_Janneke_, _vorigen_.
_Jann._ Meneer, daar is een heer die u spreken moet. Hij heeft me een
kaartje gegeven met zijn naam er op.
_Goedsm._ Een heer die _mij_ spreken moet! Wel, dat 's ook geen
dagelijksch brood: ik heb geld noch schulden!
Geef hier 't kaartje. _(leest:)_ "Judocus van der Vlugt."--Groote goden,
dat 's onze schoolmeester!--Vlieg, Janneke, vlieg--jij die haast niet
loopen kunt--laat 'em boven komen, die brave doktor! Hij brengt me vast
een nieuwe komedie van Langendijk. _(Janneke af.)_
Komt kinderen, laat ons alleen. Straks kun-je weêr binnen komen; maar
eerst moet ik den man op zijn gemak zetten, want als 'ie dames ziet,
wordt 'ie zóó confuus, dat 'ie stoelen en tafels omverloopt.
_Clara._ _(ter zijde)_ Ik gaf een driegulden als ik blijven mogt! _Hij_
een komedie brengen----ik denk dat 'ie er een komt vertoonen. O, een
tientje gaf ik, om zijn declaratie te hooren!
_(tot Math.)_ Zeg, Matje, zou een profetische geest daar even uit ons
gesproken hebben!
_Math._ Hemel, Clara, hoe kun-je zoo talmen: we moeten heel de wasch nog
rekken en mangelen. _(Math._ en _Clara_ af.)