudig doch net gemeubileerd huisvertrek._
_Mathilde, Clara_. _De eerste breijend, de ander met een boek in de hand._
_Clara_. Ik kan 't niet helpen, en, hoe je ook praten moogt--ik vind hem
een bespottelijk, akelig, sullig mensch.
_Mathilde_. Clara, Clara--ik zeg je nogeens: je beoordeelt de menschen te
oppervlakkig, te veel naar 't uiterlijk, en naar den eersten indruk dien
ze op je maken. Daarom is je oordeel ook meestal verkeerd: al te gunstig
of al te hard.
_Clara_. Wel mogelijk. Ik leg me er ook niet op toe, elks karakter te
doorgronden: daartoe heb ik noch tijd noch lust. Maar, zoolang ik 't
tegendeel niet bewezen vind, houd ik 't er voor: dat een onaangenaam
uiterlijk en kalverige manieren bijna altijd de kenteekenen zijn van een
achterlijken geest en een onedel karakter.
_Mathilde_. Je hebt geen tijd of lust om iemands karakter te
doorgronden--doch wél tijd en lust, om over elk, op 't uiterlijk af, een
onherroepelijk vonnis te vellen. Wezenlijk, Clara, ik begrijp niet hoe
jij zoo spreken kunt. Je hart is te edel, en je verstand te goed
ontwikkeld, dan dat beide je niet zouden doen gevoelen, hoe _die_ schijn
bedriegt.
_Clara._ Een vrij afgezaagd spreekwoord! Moet men dan, volgens u, leelijk
zijn en lomp, om een goed mensch te kunnen wezen?
_Mathilde._ Volstrekt niet;--die stelling zou even dwaas zijn als de uwe.
Ikzelf ben nog te jong en heb nog te veel smaak, om zóó iets te durven
beweren. En dat je liever een regten neus ziet dan een scheeven, liever
blond haar dan rood, liever een welluidend compliment hoort dan een
boersch gestotter--dát kan ik je niet kwalijk nemen.
_Clara._ Nu, wat dan?
_Mathilde._ Ik woû alleen, dat je een en ander als uitwendige ornamenten
beschouwdet, die een goed inwendig volmaken, doch op zichzelf hoegenaamd
geen waarde bezitten. Dan zou-je niet zoo ingenomen zijn met personen,
van wie je niets kent, dan wat je oogen gezien hebben; en je zoudt niet
zoo liefdeloos wezen jegens anderen, wier vel minder glad en wier rug
minder buigzaam is.
_Clara._ 't Kan zijn, Mathilde--ik beken wél, dat ik dikwijls wat scherp
ben in mijn spreken. Maar ik kan niet, zooals jij, in ieder slechts 't
goede zien. Kijk--waar 't op genegenheid aankomt, geef ik alles of
niets. Waar ik deugden tref, moet ik bewonderen; waar ik fouten opmerk,
moet ik laken--daar is voor mij geen tusschenweg. Maar _als_ ik iemand
hoogacht--dat weet ge, Mathilde, en je vader--dan doe ik 't met hart en
ziel, met al de kracht die in me is!
_Mathilde._ Ik weet, Clara, hoe we altoos geweest zijn als dochters van
één vader. Ik ken je goed hart en je gehechtheid aan vader en mij.
_Clara._ Nu, dan zul-je 't me ook wel vergeven, als ik je zeg, dat ik dien
mensch niet lijden kan: met zijn sluike haren, zijn uitgestreken gezigt,
zijn saaije, pedante spreekwijs, zijn quasi onverstoorbare
gelijkmoedigheid. Die lummel! zou men 'em niet met de zweep smeren, als
'ie daar soesend voortsukkelt achter de kostschooljongens, en meer kijkt
naar de straatsteenen dan naar zijn pupillen!
_Mathilde._ En jij, Clara, je zult 't mij niet kwalijk nemen, als ik je
oordeel weêr ongegrond en voorbarig noem. Die man heeft je nooit
beleedigd--je kent 'em niet eens--je hebt je nooit verwaardigd hem toe
te spreken. En, daarenboven, hij is de neef en vriend van je Adolf, die
altoos hooge achting voor hem betuigt. Dát moest toch bij u voor hem
pleiten.
_Clara._ In 't geheel niet! 't Spijt me voor Adolf dat 'ie zulke neven, en
meer nog, dat 'ie zulke vrienden heeft. Maar in geen geval zal bij mij
de regel gelden: _les amis de mes amis sont mes amis_.
_Math._ Hoe sterk is je vooroordeel, als 't eenmaal _tegen_ iemand werkt!
Zeg, Clara, heb-je dien man in 't hart gelezen?
_Clara._ Ei, zijn hart! Aha, Matje, zou soms 't hart je zoo doen spreken?
Ja, ik wist wel, dat er iets gaande was tusschen jelui, ten minste, dat
_hij_ zijn oogen tot je durft opslaan.
_Math._ Wel, dat moog-je weten. Dat heb ik nooit getracht te verbergen,
noch voor vader noch voor u.
_Clara._ Maar _ik_ heb nooit durven gelooven, dat je zijn verliefde
zuchten je zoudt aantrekken, anders dan om er meê te
lagchen.--Intusschen, 't zou niet kwaad zijn: wanneer hij niet weet hoe
'ie zelf met een vrouw moet omgaan, zal 'ie je ten minste kunnen zeggen,
hoe de oude Grieken 't deden. En misschien--als zijn hooggeleerde geest
hem veroorlooft tot de rudimenta af te dalen--misschien leert 'ie je nog
wel een mondjevol Latijn. Je wordt nog een savante, Matje--een tweede
editie van Wolf en Deken.
_Math._ Clara--zijn dat de woorden van een vriendin, van een zuster! Als
je zonder medelijden wilt zijn voor een man die je achting
verdient--spaar dan ten minste in mijn bijzijn je ongepaste
spotternijen.
_Clara._ De éénige manier om je van een zoo absurde neiging te genezen!
_Math._ Geloof dát niet! Spot zooveel je wilt--je zult er niemand dan
jezelf meê kwetsen. Maar denk niet, dat ik een roepstem van mijn hart
zou versmoren, dat ik mijn heiligste overtuiging zou verloochenen, uit
vrees van bloot te zullen staan aan uw meisjesaardigheden. Neen--al zou
de gansche wereld----