IV.

Den nacht daarop, droomde ik, als naar gewoonte.

* * * * *

En zie--ik droomde van den berg, wiens heerlijkheid den ganschen dag

mijn oog en geest had bezig gehouden.

* * * * *

Weêr zat ik op mijn knokigen Bucephalus; weêr bragt ik mijn heilgroet

den Slamat toe. En toen ik mijn »_tjelaka, tjelaka!_" uitgalmde--toen

hield geen domme jongen mijn strijdros in bedwang.--Maar ik vloog voort,

als op de wieken van den vogel Rok--met de witte rookzuil tot poolster

van mijn vlugt--opwaarts, immer opwaarts!

Ik doorkruiste de bosschen, die zich uitstrekken aan uw voet, o reus van

midden-Java; den tijger verstoorde ik in 't verslinden van zijn prooi,

den forschen _banteng_[66] streefde ik voorbij; den neushoorn heb ik

bespied, den loggen vorst der wouden, als hij afdaalde langs 't

zelfgegraven rotspad, om zijn dorst te stillen aan de koele wateren van

't meer Randjeng[67].

En verder ben ik gegaan. Ik heb de Zandzee doorloopen, die opvoert tot

uw spits.--Toen heb ik mij neêrgezet----

----En ik zag 't verre land uitgestrekt, zoo diep onder me--groen en

nevelig, bijna onzigtbaar. En verder nog, de groote zee, en de groote,

witte wolken.----En 't was me, als kende ik dat alles niet meer.----'t

Land verdween, en de zee, en de wolken.----Een bonte dwarreling sloot

mij de oogen; een zalig suizen, als van verwijderd snarengetokkel: een

symphonie van vedels en fluiten en cello's, klonk mij ruischend in de

ooren.----En ik voelde, en ik hoorde, en ik zag----

----Ik zag, in rozig schemerlicht, de bloeijende dreven van Mohammed's

Paradijs: hoog, hoog boven de blaauwe lucht--tot in de zevenden Hemel,

waar Allah troont, die waakt over de Kaäba, en goedig glimlacht over de

zaligheid van zijn zalige uitverkorenen. Ik zag de Hoeri's, in den

luchtigen tooi van een onschendbare maagdelijkheid, rustend, op purpren

avondwolkjes, aan de zijde der gelukzaligen. Ik zag, hoe ze den nooit

bedwelmenden wijn schonken, uit nooit ledige kannen; en hoe ze, brandend

van kuischen minnegloed, haar nooit vermoeijende kussen drukten op de

verjongde lippen der grijs gebaarde Moslem.

----Toen hoorde ik een lied, vierstemmig, wonderschoon, dat de Cherubjes

zongen, rond Allah's troon. En Salomo, de wijze, sloeg de maat, met

gouden dirigeerstok. David echter, in herderscostuum, moest den toon

aangeven, en den zang begeleiden met zijn onnavolgbaar harpspel.

----En mij dacht, als verstond ik de woorden van dat lied: als sprak er

één stem tot mij, onder al die stemmen: een stem van Israfil[68]--die ik

kende--en die mij opriep, mij, den ongeloovigen hond, om in te gaan tot

de vreugde der geloovigen.

----Reeds snuif ik den geur op van muskus en ambergris[69]; reeds breidt

me een zoete Hoeri, de schoonste der schoonen, haar mollige armen uit;

reeds sluit zich 't donzig wolkenbedje rond mijn leden; ik slorp met

volle teugen den eeuwenouden Cypruswijn;----ik smelt, mijn lippen

trillen, onder de warme omhelzing van 't eigen liefje des profeten----

----»nonna Flora", riep ik, terwijl ik haar aan mijn boezem

knelde--»nonna Flora, gij hier, onder de schaduwen van den

onverwelkbaren Lotus[70]! Op aarde, in Gang Patjenongan[71], heb ik u te

vergeefs gezocht--zal ik u hier, o zoete Pari-banou, de mijne mogen

noemen!--Kom mét mij, geliefde: we zijn beide nog te jong voor een

paradijs-leven; kom mét mij--laat ons afdalen tot gindsche bloeijende

aarde, en ons een tuiltje plukken in de wilde rozeboschjes van

Simpar[72]! Kom, o kom, veelbeminde nonna----!"

--------------------------------------------------------------------

Zoo gezegd, zóó gedaan.

De voorgenomen afdaling schijnt echter met zóó groote snelheid, en zóó

in strijd met alle natuurwetten te hebben plaats gehad--dat we, niet in

de rozeboschjes van Simpar--doch, nonna Flora, ik weet niet waar, en

ikzelf, in zeker bed binnen de _dessa_ Boemi-aijoe (Regentschap B...

Residentie X...) moet zijn teregt gekomen. Dáár ten minste vond ik mij

wakker, met 't angstig gevoel van iemand die een zwaren val heeft

gedaan.

Ik keek met verbijsterde blikken rond; en twee-driemalen moest mijn

jongen mij de nuchtere mededeeling herhalen: dat 't reeds zeven uur was,

en 't ontbijt mij wachtte.

Batavia. Junij, 1866.

[Footnote 66: Wilde stier.]

[Footnote 67: Een bergmeer, ter hoogte van 4500 voet.]

[Footnote 68: De Engel Israfil, wiens stem zangrijker heet dan van eenig

ander schepsel.]

[Footnote 69: Zie over de Hoeri's: Alkoran, Hoofdst. 56.]

[Footnote 70: Zie Alkoran, Hoofdst. 53.]

[Footnote 71: Een laan [of gang] in Batavia.]

[Footnote 72: Te Simpar [Res-Tagal] staat of stond, ter hoogte van ±

4000 voet, een vervallen _pasangrahan_, geheel omgeven door uitgestrekte

boschjes van rozestruiken, die zich daar in 't wild hebben

voortgeplant.]

Ontboezemingen · 第 57 / 83 题