Des avonds ten zes uur hadden we M... bereikt. Dáár was een
_pasangrahan_[34]: dáár zou ik rusten en overnachten; ik had bijna den
ganschen dag geloopen, of erger nog, en gevoelde ongewone behoefte aan
verkwikking en slaap.
Mijn eerste werk was--wijl ik ook hier niet met den verwenschten
_tandoe_ wilde gezien worden--de _koeli's_ halt te doen maken, met
verzoek, zoo spoedig hun beenen 't toelieten, 't haatlijk reisgevaarte
van uit mijn oog te doen verdwijnen; tevens moesten ze 't paard waarop
mijn jongen gereden had, naar X... meê terugnemen. Dit bevel werd
stiptelijk nageleefd, vooral daar mijn onwetendheid den schooijers
gelegenheid gaf, me een driedubbel dagloon af te zetten; ik zag ze
haastig wegloopen, en, met mijn domme gulheid lagchend, in de naaste
_warong_ binnensluipen.--Zóó, ontdaan van alle decorum, en, naar de
wijze der Apostelen--stof op onze hoofden, en stof aan onze
voetzolen--traden we de _dessa_ binnen, wier bewoners ons aangaapten,
alsof we uit de lucht waren gevallen, wijl niemand begreep, door middel
van welke beweegkracht we ons zoo eensklaps in 't hartje der gemeente
hadden kunnen verplaatsen: paarden, koets of kar toch waren niet te
zien--en, aan te voet of in een _tandoe_ reizen, _dachten_ de naïve
kampong-menschen niet eens.
Hoe nu echter den _Wedono_[35] uitgevonden, dien ik noodzakelijk nog
denzelfden avond spreken moest, om hem te verzoeken, mij den volgenden
morgen zeer vroeg een paard te doen toekomen, waarop ik de reis door de
bergen tot aan Boemi-aijoe zou kunnen vervolgen--? Mijn jongen sprak
geen woord Javaansch; en ikzelf deed te vergeefs alle vormen, van
Propositief tot Vetatief, mitsgaders de helft van Winter's
»Zamenspraken" aanrukken, ten einde te weten te komen, in welke rigting
ongeveer des magistraten verblijf moest gezocht worden.
Straks, zie ik, op een kleine verhevenheid, een ruim gebouwd huis: een
tempel of paleis tegenover de omringende bamboe-hutjes. Ik nader. Een
lichtbruin, goed uitziend, bijna inlandsch gekleed man zit deftig onder
de _pendopo_[36] zijn strootje te rooken: de bitterflesch staat naast
hem op de tafel, en de _tali-api_-jongen[37] is op eenigen afstand
neêrgehurkt.--»Dat zal de _Wedono_ wezen", dacht ik. Ik had wel gehoord
van de blanker gelaatskleur en de fijner trekken, die veel Javaansche
Hoofden van den kleinen man onderscheiden; en, met deze _idée fixe_
gewapend, vergat ik 't, als nieuwbakken Delftsch etnograafje, op te
merken, dat mijn _Wedono_ geen hoofddoek droeg, een kleedingstuk, dat
toch door den minst ceremonieusen inlander niet zal worden
afgelegd.[38].
»_Tabé, Wedono_," sprak ik, even buigend, in een mengsel van hoog- en
laag-maleisch--»_banjak akoe poenja kasoeka-an ketemoe sama Wedono; akoe
ambtenaar moeda, bahroe dateng deri Batawie, dan akoe mampir di Wedono
poenja roemah, handaq meminta Wedono poenja pertoeloengan,----_"[39]
Gedurende deze toespraak waren des pseudo-Wedono's groote bruine
oogappels tot den omvang van theeschoteltjes gezwollen.--»Maar meneer",
stottert hij eindelijk, half boos, half verlegen--»maar meneer, _toean
kira apa_--ik ben niet Wedono--ik ben Europeaan--als uwe zoekt 't huis
van den Wedono, dat is ginder."
Nooit maakte een christelijk-nationaal Kamerlid met zijn speech dwazer
figuur, dan ik te dezer gelegenheid met mijn mondjevol Maleisch!
»Pardon, meneer", stamelde ik,----
»O", riep mijn goede kleurling--»ik neem niet kwalijk, ik zie wel, u
_orang bahroe_."[40]
»Maar--wil u zoo goed zijn", hervatte ik--»mij naar de _pasangrahan_ den
weg te wijzen?"
»De _pasangrahan_--hij is hier."
Aha, dacht ik--u is dus kastelein: dan zal u ook mijn misvatting zoo erg
boos niet opnemen. En, met evenveel gemakkelijkheid alsof ik ter
Societeit aan de biljart stond, verzocht ik hem, mij een bittertje te
willen schenken. Hij deed 't.--Kort daarna drong ik er op aan, dat 't
eten wat spoedig opgediend zou worden. Hij zeî me, dat hij gewoonlijk
eerst ten half-acht plagt te avondmalen, maar dat hij den _mandoor_[41]
zou verzoeken, wat haast te maken; ik moest echter niet veel van de
tafel verwachten, voegde er bij, want de bediening was slecht; en
hijzelf moest zich noode in de _pasangrahan_ behelpen, omdat er te M...
geen beter huis te vinden was; hij had zich wel gaarne een eigen woning
gebouwd, maar zijn gering ambtenaarstraktement stond hem die weelde niet
toe, en hij was dus nog heel tevreden, dat hij in de publieke herberg
zijn definitief verblijf had kunnen opslaan.----_Astaga_![42]--de
laatste dwaling was erger geweest dan de eerste! Hij was dus evenmin
herbergier als _Wedono_--maar een gast gelijk ik, tegenover wien ik
fraai op weg was geweest, de komische vergissing uit zeker Engelsch
blijspel[43] _in natura_ op te spelen.--Ik maakte nogmaals mijn excuses;
doch de goede man woû van niets hooren, en kon zich alles best
begrijpen: de malste bokken schenen hem, meen _baar_ als ik, hoegenaamd
niet te verwonderen.
We aten regt genoegelijk zamen. Hij stelde mij eenigzins op de hoogte
van 't geen mij in mijn afdeeling te wachten stond, en schetste mij de
inlandsche Hoofden, met wie ik zou te doen hebben. Hijzelf, verzekerde
hij, hoopte nog dikwijls 't vermaak te hebben mij te ontmoeten, daar hij
mijn naaste buurman was--N.B., van M... tot Boemi-aijoe is niet minder
dan twaalf paal langs een haast onberijdbaar bergpad--; en hij eindigde
met de verklaring, dat 't hem speet, hij zoo weinig van Europesche
toestanden afwist, daar hij nooit te Batavia, laat staan in Holland was
geweest, en al sints jaren geheel alleen op dezen binnenpost had
gewoond:--welk een-en-ander _mij_ aanleiding gaf, me over zijne, onder
zulke omstandigheden, toch nog vrij goede manieren te verbazen.
Zou de Europeaan, dacht ik, die _nu_ een hoogleeraarsplaats bekleedt,
onder zulke gegevens van opvoeding en leefwijs niet een beer zijn
geworden; en had deze arme _sinjo_, die zoo slecht Hollandsch sprak, en
liefst zijn rijst met de vingers at, niet even goed, in des Professors
luren gebakerd, tot gentleman en artist en geleerde kunnen
groeijen?[44]
Klokke negen hadden we ons grogje gedronken, en nam ik van mijn nieuwen
vriend afscheid, om de voor mij zoo noodige rust te gaan zoeken.
Men bragt me in een donker hok, waar, op de aarden vloer, een smerige
_balé-balé_[45] met een gescheurde _klamboe_[46] mij tot bedstede werd
aangewezen.
Een vleêrmuis fladdert mij om de ooren; een _tokèk_[47] doet van uit
mijn bed zijn schorren zevenkreet hooren. En te midden van 't piepen en
tjilpen, en de duizend stemmen van den nacht, klinkt in de verte een
_gamelan_--:
[Note Project Gutenberg: Music transcribed in Lilypond format]
\layout {
\context {
\Score
\remove "Bar_number_engraver"
}
indent = #0
% line-width = #150 }
\header { piece = \markup { \italic "Andante." }
}
{
\override Stem #'direction = #up
\clef treble
\key d \major
d'2 a'2 fis'4 e'8 fis'8 a'4 a'4 b'2 a'2 fis'4 e'8 fis'8 d'4 a4
\override Score.RehearsalMark
#'break-visibility = #begin-of-line-invisible
\once \override Score.RehearsalMark #'self-alignment-X = #right
\mark "etc. sempre da capo."
}
\version "2.7.39" % necessary for upgrading to future LilyPond versions.
--door den afstand getemperd, ruischt mij de maatlooze, zinnelooze
melodie weemoedig tegen, als een klagende zang uit den lang vervlogen,
mythischen Hindoe-tijd.
Mijn nachtlichtje walmt en knettert en blaast den adem uit. Maar vóór
mijn openstaand venster dansen de vuurtorretjes, die Kersmis vieren in
den fijngevinden _peté_; en bij haar hellen phosphorschijn zie ik, hoe
een reusachtige pad zich van mijn schoen een wieg tracht te maken.
Ik sliep er niet minder gerust om.
[Footnote 34: Publieke herberg in de binnenlanden, meestal voor
Gouvernementsrekening door een inlandschen waard gehouden, en waar de
reiziger voor weinig geld een armoedig onderkomen vindt.]
[Footnote 35: Districtshoofd.]
[Footnote 36: Voorgallerij.]
[Footnote 37: _Tali api_ = lont. ll. vuurtouw.]
[Footnote 38: Opmerking verdient 't, dat zelfs de overigens geheel naar
Europesche wijs gekleede Regenten, toch immer den inlandschen hoofddoek
blijven dragen. 't Schijnt wel, dat de mensch aan geen kleedingstuk zóó
hecht, als juist aan 't hoofdbedeksel. Zoo zal de Europeaan in de
binnenlanden schoenen en kousen, broek en jas--doch nimmer hoed of pet
verloochenen.]
[Footnote 39: »Goeden dag, Wedono! Ik ben zeer verheugd, U aan te
treffen; ik ben een jong ambtenaar, pas van Batavia gekomen, en ik breng
U een bezoek, om uw hulp in te roepen,----"]
[Footnote 40: Nieuweling, ll. nieuw mensen; van dáár ons _baar_.]
[Footnote 41: Opzigter, meesterknecht; hier: inlandsche kastelein.]
[Footnote 42: Uitroep van verwondering en schrik.]
[Footnote 43: Zie: Goldsmith's »_She stoops to conquer._"]
[Footnote 44: Dat was regt liberaal gedacht, nietwaar, lezer! haast even
liberaal als ik dacht, toen ik voor 't eerst eenige inlanders een
suikerveld zag omspitten, en mij 't hart van verontwaardiging in 't lijf
omdraaide.--Helaas! een bevinding _in loco_ zou mijn begrippen omtrent
_uitgezogen Javanen_, _vertrapte sinjo's_, enz. enz. aanmerkelijk
wijzigen. Zij zou mij meer dan ooit een vriend van den Javaan maken;
doch mij tevens doen inzien--'t geen trouwens alle redelijke liberalen,
die van onze koloniën _locale kennis_ bezitten, zonder welke niemand een
oordeel vellen _kan_, met mij zullen instemmen: dat men niet dan
trapsgewijze en met de uiterste omzigtigheid mag overgaan tot 't
verspreiden van Westersche vrijheidsbegrippen onder Oostersche
natuurkinderen; en tot 't opwekken van nieuwe, misschien onbevredigbare
behoeften, bij lieden, die op aarde niets hoogers wenschen, dan 't geen
elk gematigd bewind hun zal toestaan: volop _rijst_ en _rust_.--Maar dan
te meer, roept men, wordt 't tijd, dat volk van uit zijn dierlijke
_rust_, door beschaving tot hooger welzijn op te doen waken!--Zeker, dat
moet ons aller streven zijn. Doch de ware liberaal ziet verder in de
toekomst dan tien of vijftig jaren: 't ver verleden is zijn school.
Ja--ééns zal ook de Javaan vrij wezen, en Christen: want, gelijk dogma
en slavernij, zoo gaan ook Christendom en vrijheid hand aan hand: de
geest van Christus die slechts vrijheidszin en humaniteit ademt, zal
alle volkeren doordringen: in dien zin zal 't wezen »één kudde en één
herder." Wij echter zullen dat niet beleven. Achttien eeuwen lang heeft
vrouw Europa geleden en gebloed--nog immer lijdt en bloedt ze, en voelt,
als een zwangere, haar lendenen beroerd door de woelingen van de groote
vrijheidskiem, waarmeê Jezus van Nazareth haar schoot bevruchtte; God
alléén weet, hoe ver nog de ure der verlossing verwijderd is. Achttien
eeuwen!----en wil men den Javaan in weinig jaren wijs en vrij
maken!--Men bedenke, dat alle vooruitgang onder 't levend geslacht
martelaren vordert, en eerst den kleinkinderen vrucht oplevert. Elke
revolutie kost stroomen bloeds. Men vermijde dan, zoo hier als in Indië,
alle geweldige overgangen. De Tijdgeest zal, ook zonder de bemoeijingen
van een kibbelende Volksvertegenwoordiging (?), op Indië zijn langzamen,
doch onweêrstaanbaren invloed uitoefenen.]
[Footnote 45: Rustbank.]
[Footnote 46: Gazen gordijn, om de muskieten te weren.]
[Footnote 47: _Tokèk_ of _tjekko_: een grootere muurhagedis; men
beweert, dat slechts de grootste exemplaren hun geroep zevenmaal
achtereen doen hooren.]