Om den Zuid zeilen we--en onze bark zeilt goed!
Als een wiek neigt ze zich naar den magtigen adem; vlug, als de vrolijke
dolfijn, schiet ze op en af de toppen der golven; met zachten, snellen
gang glijdt ze voort; ze lacht met de rollende waterheuvels, en kroont
de berghooge[12] baar, die dreigde haar te overstelpen.
De zon neigt onder; en aan de westelijke kim, waar ze haar stralen
voortschiet, als lichtbundels van achter den gulden rand der donkere
stratus--tintelen de verre golftoppen van schitterend groenen
goudglans.--En zonderbare wolkengroepen rijzen op, voortgedragen door
den wind die van de Pool blaast: koppen van reuzen die elkaâr vervolgen,
monsters en draken die heenspoeden naar 't gebergte Kaf. Zij wisselen
van gedaante, en pakken zich zaâm tot magtige gevaarten, of spreiden
zich tot fijne vederstrepen, of wollige schaapjes.--Nog even vertoont
zich de vurige zonneschijf boven den horizon, en overgiet de schuimende
wateren met den laatsten hellen purperglans des daags. Dan, als ze is
weggedoken, kleurt ze nog met duizend tinten 't jagende, stormende
wolkenheir.--Hoe vormen zich bogen en gouden poorten; heuvelen doemen op
en boomgroepen, gestalten van lusthoven en kasteelen----als met
geesteneilanden bevolkt zich de horizon! Wat wisseling van kleuren: hoe
smelten blaauw en groen en geel te zamen, tot oranje en purper en
bloedrooden gloed!--Zachtkens doet de schemering de vurige groepen
verbleeken;--nog slechts stervend teekenen zich de rozige tooverbeelden,
zich oplossend in 't nachtelijk graauw;--een donker, bloedkleurig waas
zweeft als een sluijer over den oceaan, en dekt als een rouwfloers de
ongetemde, hoogslaande zeeën, die opschieten, half nog glorend in den
schijn van 't bleekend avondrood, half reeds lichtend met den
electrischen glans van haar spattend schuim.
We zeilen om den Zuid--en onze bark zeilt goed!
Waarom klopt dan ons hart van een vreemde siddering, die we nooit
kenden--? Is 't angst die ons vervult, bij 't aanschouwen van de woeste
wateren--? Of, doet de Zuidewind ons rillen, als hij zijn somber lied
ons voorzingt, in luide, klagende toonen--?
Neen--maar de Bootsman vertelt sprookjes.
We hebben even geluisterd; en 't was, alsof een stem ons in de ooren
klonk, anders dan die van den ruwen zeeman, den grijzen, grofgespierden
rob.----Zie, de matroos schaart zich óm hem; hij poogt te lagchen met 't
geen de Nestor opdreunt--maar hij kan niet: een ongekend gevoel doet hem
zwijgen. Hij, die spottend opklautert in den slingerenden mast, als de
zeilen wegslaan uit de lijken; als één misstap in 't duister, één
misgreep tusschen de natte, zweepende touwen, hem zal begraven, zonder
afscheid, zonder groet, in de woelende zee----hij siddert bij de
verhalen van den oude.
Ik was de man aan 't roer.--De nacht was guur en buijig; en de
opperstuurman, die de hondewacht had, vloekte en bromde in zichzelf--:
hij wist wel dat de reis slecht zou wezen. En ik wist 't ook: want 't
schip lag aan bakboord over, en de Kaptein had op Vrijdag willen
uitzeilen. 't Kon niet anders, of er moest ongeluk zijn op de reis.
De nacht was koud en stormig; de wind nam toe, en er dansten blaauwe
lichtjes langs 't ijzer van ra's en stangen.
Opeens--zie ik iemand naast me staan, aan lijkant van 't roer; en ik
voel, hoe 't rad me wordt omgedraaid in de vuist, dat we drie streken
zuidwaarts loopen buiten den koers.--'k Zeg: »hé, stuurman, wat nou!"
Want ik meende dat hij 't was.--Maar toen ik weêr keek, was de maat
verdwenen, en de Stuurman zat rustig op 't kippenhok.--Toen schrok ik,
en ik vroeg: »Stuurman, heb-je niets gezien?"--Maar hij zeî: »Piet, je
droomt--hoû je zeilen vol!"--Zoo stond ik een poos, en dacht er over,
hoe een mensch zich dingen kan inbeelden----toen ik weêr een ruk voel
aan mijn roer--en weêr zie ik iemand, een zwarten kerel, dáár, naast
me,--die Zuidelijk wendt.--De Stuurman ziet hem ook; hij schreeuwt:
»wiedaar?"--Geen antwoord. Hij komt op hem af; maar de vent verdwijnt in
't duister.--Toen sloeg ons de schrik in de beenen: »Stuurman, droom ik
nog?"--»Neen, Piet, ik ga den Kaptein roepen."--»Stuurman, blijf
hier--'t is de booze--ik kan niet alleen zijn aan 't roer--straks komt
'ie weêr!"----En, God--daar was 'ie: voor de derde maal zag ik hem; hij
wringt me 't rad uit de knuisten, en stuurt Zuidelijk, Zuidelijk, met
bovenmenschlijke kracht.--Een vloek, een bezwering, een woeste
greep----maar hij belacht ons, en laat ons alleen.
Toen heeft Stuurman de wacht geroepen, en den Kaptein uit kooi gehaald,
en alle man op 't dek: want we waren verschrikt; en 't werd noodweêr,
noodweêr! De wind nam toe, en immer dansten de blaauwe lichtjes langs 't
ijzer van ra's en stangen.
Naauw stonden we zoo bij elkaâr, de Kaptein en al 't volk--of één
schreeuwt er: »een schip, een schip!" En 't _was_ een schip, dat oprees,
als een lichtende vlek, aan den zwarten horizon.--Hemel, hoe vreemd; 't
is of de golven hem niet deren;--hij breekt ze, en snijdt in den wind
op;--hij vliegt, als door geesten gedreven! Ziet, hoe hij flikkert met
blaauwen weêrschijn!--Wat zonderling tuig, wat licht aan boord--een
schip van vuur--wee, als _hij_ 't was!--Hij nadert----hoort hoe 't loeit
en giert;--de storm verdubbelt;--ons vaartuig botst en stoot en
stampt----»Ohee, óm je roer!"--Heer Jezus, hij loopt op ons in!--»Schip
vóór, ohee----schip vóór--óm je roer--ohee----!"
Daar kraakt en dreunt 't in onze kiel; en een schok smijt ons
overzij--een schok, als was de wereld gespleten!--Een stortzee ploft
over ons, bruisend en donderend----en in 't huilen van den storm,
verliest zich de doodskreet van twintig arme kameraden----
* * * * *
Zóó vertelt de oude Bootsman.
En als hij opstaat, om een pijpje aan te smakken--volgen hem allen naar
de warme kombuis, waar een oorlam hen sterken zal tegen de malle
sprookjes van den ongeluksvogel.
Ik echter, sta nog lang aan 't want geleund.--En 't is, alsof 't mij
toefluistert uit de diepte, van wonderlijke avonturen, van schepen die
gebleven zijn--men weet niet hoe of waar; alsof de wind mij legenden
meêbrengt, van 't woeste Eiland der Bekommering--[13], en uit de verre
streken van 't eeuwig ijs:--legenden, uit een wereld zoo koud en
stormig: een spokende waterwereld.
* * * * *
De nacht is gevallen. 't Kleurenspel der ondergaande zon is uitgewischt
van den hemel; en de bewogen spiegel der golven weêrkaatst 't bleeke
licht van den Melkweggordel.
Plegtig rollen de hooge zeeën. Orion en 't Kruis flonkeren aan den
wijden boog. Als geniën van den storm zweven de witte Albatrossen[14],
de gieren van den Oceaan, de hongerige lijkbezorgers van den
drenkeling.--En zie, vurige strepen schieten door 't water: ze volgen
ons, en halen ons in van alle kanten!--'t Zijn Bruinvisschen, goede
vrienden, die hun breeden rug ons leenen zullen, en ons dragen in den
veiligen Pyraeus, als ons schip wegzinkt in de diepte[15]. Zij duiken
op, paarsgewijze, en schijnen, met sierlijk luchtige sprongen, de
beweging der golven na te bootsen;--wind voorspellen ze--nog meer
wind![16]
Maar wij vreezen niet. Op God vertrouwen we, en op onze sterke kiel, en
op ons gunstig gestarnte!
We zeilen om den Zuid--en onze bark zeilt goed!
43° OL. 46° ZB. Februarij, 1866.
[Footnote 11: 't Hier volgend sprookje van den Bootsman heb ik een
Scheepskapitein voor _waar_ hooren vertellen, als zijnde een dergelijk
voorval een vriends-vriend van een zijner kennissen overkomen, die met
een zwaar gehavend schip te Port-Louis had moeten------binnenloopen--:
»_Im Lande der Chinezen
Bin ich niemals gewesen,
Doch hab' ich einmal Ein' gekannt_", etc.
Zóóveel is zeker, dat 't romantisch en somber karakter der wateren rond
en bezuiden de Kaap wel geschikt is, den zeeman aanleiding te geven tot
't hechten aan velerlei bijgeloovige begrippen. Dáár is de matroos,
dubbel voorzigtig; daar is 't einde der wereld: zuidelijk de onbekende
poolzeeën, oostelijk en westelijk de beide groote oceanen, noordelijk de
woeste Kaapkust, de ongastvrije zetel van den stormgod. Dáár is 't
gebied van dat spook der spoken, 't schrikkelijkst dat ooit de
menschelijke fantasie uitdacht: den Vliegenden Hollander. Alles spreekt
dáár van dood en verderf: 't eeuwig rollen der hooge zeeën, de
aanhoudende wind, de plotseling opstekende buijen, en 't eigenaardig
fantastisch aanzien der wolkengroepen »om den Zuid", houden de
verbeelding gaande, en geven aan 't geheel iets wilds en
verschrikkelijks. 't Is of de demon dier wateren, door de Camoëns
bezongen, nog altijd, als in de dagen van Vasco de Gama, zich verzet
tegen 't omzeilen van den hoek, dien hij als uitpaal tusschen Oost en
West schijnt gesteld te hebben.]
[Footnote 12: Golven van 30-40 voet hoog en van 300-400 voet lang, zijn,
bij de heerschende N. W. en Z. W. winden, in 't zuidelijk gedeelte van
den Indischen oceaan geen zeldzaamheid. Men zie de opgaven in de
»Onderzoekingen met den zeethermometer enz. uitgegeven door 't
Meteorologisch Instituut te Utrecht." Pag 92.]
[Footnote 13: Kerguelens-land, of, 't Eiland der Bekommering.]
[Footnote 14: De albatros is een vogel, die slechts in 't zuidelijk
halfrond, en zelden benoorden den Steenboks-keerkring gevonden wordt.
Th. Moore, in zijn »_Fire-worshippers_," verplaatst hem in de Persische
golf; dit is een dwaling, even als zijn beweren, als zou 't dier al
vliegend in de lucht slapen: de Albatros, gelijk alle van zwemvliezen
voorziene vogels, slaapt op 't water.--Onder de vele exemplaren die ik
zag vangen, was er één, die niet minder dan 18 voet vlugt mat.]
[Footnote 15: Dolfijnen en Bruinvisschen staan van ouds bekend, als den
mensch zeer genegen. Zoo heet Arion, de zanger, door een dezer dieren
gered te zijn. Zie: _Fables de la Fontaine, »le Singe et le Dauphin."_]
[Footnote 16: Geen vlugger, krachtiger visschen dan deze! Zij zwemmen
gewoonlijk bij troepen van 20 à 30, doch immer paarsgewijze. Met
ongelooflijke snelheid schieten ze door 't water, en springen, met
gelijke tusschenpoozen, twee aan twee, hoog en sierlijk boven de golven
uit. Ik zag ze, terwijl ons schip een elf-mijls vaart liep, in een
oogwenk ons inhalen en vooruitloopen.--De rigting waaruit zij naderen,
is, volgens de zeeluî, tegengesteld aan die van den komenden wind.]