Mevr. A. Dat spreekt--in een burgerhuishouden----

* * * * *

Dús verwonderen die dames zich beiden, dat ze nog, bij zóó'n

onmenschelijk dieet, 't leven hebben gehouden; en raken 't bovendien

vrij wel ééns: dat blikjesvleesch toch niet halen kan bij een versche

kalfslende; en dat er toch maar niets gaat boven een deftigen burgerpot.

Wij intusschen, Josua, Judocus en Gabriël, houden ons op een andere

wijze bezig. We gaan voorop, om den Bootsman en 't volk wat in den weg

te loopen; of--wat we liefst doen--we slepen den Doktor meê naar ons

tusschendek, en zetten hem er even nog een paar brommen in: zoodat de

rampzalige meestal te laat en met een besoesden kop aan tafel komt, als

wanneer hij achterlijk blijft in zijn pligt van voorsnijden, en zich

ziet blootgesteld aan de verwoede blikken van den Kapitein;--trouwens,

waartoe dient dan ook de vertegenwoordiger der faculteit aan boord,

indien 't niet is, om de gezondheid van de hem toevertrouwde leeken door

genoegzame en tijdige voeding te helpen in stand houden--!

Daar luidt eindelijk de etensbel. Ieder staat op, en beweegt zich

langzaam, uiterst langzaam--om zijn al te sterk verlangen niet te

verraden--naar den welvoorzienen disch.

Welvoorzien--ja: want we hebben onzen dag bij uitstek goed gekozen. 't

Is feest heden, dubbel feest: 't is Zondag, en de Majoor is jarig. Spek

en pekelvleesch vullen slechts enkele schoteltjes;--de damp van

wildbraad geurt ons tegen!--Van de soep maakt niemand veel werk, want

elk is belust op de dingen die komen zullen. Naauwelijks is dan ook die

kost naar binnen gewerkt, onder 't welbehaaglijk slobberen dat steeds

aan 't genot er van schijnt te moeten verbonden zijn--of, ja--'t is geen

zinsbegoocheling, geen _deceptio visus_--: de feestschotels vertoonen

zich aan de kim--ze naderen--ze worden opgedragen!

Ziet die gans, gister nog snaterend in 't vol besef harer deftigheid, en

in de zoete herinnering aan Brennus en 't gered Kapitool--ziet haar, hoe

ze nu prijkt, ontdaan van dons en schachten, in al den glans van een

bruingebraden opperhuid, in al de heerlijkheid van haar besausde

ledematen!--Ze wordt ontleed; ze wordt den Kapitein aangeboden.--Eén

boutje voor hem; één boutje voor de dame die naast hem zit.--Ze gaat

verder; vier personen hebben den schotel laten passeren: vier boutjes

zijn er van verdwenen.--Hoe jammer, dat zoo'n beest niet, als een

Briareus onder de ganzen, tien pootjes en tien vlerkjes heeft--dan

kregen we ieder wat!--Na nog eenige aanvallen te hebben doorstaan, komt

ze bij ons--bij ons, jongeluî aan 't lagereind;--dáár is ze--hemel, we

erkennen 't schepsel niet! Doktor, gij die ze gedecoupeerd hebt--we

vragen u, wáár is de bruingebraden epidermis, wáár zijn de besausde

vleeschheuvelkens? Spreek, beschonken zoon van Hippocrates--is dat een

gans, een eetbaar gevogelte?--Een rif is 't, een naakt _memento mori_,

dat, zonder twijfel, uitnemend geschikt mag wezen, om te dienen tot

onderzoekingen betreffende 't beengestel van wijlen de occupante--doch

geenszins, om een hongerige maag nieuwe stof tot vermaling te bieden!

Maar we protesteren--we wijzen 't scherminkel van de hand!--Mijn vriend

Josua verheft zijn stem, spreekt van gelijke regten, en roept den

hofmeester; Judocus slaat ook aan; zelfs Gabriël--de gelijkmoedige

Gabriël, in bedeesdheid een tweede Joseph: »_schüchtern wie ein

Lamm_"--waagt 't, een woordje op zijn pas meê in te brengen.

Nu--dat de eerste honger gestild is, begint de wijn rijkelijker te

vloeijen; ook Doktor en Stuurman zien zich, van wege den jarigen Majoor,

een extra bierglas ingeschonken. De supplementaire geregten zijn

verslonden; door 't aanvoeren van enorme hoeveelheden »Jan in den zak"

is men er in geslaagd, de kinderlijke kreten der jeugdige sinjo-tjes en

nonna-tjes voor een oogenblik te versmoren. Straks wordt 't nageregt

opgediend, en--onder 't orberen van muffe amandels en steenharde

stoofappels, vangt 't gesprek aan eerst regt levendig te worden.

Wat er daar boven wordt afgehandeld--we weten 't niet; en slechts uit

enkele, ter loops opgevangen, met keukenmaleisch doorspekte rededeelen,

meenen we te mogen opmaken, dat sprekers zich ten doel stellen, de

voortreffelijkheden der Indische keuken boven de Nederduitsche in een

helder daglicht te plaatsen--welk een-en-ander hen niet belet, aan deze

laatste de noodige eer te bewijzen.--Maar, aan 't benedeneind, achter

den bezaansmast, wordt druk gebabbeld--en gelagchen. Laat ons hooren,

of, 't geen de algemeene hilariteit zóó opwekt, ook in staat is, ons,

zwartgalligen stoïcijntjes, een onwilligen glimlach van de lippen te

persen. Bezweren we echter allereerst den toorn van hen, die zich aan

een hoogst frivole en kinderachtige woordenwisseling zullen ergeren,

door hun de verzekering te geven: dat we _citeren_.

* * * * *

Hr. Josua. Wel, Keetje, kind--wat kijk-je nijdig van daag!--scheelt er

wat aan?

Nonna Keetje. Och, kijk naar jezelf! Wat zou er aan me schelen!

Hr. Josua. Nu nu--niet boos worden, hoor--anders raakt 't af met ons.

Hr. Judocus. Ja, en Jufvrouw Coba ook. Zeg, Jufvrouw Coba, hoe heb ik 't

met U?

Nonna Coba. Och kom, laat me met rust!

Hr. Judocus. Cobaatje, denk er aan--: morgen moet je geslagt worden--je

bent nu vet genoeg, en 't laatste biggetje is er geweest.

Nonna Coba. Wat maal-je toch--slagt jij jezelf!

Hr. Josua. (Presenteert haar een rotten appel.) Jufvrouw Coba, mag ik U

dat zoo maar 'reis ter hand stellen--dat 's nu je galgenmaal.

(tot Keetje.) Hier, Keetje--vouw mijn servet 'reis op! (gooit haar 't

servet naar 't hoofd.)

Nonna Keetje. (Smijt 't servet terug.) Ik dank je--doe jij 't zelf!

* * * * *

Deze laatste weigering geeft den Hr. Josua 't regt, om, bij wijze van

_représailles_, der beide jonge dames een hagelbui van notedoppen,

appelschillen en dergelijke om de ooren te smijten--alles tot groote

verontwaardiging van Emile, den adjunkt-hofmeester, »die over al die

_vuiligheid_ dagelijks den nek breekt." De Hr. Judocus--»o

diepstgevallen Simia!"--trekt een schalksch gezigt, en volgt 't

loffelijk voorbeeld.

Algemeen kruisvuur van beide kanten.

De Hr. Gabriël ergert zich, en--tot 't uiterste gebragt door 't

schreeuwen van 't kind Josephientje--staat hij op, en verlaat met

Aballinische schreden de zaal, »_l'oeïl morne et la tête baissée._"

Projektielen van allerlei karakter en afmetingen verduisteren de lucht.

Groot gelach en vreugdegejuich. Men hoort 't vloeken der hofmeesters, 't

knappen van lucifers, en 't aansmakken van sigaren. De kajuit vult zich

met wolken rook.

De verwarring wordt algemeen; de chaos hernieuwd; groote _mutatio

rerum_. Te vergeefs roept de Kapitein allen tot de orde van den dag.

Elkeen begrijpt dat de positie onhoudbaar wordt. Men begeeft zich

joelend en stoeijend naar boven--_sauve qui peut_!

De Hr. Josua speelt voor clown, en vertoont guitestreken, die een

Panurge zouden beschaamd laten. De Hr. Judocus windt zich op, tot

galantzijn toe. De meisjes houden beiden voor den gek.

Gabriël, daarentegen, en nonna Flora, hun hoog dichterlijken aard

getrouw, zetten zich op een rottingstoel, en slaan de oogen hemelwaarts,

of laten ze aan den horizon dwalen--westelijk, noord-westelijk--waar

Holland ligt. Zij zuchten, keeren zich af van de kinderlijke spelen

hunner natuurgenooten, en, aller aardsche genoegens wars, verzinken

beiden in een sympathetischen dodder, waaruit ze niet verrijzen, vóór de

thee hen op nieuw tot hun sublunarisch bestaan terugroept.

Maart, 1866.

Ontboezemingen · 第 50 / 83 题