I.

Triste exilé, sur la terre etrangère,

Oh, que de fois, que de fois, j'ai soupiré!!!

»_La Reine de Chypre._"

Hoewel mijn bleeke gelaatskleur en ingevallen wangen genoegzaam mijn

bewering staafden, dat mijn ongesteldheid me niet toeliet, den afstand

van veertig paal[17], die mij van Boemi-aijoe, de plaats mijner

bestemming, scheidde, te paard af te leggen--gaf echter de Resident van

X... voor, mij geen wagen, ja, zelfs geen bruikbare kar te kunnen

bezorgen. Maar, hij wist beter raad;--hij, Resident, zou me zijn eigen

_tandoe_[18] leenen, van welken hij verzekerde, dat er onlangs nog een

Inspekteur der Cultures meê gereisd had. Ik kon dan op die wijs van de

hoofdplaats X... tot de _dessa_[19] M... vorderen, en, den volgenden

dag, mijn togt door 't gebergte naar Boemi-aijoe voortzetten.

Mij bleef natuurlijk niet over, dan, met een profusie van

dankbaarheidsbetuigingen, dit aanbod, als een ongewoon blijk van

residentlijke welwillendheid, mij ten nutte te maken.

Tot afscheid kreeg ik Van Zijn-Hoog-Edel-Gestrenge een klammen

vingerdruk en een genadig »goede reis, meneer Gabriël!"--Toen begaf ik

mij terug naar 't logement, waar alras de bewuste _tandoe_, door een

paar gegalonneerde oppassers gedragen, verscheen.

Groote goden!--ik had me wel geen kostelijken, met satijnen kussens

belegden palankijn voorgesteld--maar zóó'n ding als die _tandoe_

was--zóó'n smerige bamboezen kooi, door spinnen en kakkerlakken en

_tjitjaq's_[20] bevolkt, met een rot atappen dakje overhemeld, en

gepikoeld door middel van een paar lange bamboe-staken----moest ik dáár

in!--Gelukkig zat er, op dat oogenblik, niemand in de voorgallerij, en

zou dus niemand mijn schande vernemen.

Uiterlijk dood bedaard, doch inwendig ziedend van verontwaardiging,

verzocht ik den oppassers, 't ding achter op 't erf te zetten; ik gaf

hun zelfs, met honingzoeten glimlach, twee kwartjes tot fooi, en

herhaalde mijn »_trima kassih banjak sama Toean

Rèsiden!_"[21]--Vervolgens liet ik _koeli's_ halen, en gelastte dezen,

op minder vleijenden toon, den reisstoel zo spoedig mogelijk tot een

paal ver buiten de stad te dragen, en dáár op mij te wachten: want 't

sprak wel van zelf, dat ik den _tandoe_ niet als tot mijn gevolg

behoorend wilde erkennen, vóór en aleer ik mij buiten den gezigtskring

van de bespiedende blikken der Europesche bewoners van X... zou hebben

verwijderd.--Had de Resident mij een »koopje" willen leveren?--Ik

geloof 't niet: de man was er te magtig en te statig toe: veel te

deftige kater was hij, om met een muisje als ik te willen spelen; maar,

in zijn grootheid meende hij, dat zoo'n _mode of conveyance_, die _ik_

alleen passend oordeelde voor een zieken ambtenaar der vierde-[22], ook

zeer gevoegelijk dienen kon ten profijte van een gezonden dito der

tweede klasse.

Na verloop van een half uur onderstelde ik, dat mijn _koeli'_s den

gewenschten afstand wel zouden achter den rug hebben. Ik betaalde mijn

rekening--want ook op Java doet men dat in enkele gevallen--en ontsnapte

door de achterdeur aan een nadere verklaring met de nu aan de

ontbijttafel vereenigde logeergasten; echter bleef ik niet gespaard van

de belangstellende onderzoekingen van een paar heeren, die

waarschijnlijk den _tandoe_ gezien hadden, en mij, met heel onnoozele

gezigten, vroegen, »waar mijn rijdpaard toch bleef, en of ik misschien

naar Boemi-aijoe ging _kuijeren_--?"

* * * * *

Ik liep dan langzaam, met mijn degenstok gewapend, en door mijn

Bataviaschen jongen gevolgd--die, N.B., wel zoo beleefd was, terwijl

_ik_ wandelde, _zijn paard_ bij den teugel te leiden--den weg bergwaarts

op.

De kom der weinige Europesche woningen had ik spoedig achter mij

gelaten. Doch de _kampong_[23] van X... is groot, en strekt zich

minstens twee paal ver zuidwaarts langs den straatweg uit; daarenboven

was er dien dag juist groote _pasar_[24], zoodat, ook buiten de

limieten van de _kampong_, nog immer de weg bezet bleef door een

aaneengeschakelde reeks van _warong's_[25].

Daar zie ik, tusschen al 't gejoel en gescharrel, mijn _tandoe_

voortbewegen; de _koeli's_ die ik spoedig had ingehaald, geven teekenen

van herkenning--doch ik stap doodleuk voort, alsof ik van geen _tandoe_

ter wereld afwist--: ik kon toch vóór de oogen van al die inlanders niet

in dat ding kruipen: zóó mogt ik mijn prestige als landsdienaar toch

niet weggooijen;--neen, ik was wel doodmoê, maar liever zou ik mij den

adem uit 't lijf loopen, dan op zóó ongehoorde wijs den zilvergeranden

pet te onteeren, dien ik, in mijn jeugdigen waan, voor de eerste maal op

't restje van mijn blonde lokken had gedrukt.--Maar nog altijd hield die

gevloekte _pasar_ aan, en digt op elkaâr sluitende gaarkeukentjes

getuigden van den eet- of snoeplust onzer Javaansche bevolking.

Eindelijk, ja--de breede _waringin's_[26] worden schaarscher langs den

weg, en mét de schaduw vermindert ook merkbaar 't getal der

marktventers; nog weinige minuten, en we hebben een punt bereikt, van

waar de weg, boom- en menschenledig, zich als een zonnige streep

tusschen 't groen der _sawah's_[27] verloor.--Hier zou ik instappen--'t

was hoog tijd ook: ik kon niet meer.--De _tandoe_ werd geopend, d. w.

z.; één der vier atappen matjes die de wanden vormden, werd omhoog

geslagen; een paar reusachtige spinnen werden verwijderd; de smerige

_tikar_[28], die de satijnen kussens moest vervangen, bedekte ik met

mijn regenjas----daar zat ik. De _koeli's_ schreeuwen en kibbelen een

poos, met de gewone vischwijfachtige gebaren, die den anders zoo kalmen

inlander eigen zijn, wanneer hij zichzelf of zijn makkers tot werken

aanmoedigt; daar tillen ze mij op----de _tandoe_ kraakt en waggelt, en

dreigt onder mijn ligten last te bezwijken----doch neen, 't evenwigt is

hersteld, de bamboezen _pikoelan's_[29] buigen gracieuslijk

door----voorwaarts gaat de processie:--mijn jongen aan de spits--als

adjudant te paard; dan 't achtvoetig gevaarte, waarvan ikzelf de

bezielende en betalende doch halfdoode kern uitmaak; ten slotte, bij

wijze van _straggler_, een kerel, die mijn geweer en _minoeman_[30]

zeult----al 't welk, door wolken stofs omstuwd, over den weg huppelt,

onder een piepend kraken, en met den eigenaardigen, elastischen pas, die

den tengeren Oosterling 't uren ver torschen van zware lasten mogelijk

maakt en vergemakkelijkt.

* * * * *

We waren slechts weinig schreden gevorderd, toen ik reeds bespeurde, dat

't loopen mij minder zou vermoeijen, dan zóó gedragen te worden.

Men verbeelde zich, dat de vier kerels die mijn _tandoe_ geschouderd

hadden, onderling in afmetingen ½ à ¾ kop verschilden, zoodat mijn arm

ligchaam, bij elken pas, een epicycloïdische beweging in de ruimte

beschreef, die mij zeker--ware mijn gestel niet tegen dergelijke

misselijkheden proef bevonden--allerjammerlijkst aan zeeziekte te

land[31] had doen lijden. Regtop zitten kon ik in mijn draagstoel niet,

daar ik, om tot die houding te geraken, mijn hoofd door 't atappen dakje

zou hebben moeten boren; terwijl ik bovendien gevaar liep, bij 't hevig

schokkend mouvement, mijn evenwigt te verliezen, en als een koffiebaal

in 't zand te buitelen. Regtuit liggen was mij eveneens onmogelijk,

nademaal 't hoog-edel-gestreng vehiculum slechts berekend scheen op den

vervoer van kinderen of personen beneden de militie-maat.--Bij al de

miljoenen van 't Batig Slot--ik had dien Inspekteur der Cultures willen

zien en uitteekenen, die op zóó'n wijs zijn tournée door de Residentie

X... heeft gemaakt!

Trots al deze ergernissen liet ik me wel een uur lang dragen. Maar, toen

we een kleine _kampong_ waren genaderd, waar ons van tijd tot tijd

voetgangers passeerden, en de vrouwen en meisjes nieuwsgierig in den

_tandoe_ keken, met moeite den schalkschen lach bedwingend, als ze mij

zagen, kreeftrood van warmte en vermoeidheid, wit bestoven, gehotst en

geklotst langs 's heeren weg, als een curieus beest uit 't rijk

Wolanda[32]--toen vond ik mezelf zoo ontzettend ridicuul, dat ik op mijn

voeten sprong, en----en, na een kwartieruur loopens, mij door de

gloeijende zonnehitte genoodzaakt zag, op nieuw den draagstoel te

beklimmen: vloekend en razend tegen de stomme _koeli's_, die 't niet

helpen konden; en tegen den almagtigen Resident, die niet bij magte was

geweest, zijn Ambtenaar een ordelijken wagen te bezorgen; en tegen den

ezel van een Gabriël, die naar Indie moest, om armoê te lijden, terwijl

hij 't t'huis zoo goed had.

Edoch, ook van murmureren heeft men spoedig den buik vol.

Een ferme teug wijn bragt mijn geschokten geest en nog geschokter

ligchaam een weinig tot rust; en een tweede dosis deed me zóó goed, dat

ik--o zoete, nooit missende tooverkracht van 't druivennat!--mijn

toestand haast intéressant begon te vinden. Ik dacht aan Haeffner, en

zijn Reize met den Palankijn. Ik vergeleek ook mijn positie met die van

mijn geliefden Don Quichotte, mijn Ridder van de Droevige Figuur, toen

hij, in de met ossen bespannen kooi, door zijne bezorgde vrienden werd

naar huis gebragt. Er was waarlijk eenige overeenkomst: de vernuftige

Jonker was er--hoewel ver van betooverd--; de kooi was er; de ossen

waren er--in de gedaante van _koeli's_--; slechts de priester en de

Barbier ontbraken--en, mijn bruine jongen Ketjiel, geleek bitter weinig

op den vermakelijken schildknaap Sancho Panza.--Zóó mijmerend, maakte ik

't mij in den _tandoe_ zoo gemakkelijk mogelijk: mijn hoofd vlijde ik

tegen een der harde houten stijlen, mijn beenen liet ik bevalliglijk

over den rand der draagkoets bengelen;--toen eerst gevoelde ik mij

gestemd, op 't mij omringend landschap een bedaard contemplerenden blik

te slaan.

Langzaam aan werd de weg schaduwrijker. Een opstekende zeewind speelde

door de breede bladeren der _Djati_-boomen; regts en links huppelde een

vrolijk beekje strandwaarts; en rondom strekten zich onmeetlijk de

_sawah's_ uit, slechts begrensd door de hoogere en lagere bergruggen,

die, als zooveel vingers van een reusachtige hand, zamenloopen in 't

groote middenpunt van den Slamat.----Ik tuurde en soesde;--en zóólang

tuurde ik over de groene rijstvelden, wier jong gewas zachtkens golfde

onder de spelende middagkoelte--en naar de palmboschjes, die hier en

daar een _dessa_ verhullen--en naar de hooge, omwolkte toppen der

bergen----tot een zalige dommeling mij de oogen sloot, die me, voor

korten tijd, _tandoe_ en _koeli's_, ja zelfs den gouden _pajong_[33], 't

vlugge vierspan, en den comfortablen reiswagen van den Resident deed

vergeten.

* * * * *

Ik werd uit mijn sluimering opgeschrikt door een schok, die me vrij

onzacht door de leden voer.--Ik zie opwaarts--daar is 't atappen dakje

van mijn _tandoe_; ik zie omlaag--daar is de grond;--maar, niet de grond

op den, ons menschen, als 't hoofd omhoog dragende wezens 't toegemeten

afstand van vijf à zes voeten--neen, vlak onder mijn facie, op geen

handbreedte van mijn neus, zie en ruik ik de moederaarde. Was de

slangenvloek aan mij vervuld; of zou ik, niet ongelijk aan een tweeden

Nebucadnezar, stof in plaats van gras orberen?--O neen: mijn zorgzame

_koeli's_ en jongen hadden doodeenvoudig goedgevonden, aan de

wijdberoemde _warong_ te L... (want tot binnen die _dessa_ waren we

gevorderd), hun middagmaal te gebruiken: 't was 't achtste of negende

dien dag; en hadden, zonder eenige ruggespraak, en zonder een

voorafgaand inwinnen van hoogstdeszelfs consideratiën en advies--den hun

toevertrouwden civiel-gezaghebbenden last op den platten grond

neêrgezet.--_Qui dort, qui mange_, hadden ze gemeend.

En ik----daar zat ik--met mijn Radikaal, mijn diploma A en mijn diploma

B, mijn land- en volkenkunde, mijn natuur- en scheikunde, mijn

Mohammedaansch Regt, en mijn Regerings-Reglement! Daar zat ik: mijn

geëxamineerd brein slechts van 't lage stof gescheiden door den bodem

van een smerig bamboe-getimmerte; aan de willekeur overgelaten van een

troep schurftige _koeli's_, met wie ik, ondanks mijn Roordasche

taalgeleerdheid, geen _boe_ of _ba_ Javaansch kon wisselen--: ik, de

accurate vertolker van Mawerdi, de _amor et deliciae_ van 't Maleisch

college; de man, die 't onderscheid wist tusschen den Javaschen en den

Sumatraschen rhinoceros; die de huislijke hebbelijkheden van Dajaks en

Batta's beter kende, dan van zijn eigen ooms en tantes------daar zat ik!

En, o, regtschapen Hollandsche ouders en voogden; o, groote Professor

Keijzer; en gij, vlekkelooze, nooit volprezen maagdentrits van Delft's

trouwlustige schoonen--waarom hebt gij mij niet _zien_ zitten, toen ik

daar zat: opdat met één slag ook uw illusiën mogten in rook zijn

opgegaan, die ge met mij, in den geloovigen eenvoud uwer harten, vormdet

omtrent de glorie en de heerlijkheid van een _Ambtenaar bij die

burgerlijke dienst in Nederlandsch Indië_--!

[Footnote 17: Een paal is ongeveer twintig minuten gaans.]

[Footnote 18: Draagstoel of palankijn, in den meest primitieven vorm.]

[Footnote 19: Dorp, gemeente.]

[Footnote 20: Kleine muurhagedis.]

[Footnote 21: »Grooten dank aan meneer den Resident!"]

[Footnote 22: Zóó bestempelen onze Javasche humoristen de inlandsche

dwang-arbeiders of kettinggangers.]

[Footnote 23: Afzonderlijke, door inlanders bewoonde wijk.]

[Footnote 24: Weekmarkt.]

[Footnote 25: Gaarkeukens of snoeptafeltjes aan den weg.]

[Footnote 26: Een schoone, breedgetakte boom.]

[Footnote 27: Natte rijstvelden.]

[Footnote 28: Van biezen gevlochten matje.]

[Footnote 29: Draagboomen.]

[Footnote 30: Dranken.]

[Footnote 31: Op menschen, wier hoofd en maag niet van de sterkste zijn,

heeft een wandeling per palankijn, (zoo ook een ridje op den rug van een

kameel) dezelfde uitwerking als een pleiziertogtje op de Zeeuwsche

stroomen.]

[Footnote 32: Holland; van 't Portugeesch _Olanda_.]

[Footnote 33: Zonnescherm, 't welk, al naar gelang van de kleur, de

waardigheid aanduidt van hem, boven wiens hoofd 't gedragen wordt.]

Ontboezemingen · 第 54 / 83 题