(EEN FRAGMENT UIT GABRIËL'S DAGBOEK.)
Triomf!--Storm, waar is uw prikkel--zee, waar zijn uw
verschrikkingen!----We zijn Scylla en Charybdis te boven gekomen.--De
woeste Kaapsche wateren hebben we ver achter ons gelaten; St. Paulus en
Amsterdam vlogen we als in een nevel voorbij. Reeds is de
Steenboks-keerkring gepasseerd; ten tweeden male--en nu voor
goed--koestert en zengt ons een tropische zonnegloed; nog weinig honderd
mijlen--en we zullen 't land bereikt hebben----'t vette land der
belofte, 't onuitputbaar Gosen, waarheen onze wenschen ons
vooruitvliegen, als die van Jason naar 't goudbelovend Colchis!
* * * * *
Wederom was 't morgen geweest, en middag geweest--de
honderd-negen-en-veertigste dag.--Acht glazen--vier uur--zijn zoo even
geslagen. We hebben dus, vóór 't eten, nog een uur den tijd.--De
bitterglazen en domino-steenen zijn uit de kerk weggeruimd, om plaats
te maken voor een tafellaken, dat niet kwalijk begint te gelijken op een
schoolkaart van den Oost-Indischen archipel--: een groote bessesapvlek
kan gevoegelijk Borneo voorstellen; terwijl een graskleurige streep
daaronder--waarschijnlijk 't praecipitaat van een bordje snert--een niet
onjuiste voorstelling geeft van Java's onverwelkbaar groene dreven.
't Is mooi weêr; en de bitteraars, die mét hun glaasjes zijn geamoveerd,
klauteren naar boven, om hun liefelijk blozende oliekopjes een weinig
aan den frisschen Passaat-wind af te koelen.--Ons schip loopt zes
mijlen. Een prachtige namiddag-zon verguldt de vrolijk huppelende
golfjes van 't azuren diep; scharen van wiegelende visschen schieten op
vóór den boeg; de ligte zeezwaluw volgt fladderend ons pad, en scheert
de glanzende luchtbellen in 't borrelend kielwater.
Doch al de wonderen dezer lagchende natuur zijn niet bij magte, onze
reizigers doof te maken voor de stemme, die, roepend in hun binnenste
als een wachter in den nacht, hen, onverbiddelijk waarschuwend, er aan
herinnert: _dat 't etenstijd wordt_.--Hier hangt er een over de
verschansing, of rekt zich uit aan een touw; dáár steekt men een sigaar
op--maar 't rooken smaakt niet: want men heeft honger; ginds kijkt men
op 't horloge van den stuurman----nog twintig minuten!--maar dat 's een
eeuwigheid!--Eindelijk valt men, geeuwend en half flaauw, op een bank of
vouwstoel neêr, om, in magtelooze gelatenheid, de bestemde ure af te
wachten. Gedurende die periode van algemeene smachting kan men
gesprekken van 't volgend karakter beluisteren:
Mevr. A. 't Is toch waarachtig geen manier van doen--dat late eten!
Mevr. B. Dat zeg ik, mensch--ik weet niet hoe 'k 't nog uithoû, op den
duur!
Mevr. A. En als ze je dan nog maar een boterammetje gaven, zoo 's
middags bij de koffie!
Mevr. B. Juist, dat waren wij altoos gewoon t' huis.