II.

Des avonds ten zes uur hadden we M... bereikt. Dáár was een

_pasangrahan_[34]: dáár zou ik rusten en overnachten; ik had bijna den

ganschen dag geloopen, of erger nog, en gevoelde ongewone behoefte aan

verkwikking en slaap.

Mijn eerste werk was--wijl ik ook hier niet met den verwenschten

_tandoe_ wilde gezien worden--de _koeli's_ halt te doen maken, met

verzoek, zoo spoedig hun beenen 't toelieten, 't haatlijk reisgevaarte

van uit mijn oog te doen verdwijnen; tevens moesten ze 't paard waarop

mijn jongen gereden had, naar X... meê terugnemen. Dit bevel werd

stiptelijk nageleefd, vooral daar mijn onwetendheid den schooijers

gelegenheid gaf, me een driedubbel dagloon af te zetten; ik zag ze

haastig wegloopen, en, met mijn domme gulheid lagchend, in de naaste

_warong_ binnensluipen.--Zóó, ontdaan van alle decorum, en, naar de

wijze der Apostelen--stof op onze hoofden, en stof aan onze

voetzolen--traden we de _dessa_ binnen, wier bewoners ons aangaapten,

alsof we uit de lucht waren gevallen, wijl niemand begreep, door middel

van welke beweegkracht we ons zoo eensklaps in 't hartje der gemeente

hadden kunnen verplaatsen: paarden, koets of kar toch waren niet te

zien--en, aan te voet of in een _tandoe_ reizen, _dachten_ de naïve

kampong-menschen niet eens.

Hoe nu echter den _Wedono_[35] uitgevonden, dien ik noodzakelijk nog

denzelfden avond spreken moest, om hem te verzoeken, mij den volgenden

morgen zeer vroeg een paard te doen toekomen, waarop ik de reis door de

bergen tot aan Boemi-aijoe zou kunnen vervolgen--? Mijn jongen sprak

geen woord Javaansch; en ikzelf deed te vergeefs alle vormen, van

Propositief tot Vetatief, mitsgaders de helft van Winter's

»Zamenspraken" aanrukken, ten einde te weten te komen, in welke rigting

ongeveer des magistraten verblijf moest gezocht worden.

Straks, zie ik, op een kleine verhevenheid, een ruim gebouwd huis: een

tempel of paleis tegenover de omringende bamboe-hutjes. Ik nader. Een

lichtbruin, goed uitziend, bijna inlandsch gekleed man zit deftig onder

de _pendopo_[36] zijn strootje te rooken: de bitterflesch staat naast

hem op de tafel, en de _tali-api_-jongen[37] is op eenigen afstand

neêrgehurkt.--»Dat zal de _Wedono_ wezen", dacht ik. Ik had wel gehoord

van de blanker gelaatskleur en de fijner trekken, die veel Javaansche

Hoofden van den kleinen man onderscheiden; en, met deze _idée fixe_

gewapend, vergat ik 't, als nieuwbakken Delftsch etnograafje, op te

merken, dat mijn _Wedono_ geen hoofddoek droeg, een kleedingstuk, dat

toch door den minst ceremonieusen inlander niet zal worden

afgelegd.[38].

»_Tabé, Wedono_," sprak ik, even buigend, in een mengsel van hoog- en

laag-maleisch--»_banjak akoe poenja kasoeka-an ketemoe sama Wedono; akoe

ambtenaar moeda, bahroe dateng deri Batawie, dan akoe mampir di Wedono

poenja roemah, handaq meminta Wedono poenja pertoeloengan,----_"[39]

Gedurende deze toespraak waren des pseudo-Wedono's groote bruine

oogappels tot den omvang van theeschoteltjes gezwollen.--»Maar meneer",

stottert hij eindelijk, half boos, half verlegen--»maar meneer, _toean

kira apa_--ik ben niet Wedono--ik ben Europeaan--als uwe zoekt 't huis

van den Wedono, dat is ginder."

Nooit maakte een christelijk-nationaal Kamerlid met zijn speech dwazer

figuur, dan ik te dezer gelegenheid met mijn mondjevol Maleisch!

»Pardon, meneer", stamelde ik,----

»O", riep mijn goede kleurling--»ik neem niet kwalijk, ik zie wel, u

_orang bahroe_."[40]

»Maar--wil u zoo goed zijn", hervatte ik--»mij naar de _pasangrahan_ den

weg te wijzen?"

»De _pasangrahan_--hij is hier."

Aha, dacht ik--u is dus kastelein: dan zal u ook mijn misvatting zoo erg

boos niet opnemen. En, met evenveel gemakkelijkheid alsof ik ter

Societeit aan de biljart stond, verzocht ik hem, mij een bittertje te

willen schenken. Hij deed 't.--Kort daarna drong ik er op aan, dat 't

eten wat spoedig opgediend zou worden. Hij zeî me, dat hij gewoonlijk

eerst ten half-acht plagt te avondmalen, maar dat hij den _mandoor_[41]

zou verzoeken, wat haast te maken; ik moest echter niet veel van de

tafel verwachten, voegde er bij, want de bediening was slecht; en

hijzelf moest zich noode in de _pasangrahan_ behelpen, omdat er te M...

geen beter huis te vinden was; hij had zich wel gaarne een eigen woning

gebouwd, maar zijn gering ambtenaarstraktement stond hem die weelde niet

toe, en hij was dus nog heel tevreden, dat hij in de publieke herberg

zijn definitief verblijf had kunnen opslaan.----_Astaga_![42]--de

laatste dwaling was erger geweest dan de eerste! Hij was dus evenmin

herbergier als _Wedono_--maar een gast gelijk ik, tegenover wien ik

fraai op weg was geweest, de komische vergissing uit zeker Engelsch

blijspel[43] _in natura_ op te spelen.--Ik maakte nogmaals mijn excuses;

doch de goede man woû van niets hooren, en kon zich alles best

begrijpen: de malste bokken schenen hem, meen _baar_ als ik, hoegenaamd

niet te verwonderen.

We aten regt genoegelijk zamen. Hij stelde mij eenigzins op de hoogte

van 't geen mij in mijn afdeeling te wachten stond, en schetste mij de

inlandsche Hoofden, met wie ik zou te doen hebben. Hijzelf, verzekerde

hij, hoopte nog dikwijls 't vermaak te hebben mij te ontmoeten, daar hij

mijn naaste buurman was--N.B., van M... tot Boemi-aijoe is niet minder

dan twaalf paal langs een haast onberijdbaar bergpad--; en hij eindigde

met de verklaring, dat 't hem speet, hij zoo weinig van Europesche

toestanden afwist, daar hij nooit te Batavia, laat staan in Holland was

geweest, en al sints jaren geheel alleen op dezen binnenpost had

gewoond:--welk een-en-ander _mij_ aanleiding gaf, me over zijne, onder

zulke omstandigheden, toch nog vrij goede manieren te verbazen.

Zou de Europeaan, dacht ik, die _nu_ een hoogleeraarsplaats bekleedt,

onder zulke gegevens van opvoeding en leefwijs niet een beer zijn

geworden; en had deze arme _sinjo_, die zoo slecht Hollandsch sprak, en

liefst zijn rijst met de vingers at, niet even goed, in des Professors

luren gebakerd, tot gentleman en artist en geleerde kunnen

groeijen?[44]

Klokke negen hadden we ons grogje gedronken, en nam ik van mijn nieuwen

vriend afscheid, om de voor mij zoo noodige rust te gaan zoeken.

Men bragt me in een donker hok, waar, op de aarden vloer, een smerige

_balé-balé_[45] met een gescheurde _klamboe_[46] mij tot bedstede werd

aangewezen.

Een vleêrmuis fladdert mij om de ooren; een _tokèk_[47] doet van uit

mijn bed zijn schorren zevenkreet hooren. En te midden van 't piepen en

tjilpen, en de duizend stemmen van den nacht, klinkt in de verte een

_gamelan_--:

[Note Project Gutenberg: Music transcribed in Lilypond format]

\layout {

\context {

\Score

\remove "Bar_number_engraver"

}

indent = #0

% line-width = #150 }

\header { piece = \markup { \italic "Andante." }

}

{

\override Stem #'direction = #up

\clef treble

\key d \major

d'2 a'2 fis'4 e'8 fis'8 a'4 a'4 b'2 a'2 fis'4 e'8 fis'8 d'4 a4

\override Score.RehearsalMark

#'break-visibility = #begin-of-line-invisible

\once \override Score.RehearsalMark #'self-alignment-X = #right

\mark "etc. sempre da capo."

}

\version "2.7.39" % necessary for upgrading to future LilyPond versions.

--door den afstand getemperd, ruischt mij de maatlooze, zinnelooze

melodie weemoedig tegen, als een klagende zang uit den lang vervlogen,

mythischen Hindoe-tijd.

Mijn nachtlichtje walmt en knettert en blaast den adem uit. Maar vóór

mijn openstaand venster dansen de vuurtorretjes, die Kersmis vieren in

den fijngevinden _peté_; en bij haar hellen phosphorschijn zie ik, hoe

een reusachtige pad zich van mijn schoen een wieg tracht te maken.

Ik sliep er niet minder gerust om.

[Footnote 34: Publieke herberg in de binnenlanden, meestal voor

Gouvernementsrekening door een inlandschen waard gehouden, en waar de

reiziger voor weinig geld een armoedig onderkomen vindt.]

[Footnote 35: Districtshoofd.]

[Footnote 36: Voorgallerij.]

[Footnote 37: _Tali api_ = lont. ll. vuurtouw.]

[Footnote 38: Opmerking verdient 't, dat zelfs de overigens geheel naar

Europesche wijs gekleede Regenten, toch immer den inlandschen hoofddoek

blijven dragen. 't Schijnt wel, dat de mensch aan geen kleedingstuk zóó

hecht, als juist aan 't hoofdbedeksel. Zoo zal de Europeaan in de

binnenlanden schoenen en kousen, broek en jas--doch nimmer hoed of pet

verloochenen.]

[Footnote 39: »Goeden dag, Wedono! Ik ben zeer verheugd, U aan te

treffen; ik ben een jong ambtenaar, pas van Batavia gekomen, en ik breng

U een bezoek, om uw hulp in te roepen,----"]

[Footnote 40: Nieuweling, ll. nieuw mensen; van dáár ons _baar_.]

[Footnote 41: Opzigter, meesterknecht; hier: inlandsche kastelein.]

[Footnote 42: Uitroep van verwondering en schrik.]

[Footnote 43: Zie: Goldsmith's »_She stoops to conquer._"]

[Footnote 44: Dat was regt liberaal gedacht, nietwaar, lezer! haast even

liberaal als ik dacht, toen ik voor 't eerst eenige inlanders een

suikerveld zag omspitten, en mij 't hart van verontwaardiging in 't lijf

omdraaide.--Helaas! een bevinding _in loco_ zou mijn begrippen omtrent

_uitgezogen Javanen_, _vertrapte sinjo's_, enz. enz. aanmerkelijk

wijzigen. Zij zou mij meer dan ooit een vriend van den Javaan maken;

doch mij tevens doen inzien--'t geen trouwens alle redelijke liberalen,

die van onze koloniën _locale kennis_ bezitten, zonder welke niemand een

oordeel vellen _kan_, met mij zullen instemmen: dat men niet dan

trapsgewijze en met de uiterste omzigtigheid mag overgaan tot 't

verspreiden van Westersche vrijheidsbegrippen onder Oostersche

natuurkinderen; en tot 't opwekken van nieuwe, misschien onbevredigbare

behoeften, bij lieden, die op aarde niets hoogers wenschen, dan 't geen

elk gematigd bewind hun zal toestaan: volop _rijst_ en _rust_.--Maar dan

te meer, roept men, wordt 't tijd, dat volk van uit zijn dierlijke

_rust_, door beschaving tot hooger welzijn op te doen waken!--Zeker, dat

moet ons aller streven zijn. Doch de ware liberaal ziet verder in de

toekomst dan tien of vijftig jaren: 't ver verleden is zijn school.

Ja--ééns zal ook de Javaan vrij wezen, en Christen: want, gelijk dogma

en slavernij, zoo gaan ook Christendom en vrijheid hand aan hand: de

geest van Christus die slechts vrijheidszin en humaniteit ademt, zal

alle volkeren doordringen: in dien zin zal 't wezen »één kudde en één

herder." Wij echter zullen dat niet beleven. Achttien eeuwen lang heeft

vrouw Europa geleden en gebloed--nog immer lijdt en bloedt ze, en voelt,

als een zwangere, haar lendenen beroerd door de woelingen van de groote

vrijheidskiem, waarmeê Jezus van Nazareth haar schoot bevruchtte; God

alléén weet, hoe ver nog de ure der verlossing verwijderd is. Achttien

eeuwen!----en wil men den Javaan in weinig jaren wijs en vrij

maken!--Men bedenke, dat alle vooruitgang onder 't levend geslacht

martelaren vordert, en eerst den kleinkinderen vrucht oplevert. Elke

revolutie kost stroomen bloeds. Men vermijde dan, zoo hier als in Indië,

alle geweldige overgangen. De Tijdgeest zal, ook zonder de bemoeijingen

van een kibbelende Volksvertegenwoordiging (?), op Indië zijn langzamen,

doch onweêrstaanbaren invloed uitoefenen.]

[Footnote 45: Rustbank.]

[Footnote 46: Gazen gordijn, om de muskieten te weren.]

[Footnote 47: _Tokèk_ of _tjekko_: een grootere muurhagedis; men

beweert, dat slechts de grootste exemplaren hun geroep zevenmaal

achtereen doen hooren.]

Ontboezemingen · 第 55 / 83 题