Weet ge 't nog--Suze mijn, liefste mijn--?
* * * * *
Hoe we zamen zoo zoetjes dreven: hand in hand, oog in oog--op dien
zaligen Julijavond, in 't bootje uit 't Baarsje--?[84]
* * * * *
De gulden zomerzon ging langzaam ter ruste over de verre zee; moê van
den langen omloop, en van den eigen vorstelijken glans, leek ze een
schoone prinses, statig en rijkgesierd, die afdaalt tot 't koelend bad.
En óm haar, blozend en schuchter, volgden haar in losse groepjes de
rozeroode wolkjes: als een stoet van jonge maagden: kuische, ongerepte
hofdames.
Toch, zoet liefje--schooner dan de stralende koningin, schooner dan haar
luchtigen maagdenrei--vond ik U, toen 't roode avondlicht met vuriger
blos uw zijden wangen overgoot, en uw lagchende oogen deed schitteren
van een gloed, die mij dronken maakte--!
* * * * *
Weet ge 't nog, liefste mijn--?
* * * * *
Daar was een lispelen in de twijgen, als 't kozen van minnende
engeltjes; een zacht beven ging ruischend door de hooggepluimde
popels--: Zephyr ontwaakte, de loome gast. Den ganschen warmen dag had
hij gesluimerd, op de groene bladeren der waterlelie, in schaûw van
wuivend oeverriet.
Vergeefs 't zuchten der zweetende menschenzonen--: hij sliep, en droomde
van Chloris, zijn reine bruid.--Maar een schuinvallende zonnestraal is
door 't loof gedrongen, en heeft hem gewekt. Frisscher dan ooit blaast
hij rond: hij schudt de ritselende halmen van zijn biezen beddeken, en
strooit bonten mispelbloesem over 't plekje dat hem schuil gaf. Hoe
trilt 't vijvervlak onder zijn spelen; hoe jaagt hij rimpeltjes over 't
sidderend beeld van wilg en treuresch, die mijmerend zich spiegelden in
't effen diep. Vlugtig kust hij de bloemkens goênacht; hij drinkt den
frisschen dauw uit de halfgeloken kelkjes, en avondmaalt met den geur
van rozen en jasmijn.--Zóó zweeft hij verder, fluisterend door de
boschjes--als hij opstijgt, om der Vorstin zijn hulde te brengen, en
heimelijk te stoeijen met zijn makkertjes, de vlugge, rozeroode
hofjuffers.
Maar liefelijker dan de koele zephyr, geuriger dan de geur van rozen en
jasmijn--was me uw adem, zoet liefje--als uw boezem hijgde van stil
verlangen, en ge, 't kopje geleund op mijn schouder, me uw bloemelipjes,
uw malsche rozelipjes, hebt te kussen geboôn--!
* * * * *
Weet ge 't nog, liefste mijn--?
* * * * *
En, om ons heil te volmaken, is 't maantje verrezen--als wist 't goede
schepseltje, dat uw blanke koontjes dubbel blank zijn, en uw blauwe
oogjes heller flonkeren, bij 't spelen van haar vriendelijk licht.
Ook scheen 't wel, of de vleijende, koppelende Luna, u moed insprak met
haar bleeken tooverschijn: want ik voelde, hoe een ronde arm mij naauwer
omsloot: en hoe er een kloppen was aan mijn borst, van een ander hartje
nog dan 't mijne------------------------------
Toen had ik den schoonsten droom mijns levens--:
Ik zag twee gelieven, die zoetjes dreven op den zilverspiegelenden plas:
kussend en kozend----en _ik_ was één van die twee.--En ik zag, hoe ze
opstegen, die twee gelieven, van uit 't bootje uit 't Baarsje--hoe ze
opstegen--als ware deze aarde hun niet goed genoeg--_ligna recta_, naar
't rijk der planeten: hoe ze opstegen, oog in oog, arm in arm, mond aan
mond--hoe ze opstegen, die twee gelieven, en zich verloren in de
glanzende spheren der fonkelende avondstar------------------------
Weet ge 't nog, liefste mijn--?
* * * * *
Als we ontwaakten, zoet schatje, stond de maan reeds hooger boven 't
schemerend hazelboschje. En er was, in 't opgeblazen gezigt van de
lonkende juffer, iets spottends, dat mij niet beviel. En om ons heen,
staken de vischjes de glimmende kopjes omhoog, en met de ronde, starre
oogjes, keken ze ons schalksch en schuintjes aan. Zelfs klonk er een
honend roepen in 't slaan van den koekoek, die ons bespied had, uit de
hooge wilgen aan den kant.
En _ik_ vraag: waarom heeft de koekoek gelagchen--wat hadden de vischjes
te vertellen--en wat kon de maan zoo vreemd doen kijken----toen we zoo
lang gedreven hadden, gedreven en gedroomd: hand in hand, oog in oog--op
dien zaligen Julijavond, in 't bootje uit 't Baarsje--?
* * * * *
Zeg, liefste mijn, Suze mijn--weet ge 't nog--?