III.

Toen ik ontwaakte, en uitkeek door de houten tralies van mijn

venstertje, blies een frissche luchtstroom mij koelend langs de zware

oogleden; en in 't fluisteren van den morgenwind hoor ik 't

afscheidszuchten van den nacht en zijn sluipende gasten, die spoeden om

zich te verbergen, schuw ineenkrimpend bij den reinen adem van den bode

der zonne.--Ik zie, hoe de sterren 't zilveren kleed afleggen, en zich

terugtrekken, na een laatste flikkering, achter den voorhang van eeuwig

blaauw. Er is een zacht bleeken, een zwakke schijn van rossig licht over

de _klappa_-boschjes tegen 't Oosten. Reeds even zigtbaar wordt de oude

_waringin_ op den naasten heuveltop; en vriendelijk wuift 't

_pisang_-blad mij goeden morgen toe, gedrukt en buigend onder den schat

van trillende dauwdroppels, waarmeê de sombere nacht de planten tooit,

als met tranen, en die de dag, de jonge lagchende, met tooverstralen zal

verkeeren in fonkelende diamanten, heerlijk afgezet op hun kussen van

fluweelig groen.

* * * * *

Nu spoedig een bad genomen; de kleêren aan 't lijf; wat _nassi

goreng_[48] tot ontbijt; dan mijn mede-anachoreet de hand gedrukt,

en--na een onderzoekenden blik op tuig en stijgbeugels, en een angstig

vragen of 't beest ook _nakal_[49] is--'t kleine, magere

_gladak_-paardje[50] bestegen: een rosje, waarbij de paarden van

Harpagon vet hadden geheeten, en dat, ofschoon 't armelijkst knolletje

uit des _Wedono's_ stal, toch ook alweêr goed genoeg is voor den

Ambtenaar »ter beschikking"----ja, wél ter beschikking van elken

Europeaan, wien 't lust, hem, als _baar_, een loer te draaijen; en van

elken inlander, die begrijpt, dat onze jeugdige held de taal nog niet

magtig is, en ook vooreerst nog geen direkt gezag uitoefent.

Als gids werd mij een oud mannetje meêgegeven, dat den ganschen weg over

niets deed, dan op bibberenden toon zingen of neuriën, en, vóórop

rijdend, »_gravement, sans songer à rien_", er zich volstrekt niet om

scheen te bekommeren, of de _toean_[51] hem volgde, al dan niet. Mijn

jongen schreed, nu eens achter mij dan eens naast mij, voort, en aan 't

lijntje strompelde nog steeds de _koeli_ met mijn buks en reistasch.

* * * * *

Intusschen werd de togt gedurig aan belangwekkender.

Als we de kleine _dessa_ doorrijden, leeft er en joelt er alles:

zwoegend draaft 't bruine goed dooreen, en pikoelt, en spoedt ter

_pasar_, en zweet al bij de schuine stralen der pas ontwaakte

morgenzon.--Rimpelige, sirih-kaauwende _nènè's_[52] zijn er, die haar

tweeden _klappa_ hebben zien vruchtdragen[53]: met haren, zoo wit als

rollen van een gepoederde allongepruik, en lippen, rooder nog dan de

roode lipjes van nonna Flora[54].--Naakte kindertjes, bol en buikig als

Rubbenssche engeltjes, die zich vasthouden aan moeders _sarong_, en ons

nastaren, met groote, schuwe, verwonderde oogen.--Ook zijn er jonge

meisjes, met glimmend zwarte _kondé's_[55], en wangen als goud, en

oogen, die, als men er lang in keek, een dwaasheid zouden doen

begaan.--En de mannen, zwijgend en gedwee, zwaaijen de bonte

_topis's_[56], en groeten plegtig den met insigniën van gezag bekleeden

heer; sommige zelfs, ouder gewoonte, zetten 't juk van bamboe af, dat

knellend doorbuigt over den vereelten schouder, en hurken neêr langs den

weg, gelijk hun vaders 't deden in de dagen van Pakoe Boewono, den

»Spijker der wereld", of van den geduchten Toean Daendels, den

»Mannetjes-man."

Zóó voert ons een smal wegje buiten den kring van hoog en laag geboomte,

waarin 't dorpje verscholen ligt, als een vogelnestje tusschen de digte

halmen van groengepluimde biezen.

Reeds speelt 't lichter door de takken. Zie--tusschen de stammen dóór

van gladde, hoogopgaande palmboomen, schitteren de zonnige kleuren der

vlakte: als de breede trappen van een reuzen-amphitheater klimmen

rijstvelden op, glinsterend als duizend meirtjes, of, 't helder groen

ineenmengend met 't zilveren waas, dat de nacht uitspreidde over de

vochtige akkers.

En vóór ons, boven alles uit, prijkt, in statige hoogte, de groote,

magtige Slamat!

* * * * *

Heil, Slamat, heil--wees mij gegroet, gij schoonste van Insulinde's

bergen! Slamat is uw naam, en met _slamat_[57] wil ik u heilzingen--wees

heil!

* * * * *

In dien stijl bragt ik den grijzen vulkaan mijn hulde, toen 't

opgeslagen bladergordijn hem in al zijn grootheid mij ontdekte.--En als

ik voortsukkelde over den hobbeligen weg, bragt mij 't bloed van de

Rossinante die ik bereed, in een gansch ridderlijke vervoering.

* * * * *

O Slamat, riep ik--hoe schoon zijt ge--hoe eeuwig trotsch en schoon, nu

de jonge dageraad met goud en purper uw kruin omstraalt! Hoe fier

verheffen zich uw lijnen, scherp afgeteekend op een grond van rozig

morgenlicht: eerst zacht glooijend, en dan ten hemel rijzend--steil, en

hoog, onmeetlijk hoog--een kegel van trachiet!--Laat ik u bezingen en

bewonderen--bewonderen in al de majesteit uwer naaktheid, vóór de dag

feller licht: als gij de nevelen zult optrekken uit de dalen, en uw top

hullen in zware wolken, u sluijerend en omgordend voor de oogen der

menschenkinderen.--Slamat is uw naam, gij, die uit breede flanken, met

ontelbre stroomen, den zegen uitgiet over 't land rondom! Slamat is uw

naam, en met _slamat_ wil ik u heilzingen--wees heil!

Als 's morgens vroeg de landman zijn _patjol_[58] opneemt, en zijn

buffels wegdrijft, opdat ze waden in den modder, en kaauwen op de natte

stoppels--dan ziet hij sidderend omhoog naar de witte rookzuil, die den

koning der bergen kroont.--Want hij weet 't, mijn berg, dat ge heilig

zijt--hij weet 't, en hij vreest U.--Siwa, de vernieler, zetelt op uw

top; Djins en Shètans[59] huizen aan uw ingewanden.--Zij

sluimeren;--ongestoord zaaijen en oogsten de kinderen des lands; vrolijk

klinkt de _gamelan_ overal, en de _gongs_[60] verkondigen luide, waar

bruiloft gevierd wordt, en waar slanke meisjes dansen, getooid met

_boenga raja_[61], en pronkend met nieuwe, rijk gebatikte _salendang's_.

Zij sluimeren.----Maar wee, wee, als zij zullen opwaken uit hun rust, om

te werken in uw schoot, en de hel aan te blazen, die smeult aan uw

fondamenten!--Dan zult ge dood en verwoesting spuwen uit uw wijden

krater; vuur zult ge doen stroomen over de weerlooze _sawah's_;

verpletterend zult ge gloeijende rotsblokken slingeren op de hoofden der

rampzaligen, die zich vertrouwend neêrlieten aan uw vruchtbaren voet;

vloek en verderf zult ge spreiden in 't rond, over duizenden en

duizenden!--En daar zal een kreet opgaan tegen u: niet meer Slamat zal

uw naam wezen--maar Tjelaka zal men u noemen--tjelaka, tjelaka!----[62]

* * * * *

----En zóó uitdrukkingsvol bulderde ik dat ijselijk _tjelaka_; en met

zóóveel kracht schopte ik mijn lui gladakkertje de hakken in de ribben,

om op de wieken van een vliegend enthousiasme tegen de bezongen Djins en

Shètans ten strijde te rennen----dat 't oude mannetje, mijn gids, uit

zijn soesend geneurie opgeschrikt, plotseling mijn paard bij de teugels

greep; en mijn jongen op mij toesprong, met de vraag: »_Toean kena

apa_".[63].--Ik had, in een eerste opwelling van gekrenkte dichterlijke

eigenwaarde, den dommen lummel wel een muilpeer willen toedienen;

doch--'t gevaar van tuchthuisstraf daar gelaten--begreep ik, na koelen

berade, den knaap wel aanleiding te hebben gegeven tot eenig betoon van

dienstijver, daar hij, bij 't hooren van mijn noodkreet, slechts kon

vooronderstellen: óf, dat zijn heer en meester door een scorpioen of

duizendpoot was gestoken; óf wel, dat een der Djins, van uit de

ingewanden des Slamat's, in hoogstdeszelfs hersenkas was komen varen.

Halfweg tusschen M... en Boemi-aijoe troffen we een paar _warong's_,

onder wier rookerig dak ik mij in de gelegenheid zag gesteld,

broederlijk tusschen mijn gids en jongen gezeten, wat rijst uit een

_pisang_-blad benevens eenige _kwé-kwé_[64] tot mij te nemen.

Toen ging 't weêr verder. Bergop-bergaf liep de weg: nu eens daalden we

diep in een ravijn, en waadden door 't keijig bed van een koelen

bergstroom; dan weêr kronkelde ons pad door koffietuinen, of door digte

bosschen van reusachtige _djati_-en _rasamala_-boomen, van uit wier

loofdak, slankapen en _loetoeng's_[65] ons knorrend toegrijnsden.

Nog een laatsten heuveltop bestegen, hooger dan elke vorige--en

zie--welk uitgestrekt vergezigt zich voor ons oog ontrolt: regts de

wilde kammen van den Goenoeng Kembang, en 't golvend berglandschap,

boven welks gekartelden horizon, schemerend ver, zich de zachte lijnen

van den Tjerimaï teekenen; links de Slamat met zijn vertakkingen; en

vóór ons, diep aan onze voeten, gerugsteund door de hoogten van

Banjoemaas--prijkt--in kleurige weelde van kampongs en akkers, en

boschjes en beekjes, 't heerlijk dal van Boemi-aijoe.

Een poos lang liet ik, in stille opgetogenheid, mijn blik weiden over

den Eden die mij tot verblijf was aangewezen. Ook uit _die_ natuur sprak

poësie--doch, helaas, niet voor mij: want ik verstond ze niet. Mijn

hoofd duizelde, toen ik rondzag in dien Oceaan van groen en licht en

kleuren. Want, gelijk een overmaat van bloemengeur de zinnen

verdooft--zóó ook overstelpt een al te rijke natuur 't oog van den

aanschouwer. En hierin, geloof ik, is 't vooral, dat de tropische

schepping zoo oneindig bij onze Noordsche achterstaat--: _er is te

veel_: nergens is een leêgte, nergens kan iets gedacht worden dat der

verbeelding stof tot fantaseren laat, de overvloed zelf maakt hier 't

landschap doodsch en eentoonig.

Doch kom--welk redelijk wezen staat er, onder een Javasche middagzon,

op 't topje van een kalen heuvel, over natuurschoon te

monologeren!--Hoort ge dan niet, Gabriël, dat uw inlandsch geleide uw

geestdrift aan beschonkenheid toeschrijft! Voelt ge zelf niet 't merg in

uw dichterlijk ruggestreng tot den derden aggregatie-toestand overgaan!

Zoo dwong mij de alle genot verbiedende warmte, spoediger dan ik

gewenscht had, in de lommerrijke vallei een toevlugt te zoeken.--Ik

kamde mijn haren wat op, liet mij 't stof wat van de kleêren slaan, en

nam, toen ik de _dessa_ binnenstapte, een ietwat fiere houding aan,

terwijl ik mijn voorrijder en gevolg aanbeval, op te sluiten en den

behoorlijken afstand te bewaren, opdat we, voor zoover onze uitrusting

't toeliet, met betamelijke waardigheid voor de controleurs-woning

mogten afstijgen.

* * * * *

De controleur, een jong mensch, ontving mij, gelijk men--in

Indië--iemand ontvangt, met wien men weet, dat men 't leven in de

wildernis zal moeten deelen.

Zijn rijsttafel bleek uitnemend.--Doch wat mij 't meest beviel, was, dat

hij mij een kamer inruimde, vanwaar ik een onverhinderd uitzigt had op

de hemelhooge massa van den Slamat.

[Footnote 48: Opgebakken rijst.]

[Footnote 49: Ondeugend.]

[Footnote 50: _Gladak_ = al wat bij 't verrigten der heerediensten

gebruikt wordt; pop: iets dat slecht, gemeen, afgejakkerd is.]

[Footnote 51: Heer, heerschap.]

[Footnote 52: Oud moedertje.]

[Footnote 53: De Javaan weet zelden hoe oud hij is; somtijds echter

herinnert hij zich, bij overlevering, dat zijn vader, ter viering van 's

kinds geboorte, dezen-of-genen boom geplant heeft, naar wiens

vermoedelijken ouderdom hij dan den zijnen afmeet. Zoo lezen we in 't

Maleische werkje, getiteld »_Pelajeran Abdallah_", van een grijs

moedertje, dat, gevraagd zijnde hoe oud ze was, op een ouden _klappa_

wees, welken zij verklaarde de plaatsvervanger te zijn van een anderen,

die bij haar geboorte was geplant, doch reeds lang, der dagen zat,

gestorven was. Daar nu de _klappa_ 60 en meer jaren oud wordt, zoo zou

men uit dit voorbeeld mogen afleiden, dat de Maleijer soms een

aartsvaderlijken leeftijd bereiken kan.]

[Footnote 54: 't Sirih-kaauwen kleurt 't speeksel en de lippen

vermiljoenrood.]

[Footnote 55: Haarwrong: natuurlijke _chignon_--zonder _gregarinen_.]

[Footnote 56: Hoofdbedeksel, in den vorm van een bol- of kegel-segment.]

[Footnote 57: _Slamat_ beteekent: heil, zegen.]

[Footnote 58: Houweel, om den grond meê te bewerken.]

[Footnote 59: Djins en Shètans: twee categoriën van booze geesten. Met

't oog op de gemengde oud-Hindoesche en Musulmansche geloofsbegrippen

van den Javaan, nemen we de vrijheid, deze echt Mohammedaansche

schepsels der verbeelding met god Siwa in eenzelfde nabuurschap te

plaatsen.]

[Footnote 60: Bekkens.]

[Footnote 61: Een vuurroode bloem, die heerlijk afsteekt in de zwarte

haren der Javaansche schoonen.]

[Footnote 62: _Tjelaka_ beteekent: ongeluk, ramp, verderf--als

tegenstelling van _Slamat_ = heil, zegen.]

[Footnote 63: »Wat overkomt meneer?"]

[Footnote 64: Koekjes, inlandsch gebak.]

[Footnote 65: Een aapsoort.]

Ontboezemingen · 第 56 / 83 题