DERDE TOONEEL.

_Janneke_, _vorigen_.

_Jann._ Meneer, daar is een heer die u spreken moet. Hij heeft me een

kaartje gegeven met zijn naam er op.

_Goedsm._ Een heer die _mij_ spreken moet! Wel, dat 's ook geen

dagelijksch brood: ik heb geld noch schulden!

Geef hier 't kaartje. _(leest:)_ "Judocus van der Vlugt."--Groote goden,

dat 's onze schoolmeester!--Vlieg, Janneke, vlieg--jij die haast niet

loopen kunt--laat 'em boven komen, die brave doktor! Hij brengt me vast

een nieuwe komedie van Langendijk. _(Janneke af.)_

Komt kinderen, laat ons alleen. Straks kun-je weêr binnen komen; maar

eerst moet ik den man op zijn gemak zetten, want als 'ie dames ziet,

wordt 'ie zóó confuus, dat 'ie stoelen en tafels omverloopt.

_Clara._ _(ter zijde)_ Ik gaf een driegulden als ik blijven mogt! _Hij_

een komedie brengen----ik denk dat 'ie er een komt vertoonen. O, een

tientje gaf ik, om zijn declaratie te hooren!

_(tot Math.)_ Zeg, Matje, zou een profetische geest daar even uit ons

gesproken hebben!

_Math._ Hemel, Clara, hoe kun-je zoo talmen: we moeten heel de wasch nog

rekken en mangelen. _(Math._ en _Clara_ af.)

Ontboezemingen · 第 71 / 83 题