Suze lief--als we oud zullen worden, _eya popeya_! Oud en krom, en vroom
en dom, _eya popeya_!
--Dan zult _gij_ een log moedertje wezen, dat psalmen opzeurt, en ter
preek gaat bij dominee Onzin. Dan zult ge bruine koffie drinken--liever
dan rooden pommier; en een warme stoof zal u beter warmen--dan de gloed
van al de kussen die ik u gaf.
En _ik_----wat zal _ik_ zijn--?
Een Resident _in ruste_--?
* * * * *
Maar wat ik ook zijn mag--: hoe oud en krom ook, hoe vroom en dom ook,
_eya popeya_!----
----toch, Suze,
toch--zal ik U niet vergeten--: U, Suze, en de hemelsche avondjes: toen we
kuijerden in volle maantjes, en rhijnwijn dronken in geurige, digtgeloofde
prieeltjes! Den joligen tijd: toen ik geld verachtte en geleerdheid, mode
en fatsoen, beschaving en maatschappij, nufjes en conversatie;--toen ik
geen schat kende, geen schat mij wenschte--dan mijn vrijen geest, en mijn
krachtig ligchaam, en mijn bonzend hart----en U, Suze--en U! Den
onvergeetlijken tijd: toen we jong waren en lustig, moedig en minnend--en
gelukkig, Suze----zóó gelukkig: dat zelfs de vischjes en de koekoek ons
geluk benijd hebben, als we spelevoeren op den plas--!
* * * * *
Suze, mijn Hollandsch meisje, mijn aardig, vrolijk burgerkind--van U wil
ik zingen!
Zonnetje van mijn jongensjaren, glorie van mijn studentetijd--mijn
levend, lievend, lagchend godinnetje--Suze, van U wil ik zingen--van U,
en van de rijke dagen onzer goddelijk rijke liefde----zoete Suze, kleine
Suze--kleine, zoete, blonde Suze!
September, 1866.
[Footnote 84: 't Baarsje: een theetuin, gelegen aan den Kralingschen
plas, bij Rotterdam.]